Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1760 - 1765)

Graanhandel

Het stadsbestuur besluit in april 1764 op verzoek van de keurmeesters en enige koopluiden in granen de resolutie van 13 oktober 1753 in zover in te trekken en te veranderen, dat de korenmeters binnen de stad het recht niet hebben om bij de verkoop van graan, berustende in schuren of op zolders buiten de stadspoorten, daarvan het meetloon te vorderen en deze granen bij de aflevering te meten. De verkopers zowel als de opgezetenen buiten de stadsjurisdictie zullen hun buiten de stadspoorten berustende verkochte granen met hun eigen maten moeten opmeten, ‘opdat de kopers bij presumptie van wanmate het recht erlangen, gelijk hen bij deze gegeven wordt, deze granen door een stadsmeter te doen overmeten’.

Wijnnering

In augustus 1760 vestigt zich een likeurstokerij in de stad. Jacques Benjamin Goujon, burger en inwoner van de stad, krijgt vergunning voor het stoken en verkopen van allerlei likeuren en fijne wateren in het pand Waterstraat nummer 4/Vlasmarkt nummer 2, ‘mits hij zich soigneuselijk wacht van niet te verkopen zulke wateren en spiritualia die door de apothekers gewoon zijn verkocht te worden’. In 1765 krijgt de grossier in likeuren Goujon toestemming voor het zetten van een schoorsteen in de zijkamer van zijn woonhuis op de Vlasmarkt vijf duimen van stadsgrond te mogen innemen.

De grossiers maken hierover in 1761 zwarigheid omdat hij niet onder het brandewijnverkopersgilde ressorteert. Hierdoor wordt Goujon aanmerkelijk benadeeld.
Op verzoek van de likeurstoker besluit het stadsbestuur de grossiers toe te staan de sterke dranken voor een zodanige prijs aan hem af te leveren en te verkopen als ze deze ook aan de slijters verkopen en afleveren.

Theodorus Cornelis Hubregtse wordt in 1762 toegelaten tot vrij wijnkoper binnen de stad. Ook mr. Johan van Thiel krijgt dit jaar vergunning voor het doen van de wijnnegotie. Hetzelfde voorrecht krijgt Nicolaas van Steveninck in 1764 om de wijnnegotie als vrije wijnkoper uit te oefenen.

Er worden deze jaren ook enkele grossiers in sterke dranken toegelaten. Zo krijgen Pieter Schoon in 1762 en Theodorus Cornelis Hubregtse in 1762 vergunning voor het verkopen van brandewijn en sterke drank als grossier. Dit jaar krijgt eveneens Hermanus Tobias Lasabel vergunning voor de verkoop van brandewijn, genever en gedestilleerde wateren als grossier in de plaats van zijn vader, die daar van wil afzien.
In 1764 deelt Johan Lodewijk Leewer mee dat wijlen zijn schoonvader Anthony Willemse was begunstigd met de verkoop van sterke drank bij de grote en kleine mate in zijn huis bij de Ganzepoort zonder echter kroeg te mogen houden. Hij verzoekt hem hetzelfde toe te staan. Het stadsbestuur geeft hem vergunning tot het verkopen van brandewijn en sterke dranken als grossier.

Zoutnering

Het stadsbestuur constateert in mei 1760 dat die van het panneluidengilde onmogelijk met de beide zoutmaten tegelijk bediend kunnen worden, wanneer één van de vier beëdigde zoutmeters ziek of absent is. Besloten wordt een beëdigd assistent-zoutmeter aan te stellen, die bij ziekte of absentie van een van de zoutmeters het werk kan doen.

De dekenen van het panneluidengilde krijgen in 1762 toestemming twee nieuwe zoutmaten op kosten van de stad te laten maken.
Als volgens gewoonte de zout- en korenmaten in 1763 weer geijkt worden, blijkt dat de grove zoutmaat overeenkomt met een halve zak, vier kannen en een pinte en daardoor overeen stemt met de Middelburgse zoutmaat. Deze is voor dat doel expres opgemeten. Er is ook een slaper van gemaakt, die op ‘de oude weeskamer’ wordt geplaatst.

In september 1763 verzoekt zoutkeetbaas Johannes Kouwens op kosten van de stad te repareren de beschoeiing van de haven voor zijn keet achter het zogenaamde ‘boomhooftie’, omdat de stadssluitboom daaraan vast is. Naar aanleiding van het advies van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur, om alle inconveniënten te voorkomen, tegen het aanstaande voorjaar de stadssluitboom te verleggen, van de zijde van Hoogewerve sluitende tegen de werf en alsdan de beschoeiing achter het boomhooftie voor rekening van Kouwens te laten.

Ook in 1763 krijgt Jan Zeevaart, de boekhouder van een zoutkeet staande aan de oostzijde van de haven naast de zoutkeet van de heer Rimmers, toestemming deze keet gelijk met die van Rimmers te timmeren en daarvoor wat stadsgrond aldaar in te nemen.

Cornelis Wagenaar en Nicolaas van der Hagen geven in juni 1764 te kennen dat ze voornemens zijn aan hun zoutkeet een vertrek te timmeren tot woning voor hun knechts en hun huisgezin. Ze hebben daartoe nodig een gedeelte uit te springen aan de zijde van het tegenwoordige woonhuis na de meestoof de Zon op stadsgrond. Het stadsbestuur besluit hen toe te staan uit te springen 11 à 12 voeten ter lengte van de zijgevel van het tegenwoordige woonhuis.
Ook zoutkeetbaas Johannes Kouwens krijgt in augustus 1764 toestemming om enige voeten op stadsgrond uit te springen tot het vergroten van zijn zoutden in zijn zoutkeet aan de haven.
Maar ook de zoutkeetbaas G.J. Boon mag in 1765 tot vergroting van de woning aan zijn zoutkeet enige voeten van stadsgrond betimmeren, mits hij de passage weer behoorlijk aanvult en verbreedt.

