Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1751 - 1759)

Slot Oostende

In februari 1751 wenden de chirurgijn Cornelis Steenaart, eigenaar van het Slot Oostende, en Leendert Corstanje zich tot het stadsbestuur. Corstanje zou als huurder op het Slot van Steenaart willen komen om daar paarden te stallen op voorwaarde dat hij daar ook kroeg mag houden. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter van de hand.

In juli 1753 geeft Steenaart het stadsbestuur te kennen dat hij zijn huis op de Grote Kade nummer 26 heeft verkocht aan zijn schoonzoon Jan de Coning. Dit op de voorwaarde dat hij zelf de scheerwinkel, die hij daar tot nu toe heeft gehouden, zal blijven doen tot de tijd dat zijn schoonzoon zijn proef als chirurgijn zal doen. Nadat hij op zijn Slot Oostende is gaan wonen, heeft hij de scheerwinkel en de chirurgie in het huis op de Kaay tot nu toe voortgezet. De dekens van het chirurgijns- en pharmacijnsgilde hebben hem nu echter gelast zijn scheer- en chirurgijnwinkel te houden op de plaats waar hij nu woont. Het is hem niet bekend dat daarvan ooit een ordonnantie voor het gilde is vastgesteld om zich daarnaar te richten.
Het stadsbestuur besluit de dekenen van het chirurgijn- en pharmacijngilde te gelasten Steenaart toe te staan om zijn scheerwinkel in het huis van zijn schoonzoon te blijven waarnemen, zonder dat daaronder zal mogen begrepen zijn de uitoefening van de chirurgie. Dit wordt Steenaart bij deze gelegenheid nadrukkelijk verboden.

Stadhuis

Stadsbode Van Ooyen verzoekt in 1751 toestemming om voor het bergen van zijn meubilair het gebruik van de kamer waarop de commissarissen van het landrecht in het Stadhuis hun vierschaar houden toe te staan. Het stadsbestuur overweegt dat in het bodehuis naast het stadhuis weinig vertrekken zijn. Hij krijgt het gebruik van deze kamer. De commissarissen moeten voortaan vierschaar houden in de gewone Vierschaar van het stadhuis.

Orgel Grote Kerk

In december 1751 overlijdt de orgelmaker Francois Moreau uit Rotterdam, 'welke den orgel jaarlijks op een tractement van tien ponden Vlaams gerepareerd heeft'. Het stadsbestuur besluit de zoon van de overledene, N. Moreau, op zijn verzoek aan te stellen om het orgel jaarlijks te herstellen.

Bank van Lening

In oktober 1754 blijkt dat een zekere Johannes Carolus Geers zich enige tijd in de stad heeft opgehouden met het repareren van horloges. Hij heeft zich niet ontzien om enige zakhorloges, die bij hem waren gebracht om schoon te maken, in de bank van lening te verpanden om daarna clandestien uit de stad te vertrekken. Het stadsbestuur overweegt dat die horloges zonder het vertonen van de bank- of nummerbriefjes, die waarschijnlijk door Geers meegenomen zijn, niet door de bankhouder aan de eigenaren kunnen worden teruggegeven. Besloten wordt Willem Koningswout, de houder van de Bank van Lening, te machtigen om de zakhorloges onder restitutie van de daarop beleende penningen en voldoening van de daarop staande rechten, over te geven aan degenen die kunnen aantonen daarvan eigenaar te zijn.

Straten en wegen

In maart 1751 komt ter sprake dat enkele jaren geleden het de landluiden is toegestaan om hun wagens en paarden op 'het Plein voor de Ganzepoort' te zetten. Het blijkt nu dat de op dit plein geplante lindebomen van jaar tot jaar achteruit gaan. Om 'zoveel mogelijk de cieraad van de stad te behouden' besluit het stadsbestuur het plein weer te doen afschutten.

Door de voortdurende regen, die bijna de gehele zomer van 1752 is gevallen, zijn de wegen en veel minder 'de menigvuldige derringgaten daar in' niet naar behoren gemaakt en aangevuld kunnen worden. Dit is tot groot ongemak van de voerlieden. Nu de wegen droog en bijna alle boven water liggen kan dit nu, in oktober, gebeuren. Een ieder wordt gelast om de derringgaten voor zijn weien of landen met groen rijs te laten maken. Binnen enkele dagen zal een schouwing van de wegen plaats vinden.

