Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1760 - 1765)

Nederduitse (hervormde) gemeente

In februari 1762 bezoekt de praesis van de kerkenraad van de Nederduitse gemeente, ds. Aegidius Stokmans, de voorzittende burgemeester. Hij betoogt dat het vanouds de gewoonte is geweest om na de namiddagpredikatie op de jaarlijkse bededag een catechisatie te houden ‘ofte wel anders eene korte repetitie van de predicatie die des morgens in de Grote kerk was gedaan, zonder dat de diaconie daar iets van genoot’. De predikanten hebben onder elkaar daarover hun gedachten laten gaan. Ze vinden het raadzaam het stadsbestuur voor te stellen de plechtigheid van de dank-, vast- en bededag te laten besluiten met een korte aanspraak aan de gemeente en gebed, ‘voor welke godsdienstoefening, evenals voor de bedestonden die plegen gehouden te worden, de diakenen verzocht zouden kunnen worden met het zaktie te staan, biedende zich de predikanten aan deze oefening gaarne te willen verrichten, als oordelende daarin gelegen te zijn’.

Het stadsbestuur besluit, verstaande de goede en loffelijke ijver der predikanten, in deze te lauderen en te approberen en te consenteren dat inplaats van de gewone catechisatie of repetitie op den dank-, vast- en bededag des avonds na de namiddagpredikatie zal worden gehouden een bedestond op zodanig een wijze dat na het psalmgezang een korte aanspraak aan de gemeente wordt gedaan en vervolgens een gebed op de solemniteit van die dag applicabel en voorts met het psalmgezang besloten. Dat ook de heren predikanten worden verzocht de nood der armen te recommenderen en de diakenen bij het uitgaan van de kerk tot de ontvangst van de aalmoezen aan de deuren te willen tegenwoordig zijn’.
Ook besluit het stadsbestuur dat op de jaarlijks te houden dank-, vast- en bededagen de klok voor het avondgebed zal worden geluid een kwartier over vijf uur en de godsdienstoefening om half zes een aanvang zal nemen.
In oktober 1762 verzoeken de predikanten om gedurende de vier wintermaanden ontslagen te worden van de catechisatie die ze gewoon zijn op woensdag in de Grote kerk voor de schoolkinderen te houden. Het stadsbestuur besluit hiermee in te stemmen en dus deze  catechisatie van begin november tot eind februari af te schaffen. Niettemin krijgen de schoolmeesters opdracht om gedurende die tijd in hun scholen zelf de catechisatie voort te zetten.

Ds. Bartholomeus van Velsen ontvangt in november 1762 een beroep van de gemeente van Schiedam. Voor het beroepen van een nieuwe predikant vaardigt het stadsbestuur naar het collegium qualificatum af de burgemeesters Pieter Ossewaarde en mr. Francois Nicolaas Keetlaar en oud-burgemeester Kornelis Lopsse.
Koster Jacobus Does krijgt een vergoeding uit de stadskas voor zijn gemaakte kosten voor de reis naar Holland en Gelderland ‘om enige predikanten te horen uit dewelke een goede nominatie zou kunnen worden gemaakt ter suppletie van de tegenwoordige vacature’.
In december wordt beroepen tot predikant ds. Dirk Kaas, predikant te Sluis in Vlaanderen.

In deze jaren speelt ook het punt van de invoering van de nieuwe psalmberijming. Naar aanleiding van het verhandelde in de statenvergadering van de 26e augustus 1763 en het rapport van het gehouden besogne over de berichten van de Classes van Zeeland over de nieuw te introduceren Psalmberijming besluit het stadsbestuur ‘zich te voegen bij het geadviseerde der leden op dat poinct, tenderende om te volgen de berijming van den heer Voet met zijn genootschap, onder zodanige veranderingen als daar in zullen nodig geoordeeld worden’.

Burgemeester Pieter Ossewaarde geeft het stadsbestuur in 1765 te kennen dat de predikanten van de Nederduitse en Waalse gemeenten bij hem zijn geweest met het verzoek om binnen de stad, zoals in andere steden van de provincie, een collecte te houden voor de verdrukte Waldenzen in de Vallei van Piëmont. Het stadsbestuur overweegt hoe weinig de driemaandelijke collecten voor het weeshuis telkens bedragen ‘welke door het doen van collecten voor vreemden eerder te vreesen was dat af dan toe zoude nemen’. Het besluit het verzoek van de gezamenlijke predikanten af te wijzen.