De dekenen van het panneluidengilde verzoeken in 1765 te mogen blijven genieten het effect van de resolutie van 4 februari 1758, waarbij verboden is dat niemand vóór de 1e april met het raffineren van zout een aanvang mag maken. Het stadsbestuur besluit het verzoek te accorderen voor de tijd van zeven jaar.

Meekrapnering

De geinteresseerden in de meestoven verzoeken in juli 1760 voor hun jaarlijks benodigde turf voor draagloon aan de arbeiders van het Sint Jansgilde te mogen volstaan met een tarief van een halve groot per ton. Het stadsbestuur besluit dat voortaan van de Friese turf, die door de geinteresseerden in de meestoven wordt opgedaan, aan de arbeiders zal worden betaald £ 5 voor een gehele scheepslading namelijk zo deze turf bij het gehele of halve schip wordt opgedaan, doch indien de geinteresseerden verkiezen de turf bij de tonne te kopen en op te slaan zal aan de arbeiders worden betaald een groot Vlaams per ton.

In oktober 1762 constateert het stadsbestuur dat sedert enige tijd de beëdiging van de bedienden en arbeiders in de meestoven is nagelaten. Ingevolge het Placcaat van Hun Edel Mogenden van 28 april 1733 had dit moeten gebeuren. Daarop worden ‘boven ontboden de Stampers, Droogers, Stamperknechts en Ondermans van de in de stad aanwezige twee meestoven’ om de eed af te leggen.

Brouwerijen

De accijnsmeesters en brouwers beklagen zich in 1761 over de moeilijkheid die dikwijls ontstaat wegens het afgeven en tekenen van biljetten buiten de gewone kantoortijden van het biercomptoir (kantoor). Ze verzoeken enige bepalingen goed te keuren zoals:

  • dat zij aan de collecteur Francois Oversluis of die de collecte van de biljetten zal waarnemen, voor hun te ontvangen biljetten zullen geven een behoorlijk ontvangstbewijs;
  • dat deze biljetten op de bieraccijns zullen ondertekend en door de zegelaars aan iedere brouwer bezorgd worden en dus voor rekening van de brouwers blijven, dit om alle fraude te beletten;
  • dat wanneer door de zegelaars de lijst van de uitgestoken fustagie van de brouwers aan Oversluis vertoond wordt, deze dan zoveel biljetten in blanco voor iedere fustagie van hem weer ontvangen moet, om bij overgeving van de lijsten op het biercomptoir ondertekend te worden;
  • dewijl dus de brouwers de vrijheid genieten om buiten de comptoirtijd hun bieren uit te steken, zullen zij ook gehouden zijn de volgende morgen door een zegelaar de lijsten van het uitgestokene zo bij Oversluis om andere biljetten als op het biercomptoir tot betaling van de impost te laten brengen.

De gezamenlijke brouwers binnen de stad betogen in 1763 dat ze door hoge springvloeden dikwijls in gevaar worden gebracht door het zout water dat in hun waterbakken komt. Door de persing van het zout water zouden soms de buizen die naar hun brouwerijen lopen kunnen open barsten en zo zou het water dat in hun zogenaamde Hollandse Bakken is daardoor brak kunnen worden tot hun grote nadeel. Het stadsbestuur besluit hen toe te staan ‘de op de Kaaij staande waterbakken, op de opening van deze buizen af te breken en deze met blauwe zarken toe te leggen met het wapen of teken van hun brouwerij daarop’. Hun andere verzoek om hun gekochte granen door hun eigen knechts te laten bewerken zonder iets aan het arbeidersgilde te betalen wordt geweigerd. Wel wordt de deken van het arbeidersgilde geordonneerd op iedere marktdag voor elke brouwerij te laten aansmakken welke alleen de brouwers zullen moeten helpen alvorens enig ander werk te mogen doen.

Om de stadswallen en singels mettertijd aangenamer en gemakkelijker te maken gelast het stadsbestuur in juni 1764 de brouwers hun Sunderlandse koolas met sintels voortaan ten dienste en gebruik van de stad te houden en deze aan geen particulieren meer af te geven zonder permissie van de stadsdirecteuren. Maar om de brouwerknechts niet te beroven van een voordeel dat ze tot nu toe genoten, zal hen worden betaald een groot Vlaams voor iedere geleverde Buiselmand ordentelijk gevuld met koolas. De brouwers wordt verzocht hun wagens en paarden hiervoor te laten gebruiken.

Molenarij

Boekweitmolens

In november 1764 krijgen de boekweitmalers Jan de Puit (in het pand ‘de Hazaert’ aan de Sint Jacobstraat 52) en Nicolaas van der Hagen (in het pand ‘de Hulck’ aan de Klokstraat nummer 9) opnieuw voor 14 jaar octrooi om de boekweit- en gortmalerij uit te oefenen met uitsluiting van alle anderen, zonder echter nadeel toe te brengen aan het aan Pieter de Keijser voor zijn gortmolen verleende octrooi.

Cornelis Steenaart, eigenaar van het gebouw ‘’s-Heer Hendriks Burg’, probeert in 1765 bij Gecommitteerde Raden van Zeeland octrooi te verkrijgen voor het oprichten van een boekweitmolen. Dit verzoek wordt echter afgewezen.

Gortmolens

Op het verzoek van enige pachters van het gemaal besluit het stadsbestuur in 1761 om de zogenaamde ‘juffrouwgort’ en de boekweit te belasten met acht grooten Vlaams per zak en om de buitenlandse stijfsel te belasten met een gulden per 100 liter.

