Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1760 - 1765)

Stadsbestuur

In de plaats van het overleden raadslid Adriaan Jacob, baron van Lynden wordt tot raad van de stad verkoren mr. Laurens Pieter van de Spiegel.

Op 12 april 1760 overlijdt mr. Jacob Keetlaar, oud-burgemeester, raad en secretaris van de stad. Het stadsbestuur overweegt 'dat hij als secretaris, verscheidene papieren en documenten ter giffie dezer stad beherende, onder zich heeft gehad' en is beducht dat deze door onkunde of vergetendheid in het ongerede zullen geraken. Tot het nazien van de papieren in de boedel en tot terugbezorging van die welke tot de stadsgriffie behoren, worden aangewezen de drie voorzittende heren, namelijk oud-burgemeester Cornelis Lopsse, Johan Isebree en Willem van der Bilt. Na onderzoek rapporteren ze dat ze in de boedel verscheidene papieren en documenten hebben gevonden die tot de griffie van de stad behoren, onder andere 'het in de stadsnotulen mankerende in het jaar 1730 en het gansche jaar 1731, welk benevens meer andere stukken gesaiseerd hadden en thans aan hun achtbaren presenteren'.
Door het overlijden van mr. Jacob Keetlaar komt een plaats van raadslid vacant. Met eenparigheid besluit het stadsbestuur te nomineren voor de vacante raadsplaats mr. Jan Boogmaker en Carel Johan van Lichtenberg. De nominatie wordt gezonden aan de Vijf voorzittende Leden van Staat. Op 15 mei komt bericht binnen dat tot raad van de stad is verkoren mr. Jan Boogmaker.
Tevens komt door het overlijden van Keetlaar een van beide secretarisambten vacant. Het is van belang dat hierin ten spoedigste wordt voorzien. Besloten wordt tot secretaris, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht aan te stellen Jan Willem Boddaert.

In mei 1760 overlijdt de schepen Johan van Thiel. Eenparig nomineert het stadsbestuur voor de raadsplaats Carel Johan van Lichtenberg en Quirijn de Lasable. Daarvan wordt Van Lichtenberg verkoren. De schepenplaats wordt vervuld tegelijk met de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur.
Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur wordt tot burgemeester verkoren doctor Kornelis Lopsse en tot schepenen Quirijn de Lasabel, mr. Jan Boogmaker, Johan Zautijn en doctor Coenraad Coenraats, terwijl de afgaande burgemeester Pieter Ossewaarde verder gaat als pensionaris-honorair.

In juni 1761 neemt de oppergriffier van de stad, Francois Breekpot, ontslag. Breekpot, tot nu toe eerste griffier of opperklerk, verzoekt vanwege 'zijn meer en meer toenemende lichaamsongestalte en verminderende krachten van zijn charge te worden ontslagen'. De voorzittende burgemeester stelt aan de orde dat door het dagelijks vermeerderen van de affaires op de stadsgriffie het nodig is een derde klerk aan te stellen, tenminste bij provisie en tot wederopzegging. Het stadsbestuur besluit daarop de oudgediende oppergriffier Francois Breekpot ontslag te verlenen op de conditites dat hij:

  • gedurende zijn leven lang de titel van eerste griffier zal behouden en dus toegang tot de griffie zal blijven houden, mits zijn advies en desnoods hulp niet weigerende;
  • zolang hij leeft in eigendom bezit en zelf bewoont het huis in de Lange Vorst, tegenwoordig van de 200e penning op de huizen bevrijd, hij ook zal blijven genieten van deze vrijdom;
  • gedurende zijn leven lang zal blijven behouden het tractement van £ 33.6.8 mitsgaders de extra ordinaire toeleg van £ 16.13.6, zijnde verleend aan de opperklerk, van welke penningen hij jaarlijks zal uitkeren een som van £ 8.6.6 ter voldoening van een gedeelte van het tractement van de derde klerk ter griffie;
  • jaarlijks zal betalen het ambtgeld als opperklerk.

Het stadsbestuur benoemt tot eerste griffier J.P. Dassevael, tot nu toe tweede klerk ter griffie.
In de plaats van de bevorderde Dassevael krijgt Francois Breekpot junior een aanstelling tot tweede griffier.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in 1761 worden verkoren tot burgemeester Pieter Ossewaarde en tot schepenen mr. Willem van der Bilt, Francois de Keijser, Adriaan Isebree en Gerardus Johannes Boon. Pensionaris-honorair wordt de afgegane burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar. Pensionaris-honorair wordt Dirk Wouter, baron van Lynden. In ditzelfde jaar krijgt hij een aanstelling tot gedeputeerde ter Generaliteit van Zeeland.

