Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1751 - 1759)

Stadsbestuur

Op de 2e januari 1751 deelt de baljuw Huibertus Eversdijk het stadsbestuur mee dat de Erfstadhouder, Prins Willem IV, in de plaats van de overleden raad en oud-burgemeester mr. Adriaan Isebree heeft verkoren tot lid van de raad mr. Adolf Westerwijk.
Binnen het stadsbestuur komen de gemaakte onkosten als gevolg van de vervulling van de vacature van raadslid door het overlijden van Isebree ter sprake. Besloten wordt de kosten van een dergelijke incidentele vacaturevervulling in rekening te brengen bij de nieuw gekozen raad, schepen of burgemeester. Alleen de kosten van de gewone magistraatveranderingen zullen ten laste van de stadskas blijven. Zo moet ook Adolf Westerwijk de thans gemaakte onkosten zelf betalen.

In april 1751 overlijdt het lid van de raad Adriaan Gort. De Erfstadhouder verkiest uit de hem toegezonden voordracht mr. Willem van der Bilt.
Er ontstaat nòg een vacature van lid van de raad. In juni 1751 vraagt Pieter de Vroe ontslag. Burgemeester Ossewaarde bedankt hem namens het stadsbestuur hartelijk 'voor de eer die hij genoten heeft soo geruime tijd met zijn weledele te fungeren'. Hij wenst hem alle heil, zegen en voorspoedige gezondheid toe. In de vacature benoemt de Erfstadhouder Johan van Thiel.
Bij de jaarlijkse verkiezing van een gedeelte van de magistraat wordt tot burgemeester verkoren mr. Pieter Parker en tot schepenen mr. Cornelis Keetlaar, Pieter Ossewaarde, mr. Johan Lodewijk Vogel, Johan Isebree en Hendrik Verstolk. De aftredende burgemeester Pieter Ossewaarde krijgt, als naar gewoonte, de functie van pensionaris-honorair.

De schepen Pieter Ossewaarde verzoekt in 1752 ontslag als lid van het stadsbestuur.
Op de nominatie plaatst het stadsbestuur als eerste mr. Daniël Canisius en als tweede mr. Cornelis Weksteen. De Gouvernante benoemt Canisius tot schepen.
Bij de jaarlijkse verkiezing in juni 1752 treden Cornelis Ossewaarde aan als nieuwe burgemeester en Francois de Keijser, mr. Jacob Dominicus, mr. Willem van der Bilt en Johan van Thiel als schepenen. De aftredende burgemeester Marinus Canisius krijgt de functie van pensionaris-honorair.
In december 1752 ontstaat er een vacature van schepen door de benoeming van mr. Johan Lodewijk Vogel tot rekenmeester van Zeeland. In zijn plaats komt Willem Vogel, heer van Steenvliet.

In maart 1753 overlijdt Pieter de Vroe, gewezen ontvanger van de ordinaire en extra-ordinaire statepenningen op de landen over een gedeelte van het eiland.
Bij de jaarlijkse verkiezing van een gedeelte van het stadsbestuur in juni 1753 worden verkoren tot burgemeester docter Marinus Canisius en tot schepenen mr. Francois Nicolaas Keetlaar, docter Cornelis Lopsse, mr. Adolf Westerwijk, Abraham Cras en docter Adriaan Isebree. De aftredende burgemeester mr. Pieter Parker blijft aan als pensionaris-honorair.

De oudgediende regent Francois de Keijser deelt in januari 1754 mee al geruime tijd wegens lichaamszwakheden buiten staat te zijn om de vergaderingen van het stadsbestuur bij te wonen. En daar hij bijna 70 jaar oud is denkt hij dat het niet beter zal worden. Hij voelt zich genoodzaakt 'van zijn raadsplaats, waarmee hij vanaf 15 december 1723 en dus over de dertig jaar vereerd is, afstand te doen'. Hij bedankt het stadsbestuur 'in het generaal en ieder lid in het bijzonder van herte voor soo veel weldaden en goedheden als deselve aan mij en mijne familie in dien tijd hebben gelieven te bewijsen, mitsgaders voor alle eer en vriendschap die ik van deselve, de eene meer en de andere min, heb genoten, hetgeen hij steeds in een dankbare geheugenis sal houden'. Hij wenst het stadsbestuur toe dat 'den God des hemels steeds voorsitter sij in derselver raadsvergaderingen en dat hij derselver personen, familiën als bedieningen begunstige met alle tijdelijke en geestelijke Zegeningen, vergenoeginge en voorspoed tot in lengte van dagen'.
De voorzitter bedankt hem voor de goede diensten die hij aan de stad heeft bewezen, 'wenschende dat het Gode behage denselven Zijnen milden Zegen en Ondersteuning in sijnen ouderdom nog lange jaren te doen ondervinden'.
Voor de vervulling van de vacature plaatst het stadsbestuur op de nominatie voor de Gouvernante Francois de Keijser junior en mr. Cornelis Weksteen. Al spoedig ontvangt de baljuw bericht dat benoemd is Francois de Keijser junior.