Oliemolens

De levering van olie aan de stad gebeurt al vele jaren door Cornelis Peman, de eigenaar van de dubbele oliemolen op het noordwestelijk bolwerk buiten de Bleekveldse poort. Het stadsbestuur besluit dit vanaf 1762 te laten rouleren, zodat de eigenaars van de twee enkele oliemolens ook ieder hun jaar van leverantie zullen hebben.

Beurtschippers

Beurtveer op Zierikzee

In januari 1762 overlijdt de marktschipper van Goes op Zierikzee, Theunis den Boer. In zijn plaats wordt tot marktschipper aangesteld Adriaan de Beste. Hij is verplicht de schuit van de weduwe van Theunis den Boer over te nemen voor een zodanige prijs als door twee neutrale schippers en de scheepstimmerman of door de dekenen van het schippersgilde zal worden getaxeerd.

Beurtveer op Antwerpen

Op verzoek van de beurtschipper op Antwerpen, Willem Zuidweg, besluit het stadsbestuur in 1763 hem commissie te verlenen als beurtschipper van Goes op Antwerpen en geheel Brabant gedurende zijn leven lang.

Beurtveer op Veere

In april 1761 blijkt dat er zeer weinig voordeel voor de beurtlieden van Goes op Veere te behalen is. Het stadsbestuur besluit dan ook de beurtschippers vrij te stellen van de noodzakelijkheid om de tijd van hun vertrek door de stadsomroeper bekend te laten maken en dus ook van het loon voor de stadsomroeper.

Hendrik Reynhout, Andries van der Mast, Frans Paulusse en Job van der Maes, alle schippers van Goes op Veere in de brede beurt, geven in 1763 de geringe bestaansmogelijkheid te kennen die zij van het veer op Veere kunnen trekken. Ze verzoeken hen daarin tegemoet te komen door een of andere resolutie in hun voordeel. Het stadsbestuur besluit de magistraat van Veere van de inhoud van dit rekwest kennis te geven. Voorgesteld wordt enkele heren te benoemen om samen te overleggen op welke wijze aan dit verzoek kan worden tegemoet gekomen.
Op 1 oktober 1763 doet burgemeester mr. F.N. Keetlaar verslag van zijn gesprek met burgemeester Nebbens van Veere over het oprichten van een vast veer tussen Veere en Goes. Ze kwamen daarbij overeen samen een vaste ordonnantie te maken. Deze zal nader worden uitgewerkt.

Vanaf 1764 is er een vast veer tussen Goes en Veere. Het blijkt echter dat er te Veere geen vaste veerschipper te vinden is. Veere wil graag dat iemand van het Goese schippersgilde zich hiermee belast en te Veere komt wonen. Het stadsbestuur schrijft de magistraat van Veere dat ze eerst het door Goes toegezonden conceptreglement op het veer maar eens moet goedkeuren. Op grond van dit reglement kunnen dan opnieuw sollicitanten opgeroepen worden. Misschien komen er dan wel gegadigden.
In maart 1764 brengt een delegatie van het stadsbestuur, bestaande uit de heren Van der Bilt, De Keijser en Van de Spiegel, verslag uit van de reactie van de magistraat van Veere op de voorgelegde conceptordonnantie voor het bedienen van het veer tussen Goes en Veere. De reactie aan de heren van Veere wordt vastgesteld.

Secretaris Boddaert rapporteert in december 1764 dat hij ontvangen heeft het tarief van het op te richten veer tussen Goes en Veere zoals dit door de magistraat van Veere is vastgesteld. De secretarissen van beide steden krijgen opdracht het reglement te laten drukken en aan de stadsdrukker Huisman de vrijheid te laten met de stadsdrukker van Veere te overleggen hoe dit op de best mogelijke wijze kan gebeuren.
In februari 1765 wordt Veere bericht dat de ordonnantie op het veer is gedrukt en zal worden gepubliceerd. Veere wordt verzocht deze op dezelfde tijd te laten aflezen en een bericht over het openzetten van het veer in de Middelburgse Courant te zetten.
Tot beurtschipper op Veere wordt aangesteld Andries van der Mast. Veere bericht dat tot beurtschipper van Veere op Goes is aangesteld Gerrit Traas.

Beurtveer op Rotterdam

In 1761 verzoeken Thomas Swart, beurtschipper van Rotterdam op Goes, en Cornelis Verplakke, beurtschipper van Goes op Rotterdam, vermeerdering van de vracht van het zout dat door hen van Rotterdam naar Goes wordt getransporteerd. Dit verzoek wordt afgewezen.

Het blijkt in 1763 dat er misbruiken zijn geslopen in het smakken naar het Rotterdamse beurtveer. Dit is voor het stadsbestuur aanleiding om tot het volgende te besluiten: ‘Alle de schippers, die volgens de gildewetten mogen smakken naar het Rotterdamse veer, zullen gehouden zijn op een dag in het laatste van maart, die de heren directeuren van de haven daartoe jaarlijks zullen bepalen, hetzelve te doen of, indien zij niet present kunnen zijn, door hun huisvrouwen of iemand anders van hunnentwege te laten doen. Tot welk einde de dag tot het smakken veertien dagen te voren zal worden bepaald en de gildebroeders zal worden aangezegd om zich alsdan of zelf of op de voormelde manier te laten vinden. Degene die zijn beurt voorbij laat gaan en niet aanwezig is, zal voor dat jaar verstoken zijn van zijn beurt om mede te smakken’.