In 1762 worden verkoren tot burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar en tot schepenen mr. Daniël Canisius, Marinus de Meijer, Jan Willem Boddaert en Carel Johan van Lichtenberg. De afgaande burgemeester dokter Kornelis Lopsse krijgt een aanstelling tot pensionaris-honorair.

Er doet zich in 1762 iets merkwaardigs voor. Op zaterdag de 5e juni 1762 vergadert het stadsbestuur maar neemt geen enkel besluit. Het is sinds lang niet voorgekomen dat de heren stadsbestuurders Lopsse, Van der Bilt, De Keijser, Canisius, Boddaert, Izebree en Boogmaker onverrichterzake naar huis gaan na de wekelijkse vergadering van Wet en Raad, omdat er geen punten ter behandeling zijn.
Wel begint dit jaar vanaf 16 oktober een nieuw notulenboek. Het is opvallend dat vanaf dat tijdstip ook een andere scribent/notulist optreedt. In keurig en duidelijk handschrift wordt vanaf nu genotuleerd. Het valt overigens op dat het vanaf nu steeds meer in gebruik komt dat de voornamen worden weggelaten en alleen de voorletters worden vermeld. Het kan zijn dat dit door de nieuwe stadssecretaris komt.

Tevens besluit het stadsbestuur in 1762 de beide secretarissen te machtigen tot het reviseren van de Instructie van de Stadsrentmeesters en 'dezelve tegenwoordige usantie te veranderen'.
Wellicht heeft dit te maken met het overlijden van de administrerend rentmeester van de stad, Francois Breekpot. Zijn weduwe mag het rentambt blijven waarnemen tot kerstmis aanstaande, zijnde de tijd van de jaarlijkse aanstelling van de stadsrentmeesters.
In december 1762 wordt de Instructie en het Reglement op het bedienen van het stads-rentmeesterschap vastgesteld. Op zondag 26 december worden in een extra-ordinaire vergadering verkoren tot administrerend stadsrentmeester Zacharias Coenraets en tot toeziend rentmeester Cornelis Wagenaar.

Bij de jaarlijkse verkiezing in juni 1763 worden verkoren tot burgemeester doctor Cornelis Lopsse en tot schepenen Johan Isebree, Quirijn de Lasabel, Jan Boogmaker, Johan Zautijn en Gideon Ossewaarde. De afgaande burgemeester Pieter Ossewaarde wordt aangesteld tot pensionaris-honorair, evenals A.W. van Kerchem, heer van Baarland en Oudelande.

Gideon Ossewaarde verzoekt in mei 1764 ontslag als schepen. Ook mr. Jacobus Dominicus vraagt ontslag als raadslid. Hij bedankt het stadsbestuur 'voor de eer welke hij gehad heeft zo lange een lid van deze raad geweest te zijn en hij beveelt vervolgens zich zelven en zijn familie in de bescherming van het stadsbestuur aan'. Het stadsbestuur dankt hem 'voor zijn gedane diensten en wenst hem in zijn naderende ouderdom allerhande prosperiteit toe'.
In de vacature van Ossewaarde wordt uit het gestelde tweetal, mr. Dignus Cornelis Keetlaar en mr. Adolph Westerwijk, Keetlaar tot schepen verkoren.
In de vacature van Dominicus worden genomineerd mr. Johan Adriaan van Dorth en dr. Cornelis Canisius, waaruit Van Dorth gekozen wordt.
In juni 1764 worden verkoren tot burgemeester Pieter Ossewaarde en tot schepenen mr. Willem van der Bilt, Francois de Keijzer, dr. Coenraat Coenraets en mr. Laurens Pieter van de Spiegel. De afgaande burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar wordt gekozen tot pensionaris-honorair, evenals Huybert Jan de Heere.

Het stadsbestuur beraadt zich in oktober 1764 over de functie van pensionaris-honorair. Vanouds is het een gebruik dat de afgaande burgemeester de titel van pensionaris-honorair krijgt. In de resolutie van 21 augustus 1756 is bepaald dat een pensionaris-honorair, die tot raad van de stad wordt verkoren, gehouden is zijn pensionaris-honorairschap te beëindigen. Besloten wordt deze resolutie in die zin te wijzigen dat iemand, die tot pensionaris-honorair wordt aangesteld, van de prerogatieven, eer of titel van dit ambt niet langer zal gebruik kunnen maken dan zo lang hij in de stad zijn domicilie houdt tenzij hij met enige buitencommissie is begunstigd. In dit geval en zo lang dat duurt zal deze resolutie geen effect sorteren.

