Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1760 - 1765)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

In januari 1760 worden dertien nieuwe arbeiders toegelaten tot het Sint Jansgilde voor de arbeiders en vijftien tot het bierdragersgilde. En in december van dit jaar worden zelfs 35 personen toegelaten tot het arbeidersgilde. Het zijn Marinus Kramer, Adriaan Markeluijn, Adriaan Biersteker, Pieter Sloover, Johannis Verplakke, Jeras Paulusse, Bastiaan de Munnink, Harman Bos, Hendrikus Richard, Jan van Starrenbergh, Michiel van de Putte, Carel Verplakke, Jan Blommert, Dirk Leeuwenburgh, Jacob Barbier, Andries Welle, Claes Caduy, Marinus Vleeshouwer, Huibregt de Vos, Andries Rijkaard, Dignus Zeegers, Benjamin Benjaminse, Adriaan Janse de Jonge, Adriaan Bos, Christiaan de Minder, Adriaan Rijkaart, Adriaan Poortvliet, Francois van Balen, Jan Zuidweg, Cornelis van Leeuwen, Willem Dekker, Willem Springeling, Jan Bosdijk, Jan van de Velde en Paulus Musse.
Ook in 1765 worden weer achttien nieuwe arbeiders tot het Sint Jansgilde toegelaten. Het zijn Foort Haesdonk, Adriaan Zoutewelle, Anthoni Visser, Cornelis van Leeuwen, Huibregt Visser, Janis Colaris, Jan van Brecht, Jan Ben, Cornelis Jobse van der Maas, Jan Geense, Abraham van Klink, Harman van Veen, Claas Vervenne, Jan Verheule, Marinus Rochusse, Simon van Leeuwenburgh, Ary Goeman en Jan Oudelande.

Het stadsbestuur stelt in juli 1760 een lijst vast van arbeidsloon voor de arbeiders van het Sint Jansgilde om zich daarnaar te reguleren, zowel in als buiten de kermis. Hiermee wordt het onbehoorlijk gebruik van dubbel loon te eisen tijdens de jaarmarkt afgeschaft.

In oktober 1764 besluit het stadsbestuur op verzoek van de dekenen van het arbeidersgilde de resolutie van 17 december 1763 in te trekken en buiten

effect te stellen. Dat houdt in dat van nu af aan de arbeiders op de marktdagen eerst zullen smakken tot het bedienen van de kooplieden en vervolgens, die geen werk aangesmakt hebben, rechtstreeks tot het bedienen van de bakkers en de brouwers zullen aansmakken met dien verstande, dat voor iedere brouwerij maar één man zal gebruikt worden welke verplicht is de brouwerij die hij aangesmakt heeft behoorlijk te bedienen.

Bakkersgilde

In maart 1760 wijzen de dekenen van het bakkersgilde er op dat de ordonnnantie van 21 augustus 1683 bepaalt dat 'niemand enigerhande brood, koek, etc. zal mogen verkopen dan ten huize daar hetselve gebakken is'. Ze vragen al de koekebakkers en banketbakkersbazen hetzelfde voorrecht te verlenen. Het stadsbestuur besluit in het vervolg aan alle koekebakkers- en banketbakkersbazen, die uit hun ambacht moeten scheiden, toe te staan het verkopen van koeken en andere waren die tot dezelfde stijl en nering behoren, mits ze deze inslaan van de bakkersbazen binnen de stad die deze bakken.
Tevens besluit het stadsbestuur op verzoek van de dekenen van het gilde aan de kleine winkeliers te vergunnen het verkopen van peperbollen, zogenaamde suikerspekjes en knippeltjes, mits ze deze halen bij de bakkers binnen de stad waar deze worden gemaakt.

Brandewijnverkopersgilde

In 1760 wordt het brandewijnverkopersgilde weer in werking gebracht en opgericht. In verband daarmee wordt het ingevolge artikel 7 van de Ordonnantie aan de kroeghouders verboden enige sterke drank in te slaan anders dan van de grossiers in sterke drank.
Het stadsbestuur constateert echter dat haar intentie door de kroeghouders of kleine winkeliers wordt ontdoken. Het blijkt dat, terwijl de ordonnantie nog niet is vastgesteld, deze zich al voor een geruime tijd hebben voorzien van sterke dranken. Ze hebben deze drank, volgens informatie, van buiten de stad laten komen.
Het stadsbestuur bepaalt dat alle zodanige sterke dranken, die vanaf heden door de kroeghouders van elders worden ontboden en binnen de stad ingebracht, in geen geval door de kroeghouders mogen worden opgeslagen. De collecteur van de belasting op de brandewijnen en gedestilleerde wateren wordt verboden enig biljet op naam van een kroeghouder of kleine winkelier af te geven. Om te voorkomen dat kroeghouders genoodzaakt zijn hun reeds ontboden dranken weer terug te zenden, gelast het stadsbestuur de grossiers alle zodanige in te brengen sterke dranken, bij schikking onder elkaar te maken, zelf op en in te slaan en de kooplieden die deze hebben geleverd ten spoedigste te betalen, volgens de koopmansbrieven aan de kroeghouders geadresseerd. De kroeghouders moeten deze koopmansbrieven zo spoedig mogelijk overleggen. Als geconstateerd wordt dat door iemand van de kroeghouders of kleine winkeliers vanaf nu enige sterke dranken worden ontboden en binnen de stad gebracht, zullen deze verplicht zijn deze dranken weer terug te zenden.