Beurtveer op Leiden, Den Haag en Delft

Jan de Voet is sinds 1736, dus al 25 jaar, marktschipper van Goes op de steden Leiden, Den Haag en Delft. Door voortdurende ongesteldheid voelt hij zich niet meer in staat het veer naar gewoonte waar te nemen. Hij is nu met Marinus van Baalen overeen kunnen komen dat deze zijn schuit wil kopen. Het stadsbestuur gaat ermee akkoord dat Van Baalen in zijn plaats marktschipper wordt.

Herbergen en tapperijen

Het stadsbestuur beraadt zich in december 1760 over het voordeel dat de grossiers in sterke drank soms trekken uit de Ordonnantie op het brandewijnverkopersgilde van 6 september 1760. Besloten wordt de grossiers op dit punt zodanig te onderscheiden, dat ze bij hun jaarlijks verzoek om continuatie van hun nering voortaan een recognitie aan de stad zullen betalen van £ 1.6, terwijl de kroeghouders het gewone tarief van £ 1 zullen blijven betalen.

In april 1763 dienen de kroeghouders en slijters van sterke drank binnen de stad, de brandewijnverkopers, twee verzoeken in. Het eerste betreft een verzoek om vrijheid voortaan hun brandewijn en andere gedestilleerde wateren met kleine fust van buiten te mogen inslaan zonder verplicht te zijn deze bij de grossen binnen de stad te kopen. Het andere is een verzoek om de grossiers te verbieden enige sterke dranken met minder kwantiteit dan een stoop te mogen uitleveren.
Het stadsbestuur besluit, na het inwinnen van advies van de dekenen van het brandewijn-verkopersgilde, het eerste verzoek af te slaan. Wat het andere verzoek betreft worden de grossiers in sterke dranken verboden om voortaan enige sterke dranken hoegenaamd in minder kwantiteit als een stoop uit te leveren. Verder wordt de kroeghouders vergund de sterke dranken tot de stoop toe met allerhande kleine maten uit te schenken en te verkopen om buiten hun huizen geconsumeerd te worden.
Maar binnen twee maanden wordt dit besluit weer ingetrokken.

In ditzelfde jaar, in de maand juli, verbiedt het stadsbestuur de kroeghouders het tappen na tien uur ’s avonds op een boete van 25 gulden en sluiting van de nering voor drie maanden.

Er zijn in deze periode tal van mutaties in de herbergen, kroegen en koffiehuizen.
In 1760 krijgt Abraham Murre vergunning voor het verkopen van brandewijn en andere sterke drank in de kroeg ‘Koning William’, staande tussen de twee warterpoorten. Ook Aarnout Blomme krijgt vergunning om in het door hem gekochte huis buiten de Ganzepoort de tappersnering te doen.
Dingeman Benou krijgt vergunning om in het zogenaamde ‘Klomphuis’, staande even buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, de kroeghoudersnering te doen. Ook Pieter Sonius mag de tappers- en kroeghoudersnering doen in het huis ‘De laatste Stuiver’ aan het einde van de Voorstad.

In 1761 mag Cornelis de Vriese de tappersnering en de verkoop van sterke drank uitoefenen als kroeghouder in het pand ‘Engelenburg’. G. van Wijtvliet krijgt vergunning voor het houden van kroeg in het huis ‘De Meermin’ op de Kaai, Willem van Goch om kroeg te houden in zijn huis in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat en te blijven voortgaan met het verkopen van sterke drank in het door hem gehuurde huis bij de Blauwe Steen.
Marinus van Balen krijgt vergunning voor de verkoop van klein bier, brandewijn en andere sterke wateren als kroeghouder in het huis ‘de Stad Veere’, staande tussen de twee waterpoorten. Jacob Poelman mag herberg houden in het huis, staande in de Westschans aan het eind van de Havendijk. Cornelis Timmerman krijgt vergunning voor het houden van kroeg en het uitoefenen van de tappersnering in het huis ‘de Laatste Stuiver’ aan het einde van de Voorstad.

In 1762 mag Cornelis Boutens sterke drank verkopen als kroeghouder in ‘de florissante kroeg Papekerke’ aan de Grote Kade nummer 38. Ook Anthony de Sautoy mag dit doen als kroeghouder in het huis ‘de Bonte Koe’ op de Beestenmarkt. Jan Voorshans krijgt vergunning voor het tappen van sterke dranken als kroeghouder in het huis ‘het Molentie’ op de dijk buiten de ’s-Heer Hendrikskinderen poort.

In 1763 krijgt Marinus Groenewegen vergunning voor het tappen van sterke drank als kroeghouder in ‘het Klomphuis’ buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, evenals Harmannus Holm in ‘’s Lands Welvaren’ naast de zogenaamde Donkere Poort.

In 1764 krijgt Jan Blom vergunning als kroeghouder in het huis ‘de Groene Jager’ op de hoek van de Beestenmarkt. Marinus Amelink krijgt dit voor het tappen van sterke drank in het huis ‘het Wapen van Amsterdam’ in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat. Ook Benjamin van der Maas mag de tappersnering als kroeghouder uitoefenen in het huis ‘de Zalm’ aan de oostzijde van de kaai. Hetzelfde mag Willemina Leijs als kroeghoudster in het huis ‘de Maegd van Mechelen’ en Jacoba van Liere, gescheiden huisvrouw van Cornelis Boutens, als kroeghoudster in haar huis ‘de Papekerk’.

In 1765 krijgt Abraham Meitak vergunning voor het verkopen van sterke dranken als kroeghouder in het huis ‘de Groene Jaeger’ aan de Beestenmarkt. Pieternella Rentergem, verlaten huisvrouw van Willem Ribbe, krijgt vergunning om de tappersnering als kroeghoudster te doen in het huis aan de dijk van ’s-Heer Hendrikskinderen.
Johanna Oole krijgt in 1765 vergunning voor het verkopen van bier en sterke dranken als kroeghoudster in het huis ‘het Molentie’ buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.