In maart 1765 overlijdt het lid van de raad Pieter de Keijser. Daardoor vaceert ook de functie van ontvanger van de 200e penning op de landen over Noord-Beveland. In zijn plaats wordt tot raad verkoren Gerardus Johannes Boon.
Begin juni 1765 verzoekt mr. Laurens Pieter van de Spiegel ontslag als schepen van de stad. Uit het gestelde tweetal, Carel Johan van Lichtenberg en mr. Adolph Westerwijk, wordt Van Lichtenberg verkoren tot schepen.
Bij de jaarlijkse verkiezing van de magistraat in juni 1765 worden verkoren tot burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar en tot schepenen dr. Adriaan Isebree, Marinus de Meyer, Gerardus Johannes Boon, dokter Cornelis Canisius en Jacobus van Erps. De afgaande burgemeester dokter Kornelis Lopsse wordt zoals gebruikelijk pensionaris-honorair.

In december 1765 overlijdt opnieuw een stadsbestuurder, mr. Daniël Canisius, raad van de stad. Ook ontstaat door zijn overlijden een vacature van ontvanger van de 200e penning op de huizen en molens in het oostkwartier van het eiland.

Er ontstaat in juni 1765 een geschil tussen burgemeester Pieter Ossewaarde en secretaris Jan Willem Boddaert. In een extra-ordinaire vergadering op zondag 30 juni wordt gesproken over de gerezen meningsverschillen. Burgemeester Lopsse en pensionaris Van Lynden stellen 'dat zij, zijnde getendeerd om de differenten tussen de burgemeester Ossewaarde en de secretaris Boddaert gerezen op een convenabele en satisfactoire wijze uit den weg te ruimen, het genoegen hebben gehad in zo verre daar in te reüsseren dat de heer Ossewaarde in eene entrevue, ter presentie van hen hadde gedeclareerd, met het discours op den 6 april voorgevallen, geene intentie gehad te hebben den heer secretaris Boddaert enigszins te injureren, veel min aan desselfs goede naam enige atteinte toe te brengen, maar denzelven in zijn functie voorzeid te houden voor een getrouw Minister. Disavouerende van wederzijden al hetgeen hun te dien tijd in vivaciteit van spreeken mogte zijn ontvallen en consenterende, dat op de voorzeide voet de aangevangene procedures over deze zaak zoude werden gehouden voor getermineerd, ten welke einde partijen aan hun edelachtbaren hadden overgegeven de schrifturen ter wederzijden gewisseld, om met kennis van hun achtbaren te worden vernietigd'.
Het stadsbestuur besluit beide heren, Lopsse en Van Lynden, voor alle aangewende moeite die ze op zich hadden genomen en voor het uitgebrachte rapport te bedanken. Ze geven over de schikkingen van deze zaak hun uiterste genoegen te kennen. Burgemeester Lopsse wordt verzocht de stukken en schrifturen die over deze zaak gewisseld zijn te vernietigen. Uit het notulenboek is dan ook niet op te maken waar het geschil over ging.
In deze vergadering zijn aanwezig de burgemeesters P. Ossewaarde en mr. F.N. Keetlaar, oud-burgemeester K. Lopsse, en de raden J. Isebree, mr. W. van der Bilt, F. de Keijser, mr. D.C. Keetlaar, mr. D. Canisius, J.W. Boddaert, dokter A. Isebree, mr. L.P. van de Spiegel, mr. J. Boogmaker, C.J. van Lichtenbergh en G.J. Boon.