Het blijkt in 1760 dat het brandewijnverkopersgilde, waaronder de grossiers in sterke drank en de kroeghouders ressorteren, al gedurende ettelijke jaren is verwaarloosd. De ordonnnatie op het gilde is daardoor in onbruik geraakt. Het stadsbestuur besluit het gilde weer opnieuw tot leven te brengen en een ordonnantie op het gilde vast te stellen.
Tot overdeken van het brandewijnverkopersgilde wordt aangesteld de regent Gideon Ossewaarde.

Op verzoek van de dekenen van het brandewijnverkopersgilde besluit het stadsbestuur in 1761 de ordonnantie op het gilde van 6 september 1760 met enige artikelen aan te vullen. Enkele aanvullingen zijn de volgende:

  • wanneer iemand van de gildebroeders of hun huisvrouwen of weduwen komt te overlijden, zullen alle andere gildebroeders verplicht zijn op een overnachtse wete, door de bode van het gilde aan hen te doen, goedtijds zich te laten vinden voor het huis van de boekhouder om bij de begrafenis van de overledene te assisteren;
  • de gildebroeders die geen schutter zijn en derhalve hun vrouwen of weduwen door geen schutters wordende gedragen, zullen worden gedragen door de jongste gildebroeders;
  • geen meerder of groter getal van grossiers in sterke dranken binnen de stad zullen worden toegelaten dan alleen vijftien personen gelijk deselve tegenwoordig zijn;
  • geen kroeghouder zal een grossier mogen verlaten in het halen van sterke dranken om die bij een ander te halen zo lang hij bij de eerste wegens gekochte drank nog iets schuldig is; ook mag geen grossier binnen de stad aan een kroeghouder enige sterke drank leveren ten ware zulk een kroeghouder bij zijn vorige leverancier over leverantie van drank niets meer schuldig is;
  • voortaan zal niemand, geen tapper zijnde, vermogen bier voor drinkgelag te laten tappen en met de kleine mate te verkopen, tenzij hij daartoe consent hebbe verkregen en jaarlijks aan het gilde een recognitie betale.

In 1762 verzoeken de dekenen van het brandewijnverkopersgilde dat voortaan geen grossier aan een tapper of kroeghouder méér zal mogen afleveren dan twee stopen tegelijk of maximaal een half anker. De aanleiding van dit verzoek is 'dat sommige grossiers dikwijls dranken in een schuur of pakhuis ergens opslaan gedurende 24 of 48 uur en daarna bij gehele stukken aan de tappers afleveren, hetwelk strijdig is met de ordonnantie'. Het stadsbestuur weigert dit verzoek echter in te willigen.

Kleermakersgilde

Het stadsbestuur besluit in 1760 dat voortaan geen kleermakersbazen hun ambacht mogen uitoefenen op een andere plaats als in de door hen bewoonde huizen. De knechts mogen voortaan geen werk mee naar huis nemen, maar moeten dit op de winkels afmaken.

In 1760 dienen de knoopmakers in het kleermakersgilde Anthony Broekert en Arnoldus Wiggers een rekwest in over een niet nader genoemde zaak. Na het inwinnen van advies van de dekenen van het kleermakersgilde besluit het stadsbestuur hier afwijzend op.

Kramersgilde

De dekenen van het kramersgilde wijzen er in januari 1762 op dat bij resolutie van 30 december 1613 is geordonneerd dat iedereen van het gilde gehouden zal zijn te verschijnen op de begrafenis van een overleden gildebroeder, zijn huisvrouw of weduwe. Men is dan verplicht 'het recht voor de knape en de pelle te betalen'. De laatste tijd is het verscheidene malen voorgekomen dat personen begraven zijn zonder het gilde hierin te kennen en het gilderecht te betalen. Op hun verzoek besluit het stadsbestuur de ordonnantie van 1613 te hernieuwen.