In juli 1760 is de koffiehuishouder en biljardhouder Wilhelmus Hoogenhoed genoodzaakt om zeer dringende redenen zijn woonhuis ‘Het Royale Coffijhuis’ met de koffy- en biljardgereedschappen te verkopen. Hij krijgt toestemming om het huis als koffijhuis en voor het uitoefenen van het biljardspel te verkopen.
‘Het Royale Coffijhuis’ aan de Grote Markt wordt in juli 1763 gekocht door J.C. Loo. Hij verzoekt toestemming om hierin koffie- en biljardhuis te houden op dezelfde wijze zoals dit aan Hoogenhoed werd toegestaan. En omdat hij het pand heeft moeten kopen ver boven hetgeen dit waard is, indien dit als particulier huis gebruikt en bewoond zou worden, zo verzoekt hij tevens op dit huis te stellen een altijd durend octrooi tot het houden van koffij- en billiardhuis. Het stadsbestuur staat J.C. Loo beide verzoeken toe.
In juli 1763 legt Hoogenhoed het stadsbestuur de destijds in 1760 genomen resolutie voor in verband met de verkoop van zijn koffiehuis. Het stadsbestuur besluit te bepalen dat het de intentie is dat van het huis, dat thans als een particulier huis te koop staat, zodra dit door de koper met permissie van de raad als koffyhuis zal worden gebruikt, de kooppenningen, ofschoon deze minder zijn bij publieke koop, echter tot £ 700 Vlaams in het voordeel van Hoogenhoed zullen moeten worden verhoogd.

Ook de eigenaar van het koffy- en billiardhuis op de zuidzijde van de kaai, Turfkade 13, Cornelis Ossewaarde, krijgt op zijn verzoek in 1763 toestemming het door hem bewoonde pand altijd te mogen gebruiken als een koffie- en biljardhuis.

Markten

Grote of Korenmarkt

Elk jaar wordt het schoonmaken van de stads markten opnieuw verpacht en gegund voor tien ponden Vlaams. Meestal wordt ‘het wekelijks inkleppen van de Markt’ opgedragen aan de oudste korenmeter.

Vismarkt

Het stadsbestuur bepaalde in 1759 dat een schipper die met vis in de haven komt, genoodzaakt is deze af te slaan in het visperk, dit met de goede intentie om de burgerie beter van vis te voorzien. Maar in maart 1760 leert de dagelijkse ondervinding dat juist het tegengestelde hierdoor wordt bereikt. Dit is aanleiding om de resolutie van 1759 in te trekken en alle schippers, die hier met vis binnenvallen, toe te staan hun last te mogen breken zonder deze geheel te moeten afslaan. Echter, degenen die met kabeljauw in de haven komen, blijven verplicht tenminste zes levendige vissen af te slaan.
Verder besluit het stadsbestuur, tot voorkoming van het monopolie om voor redelijke prijs te kunnen kopen, aan een ieder die vis in beunen zal hebben te verbieden om deze vis, in de beunen leggende, af te slaan op de tijd als een vreemde schipper met vis hier liggende voor de eerste reis afslaat.

Jacob Heemskerk uit de Sint Jacobstraat en anderen, alle droge visverkopers, zijn gewoon hun vis binnen de stad en het eiland uit te venten. Ze verzoeken in 1760 uitsluitend aan hen dit recht te verlenen en andere leurders van droge vis op het platteland te weren. Dit verzoek wordt echter afgewezen.

In september 1763 besluit het stadsbestuur dat voortaan alle visvrouwen zich ten tijde van de visafslag in het visperk moeten laten vinden, tenzij ze door ziekte of andere gewichtige redenen - ter beoordeling van de afslager - verhinderd zijn. Tevens verbiedt het stadsbestuur aan een ieder het leuren met vis die niet op het visperk is gebracht en afgeslagen. Garnalen, mossels, oesters en kreukels zijn hiervan uitgezonderd.

Beestenmarkt

Meestal is de functie van poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Hoofdpoort gecombineerd met ‘het spannen van de reep’ op de Beestenmarkt op de toondagen en de paardenmarkt. De poortier krijgt dan twee grooten voor ieder hoornbeest en voor ieder paard.

Jaarmarkt

In augustus 1760 besluit het stadsbestuur op de aanstaande jaarmarkt te verbieden ‘comedianten en koordedansers, draayborden en diergelijke, wordende nochtans het toelaten van ordentelijke vertoningen en kleinigheden gelaten aan de beslissing van de burgemeesters’.
In 1763 wordt ‘wederom als vanouds besloten aan de directie van de heren regerende burgemeesters over te laten het permitteren of weren van allerlei vertoningen en spellen op de aanstaande jaarmarkt’.
Dit jaar vindt het stadsbestuur het nodig de ‘Instructie van de stadsomroeper’ nader vast te stellen. De drie stadsboden ontvangen, in verband met de schorsing van de stadsomroeper, gedurende deze kermis wat de stadsomroeper toekomt van de kramen en tafels.