Problemen over vervulling Goese raadsplaats in Gecommitteerde Raden

In februari 1760 zijn er grote problemen over de vervulling van de zetel van het Goese lid in Gecommitteerde Raden van Zeeland.
Niet minder dan tien bladzijden wijden de notulen van het stadsbestuur van 13 februari 1760 aan het protest of de remonstrantie van de stadsbestuurders J. Keetlaar en J. Coomans van Wemeldinge aan de 'Vijf Voorzittende Leden van Staat' betreffende de door het stadsbestuur ingediende nominatie voor de vervulling van de Goese raadsplaats in Gecommitteerde Raden van Zeeland. Het blijkt dat deze remonstrantie door de gedeputeerden van de steden Middelburg, Zierikzee en Tholen is gekopieerd en overgenomen.
Naar aanleiding daarvan worden de redenen en argumenten die het stadsbestuur bewogen hebben om de opgestelde nominatie voor wettig te houden beschreven. Het blijkt dat raadsheer Van Roseveld als gedeputeerde namens Goes ter vergadering van de Vijf Voorzittende Leden van Staat, gedurende de minderjarigheid van de Prins Erfstadhouder tot het doen van een electie gekwalificeerd, met de protestbrief van Keetlaar en Coomans werd geconfronteerd. In een scherp gestelde maar juridisch stevig onderbouwde brief wordt betoogd dat de actie van beide heren zeer wordt betreurd. Waarom hebben zij hun argumenten niet ter sprake gebracht in de vergadering van het stadsbestuur? Het stadsbestuur heeft eenstemmig - met uitzondering van de heren Keetlaar en Coomans – het wijs geoordeeld de stadssecretaris mr. Laurens Pieter van de Spiegel als eerste op de nominatie te plaatsen.
De brief bevat ironische passages zoals de volgende: 'Is het misschien dat die heren (Keetlaar en Coomans) zich imagineren dat de Heren van Goes bij het verzoeken van dit privilege den tijd van één jaar getrouwd te zijn hebben geprefereerd boven den tijd van borgerschap, omme gedurende dat jaar te observeren of zoodanig een vreemdeling, met het humeur van een Goessche poorteresse wel kan sympathiseren, en indien ja, daaruit een bonum omen te nemen, dat hij, regent zijnde, zig dan ook naar de neigingen der Goese borgerij wel sal weten te schikken. Of is 't mogelijk dat, dewijl goede regenten gezegd worden als vader des huisgezins de gemeente te moeten bestieren, men gedurende dien tijd van een jaar moet letten of zodanig een zig als een goed huisvader gedraagt, om daar uit in futurum te argumenteren, dat het dan niet kan missen of hij moet ook een goed regent zijn. Deze en diergelijke gissingen hebben wij moeten maken, als hebbende anders geen gronden konnen vinden, waarom die heren zoo een absurd gevoelen zouden defenderen, want dat er enige menschelijkheid onder schuilen zoude, kunnen wij niet overeen brengen met de betuiging in de remonstrantie aan de Vijf Leden van Staat gedaan, dat zij dus handelen uit overtuiging van hunne consciëntie'.
In de protestbrief van de heren Keetlaar en Coomans blijkt ook betoogd te zijn 'dat alvorens te wete gekomen waren, dat het grootste gedeelte der regenten in een aparte en particuliere bijeenkomst, buiten weten, kennis of presentie van hun gehouden, hadden besloten in de eerste plaats te stellen de secretaris mr. L.P. van de Spiegel'. In de brief wordt daar tegenover gesteld dat het de meerderheid van het stadsbestuur gebleken is dat de heren Keetlaar en Coomans gezamenlijk overeengekomen waren dat, indien Van de Spiegel als eerste op de nominatie geplaatst zou worden, zich daartegen te zullen opposeren.
In de brief wordt gesteld dat de Vijf Leden van Staat nu wel zullen kunnen beoordelen naar welke zijde de balans doorslaat: een brief van twee heren regenten enerzijds of 'een beraisoneerd sentiment van zeventien heren medeleden'.
De brief is op de volgende wijze ondertekend:
'Ter ordonn. van deselve
(was getekend L.P. van de Spiegel)
Goes den 12 Februari 1760'
Het is duidelijk dat de als eerste genomineerde Van de Spiegel zelf als stadssecretaris deze brief heeft geredigeerd en zo zijn eigen belang mede heeft bepleit. De indruk wordt gewekt dat het om naijver bij zijn collega-secretaris J. Keetlaar gaat om zich tegen de nominatie te verzetten.

De Goese gedeputeerde in Gecommitteerde Raden, raadsheer Van Rosevelt, rapporteert uit Middelburg dat de gedeputeerden van de vijf voorzittende Leden van Staat, niettegenstaande de adviezen van de Heer van Borssele namens de Eerste Edele, van de stad Goes en van de stad Tholen, hebben besloten om de zaak van de nominatie 'ter tafel van de Staten over te brengen'. Raadsheer Van Rosevelt laat in februari 1760 blijken dat de Staten zich mogelijk over de protestbrief van Coomans en Keetlaar zullen beraden. Het stadsbestuur schrijft daarop weer een uitvoerige brief dat het niet de taak is van de Staten van Zeeland, maar van de Vijf Leden van Staat om zich over de deugdelijkheid van de nominatie uit te spreken.

In april 1760 rapporteert de stadssecretaris mr. L.P. van de Spiegel vanuit de statenvergadering te Middelburg die hij als Goese vertegenwoordiger waarneemt. Op de in december ingediende remonstrantie van de heren Keetlaar en Coomans tegen zijn nominatie tot Raad van de provincie is met eenparigheid door alle leden goedgevonden te declareren dat de nominatie 'legaal, wettig en volgens de privileges gemaakt en dat dientengevolge het kwestieuze 5e artikel van het Reglement van 6 juni 1720 zo moet worden verstaan dat een vreemdeling tenminste moet geweest zijn drie jaren poorter en borger dezer stad, alvorens hij eligibel is tot de regering, ten ware hij met een ingeboren borgeresse dezer stad is getrouwd wanneer zodanig een dan kan volstaan met één jaar borgerschap'.