Linnenweversgilde

In mei 1760 komt een verzoek binnen van Jan Arnold Slink en Jan Marinusse. Ze zijn de enig overgebleven gildebroeders van het linnenweversgilde en uit dien hoofde tevens dekenen van het gilde. Ze verzoeken enige ingeslopen misbruiken, waardoor de linnenweverij uit de stad geheel naar het platteland is overgegaan, te herstellen. Het stadsbestuur besluit vast te stellen ingevolge het 6e artikel van de ordonnantie op het weversgilde van 1638 'dat het niemand van buiten de jurisdictie van de stad is toegestaan enige gaaren binnen de stad aan te nemen, te halen noch te dragen, om dit te verwerken of te doen verwerken voor enige ingezetene op verbeurte van twintig schellingen Vlaams, ten ware hij poorter is van de stad en vrij in het weversgilde, wordende dus het 6e artikel wel expresselijk gerenoveerd gelijk ook mede gerenoveerd worden de resoluties van 20 januari 1706 en 23 november 1718, dat van alle linnen, boesels, teerlingen en diergelijke linnenwaren, die van buiten komende in deze stad bij omlage of andersins verkocht worden, zal worden betaald ten profijte van het weversgilde twee schellingen per stuk, uitgezonderd die bij particulieren tot hun eigen gebruik worden gekocht'.

Schippersgilde

In 1765 vernemen we iets van het schippersgilde. Er komt een uitvoerig advies bij het stadsbestuur binnen van de dekenen van het schippersgilde naar aanleiding van het door Jan van Schakerloo ingediende rekwest. Beurtschipper Van Schakerloo verzocht namelijk vrijgesteld te worden van de resolutie waarbij bepaald is dat geen schip boven de tien jaar oud in het gilde mag worden toegelaten.
De dekenen van het gilde vinden het een wonderlijke zaak dat Van Schakerloo voorgeeft bij de koop van zijn poonschuit niet te hebben geweten dat deze ouder dan tien jaar was. Als oud en ervaren schipper had hij bij de koop van het toen deplorabele schip moeten weten dat het bijna twintig jaar oud moest zijn. Het stadsbestuur besluit dan ook het verzoek van Van Schakerloo om met zijn poonschuit in het groot gilde te mogen varen af te wijzen. Hij wordt gewezen op het grote nadeel dat hij anders zou te lijden hebben. Wel krijgt hij toestemming om met zijn poonschuit in het klein schippersgilde te varen.

Schipper Cornelis Verplakke geeft te kennen dat hij zijn schip waarmee hij in de brede beurt vaarde wel had verkocht, maar dit nog niet geleverd. Hij heeft het schip nu weer bekomen, door de scheepstimmerman laten examineren, zinken, zwavelen en alles daaraan in het werk gesteld om het waar mogelijk van ongedierte te zuiveren. Hij verzoekt met het schip weer toegelaten te worden in het gilde. Dit verzoek wordt afgewezen vanwege de ouderdom van het schip.
Op een herhaald verzoek wordt hem opnieuw verboden met zijn schip in de brede beurt zowel als in andere beurten te varen. De reden is dat Verplakke en zijn vrouw van tafel en bed zijn gescheiden. Hij heeft geen zekerheid over de penningen die hij jaarlijks tot alimentatie van zijn kinderen moet bijdragen. Hij verzoekt opnieuw met zijn schip in het gilde te worden toegelaten. Het stadsbestuur besluit hem dit toe te staan onder de bepaling 'dat hij naar geen smakbeurten zal mogen smakken of op zijn toerbeurt op enige veren aanleggen en zich zal moeten subjecteren aan de gildewetten en de jaarlijkse recognities voldoen'.

Schoen- en gareelmakersgilde

In 1761 doet het schoen- en gareelmakersgilde van zich horen. Op vezoek van de dekenen van het gilde besluit het stadsbestuur 'dat degenen die zich in kwaliteit of pays der bloken tegen de eerder genomen resolutie van 15 december 1759 komen aan te gaan, ten voordele van het gilde zullen vervallen in een boete van een pond Vlaams'.

Timmerluidengilde

In december 1761 verzoeken de dekenen van het timmerluidengilde toestemming dat aan de timmermansbazen binnen de stad octrooi wordt verleend 'om, met uitsluiting van alle anderen, te mogen snijden en maken en door hun knechts te mogen doen snijden en maken en binnen de stad leveren en verkopen alle soort van vrouwe blookhouten'. Tevens vragen ze, om de invoer van deze blookhouten van buiten te beletten, maatregelen te treffen.

Tevens besluit het stadsbestuur de bazen van het timmerliedengilde toe te staan binnen de stad en jurisdictie, met uitsluiting van alle anderen, deze blookhouten te mogen snijden en maken en door hun knechts te laten snijden en maken en vervolgens aan de blookmakers te leveren en verkopen. Wel zijn ze gehouden hun blookhouten aan de blookmakers te leveren voor dezelfde prijs en niet hoger als deze van elders bekomen zijn, de transpoorten hieronder begrepen. De kwaliteit van die blookhouten moet volkomen met die van elders overeen komen en vooral niet minder zijn. Verder wordt nadrukkelijk de invoer van vrouwe blookhouten van elders binnen de stad en jurisdictie verboden.