Bij de jaarlijkse verkiezing in juni 1754 wordt verkoren tot burgemeester mr. Pieter Parker en tot schepenen Jacobus Coomans, Willem Vogel, Francois de Keijser junior en Henry Verstolk.

In juni 1755 benoemt Hare Koninklijke Hoogheid de Vrouwe Gouvernante uit de toegezonden nominatie tot burgemeester Cornelis Ossewaarde en tot schepenen mr. Jacobus Dominicus, Johan Isebree, mr. Willem van der Bilt, Johan van Thiel en mr. Dignus Cornelis Keetlaar. De oudgediende schepen Jacobus Coomans verzoekt, 'wegens lichaamszwakheid weinig boven komende', ontslag als schepen van de stad. In zijn plaats komt mr. Daniël Canisius.

In 1756 vallen er verscheidene lege plaatsen van oudgedienden in het stadsbestuur.
In januari deelt mr. Cornelis Keetlaar mee dat 'hij de Eer gehad heeft nu ruim 25 jaren een Lid van derselver vergadering te wezen en dat hij gaarne gewenst had daar in te mogen continueren, doch dat desselfs naderende hooge jaren en andere lichaamsswakheden hem verhinderen om die post met dat genoegen als eertijds waar te nemen'. Hij verzoekt daarom ontslag van zijn raadsplaats. Tevens 'neemt hij de vrijheid sijne Familie in de gunstige protectie van haar Edelachtbaren te recommanderen'. De voorzittende burgemeester bedankt hem hartelijk voor zijn goede diensten aan de stad bewezen. Hij krijgt toestemming 'om zijn sitting in de kerken in de Regentenbank te blijven behouden'. Dit geldt overigens voor alle leden van de vroedschap die hun ontslag verzoeken.
Op 11 januari overlijdt de regerend schepen Willem Vogel, heer van Steenvliet. Vele jaren was hij baljuw van de stad. Hierdoor komen er een schepenplaats en twee raadsplaatsen vacant. Het stadsbestuur benoemt in de vacature van Keetlaar mr. Dignus Cornelis Keetlaar tot raadslid en in de vacature van Vogel Adriaan Jacob, Baron van Lijnden, tot raadslid en Quirijn De Lasabel tot schepen.
Bij de jaarlijkse verkiezing van nieuwe magistraatleden in juni 1756 benoemt de Gouvernante tot burgemeester doctor Marinus Canisius en tot schepenen Pieter de Keijser, doctor Cornelis Lopsse, mr. Adolf Westerwijk en Marinus de Meijer.

In 1756 doen zich ook wijzigingen voor in het personeel van het stadsbestuur.
Tot 10 januari 1756 zijn de notulen van het stadsbestuur bijgehouden door de griffier of opperklerk van de stad, doctor Johan Levendale. Vanaf dan wordt in een geheel ander, 20e eeuws aandoend handschrift verder gegaan, vermoedelijk door Francois Breekpot. De oorzaak blijkt op 14 februari 1756: 'dewijl de heer doctor Johan Levendale, door desselfs hooge jaren, de functie van Griffier of Opperklerk deser stad, met die vigilantie als voor henen niet kan waarnemen en haar edel agtbaren geinformeerd zijn dat denselven daarom niet ongaarn soude zien, dat hem daarin iemand wierde geadjungeerd'. Na overleg besluit het stadsbestuur een adjunct-griffier aan te stellen op de volgende condities:

  • de opperklerk Levendale zal blijven behouden de titel van Griffier en ten allen tijde toegang hebben tot de griffie;
  • Levendale zal in die kwaliteit blijven genieten de vrijdom van de 200e penning, op zijn huis staande, zolang dit zijn eigendom blijft;
  • alle baten, zowel van tractement als emolumenten, zullen tussen Levendale en zijn adjunct hun leven lang verdeeld moeten worden;
  • het ambtgeld dat jaarlijks aan den lande moet worden betaald, zal ook voor gemeenschappelijke rekening zijn en voor de helft door ieder moeten worden betaald.

Het stadsbestuur benoemt Francois Breekpot tot adjunct-griffier.
Tegelijk is, door het overlijden van Boudewijn Landschot, de functie van ondergriffier of klerk open gevallen. Het stadsbestuur vindt het van belang dat deze plaats zo spoedig mogelijk wordt vervuld en stelt in deze functie Johan Pieter Dassevael aan.