In augustus 1754 zijn enige schepen steen voor het repareren van de straten van de stad en het eiland besteld. Deze kunnen echter niet worden afgeleverd voordat van tevoren tot het uitvoeren van de steen vrijheid door het gouvernement te Brussel is verleend. Het stadsbestuur besluit de heer Van Haren, minister aan dat Hof, bij brief te verzoeken of hij zo goed wil zijn te bewerkstelligen dat aan Arnoldus Scheltus uit Brussel permissie wordt gegeven om drie à vier schepen straatsteen naar Goes te vervoeren.
Ook in mei 1755 wordt de heer Bacon, negociant te Brussel, verzocht om bij het Gouvernement permissie te verkrijgen voor de uitvoer van vier schepen straatsteen voor het eiland, te weten één schip in dit lopende jaar en de drie overige in het aanstaande voorjaar.

In maart 1758 deelt de heer Bacon uit Brussel mee dat, als de stad of het eiland voor dit jaar straatsteen nodig mocht hebben, het stadsbestuur hem dit dan dient te melden. Hij zal dan bij het gouvernement te Brussel de nodige vergunning voor de uitvoer aanvragen.
Besloten wordt de heer Bacon te verzoeken om het eiland voor het repareren van de straatwegen voor dit jaar te zorgen voor drie schepen, die samen 52000 straatstenen kunnen laden, en daarvoor bij het gouvernement van Brussel een paspoort voor de uitvoer te verzoeken.

Vesten

In 1759 vormen de stadsvesten een groot probleem. De stank die uit de vesten komt, veroorzaakt door de aanhoudende droogte en het aflopen van het water, is allerminst nog aan het verminderen. Veel meer is te duchten 'dat door het infecteren van de lucht de zaak zeer precidieus zal worden voor de stads ingezetenen'. Het stadsbestuur vindt het daarom van het grootste belang er alles aan te doen om dat te voorkomen. Na rijp beraad oordeelt het stadsbestuur het van de alleruiterste noodzakelijkheid om een groot gedeelte van de stads zoete vesten te laten delven en zuiveren. Er komt een publicatie in de couranten dat de aanbesteding van het baggerwerk zal plaatsvinden op 7 augustus. Het gaat om de vesten 'beginnende van den zeedijk strekkende tot aan de zoutkeete van de heer De Keijser'. Uit de aanbesteding van het uitbaggeren blijkt dat aannemer Andries Matthijssen uit Steenbergen het werk heeft aangenomen voor een som van ƒ 10.480.
Halverwege augustus wordt opnieuw een gedeelte van het uitbaggeren van de vesten aanbesteed. Nu gaat het om het gedeelte 'beginnende van de Oostpoort en voortgaande tot aan de derde boom van het Lijndraaiersdijkje'.

Stadspoorten

In maart 1754 klagen de drie poortiers van de stadspoorten over het misbruik dat al sinds enige tijd wordt gemaakt door bepaalde personen. Deze hebben zelf wel vrijstelling van het betalen van poortgeld, maar ze willen dat ook hun gezelschap van die vrijdom kan profiteren. De poortiers verzoeken het stadsbestuur nadere orders te stellen op het sluiten van de poorten, vooral in de vier wintermaanden.
Het stadsbestuur raadpleegt hierover het 'Reglement op het openen en sluiten van de stadspoorten', daterend uit het jaar 1666. Besloten wordt een nieuw reglement vast te stellen. Dit behelst onder meer de volgende bepalingen:

  • de poorten zullen 's morgens open gaan in januari om zes uur, februari om vijf uur, maart om vier uur, april om half vier, mei, juni en juli om drie uur, augustus om half vier, september om vier uur, oktober om vijf uur, november en december om zes uur;
  • de poorten zullen 's avonds worden gesloten in januari om vijf uur, februari om zes uur, maart om zeven uur, april om acht uur, mei, juni en juli om negen uur, augustus om acht uur, september om zeven uur, oktober om zes uur, november om half zes en december om vijf uur;
  • aan de poortiers zal moeten worden betaald door degenen die na het sluiten van de poorten komen: voor een paeton, speel- of andere wagen 12, voor een chaise 8, voor de voerluiden hun wagens komende geladen met fruit, mee of anders 8, voor haar paarden in de weide te brengen in- en uitgaan 6, voor een man met een vrouw op een paard in of uit te laten 6, voor een man of jongen alleen met een paard 6, voor ieder mens in of uit te laten 2, doch na het laatste klokslag van tien uur zal voor het vorenstaande aan de poortiers moeten worden betaald dubbel geld en dus voor een phaeton 2 en zo verder. Daarentegen zullen de heren van de regering met hun huisgezinnen vrij en exempt zijn, zo van het ordinaire als van het extra-ordinaire loon.
  • de poortiers zullen de sleutels niet uit het huis van de burgemeester opvragen voor en aleer de poortklok opgehouden zal zijn van luiden. Ze blijven gehouden voor het sluiten van de poorten enige malen klaar, luid en bescheiden te roepen, dat het daaromtrent kan worden gehoord.