Winkeliers

In juni 1760 geeft de winkelier Thomas Snoep (wonende Koningstraat nummer 5) en andere winkeliers, alle winkelhoudende burgers binnen de stad, te kennen dat het stadsbestuur bij resolutie van 23 mei 1760 ten gunste van het linnenwevergilde heeft besloten, dat ‘alle linnen, boesels, teerlingen en dergelijke waren, die in de stad worden ingekocht, door de winkeliers van ieder stuk ten behoeve van dat gilde zullen moeten betalen twee grooten Vlaams’. Ze betogen dat dit strekt tot groot nadeel van alle winkeliers die deze waren verkopen, omdat op verscheidene artikelen geen twee grooten Vlaams per stuk verdiend worden. Ze verzoeken daarom deze resolutie in te trekken of anders toe te staan dat iedere linnenverkopende winkelier mag volstaan met het betalen van twee grooten Vlaams aan het linnenwevergilde.
Het stadsbestuur besluit te bepalen dat de twee grooten Vlaams per stuk alleen zullen betaald moeten worden van linnen en waren die binnen de Republiek worden gemaakt. Hiervan zullen uitgezonderd zijn: ‘het Oosters en Moscovisch linnen, Egyptisch dimiet, stijf linnen, Canesas, Triljes, platlinnen of zogenaamde Kat in de Zak, Boesels (wollen stof waarvan boezelaars worden gemaakt), broekstriepen en diergelijke buitenlandse fabrijken’.

Bakkers

De meester zoetekoekbakker, Marinus Schelstrate, geeft in 1760 te kennen dat, nadat hij ettelijke jaren de koekebakkerstijl heeft beoefend, hij daarvan door allerlei tegenslag heeft moeten afzien. Omdat hij zijn meesterschap in het bakkersgilde heeft behouden, wil hij graag tot onderhoud van zijn huishouden het verkopen van zoetekoek en andere koekebakkerswaren weer ter hand nemen. Op advies van het bakkersgilde besluit het stadsbestuur Schelstrate vergunning te verlenen voor het verkopen van zoetekoek en andere koekebakkerswaren, mits hij dit bij de bakkersbazen binnen de stad zal kopen en inslaan.

Bakker Jan Marinusse Vervoort verkoopt in 1761 aan de stadsecretaris J.W. Boddaert het achterste gedeelte van zijn broodbakkerij, staande achter zijn huis aan de Lange Kerkstraat nummer 19, op voorwaarde dat de 200e penning van zijn huis zal worden verminderd met £ 1 en het huis van Boddaert daarmee wordt bezwaard. Hiermee gaat het stadsbestuur akkoord.

In 1762 geeft Jacobus Absalomse, wonend in ‘de Pauw’ aan de Grote Markt nummer 26, die zich geneert met de stijl van kok en pasteibakker, te kennen het groot verval dat dagelijks in deze stijl komt te gebeuren doordat de meeste van de inwoners hun vlees en andere spijzen in plaats van bij hem, bij de broodbakkers laten braden. Hij verzoekt daarom de broodbakkers te verbieden voortaan enig vlees of andere spijzen voor de andere inwoners te mogen koken of braden of hem toe te staan om, zoals hij voorheen placht te doen, de in de stad komende vreemdelingen te mogen logeren en spijzigen.
Het stadsbestuur overweegt dat het eerste verzoek zou zijn ‘van een zeer moeilijke en ongerieflijke excecutie’, waarom dit wordt afgeslagen. Wat zijn tweede verzoek betreft krijgt hij toestemming vreemdelingen die zich bij hem vervoegen te logeren en te spijzigen.

Pieter Coelders dient in 1763 een verzoek in om octrooi om gedurende zijn leven lang de kok- en pasteibakkerstijl te mogen uitoefenen met uitsluiting van alle anderen, mitsgaders ook vreemdelingen te logeren en te spijzigen zoals dit ook aan de laatst overleden kok is vergund geweest. Het stadsbestuur besluit Coelders toe te staan ‘de kok- en pasteibakkerstijl uit te oefenen zolang hij de goede burgerij kan gerieven en genoegen geven mitsgaders vreemdelingen te logeren en te spijzigen’.

Bakker Johannes Polderman verzoekt in 1763 in het door hem van Johannes de Koning gekochte huis op de Oprel van de Grote Markt nummer 4 een bakoven te zetten en dit huis tot ‘een koekebakkerie’ te gebruiken. Hij krijgt vergunning om op de door de stadsfabriek aangewezen plaats een oven te zetten om daarmee de koekebakkerstijl in dit huis te doen, ‘wordende in zooverre de koop van het huis geapprobeerd onder deze speciale voorwaarde dat het huis bij vervolg nimmer zal mogen verkocht worden om als een Broodbakkerie gebruikt te worden, zonder alvorens nadere permissie van het stadsbestuur te hebben verkregen’.

De broodbakker Jan Janse verzoekt in 1764 te mogen bakken ‘zekere zogenaamde Veersche Bolleties’. Dit is hem door de dekenen van het bakkersgilde verboden, ‘sustinerende dat hetzelve een gebak is hetwelk ingevolge het 14e artikel van het Reglement op het gilde aan de suiker- en peperkoekbakkers alleen toekomt’. Het stadsbestuur besluit Jan Janse en verder alle broodbakkers binnen de stad, die de zogenaamde Veerse bolletjes kunnen bakken, toe te staan dit te doen. De ordonnantie wordt in die zin aangevuld.

Vleeshouwers

De gezamenlijke vleeshouwers, dertien personen sterk, geven in 1763 te kennen dat deze stijl zodanig is vervallen dat ze geen bestaan meer daarin kunnen vinden. Ze verzoeken het getal van degenen die de vleeshouwerstijl uitoefenen te beperken tot acht personen. Het stadsbestuur besluit dat van nu voortaan geen nieuwe vleeshouwers, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, binnen de stad zullen worden toegelaten voordat hun getal tot op acht zal zijn verminderd.

In december 1764 besluit het stadsbestuur aan de vleeshouwers en varkenslagers te verbieden enige darmen of afval van beesten ergens neer te werpen als uitsluitend op een van de misputten of mestbakken buiten de stad.