In november 1756 komt ter sprake dat sedert enige tijd op de gewone Vierschaar, die zowel op maandag als op woensdag wordt gehouden, weinig zaken te behandelen zijn. Het komt zelfs voor, inzonderheid op woensdag, dat de procureurs 'niets ter rolle te dicteren hebben of dat enige andere zaken te verhandelen zijn'. Daardoor zijn burgemeesters en schepenen dikwijls genoodzaakt om weer van elkaar te scheiden zonder iets verricht te hebben. Besloten wordt voorlopig alleen op maandag Vierschaar te houden. Wel is het aan de procureurs en een ieder toegestaan om, wanneer zich enige zaken van aangelegenheid of die geen uitstel kunnen lijden voor doen, 'zich aan de voorzittende heer in de Wet daarover te adresseren en op woensdag Vierschaar te houden'.

Bij de jaarlijkse verkiezing van een gedeelte van de magistraat in juni 1757 worden verkoren tot burgemeester mr. Pieter Parker en tot schepenen mr. Francois Nicolaas Keetlaar, Quirijn de Lasabel, Hendrik Verstolk, doctor Adriaan Isebree en mr. Johan van Thiel Jzn. Verder ontstaan er in 1757 drie vacatures in het stadsbestuur door het overlijden van oud-burgemeester Pieter Coomans, heer van Wemeldinge, op 3 oktober; van mr. Gillis Cornelis van der Nisse, heer van Nisse en Waarde, op 17 oktober, en van doctor Marinus Canisius, regerend burgmeeester en raad, op 5 december 1757. In deze vacatures wordt voorzien door benoeming tot leden van de raad van mr. Daniël Canisius, Jan Willem Boddaert en Marinus de Meyer en van Pieter Ossewaarde tot burgemeester.
Bovendien ontstaat er in december 1757 een vacature van schepen door het te Delft in verzekerde bewaring opsluiten van mr. Johan van Thiel. In zijn plaats wordt benoemd mr. Johan Boogmaker. De aanleiding blijkt uit het volgende. In november geeft Jan van Thiel senior te kennen dat zijn zoon mr. Johan van Thiel 'tot zijn hertgrievende droefheid enige tijd een seer los en onbondig leven heeft geleid en daarin sedert korte maanden sodanig is toegenomen, dat hij geduurighlijk omtrent middernagt en tegen het aanbreken van den dag is naar huis gekomen en laatst in de gepasseerde week sig verscheidene nagten en dagen aan elkander heeft geabsenteerd, welke verkeerde handel hij onophoudelijk aan sijnen soon onder het oog heeft gebragt, hem door vaderlijke vermaningen, beloften, bestraffingen en bedreigingen daarvan zoekende af te krijgen, dog alles tevergeefs, daarom hij in regtmatige bekommeringe is dat het brein van sijnen zoon thans soo zeer aan het hollen is, dat hij van quaad tot erger soude kunnen overgaan'. Hij verzoekt om zijn zoon binnen de stad Delft onder een verzekerd opzicht te laten brengen en houden.

Bij de jaarlijkse verkiezing van de helft van de magistraat in juni 1758 benoemt de Gouvernante tot burgemeester Cornelis Ossewaarde en tot schepenen mr. Jacob Dominicus, mr. Willem van der Bilt, Johan van Thiel en Francois de Keijser.
In december 1758 verzoekt mr. Francois Nicolaas Keetlaar van zijn ambt van regerend schepen ontslagen te worden. In zijn plaats wordt verkoren mr. Dignus Cornelis Keetlaar.

In juli 1759 geeft Francois Breekpot te kennen dat hij in 1756 is aangesteld tot griffier of opperklerk van de stad. Hij betoogt dat hij 'verscheidene reizen door hevige aanvallen van het podegra aangetast is en daardoor dikwijls buiten staat zijn beroep naar behoren uit te oefenen'. Dit is de reden dat het dikwijls voorkomt dat Johan Pieter Dassevael in zijn functie van tweede klerk ter stadsgriffie alles alleen moet waarnemen. Op zijn verzoek stelt het stadsbestuur zijn zoon, de 20 jaar oude Francois Breekpot, als derde klerk op de stadsgriffie aan, echter zonder enig tractement of emolumenten.

Verder vallen er in 1759 verscheidene vacatures in het stadsbestuur.
Zeer kort na elkaar overlijden beide burgemeesters Cornelis Ossewaarde en mr. Pieter Parker.
In de plaats van de op 23 mei overleden burgemeester Cornelis Ossewaarde wordt benoemd oud-burgemeester Pieter Ossewaarde en tot lid van de raad doctor Adriaan Isebree. In de plaats van Parker wordt tot burgemeester benoemd doctor Cornelis Lopsse en tot lid van de raad Gideon Ossewaarde. Overigens wordt burgemeester Pieter Ossewaarde in september 1759 aangesteld tot dijkgraaf van de brede watering bewesten Yerseke.
Omdat de overleden Cornelis Ossewaarde tegelijk secretaris van de stad was, vaceert ook een van beide secretarisplaatsen. Hierin benoemt het stadsbestuur tot secretaris, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht mr. Laurens Pieter van der Spiegel.
Bij de jaarlijkse verkiezing van de helft van de leden van de magistraat in juni 1759 wordt tot burgemeester verkoren mr. Francois Nicolaas Keetlaar en tot schepenen Johan Isebree, mr. Adolf Westerwijk, mr. Daniël Canisius, Jan Willem Bodaaert en Marinus de Meijer.