Huizen

In januari 1751 proberen de stadsdirecteuren tevergeefs om 'de bleijk' (het zogenaamde groene weitje) aan de Ganzepoort en het daarbij staande huis dat voorheen heeft toebehoord aan Pieter Aitema publiek te verkopen. Hiervoor wordt echter niets geboden. Het stadsbestuur besluit daarna te proberen om het huis, inclusief de vergunning om daarin kroeghoudersnering te doen, onderhands te verkopen. Mahieu Rijkaart wil het huis aanvaarden, echter wel met een aanzienlijke vermindering van de daarop staande 200e penning.

Het stadsbestuur besluit het huis, dat niet anders dan met grote kosten ten laste van de stad zou kunnen worden gerepareerd, van de hand te doen hetzij met vermindering van de 200e penning hetzij met enige jaren vrijdom van deze belasting. Kennelijk gaat de overdracht aan Rijkaart niet door, want in februari rapporteren de stadsdirecteuren dat het huis aan Jan de Voet is verkocht op de conditie van vrijdom van de 100e penning voor vijftien jaar. Ook dan blijkt de bleekweide bij publieke verkoop niet verkocht te kunnen worden. Geprobeerd wordt de bleek uit de hand te verkopen. Maar in maart constateert het stadsbestuur dat, ofschoon daarover al onderhandelingen zijn gehouden, de bleek tot nu toe onverkoopbaar is. Het bleekveld wordt niet meer verpacht en ligt tot nadeel van de stad 'genoegzaam te drieste'. De directeuren krijgen toestemming om het bleekveld voor een zodanige som te verkopen als ze kunnen bedingen. Uiteindelijk kan 'de bleijk aan de Ganzepoort' in maart worden verkocht aan Quirijn de Lasabel voor 650 Carolus guldens.

David Patijn, wonende op de westschans, krijgt in 1752 vergunning om op de wal aldaar een zomerhuisje te zetten.

Er is deze jaren sprake van bouwvalligheid van oude, monumentale panden.
Zo dienen in 1754 Johannes van Loo en apotheker Ary Krekelenberg een rekwest in. Van Loo verzoekt vanwege de bouwvalligheid van het achterste gedeelte van zijn woonhuis 'de Bonte Osse', Grote Markt nummer 7, naast het apothekershuis ''t Paradys', Grote Markt nummer 5, van Krekelenberg, toestemming om een regeling te treffen voor de afbraak van een gedeelte en verbouw van zijn huis.
Johan van Thiel koopt het huis van Van Loo aan de Grote Markt

Ook het door Hendrik Kommerse bewoonde huis op de hoek van de Sint Adriaanstraat/Wijngaardstraat bevindt zich in 1754 in een zodanige slechte toestand en is zo bouwvallig dat het zonder het grootste gevaar niet langer kan worden gehandhaafd. Kommerse is geheel onvermogend om de renovatie van het pand te bekostigen of de 200e penning hiervoor te betalen. Het stadsbestuur besluit het huis op de best mogelijke wijze aan de man te helpen.

In oktober 1754 inspecteren de dekenen van het timmerluidengilde het bouwvallige huis op de hoek van de Beestenmarkt aan de Opril naar de Magdalenastraat. Het bovengedeelte is eigendom van de predikant Aegidius Stokmans en het onderste gedeelte van Harman van der Sluijs. De eigenaars worden gelast binnen acht dagen met de nodige herstelling van het bouwvallige huis een begin te maken.

In december 1755 constateert het stadsbestuur dat de waarschuwing van 7 november 1750 tegen het verkopen en zowel per week als anders verhuren van huizen aan vreemde personen niet naar behoren wordt nagekomen. Met het oog daarop wordt besloten tot wijkmeesters binnen de stad aan te stellen de buitenregenten van het arm- en weeshuis Pieter Ossewaarde, mr. Francois Nicolaas Keetlaar, mr. Willem van der Bilt en Johan Sautijn. Zonder hun toestemming zullen voortaan geen vreemdelingen, hetzij met gehele huishoudingen of particulier van wat plaatsen ze ook mogen komen, zich metterwoon in de stad of jurisdictie mogen vestigen. Dit op straffe van direct daaruit gezet en geleid te worden. Degenen die zich in de stad willen vestigen moeten een behoorlijk certificaat van de stad of plaats daar zij vandaan komen of laatst woonplaats hebben gehad overleggen. De wijkmeesters kunnen altijd de sterke hand te hulp roepen.