Mr. Laurens Pieter van de Spiegel

De ster van de stadssecretaris mr. Laurens Pieter van de Spiegel rijst deze jaren.
Het notulenboek van het stadsbestuur geeft onder 5 december 1761 hiervan een loffelijk getuigenis. Vermeld wordt dat het geschil over de Indicature van het landrecht tussen het stadsbestuur en de Heer van Borssele thans tot genoegen van het stadsbestuur en ingevolge de privileges van het landrecht ten einde is gebracht 'alleeniglijk door den ijver en vlijt van den heer secretaris Mr. Laurens Pieter van de Spiegel die de goedheid wel had willen hebben zig in dezelve zaak te laten emploieren en dezelve op zich te nemen, dat hun edel achtbaren de twee memoriën van rechten door hem ter dezer materie gesteld, gezien en gelezen hebbende, van de moeite en arbeid van de heer Van de Spiegel, tot het concipiëren derzelve gehad heeft zekerlijk ten vollen zouden wezen overtuigd. Dat ook hun edel achtbaren bewust waren van het groot werk hetgeen deze heer zich reeds gegeven had en nog dagelijks gaf, zo door het stellen van memoriën als anderszins om was het mogelijk het different tussen hun en de hoogbaljuw en 's Gravenmannen bewesten Schelde te brengen tot een gewenst einde. Dat beide deze zaken niet tot het werk van het ministerie van de stad behorende (ingeval de heer Van de Spiegel aangezet door een zucht voor het welzijn dezer stad) deze zaken niet gelieven op zich te nemen, hun edel achtbaren tot grote kosten en bezwaar dezer stad tot den dienst van advocaten hadden moeten overgaan'. De burgemeester is van oordeel dat de heer Van de Spiegel door het stadsbestuur voor zijn aangewende moeite en betoonde ijver hartgrondig behoort te worden bedankt en ter gedachtenis van de dienst, door zijn edele aan de stad bewezen, met enige passende geldelijke vergoeding door het stadsbestuur behoort te worden beloond. Waarop ieder van de aanwezige regenten de heer Van de Spiegel op het ernstigste voor zijn aan de stad bewezen dienst bedankt. Het stadsbestuur besluit unaniem Van de Spiegel 'op eene convenable wijze te remunereren' (belonen). De burgemeesters worden verzocht hiervoor te zorgen en de heer van de Spiegel te vragen hetzelve (zodra het gereed is) als een geringe erkentenis van hun edelachtbaren te willen accepteren. Van de Spiegel bedankt hiervoor en betuigt zich altijd volvaardig bereid ten dienste van het stadsbestuur te zullen bevinden, doch stelt tevens op het allerernstigste voor de zaak in de notulen op te nemen.

In februari 1764 is er sprake van 'gepleegde valsheid in het kleine zegel ten plattelande'. Het stadsbestuur besluit mr. L.P. van de Spiegel te verzoeken om over deze ingewikkelde zaak van advies te dienen en eventueel gebruik te maken van zodanige andere juristen als hij raadzaam vindt. Hierbij wordt aangetekend: 'zijnde het stadsbestuur volkomen overtuigd en verzekerd van de kundigheid en prudentie van de heer Van de Spiegel, waarvan ze reeds doorslaande blijken te meermalen hebben gehad en derhalve in vertrouwen dat ook deze zaak met desselfs gewone ijver en attentie wel zal willen behandelen'.

Nieuw stadszegel

In november 1761 blijkt dat het tot nu toe gebruikte stadszegel door ouderdom zeer is uitgesleten. De secretarissen worden gemachtigd tot het laten maken van 'een nieuw stadszegel, in staal gesneden, waarmee in het vervolg alle brieven en andere documenten met witte ouwel (inplaats van groene wasse, tot nog toe gebruikt) zullen worden bezegeld'.

Hogere overheden

Gebruikelijk is dat de 'poincten van beschrijving' van de statenvergadering worden voorbesproken in een vergadering van het stadsbestuur. Zo wijdt het notulenboek in 1761 bijna twintig bladzijden aan de affaire van Hendrik Nieuwburg.

In augustus 1761 bespreekt het stadsbestuur 'of de heren die, zonder expresselijk gedeputeerde te zijn en niet zijnde burgemeester of minister dezer stede, genegenheid hebben om de staatsvergaderingen bij te wonen ook de ordinaire daggelden wegens hun verblijf te Middelburg ten laste van de stad mogen declareren'.
In verband met 'de bekrompen toestand der financiën en de excessieve onkosten en lasten die deze stad van de langdurige staatsvergaderingen heeft te dragen' wordt besloten dat ten laste van de stad alleen twee heren, te weten één burgemeester en één minister, hun kosten mogen declareren tenzij om pregnante redenen de aanwezigheid van meer gedeputeerden is vereist.