In juni 1759 verzoeken Vrouwe Maria Westerwijk weduwe van de overleden burgemeester Cornelis Ossewaarde en burgemeester Pieter Ossewaarde, mr. Adolf Westerwijk, mr. Dignus Cornelis Keetlaar en mr. Laurens Pieter van de Spiegel, als benoemde voogden en opzieners over de nagelaten minderjarige kinderen van burgemeester Ossewaarde, alsnog seclusie van de weeskamer, 'omdat dit wel de intentie van haar overleden man was maar door zijn schielijk overlijden is hij niet meer toegekomen om hiervoor een verzoek in te dienen'. Het stadsbestuur verleent hiervoor alsnog toestemming.

Eind december 1759 ontstaat door het overlijden van Adriaan Jacob, baron van Lynden van Blitterswijk, een vacature van raadslid. Voor het eerst sinds vele jaren heeft dit nogal wat voeten in de aarde. Het gaat om de persoon van mr. Laurens Pieter van de Spiegel. Het stadsbestuur wil hem graag verkiesbaar stellen, maar hij is nog geen drie jaar burger van de stad. Secretaris mr. Jacob Keetlaar geeft zijn schriftelijk advies op de volgende wijze: 'De ondergeschrevene, van oordeel ende begrip zijnde dat de heer secretaris mr. L.P. van de Spiegel (nog geen drie jaren poorter en borger deser stede ofte een jaar met een ingeborene borgeresse getrouwd geweest zijnde) als nog tot het bekleden ener raadsplaats alhier, volgens het 5e artikel van het Reglement op het aanstellen van Raden etc., bij de edelmogende heren Staten van Zeeland op 6 juni 1720 aan deze stad verleend, niet is eligibel verklaard; dierhalve met leedwesen, dewijl buitendien zig daartoe in allen opsigte volvaardig en geneigd zoude bevinden, desselfs stem aan den voornoemde heer, omme huiden op de verkiezingsnominatie te worden gebragt, als bij Eede tot het helpen maintineren deser stede privilegiën verbonden, ende alsoo behoudens denselven eed, desselfs plicht ende een zuivere consciëntie, niet te konnen geven. Verklarende niettemin met alle toegenegendheid bereid te wezen omme met haar edelachtbaren in deliberatie te treden over de gevoegelijkste middelen omme den voornoemde heer op een betamelijke wijse en behoudens als voren, desselfs oogmerk te doen bereiken ofte anderszins ten besten mogelijk te favoriseren ...'. Hij geeft zijn stem daarom aan doctor Cornelis Canisius als nr. 1 en mr. Jan Boogmaker als nr. 2. De heer Jacob Coomans, heer van Wemeldinge, onderschrijft dit advies. De rekenmeester Vogel geeft zijn stem aan de secretaris Van de Spiegel, evenals de heer Gideon Ossewaarde die niet in staat is de vergadering bij te wonen. Het stadsbestuur besluit voor de vacante raadsplaats te nomineren als eerste mr. Laurens Pieter van de Spiegel en als tweede mr. Jan Boogmaker. De missive wordt gezonden aan de vijf voorzittende leden van staat, vergezeld van een uitvoerige toelichting.
In juni 1759 zal Van de Spiegel voor de eerste keer namens de stad Goes 'als haar edelachtbaren medegedeputeerde ter vergadering van de edelmogende Heren Staten dezer provincie sessie nemen'.

In de vergadering van het stadsbestuur van 4 augustus 1759 deelt burgemeester Pieter Ossewaarde mee dat hij in de boedel van zijn broer, de overleden burgemeester Cornelis Ossewaarde, aangetroffen heeft een administratie, die deze in zijn kwaliteit als secretaris van de stad geoefend heeft over verscheidene effecten, bekend onder de naam van 'secrete kasse'. Dat 'apparent geene of ten minste zeer weinig waren onder de tegenwoordige heren regenten die de origine van deze secrete kasse bewust zijn of misschien iets van desselfs existentie geweten hebben'. Hij geeft in overweging de rekening van de secrete kasse vanaf heden hier op het stadhuis te doen overbrengen en als dan deze te annuleren en te incorporeren in de rekening van de stadsrentmeesters. Het stadsbestuur besluit alle effecten publiek te maken en in de stadsrekening in een apart kapittel te verantwoorden. De stadsrentmeester krijgt om deze reden een hoger honorarium van £ 43.6.8.