Notaris Frederik Roetering heeft in 1757 het huis 'Breda' aan de Grote Markt nummer 38 gekocht. Hij wil de achterste erve van het huis, dat de dijkgraaf Haverhoek onlangs heeft verkocht aan de weduwe van Jan van Halle, staande naast het eerstgenoemde huis aan de Grote Markt nummer 36, kopen met het oogmerk om dat erf aan zijn huis te annexeren en van het achterste keukentje een paardestalletje en wagenhuisje te maken. Het stadsbestuur verleent hem hiervoor vergunning.

In 1758 koopt Johannis Flodorp van Jan Doense diens huis en erve 'Het Gecroonde Bruytsbedde' aan de Oprel Grote Markt nummer 1. Tot meerder gerief zou hij graag een gedeelte daarvan aan de achterzijde aan het door hem bewoonde huis brengen. Hij krijgt toestemming voor deze uitbreiding van zijn huis op zijn achtererf.
Bouwvallig in 1758 is ook het huis van Jan Spelle, staande tegen de wal en trappen bij de Koepoort, geworden. Het is zodanig vervallen dat een gedeelte van het dak al is ingestort. Spelle is ten enenmale buiten staat om enige reparaties daaraan te laten doen. Het stadsbestuur machtigt de stadsdirecteuren met het huis te handelen zoals het tot het meeste nut en dienst van de stad is.

Jan de Fouw geeft in oktober 1758 te kennen dat hij informatie heeft dat de stad zich thans belast vindt met twee vervallen woonhuizen, staande aan de Nieuwstraat, bij of aan de zogenaamde 'Oude Bleijk'. Deze zijn het laatst gebruikt door wijlen Hubertus Bosdijk en zijn weduwe. Hij is wel genegen de stad van die last te ontheffen en verzoekt de eigendom aan hem over te dragen. Dit op voorwaarde dat hij die twee huizen in een behoorlijke staat van onderhoud brengt en vrijdom van de 200e penning krijgt. Hiervoor krijgt hij toestemming.

Verlanding vaarwater

In de vergadering van het stadsbestuur van 1 januari 1752 komt een door Adriaan Paardekooper, een van 's Lands inspecteurs, opgesteld plan ter tafel. Hij heeft daarop zijn gedachten weergegeven 'hoe het vaarwater voorbij het hoofd van de stad door het leggen van een dam, te beginnen van de Annapolder in Noord-Beveland over de Mosselbank naar het hoofd en van daar tot het bolbaken op de Schelde, navigabelder zou kunnen worden gemaakt'. Paardecooper heeft er een begroting bij gevoegd. Het stadsbestuur besluit deze stukken op de griffie te bewaren en daarvan bij gelegenheid het nodige gebruik te maken.
In november 1753 krijgen de stadsdirecteuren machtiging om een rijsdam aan het Oosterse Hoofd te laten maken, 'om daardoor beter te removeren de droogten die aan het Westerse Hoofd genoegzaam dagelijks aanwassen tot merkelijke incommoditeit met pericul van vaartuigen'.

Dreigende dijkdoorbraken

Op 4 maart 1752 staat het stadsbestuur uitvoerig stil bij de calamiteuze toestand waarin verscheidene wateringen in het eiland zich bevinden, met name de deplorabele staat van de watering van Ellewoutsdijk. De ingelanden zijn zonder geldelijke bijdrage niet in staat om deze naar behoren te beveiligen. De Goese gedeputeerden naar de statenvergadering zullen dringend pleiten voor het verstrekken van subsidie voor de reparatie van de watering bij Ellewoutsdijk. Het notulenboek vermeldt: 'waaraan niet anders dan met de uiterste ontroering kan worden gedacht. Bij de minste storm en daarbij komende hoge vloed is het te dugten dat die wateringe, als op de meeste plaatsen van rijs en steen ontbloot zijnde, niet langer tegen de woedende zee zal konnen resisteren en vervolgens tot irreparabel nadeel van de provincie en totale ruine van vele in- en opgesetenen tot een soutpoel moeten werden'.