Hoedenmakers

De gezamenlijke wevers en hoedenmakers bieden het stadsbestuur in 1761 een concept ordonnantie aan op grond waarvan de hoedenmakers worden gebracht onder het weversgilde. Hierdoor zou dus een gecombineerd gilde ontstaan. Het stadsbestuur besluit dit te weigeren. Hieruit zou nadeel voor verscheidene neringdoende burgers ontstaan. De hoedenmakerstijl wordt, zoals deze tot nu toe geweest is, voor een ieder vrij en open gelaten.

In augustus 1763 krijgt de meester hoedenmaker Michiel Heynen toestemming voor het stellen van een fornuis voor de uitoefening van zijn hoedenmakerstijl in het door hem gekochte huis ‘met de daaraan behorende hoedenfabricq’ uit de boedel van Adolf Schoon aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat (nummer 18).

De hoedenmaker Gerard Machielse krijgt in oktober 1765 toestemming om in het huis van Jan Tienpont in het Witte Paardstraatje nummer 5, ‘achter ’t koor van de kerk’, twee fornuizen voor de hoedenmakerstijl te plaatsen, een groot fornuis om de hoeden in te walsen en een klein fornuis met een plaat om deze daarop te bewerken.

Tabaknering

Gecommitteerde Raden van Zeeland hebben in 1755 aan de fabrikanten van carotten en snuiftabak gelast zich te onthouden van alle negotie van tabak. Dit om fraude te beletten die door de uitoefening van deze beide neringen en fabrieken zou kunnen worden gepleegd. Het stadsbestuur overweegt dat wel in grote steden, maar geensins in kleinere steden een persoon met het uitoefenen alleen van één van beide fabrieken kan bestaan. Een andere overweging is dat enige jaren geleden een molen tot het uitoefenen van beide fabrieken in de stad is gesticht. De eigenaar van dat pand is door deze resolutie genoodzaakt geweest afstand te doen van één van beide. Tot zijn groot nadeel kan hij daardoor zijn molen maar voor de helft gebruiken. Na zich verscheidene malen vruchteloos tot het stadsbestuur gewend te hebben met verzoek om beide fabrieken tegelijk te mogen gebruiken, heeft hij zich genoodzaakt gezien de tabaksnijderij te laten varen, waardoor hij zich van een voornaam deel van zijn bestaan beroofd ziet.
Het stadsbestuur besluit de gedeputeerden van Goes te machtigen om Gecommitteerde Raden van Zeeland in overweging te geven aan het oogmerk van de resolutie te blijven voldoen door toe te staan dat deze beide neringen tegelijk uitgeoefend kunnen worden. Dit onder de bepaling dat de gehele hoeveelheid tabak, die door deze fabrikeur tot beide oogmerken werd ingeslagen, aan de pachter zou moeten worden aangegeven.

In maart 1761 vaardigt het stadsbestuur een publicatie uit tegen het roken van tabak bij hooi, stroo, hout, schuren, stallen en pakhuizen, op wagens geladen met enige brandbare stoffen alsmede tegen het verwerken van enige brandspeciën met kaars- of lamplicht.
Johan Lodewijk Leewer krijgt in 1761 vergunning om in het pakhuis, staande aan de opperhel van de Ganzepoort, te zetten een ast of droogplaats voor zijn vers gesneden tabak ten behoeve van zijn tabaknegotie.

Er is deze jaren in de Staten van Zeeland heel wat te doen over de vereniging van de snuif- en tabaknegotie en de daarover te heffen belasting. Goes staat in haar standpunt alleen. In het notulenboek van het stadsbestuur wordt blijk gegeven van het grote ongenoegen van Goes over de onachtzame wijze waarop de andere steden met de gefundeerde bezwaren van Goes omgaan.

Smederijen

In november 1760 verzoeken de meester hoefsmeden Gideon Vervenne (in ‘de Meerseman’ aan de Lange Kerkstraat nummer 4) en Quirijn de Roo (in ‘de Vergulde Spade’ aan de Ganzepoortstraat nummer 14) het stadsbestuur het verzoek tot het oprichten van een hoefsmederij af te slaan dat een zeker persoon, die zijn burgerrecht alhier heeft verkregen, van plan is in te dienen. Ze vragen hen voor een zekere termijn van jaren octrooi te verlenen om met uitsluiting van alle anderen binnen de stad de hoefsmederij uit te oefenen en ook om hun weduwen of erfgenamen te vergunnen hun winkels gedurende het octrooi op het genot daarvan te verkopen. Het stadsbestuur slaat hun verzoek weliswaar af maar komt hen enigszins tegemoet door te bepalen dat voortaan geen van de Roomse religie dan die ingeboren burgers van de stad zijn tot het ambacht en handwerk van hoefsmid zullen worden toegelaten.

In 1760 wordt de tinnegieterij van de overleden Jacobus van Flierenburg overgenomen door Johannes van der Weele. Tevens wordt hij begunstigd met de ijk van de kleine maten, kannen en pinten van Van Flierenburg.

De meester hoefsmid Krijn de Roo verzoekt in 1761 om bij zijn smederij ‘de Vergulde Spade’ aan de Ganzepoortstraat nummer 14 een nieuwe luifel te mogen zetten of zijn travaille met kappen te mogen afdekken. Het stadsbestuur besluit echter ‘op het allerstriktste te persisteren bij de resoluties van 17 juli 1745 en 28 december 1748, waarbij het zetten van nieuwe of het repareren van oude luijfels geinterdiceerd is’. Zijn verzoek wordt wat dat betreft dus afgeslagen. Wel krijgt De Roo toestemming voor ‘het stellen van een of twee met zeildoek bespannen ramen ter lengte van de breedte van de gevel en ter breedte dat op de buitenpalen van de travailles rusten, zonder daar enigszins te mogen overhangen, en zullen deze ramen met catrollen moeten opgehaald en nedergelaten kunnen worden, zullende dezelve, wanneer hij tot zijn werk geen overdekkinge nodig heeft, tegen de gevel opgehaald moeten gesteld worden’.