Hogere overheden

In juni 1751 besluit het stadsbestuur mr. Willem van der Bilt te benoemen tot een van haar gedeputeerden naar de statenvergadering.
Het stadsbestuur maakt zich in 1753 grote zorgen over het verval van de provinciale financiën en de weinige attentie daarop en onwilligheid van de andere leden (de overige vijf steden van Zeeland). Er is in 1753 ook heel wat te doen in de raadsvergaderingen en in de statenvergaderingen (er worden zelfs geheime vergaderingen gehouden), over het zogenaamde halve licent. Geageerd wordt tegen de Hoogmogende Heren Staten-Generaal en de Gouvernante. Maar men berust er in, in de verwachting 'dat de Admiraliteit in Zeeland (welker ruine en totale ondergang men met geen onverschillig oog soude kunnen aansien) deze maar op alle mogelijke wijze zou trachten te beletten en met andere middelen en subsidies worde gered en gededomageerd'.

In mei 1754 wordt uitvoerig in het notulenboek een merkwaardig voorval weergegeven. Dit is de aanleiding van een geschil met de stadsregering van Middelburg. Een zekere dienstmeid van de weduwe van de statenbode Buchanan die sedert het overlijden van haar man deze functie waarneemt en het huis bewoont van de conciërge van de Munt te Middelburg, is 's avonds tussen 9 en 10 uur op het gemakhuisje van een onecht kind verlost, welk kind in het gemakhuisje gevallen is. Een geroepen vroedvrouw heeft over dit geval aanstonds de baljuw van Middelburg ingelicht. Deze heeft 'zonder voorkennis van de raadpensionaris binnen de besloten muren van 's Lands Munt het vrouwspersoon met en benevens het dode kind getransporteerd naar het tuchthuis en aldaar in bewaring doen stellen en vervolgens aanschouwinge van het voorseide kind laten doen'.
Hierover is het stadsbestuur zeer ontstemd. Het terrein van 's Lands Munt behoort niet tot Middelburg maar tot de Staten van Zeeland. In een uitvoerig schrijven wordt Middelburg van de ontstemming van de Goese magistraat blijk gegeven.
Op 21 september bericht de Goese gedeputeerde Van Rosevelt dat de regering van Middelburg het heeft kunnen goedvinden om 'het vrouwspersoon, in 's Lands Munte geapprehendeerd, voor haar te recht te doen stellen en executeren'. Verontwaardigd besluit het stadsbestuur met de Heren van Tholen te overleggen op welke wijze een protest tegen een dergelijke handelwijze zou kunnen worden gedaan.

De pensionaris Adriaan Jacob, baron van Lynden, één van de gedeputeerden van de stad naar de staatsvergadering, rapporteert over hetgeen op de laatstgehouden statenvergadering is voorgevallen. Met name het plan voor het koffie- en theegeld, 'hetwelk enigszins met differente sentimenten was geconcilieerd', vroeg de aandacht. Deze zaak is al lang onderwerp van discussie in de Zeeuwse staten. 'Om in deze niet singulier te blijven en het wankelend credit der provincie daaraan niet te hasarderen', besluit het stadsbestuur daarmee in te stemmen.

Mr. Pieter Bout, pensionaris-honorair van Goes en op aanbeveling van Goes gedeputeerde voor Zeeland ter vergadering van de Hoog Mogende Heren Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, is voornemens zijn ontslag uit die functie te nemen 'om met een extra-ordinaire commissie honorair in die kwaliteit gebenificeerd te worden'. Voor dat ambt beveelt het stadsbestuur 'op het favorabelst' aan Adriaan Jacob van Lijnden, raad en pensionaris van de stad.

Het stadsbestuur bespreekt in september 1757 een door de 'Commissarissen van het Secreet besogne' op de 1e augustus ter vergadering uitgebracht. Dit behelst het voorstel om door alle regenten en magistraten in de provincie weer te laten afleggen de eed tot het observeren van de placcaten en ordonnantiën op het stuk van de gemene middelen van consumptie. Besloten wordt de Goese gedeputeerden te machtigen om in de statenvergadering in te brengen 'dat het stadsbestuur van Goes genegen en bereid is om de eed weer af te leggen, mits dat de placcaten van 24 september 1755 en 9 oktober 1756 zonder enige reserve in volle kracht blijven en gehandhaafd worden, als strekkende insonderheid om de menigvuldige fraudes, die omtrent de gemene middelen gepleegd worden, op alle mogelijke wijze te voorkomen'. En mocht een magistraatspersoon weigeren of in gebreke blijven, dan zal hij vervallen zijn van zijn functie.