In de vergadering van 24 mei 1763 geeft de stadssecretaris mr. L.P. van de Spiegel een toelichting op drie 'openstaande importante punten' die in de aanstaande statenvergadering aan de orde komen. Dit zijn de geprojecteerde negotiatie van drie miljoen gulden in de vorm van een loterij, de consenten voor dit lopende jaar en de verzoeken van de calamiteuze polders. Hij wijst op 'de weinige apparentie die er tegenwoordig scheen te zijn dat deze drie zaken zo spoedig als de nood en voornamelijk die van het comptoir-generaal vereist' en verzoekt assistentie van enige andere mede gedeputeerden naar de statenvergadering. Ook is hij van mening niet zodanig in staat te zijn tot dienst van de stad te kunnen zijn 'als wel wanneer enige heren van meerdere autoriteit en aanzien zich met hem aldaar bevonden om naar gelegenheid van zaken somtijds het een of ander te kunnen toegeven of op zich nemen'. Daarom verzoekt hij enige heren te deputeren om met hem de aanstaande statenvergadering waar te nemen. Het stadsbestuur besluit burgemeester Pieter Ossewaarde en Carel Johan van Lichtenbergh mede af te vaardigen naast Van de Spiegel.
Na afloop van de statenvergadering rapporteert secretaris Van de Spiegel over de laatst gehouden statenvergadering. Het stadsbestuur besluit naar aanleiding daarvan voor rekening van de stad een partij van 52 loten in de ingestelde provinciale loterij te nemen en daartoe te kiezen voor een obligatie van de 2e lichting van de steden van £ 1600.

In oktober 1763 treedt burgemeester Pieter Ossewaarde op als afgevaardigde van Goes om de aanstelling van een nieuwe President van de Hoge Raad waar te nemen. In het notulenboek van het stadsbestuur is onder 12 november 1763 een interessant relaas opgetekend van de reis van burgemeester Ossewaarde naar 's-Gravenhage, samen met de deputaten van de andere Zeeuwse steden. Hieraan worden 16 bladzijden in het notulenboek gewijd. Uiteindelijk is met unanieme stemmen mr. Hendrik Mollerus tot President gekozen.

Op 24 maart 1764 komt er bericht van Gecommitteerde Raden van Zeeland dat op de 14e maart is overleden de Heer Jan van Borssele, Eerste Edele van Zeeland. Verzocht wordt gedeputeerden aan te wijzen tot het benoemen, aanstellen en beëdigen 'van een andere gekwalificeerde Heer om gedurende de minderjarigheid van de heer Erfstadhouder de functie van Eerste Edele dezer provincie te bekleden'.
Tegelijk ontvangt het stadsbestuur een missive van de Hoog welgeboren Vrouwe A.M.E. Douarriëre van Borssele geboren Coninck, geschreven in den Haag op de 14e maart, met de mededeling van het overlijden van haar gemaal de Hoog Welgeboren Heere Jan van Borssele, Vrijheer van Borssele en der Hooghe, representerende Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins van Orange als Eerste Edele in de vergadering van de edelmogende heren Staten van Zeeland, na een ziekte van weinige dagen in het 56e jaar zijns ouderdoms.
Het stadsbestuur besluit een condoleance te versturen 'in het verlies van een Heer die door zijne uitmuntende hoedanigheden, ijver voor het welzijn dezer provincie en welmenende intenties voor deze stad het voorwerp der Lievde en Achtinge voor het algemeen en van hun edelachtbaren in het bijzonder was geweest'.

Op de 31e maart laat het Goese lid van Gecommitteerde Raden weten van de Hertog van Brunswijk te hebben vernomen dat het deze niet onaangenaam zou zijn indien de Zeeuwse raadspensionaris Wilhelm van Citters gedurende de minderjarigheid van de Erfstadhouder de plaats van Eerste Edele van Zeeland zou innemen. Met eenparigheid van stemmen besluit het stadsbestuur de stem van Goes aan de heer Van Citters te geven.
Deze gewichtige vergadering wordt bijgewoond door de burgemeesters mr. F.N. Keetlaar en dokter K. Lopsse, oud-burgemeester Pieter Ossewaarde, de raden J. Isebree, mr. Willem van der Bilt, mr. D.C. Keetlaar, J.W. Boddaert, mr. M. de Meijer, Gideon Ossewaarde, dokter A. Isebree, mr. L.P. van de Spiegel, mr. J. Boogmaker en C.J. van Lichtenberg en de pensionarissen-honorair A.W. van Kerchem, heer van Baarland, en D.W. baron van Lynden.