De eigenaar van Slot Oostende, Cornelis Steenaart, geeft in 1762 te kennen dat zijn stiefzoon, Bastiaan van Flierenburgh, door hem besteld op een slotensmidwinkel, nadat hij daar tien maanden heeft gewerkt, daarvan buiten zijn schuld is afgeraakt. Vervolgens heeft hij bij een andere baas in de stad gewerkt om het ontbrekende aan zijn leerjaren toe te voegen. De dekenen van het smedengilde weigeren hem echter toe te laten tot het gilde en verlangen dat hij de volle twee leerjaren bij een baas werkt. Hij verzoekt ontheffing voor zijn stiefzoon van de bepalingen van de ordonnantie. Op advies van het smedengilde wijst het stadsbestuur zijn verzoek echter af.

In mei 1764 deelt de meester zilversmid Jacobus Zandijk mee ‘dat hij tot zijn allergrootste smerte en droefheid van tijd tot tijd heeft ondervonden dat zijn jongste zoon Henrikus zeer zwaar is getroubleerd omtrent zijn hersengestel’. Er is geen huis meer mee te houden. Om verdere onheilen te voorkomen krijgt hij op zijn verzoek toestemming om hem te mogen brengen in bewaarde hand te Lier in Brabant in het Cellebroedersklooster.

Blekerijen

De bleijkers binnen de stad wordt in augustus 1763 toegestaan om de bulhonden, die ze gebruiken om op hun bleekvelden de wacht te houden, te blijven gebruiken mits deze altijd overdag aan de band worden gehouden.

Zeilmakerijen

In 1761 vestigt zich een nieuwe zeilmaker in de stad. Pieter de Wind, zeilmakerbaas te Alphen, heeft het huis gekocht van de weduwe van de vroegere zeilmakerbaas Christiaan Roepel. Hij krijgt vergunning voor veertien jaar om, met uitsluiting van alle anderen, de zeilmakerij binnen de stad uit te oefenen op dezelfde wijze als voorheen baas Roepel en na diens overlijden zijn weduwe dit privilege hebben genoten.

Mandenmakers

In 1762 vragen Abraham Verclaar en Jan van der Kammen toestemming voor het verkopen van allerlei sorteringen van groene gesneden tenen voor wijngaard- en mutsaardbanden en dergelijke binnen de stad. Dit is hen door de dekenen van het timmerluidengilde verboden op grond van de resolutie van het stadsbestuur van 29 juli 1646, waarbij alleen aan de mandenmakers het verkopen van tenen en mandenmakershout is toegestaan. Zij stellen hierop dat het verkopen van tenen aangemerkt moet worden als een negotie die tot de proeve van de mandenmakers geen relatie heeft. Het is volgens hen een vrije negotie in zo ver dat het een ieder is toegestaan teenbossen aan te leggen of te pachten en de tenen en wissen over water of in het land te debiteren. Het stadsbestuur besluit echter het verzoek af te wijzen en alleen ‘tot het scheeden, reeden en verkopen binnen de stad van teenen, wissen en mandenmakershout’ toe te laten de zodanigen die proef gedaan hebben van het mandenmakersambacht. Wel krijgen ze de vrijheid om teenbossen aan te leggen of te pachten, mits ze maar niet binnen de stad en jurisdictie daarvan winkel houden of deze verkopen.

Andere bedrijvigheid

In oktober 1760 verzoekt Pieter Pieterse octrooi om met uitsluiting van alle anderen alleen te maken stoven en blookhouten en om deze stoven te mogen schilderen. Hij wil de stoven net zo goedkoop aan de winkels binnen de stad leveren als ze deze uit Holland kunnen bekomen. Op advies van het timmerluidengilde wordt het verzoek echter afgewezen.

De scheepstimmerbaas Jan Welle vraagt het stadsbestuur in juni 1760 te bepalen dat voortaan alle schippers, die van de stad varen en tot het schippersgilde behoren, verplicht zijn om hun nieuw te maken vaartuigen en ook reparaties en verbeteringen daaraan, door hem en op zijn werf te laten uitvoeren. Het stadsbestuur besluit echter dit verzoek af te wijzen.

In 1762 geeft de messenmakersbaas David Berthoud te kennen het groot nadeel dat hij lijdt omdat de meeste burgers van de stad, in plaats van hem te gebruiken, hun scharen en messen bewaren tot de jaarmarkt en deze dan door vreemde personen, die langs de huizen lopen, laten slijpen. Hij verzoekt aan deze personen het slijpen van scharen en messen, zowel binnen de jaarmarkt als daar buiten, te verbieden. Het stadsbestuur besluit echter ook dit verzoek af te slaan.

Op verzoek van de gezamenlijke stoeldraaiers binnen de stad verleent het stadsbestuur in 1765 hen toestemming om weer als vanouds blokken van elders te ontbieden en te verkopen. De resoluties van 15 december 1759 en 19 december 1761, die ten gunste van het schoenmakers- en timmerliedengilde werden genomen, worden ingetrokken en vernietigd en het van elders inbrengen van bloken en blookhouten wordt weer als vanouds toegestaan. Wel blijft het aan de timmermansbazen toegestaan blookhouten te snijden en aan de schoenmakersbazen het maken en opslaan van bloken.