Op 26 september 1759 komt een delegatie namens de Staten van Zeeland op bezoek bij het stadsbestuur. De delegatie bestaat uit de gedeputeerden mr. Adriaan Steengragt en Iman van den Broek, pensionarissen van de steden Middelburg en Zierikzee, en de secretaris van het land mr. Willem van Citters. Na de middag arriveren ze met een jacht in de haven van Goes. Ze komen spreken over de invordering van de impost op de continuatie van coffy, thee en chocolade. Na kennisname van hun aankomst worden ze door burgemeester mr. F.N. Keetlaar, mr. Willem van der Bilt en J.W. Boddaart uit naam van het stadsbestuur verwelkomd. De heren worden van het jacht afgehaald door secretaris mr. Jacob Keetlaar en de regenten Johan van Thiel en Francois de Keijser. Om hen verder op het bordes voor het Stadhuis te ontvangen en alzo gezamenlijk in de vergadering van het stadsbestuur op de vertrekkamer te introduceren worden belast de regenten J. Isebree en mr. Willem van der Bilt. 'Welke heren vervolgens aldaar verschenen zijnde en aan het hoger einde van de tafel voor de glasen, tegenover haar edelachtbaren, in het midden der kamer geseten, versogt sijnde plaats te nemen, door de mond van de heer secretaris Van Citters den inhoud van derselver commissie in het breede aan haar agtbaren hebben voorgedragen en met ampele redenen en instantiën getracht deselve tot concurrentie als voren over te halen'. Ze worden door burgemeester Pieter Ossewaarde voor hun gegeven inlichtingen bedankt met de mededeling dat het stadsbestuur zo aanstonds met de deliberatie daarover zal beginnen en hun het resultaat daarvan vervolgens ook zal laten toekomen. 'Waarna de heren wederom uit de vergadering vertrokken en wederom door drie heren uit het stadsbestuur van het Raadhuis tot beneden op de straat geconduiseerd zijn. Vervolgens hebben haar agtbaren met alle ernst en selfs bij reteratie genomen in een serieuste overweging. En hun geensins zijn voorgekomen enige derselve te legitimeren op solide gronden waarop deselver sentiment ten dezen tot hier toe heeft berust, in het minste opzicht komen te enerveeren of sommige geallegeerde consequenties enigszins van die applicatie zijn, die men daaraan tracht te attribueren'. Het stadsbestuur besluit bij het eerder ingenomen standpunt te blijven. Vervolgens begeven de heren Keetlaar, Isebree en Van der Bilt zich naar het jacht en hebben de heren van de resolutie van de magistraat kennis gegeven.

In november 1759 komen er ernstige meningsverschillen in de Staten van Zeeland voor tussen de gedeputeerden van Goes en die van andere steden.
Naar aanleiding van de rapporten van de gedeputeerden van Goes in de statenvergadering krijgen zij opdracht over te brengen dat het stadsbestuur van Goes niet kan nalaten zich 'op het allerserieuste te beklagen over de extra-ordinaire wijze waarop deselve door de andere leden van staat zijn behandeld, zo in de gedane beschrijving als de daarop gevolgde bezending. Dit niettegenstaande de protesten van hun gedeputeerden daartegen gedaan, ter oorzaak van het geadviseerde door Goes over het middel van koffy-, thee- en chocoladegeld, een impost waarover zo menigvuldige discussies ter staatsvergadering van tijd tot tijd en wel inzonderheid sedert 1746 zijn geweest. Ze vermeinen dat dit een behandeling is welke niet dan in de allergewichtigste omstandigheden en wel alleen bij tergiversatie van het een of ander lid tegen alle gefundeerde persuasive middelen van de overige leden in het werk behoorde te worden gesteld'.
Niettemin besluit het stadsbestuur te berichten dat ze het 'uit eene overmaat van toegevendheid raadzaam geoordeeld hebben ter vergadering van hun edelmogenden te declareren, dat in het heffen van den impost op de koffy, thee en chocolade, schoon seer tegen hun genoegen, bewilligen, op dien voet als door de overige leden van staat daarin over desen jare reeds is geconsenteerd, in die billijke verwachting dat hoe eerder hoe beter de leden niet zullen weigeren hunne serieuse gedagten te laten gaan om dit middel in het vervolg te brengen op een eenparige voet en hetselve op een meer billijke wijse en meer tot voordeel der provincie strekkende te doen invorderen'.

Functies en bedieningen

Het is vanouds een goed gebruik dat in de eerste vergadering van een nieuw jaar allerlei verzoeken op tafel komen tot verlenging van functies en bedieningen in dienst van het stadsbestuur. Dit betreffen onder meer de schoolhouders, schoolvrouwen, beide coffyhuyshouders, herbergiers, kroeghouders, sterke drankverkopers, stadsdrukker, stadsfabriek, stadsomroeper, diverse beurtschippers, de broodbakker in de Voorstad, drie stadsboden, lijkbidders, gerechtsboden, deurwaarders van het landrecht, die van de extra-ordinaire compagnie op het platteland en de dekens en officieren van de gilden.