Relatie met stadsbestuur van Middelburg

In februari 1762 is er een ernstig meningsgeschil met het stadsbestuur van Middelburg over de bijdragen aan het onderhoud en de bescherming van de calamiteuze polders. De gramschap bij het stadsbestuur van Goes over de vrijblijvende en arrogante houding van Middelburg is groot. Vele bladzijden in het notulenboek worden hieraan gewijd. Betoogd wordt dat de gesteldheid en situatie van het eiland Walcheren 'als liggende meest in een ring van dijkagie besloten' geheel anders is dan schikkingen te introduceren over een eiland 'dat uit meer dan zestig onderscheidene polders bestaat die ieder hun bijzondere dijkgeschoten hebben'. Aan het slot van het betoog wordt gesteld: 'zoo moet men noch te meer geconvinceerd worden dat zoodanige schikkingen in een republikainse Regeeringe, als die wij tegenwoordig beleven, daar alle Despotique dispositiën over de bezittingen der ingezeetenen behooren verbannen te zijn en in het geheel niet kunnen geadmitteerd worden'. De Goese gedeputeerden naar de statenvergadering worden gelast 'de insentie dezes in den text der Notulen van Hun Edel Mogenden te verzoeken'.

Ook in november 1765 doet zich een ernstig meningsverschil met Middelburg voor.
Er worden wel tien bladzijden in het notulenboek gewijd aan het geschil tussen 'de Heren van de wet van Middelburg' en enige ambachtslieden in het eiland Zuid-Beveland o.a. over een affaire 'wegens gepleegde brutaliteiten onder Driewegen'.
In deze zelfde tijd is er ook een geschil met burgemeesters en schepenen van Middelburg 'als 's Gravenmannen' over klachten betreffende 'de gepleegde violatie van het territorium van de stad door de stadhouder van de Hoogbaljuw Bewesten Schelde in het transporteren van gevangenen door deze stad en jurisdictie'. Het is duidelijk dat de verhouding tussen de beide steden gespannen is. De vraag is in hoever hier spijkers op laag water worden gezocht.

Functies en bedieningen

De notulen van de eerste vergadering in het jaar 1760 beginnen met het volgende:
'Schoon het in dese stad van immemoriabele tijden de gewoonte schijnt geweest te zijn des avonds voor Drie Koningen te treden tot de vermaking van dekenen en officieren van de gilden', wordt 'vermits hun edelachtbaren niet gebleken was deze tijd bij enig privilege vastgesteld te zijn, maar pro lubitu daartoe te zijn verkoren, voor deze reis goedgevonden en verstaan in de plaats van den avond, tot het gewoone werk van dien dag te emploieren den tijd van hun edelachtbaren ordinaire vergadering des saterdagsmorgens'.
Daarna gaat het stadsbestuur over tot vermaking van de dekens en officieren van de gilden en andere bedieningen. Op hun verzoekschriften om continuatie in hun bedieningen van de herbergiers, kroeghouders, schoolhouders, koffywaarden en zoutverkopers besluit het stadsbestuur deze in te willigen.

Ook verschijnen ter vergadering de stadsboden, stadslijkdienaars, deurwaarders van het landrecht, de luitenant en bediende van de extra-ordinaire compagnie en 's Heeren dienaars.

In maart 1760 neemt Jan van Thiel wegens aanhoudende lichaamszwakheden ontslag als directeur van de mol voor het schuren van de nieuwe haven. Zijn opvolger wordt mr. Dignus Cornelis Keetlaar.

Het stadsbestuur stelde op 10 januari 1750 Jacobus Huisman aan als stadsdrukker. Huisman betoogt in april 1760 'dat hij graag door het opdoen van nieuwe gegoten letters van de fraaiste soort als anders de drukkerie in een complete staat zou brengen, tot het effectueren van welk voornemen hij echter excessieve kosten zal moeten maken'. Hij verzoekt hem te begunstigen 'met een zodanig fortabilen tractement als het stadsbestuur zal vermenen daartoe te behoren'. Hiervoor zal hij aannemen alle voorkomende resoluties, etc. voor de stad te drukken en het papier te leveren, uitgezonderd zegels die daartoe somwijlen nodig zijn. Verder verzoekt hij hem toe te staan 'alle publieke zaken als ordonnantiën, publcatiën, reglementen en ordonnanties der gilden zo veel exemplaren voor zichzelf om te verkopen te mogen drukken als te rade zouden zijn en eindelijk dat alle plakbiljetten tot verkoping van vaste en andere goederen door hem zouden moeten worden gedrukt'.
Het stadsbestuur besluit in mei stadsdrukker Huisman een jaarlijks tractement van £ 10 Vlaams toe te staan, waarvoor hij verplicht is alle voorkomende zaken voor de stad te drukken. Tevens zal hij van publicaties zoveel exemplaren voor zich ter verkoop mogen drukken als hij nodig vindt.