In oktober 1765 overlijdt de predikant ds. Aegidius Stokmans. Voor het beroepen van een nieuwe predikant vaardigt het stadsbestuur naar het collegium qualificatum af mr. F.N. Keetlaar en de schepenen J. Isebree en mr. W. van der Bilt.
Uit een drietal, te weten ds. Van Drunen te Haamstede, ds. Roos te Aalsmeer en ds. Brouwer te Jaarsveld, wordt met een meerderheid van stemmen beroepen ds. Johan Jacob van Drunen.

Waalse gemeente

Begin november 1760 verschijnt een deputatie van de kerkenraad van de Waalse gemeente aan het huis van de voorzittende burgemeester. De deputatie verzoekt ‘hen te voorzien van een klok, bekwaam om de leden hunner gemeente van het uur tot de verrichting van de publieke godsdienst geschikt te waarschuwen, met allegatie van verscheidene redenen welke zij vermenen voor hun verzoek te militeren en wel voornamelijk om in deze gelijk gesteld te worden met die van de Nederduitse gemeente alhier, als zijnde beneffens dezelve leraars en belijders van eenen en denzelven waren godsdienst en te meer dewijl zij vermeinen dat deze concessie op geen aangenamer of meer gepaster tijd konde verleend worden, als zijnde binnenkort het eerste eeuwgetijde sedert de vergunning eener kerke aan die van de voorseide gemeinte’. Verder verzoeken ze het stadsbestuur enige noodzakelijke veranderingen en verbeteringen in hun kerkgebouw te laten aanbrengen.
Het stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren op te dragen om van het werk tot het stellen van zodanig een klok een bestek en een raming van de kosten op te stellen. Wat het tweede verzoek betreft worden de stadsdirecteuren gemachtigd om daarin te handelen zoals zij zullen nodig oordelen.

In december rapporteren de stadsdirecteuren dat ze het verzoek van de Waalse kerkenraad om ter gelegenheid van de aanstaande plechtige viering van het jubileum van deze gemeente te mogen beschikken over een toren en klok hebben beoordeeld. Ze hebben bevonden ‘dat het stellen van een toorntje op gemelde kerk, groot genoeg om een klok van behoorlijk caliber te kunnen dragen, een werk van importantie zou zijn, doch dat zij alvorens hun rapport te doen door de stadsfabriek hadden doen maken een tekening van zodanige toorn en een beraming van de som die dit zou moeten kosten’. Dit is gecalculeerd op tenminste £ 500. Daarbij is nog niet meegerekend de klok die, ingeval deze enigszins aan het oogmerk van de Waalse gemeente zou voldoen, tenminste nog een som van £ 100 zal bedragen.
De Waalse kerkenraad krijgt bericht ‘dat het stadsbestuur gaarne wenste dat de financiën van de stad in een zodanige florissante staat waren dat zij zonder enige de allerminste hesitatie aan het verzoek van de kerkenraad zouden kunnen voldoen, doch ziende de toestand van de financiën welke sedert enige tijd, zo door ordinaire als zeer vele extra ordinaire werken zijn verzwakt, zodat ze alleen op het noodzakelijke en geensins op het vercierende behoren te denken, dierhalve vooralsnog in het verzochte niet kan worden getreden’.
En wat het gevraagde herstelwerk betreft rapporteren de stadsdirecteuren over hun inspectie van de gevraagde reparaties en veranderingen in het kerkgebouw van de Waalse gemeente. Zij hebben geconstateerd dat deze reparaties hoofdzakelijk bestaan in het terug zetten van de preekstoel en het verplaatsen of veranderen van enige zitbanken alsmede het maken van enige nieuwe banken. De stadsdirecteuren krijgen machtiging bij de ordinaire besteding van de stadswerken hiermee zodanig te handelen als ze in het meeste voordeel van de stad van belang zullen vinden. 

In januari 1761 geeft burgemeester Keetlaar het stadsbestuur te kennen dat de Waalse kerkenraad hem opening van zaken heeft gegeven over de onmogelijkheid om hun armen wekelijks te verzorgen. De middelen uit de gewone collecten aan het einde van de kerkdienst en uit hetgeen ze gewoon zijn te onvangen van het weeshuis zijn hiertoe ontoereikend. Het stadsbestuur geeft de buitenregenten van het arm- en weeshuis machtiging tot vergoeding van de helft van de wekelijkse uitdeling van die van de Waalse gemeente.

Doopsgezinde gemeente

Ds. Gerrit Schimmelpenning, leraar van de doopsgezinde gemeente, verzoekt in februari 1761 om, evenals de predikanten van de publieke kerk hier genieten, ook in het genot te mogen worden gesteld van vrijdom van stedelijke accijnsen op de wijnen en bieren en van het poortgeld. Dit verzoek wordt echter afgeslagen.