In deze jaren vestigen zich verscheidene notarissen in de stad.
In 1751 krijgt Digman van Steenhoven van het stadsbestuur brieven van voorschrijving om te worden aangesteld tot notaris. Soortgelijke brieven ontvangt Jan de Windt. Hij krijgt in juni 1752 toestemming om het notarisambt binnen de stad uit te oefenen.
In oktober 1753 betoogt Frederik Roeteringh, burger van de stad, dat hij elf jaar geleden door de Staten van Zeeland is gecreëerd tot notaris door het Hof van Holland. Het stadsbestuur geeft hem toestemming om het notarisambt binnen de stad en jurisdictie uit te oefenen.
De gevestigde notaris Samuel Aarnoutz wordt in juli 1755 geschorst als procureur voor de vierschaar en het landrecht en notaris. Aarnoutz moet zelf bij de burgemeesters de redenen van zijn schorsing vragen. Daaruit blijkt dat hij mr. Willem van der Bilt in een van zijn pleitredenen beledigd schijnt te hebben. Aarnoutz betoogt dat dit geensins zijn bedoeling is geweest en vraagt excuus. Daarop wordt zijn schorsing opgeheven.
Ook Joos de Lasabel en Leijn Dijkwel krijgen in 1755 brieven van voorschrijving om toegelaten te worden tot notaris.

Op 8 september 1752 overlijdt de Goese gecommitteerde in de Rekenkamer van Zeeland, mr. Francois Louis van Wevort van Ossenberg. Zijn weduwe, Vrouwe S.E. Cunaeus, deelt het stadsbestuur mee dat 'haar man die nacht, na een langdurige verzwakking, is overleden'. Het stadsbestuur draagt in de ontstane vacature tot benoeming voor mr. Johan Lodewijk Vogel, schepen en raad van de stad. Deze wordt ook benoemd.

In december 1752 vaceert de commiesplaats ter recherche door het overlijden van Johan Adriaan van Dorth. Deze functie gaat over naar Cornelis Ossewaarde.
In december 1753 verzoekt burgemeester Cornelis Ossewaarde ontslag als licentmeester. Zijn plaats wordt ingenomen door mr. Adolf Westerwijk.

Het komt veel voor dat diverse functies in de hand van één persoon worden gelegd. Enkele voorbeelden daarvan vermelden we hier. Zo komen bij het overlijden van Adriaan Sonius in 1754 niet alleen één van de klokluidersplaatsen van de morgen-, middag- en avondklok vacant, maar ook van klapperman bij de nachtwacht.
En in juni 1759 komt de marktmeesterplaats van de stad vacant door het overlijden van Jacob van Kogelenberg. Het stadsbestuur besluit de gezamenlijke gerechtsboden toestemming te geven om deze functie onder elkaar te vergeven, 'mits in het stellen der nodige orders op de plaatsingen der kramen etc. ten tijde van de jaarmarkt zich met alle moderatie gedragende, alle verongelijkingen op alle mogelijke wijze vermijdende, de ingezetenen in de verkiezing der standplaats allenthalven gratificerende en zonder enige executiën te plegen zich met matige ende tsedert langen tijd gerecipieerde plaatsgelden contenterende'.
De overleden Van Kogelenberg was in leven ook majoor of hoofd en opziener over de nachtwacht en wachtmeester van de stad. Deze functie was verbonden aan die van luitenant van 'de roode roede'. Besloten wordt deze combinatie nu te verbreken. Tot majoor van de klapperwacht en wachtmeester wordt aangesteld Jan Christiaan Blomberg op een tractement van vijftig Carolus guldens per jaar.

In februari 1755 betoogt de Ficaal van het paardegeld, Zacharias Coenraads, dat hij genoodzaakt is voor het doen van executies ten plattelande een paard en chaise te onderhouden zonder daarvoor in die gelegenheden meer dan vijf groten daags te mogen declareren. Hij verzoekt hem, evenals de Fiscaal Westhoek en de statendeurwaarder Van Wijtvliet, van alle contributie aan het middel van het paard en chaisegeld te ontheffen en vrij te stellen. Hiermee stemt het stadsbestuur in.

Het stadsbestuur bepaalt in augustus 1756 dat degene, die in het vervolg door het stadsbestuur wordt verkoren tot pensionaris-honorair, verplicht zal zijn om vóór zijn beëdiging aan de stad een recognitie te betalen van 500 Carolus guldens. Als de pensionaris echter te eniger tijd tot raadslid van de stad wordt verkoren, zal hij dat ambt niet verder mogen vervullen.
Als in oktober 1756 Jan Willem Boddaart tot pensionaris-honorair wordt verkoren, betaalt deze dan ook 500 Carolus guldens aan de stad.

Verder is het deze jaren gebruikelijk dat de functies en bedieningen in hogere colleges veelal door de notabelen van de stad worden vervuld en dat deze naar elkaar worden toegeschoven. Zo vaceert in december 1757 door het overlijden van burgemeester Marinus Canisius het rentmeesterschap van de ordinaire en extra-ordinaire statepenningen op de landen over het oostkwartier van het eiland. Hierin wordt benoemd de (oud) stadsbestuurder Pieter Ossewaarde. In de opengevallen plaats van ontvanger van het familiegeld en de verdere personele kohieren wordt aangesteld de stadsbestuurder mr. Willem van der Bilt.
Het rentmeesterschap van de ordinaire en extra-ordinaire statepenningen over een gedeelte van het eiland, ontstaan door het overlijden van oud-burgemeester doctor Coomans, wordt opgedragen aan Johan Isebree. Het 'rentambt' van de statepenningen over een gedeelte van het westkwartier van het eiland vaceert door het overlijden van oud-burgemeester mr. Gillis Cornelis van der Nisse. Dit wordt opgedragen aan mr. Cornelis Nicolaas Keetlaar.
Het 'rentambt' van de statepenningen, vacant gekomen door het overlijden van Francois de Keijser, wordt opgedragen aan de stadsbestuurder Johan van Thiel.

Erfstadhouder Willem IV

Op 1 april 1751 stelt de Goese raadsheer in Gecommitteerde Raden van Zeeland Van Roseveld het stadsbestuur in kennis dat Zijne Doorluchtige Hoogheid, stadhouder Prins Willem IV, het voornemen heeft over te komen. Het stadsbestuur wordt verzocht zich gereed te houden om Zijn Hoogheid te ontvangen.
Ook Gecommitteerde Raden van Zeeland delen mee dat Zijne Hoogheid de Prince Erfstadhouder aan de Heer van Borssele heeft kennis gegeven 'dat hij voornemens is in het laatst van de aanstaande paasweek of in het begin van de daaropvolgende week de reis naar de provincie aan te nemen'. Ze verzoeken gedeputeerden af te zenden 'om ten selve dage de besoignes te reëntameren en de komst van de vorst af te wachten'.
Het bezoek van de Stadhouder zal plaats vinden op 10 april 1751.
Maar op de 12e april delen Gecommitteerde Raden mee dat uit Den Haag bericht is gekomen 'dat door enige ingekomen verhindering de reis van Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid niet voor het laatst van de maand voortgang zal hebben, indien die door het opgekomen overlijden van Zijne Koninklijke Hoogheid de Prince van Wallis niet langer wordt vertraagd'.
Maar een half jaar later, op 23 oktober 1751, sturen Gecommitteerde Raden van Zeeland het droevige nieuws van het overlijden van de Erfstadhouder.

Landrecht

Zacharias Coenraads, de fiscaal van het landrecht, schrijft in april 1757 dat hij tot zijn schade ondervindt dat het landrecht door verscheidene praktijken, die dagelijks gepleegd worden, zodanig tot verval is geraakt dat het bijna nooit meer de moeite waard is om aldaar vierschaar te houden en dat hij dus daarvan niet dan zeer geringe revenuen komt te genieten.

Hij 'ziet met smart tegemoet dat de vervallen toestand van het landrecht gans niet en staat te verbeteren'. Vervolgens heeft hij bedacht moeten zijn op enige andere gevoegelijke middelen, waardoor hij enigszins in het gemis van de revenuen, die voortijds ter vierschaar van het landrecht genoten werden, zou kunnen worden tegemoet gekomen. Hij heeft het raadzaam gevonden enige punten tot verbetering voor te dragen.
Het stadsbestuur is ten volle overtuigd van de waarheid van het aangevoerde en gaat ermee akkoord dat Coenraads van een acte van condemnatie aan de goederen van de gecondemneerde inplaats van £ 0.8.4 voortaan zal genieten £ 0.10.0 en zo hij daartoe een gehele dag mocht vaceren £ 0.13.4, meerder dan een dag voor iedere dag £ 0.13.4 en voor een halve dag £ 0.6.8. Van het verkopen en ontvangen van kooppenningen van losse goederen van verkopingen beneden de vijftig ponden zal hij genieten te ponde £ 0.0.8 en van £ 50 tot £ 100 £ 0.0.4 en boven de £ 100 een percent en zo hij bij het executeren of verkopen van losse goederen een ganse dag moet vaceren voor paardehuur inplaats van £ 0.5.0 zal mogen declareren £ 0.8.8.