In april 1760 overlijdt het Goese lid van de Generaliteits Rekenkamer, Adriaan Jacob, baron van Lynden. Voor deze vacante functie draagt het stadsbestuur voor Johan Louis Verelst, pensionaris-honorair van de stad.

Het stadsbestuur constateert in 1760 dat enige personen in dienst van de stad, namelijk de griffier, de stadsboden en 's heeren dienaars, vrijgesteld zijn van de huisschatting op hun huizen binnen de stad, zonder dat gebleken is dat ze bij enige resolutie daarvan zijn vrijgesteld. Besloten wordt zulke misbruiken in het vervolg te voorkomen. Ze mogen de vrijstelling behouden gedurende hun leven, maar na hun overlijden zal dit privilege ophouden.
In 1760 wordt nog een ander privilege ongedaan gemaakt. Met ingang van 1761 krijgen de stadsboden niet meer zoals vanouds zekere twee ponden Vlaams uitgekeerd voor het stellen van en het toezien op de orde van de kramen op de jaarmarkt, omdat het marktmeesterschap voorheen afzonderlijk is bediend en nu aan de stadsboden is opgedragen.

Door het overlijden van mr. Jacob Keetlaar in juli 1760 vaceert de functie van dijkgraaf van de Goese Polder. Tot dijkgraaf van de Goese Polder, 's-Heer Hendrikskinderen en Wissekerke en de Pier en Pinxpolder wordt benoemd mr. Willem van der Bilt.

In december 1760 komt er een missive binnen van mr. Wilhelm van Citters met een dankbetuiging 'voor de gunstige en gedistingeerde manier op welke hun edelachtbaren zich benevens de verdere leden van Staat hadden geëxpliceerd om zijn edele het ambt van Raadpensionaris van deze provincie op te dragen'. Het stadsbestuuur feliciteert de heer Van Citters met zijn benoeming. Nu de secretaris van de provincie Van Citters is gepromoveerd tot raadpensionaris van Zeeland dient de functie van secretaris van de provincie te worden vervuld. Goes stelt zich op achter de nominatie van mr. Adriaan Steengracht, die ook wordt aangesteld.

In november 1761 wordt de pensionaris-honorair van de stad, Dirk Wouter, baron van Lynden, verkoren tot Gedeputeerde ter Generaliteit van Zeeland. Van Lynden betuigt zijn dank voor de steun van het stadsbestuur bij zijn aanstelling.

Leijn Dijkwel, de collecteur van een aantal belastingen, verzoekt in 1763 ontslag. Het gaat om het collecteurschap van het biljetgeld en de belasting op:

  • de brandewijn en gedestilleerde wateren;
  • de boter, tabak, turf zo binnen de stad als op het platteland;
  • de Luikse, Engelse en Schotse kolen;
  • het brandhout en
  • de gerookte haring.

De opvolger van Dijkwel is Francois Oversluis Fzoon.

In augustus 1763 staat het stadsbestuur stil bij het verval van de stadswerken en publieke gebouwen. De oorzaak hiervan is veelal omdat deze niet zo spoedig kunnen worden gerepareerd als wel nodig is. Maar ook omdat deze soms op een verkeerde wijze besteed worden en niet behoorlijk noch met de vereiste soort materialen worden opgemaakt. Overwogen wordt dat het van de tegenwoordige stadsfabrijk Boudewijn Kramer 'wegens het geringe tractement niet te vergen is zijn eigen zaken en de uitoefening van zijn ambacht te laten varen om zich met alle attentie op de zaken van de stadswerken en gebouwen alleen toe te leggen'. Besloten wordt Kramer als stadsfabrijk een jaarlijks tractement toe te kennen van 106 ponden Vlaams en de vrije woning in het stadshuis naast de watermolen aan de Kleine Kade. Wel moet hij dan zijn timmermanswinkel laten varen en zich alleen tot dienst van de stad laten gebruiken.

Wat betreft de notarissen en procureurs wordt in de plaats van de in januari 1761 overleden procureur Samuel Aarnouts toegelaten mr. Jan de Wind. In juli 1765 toont mr. N.A. Lelieveld zijn 'behoorlijk gezegelde promotiebrief als doctor in de rechten'. Het stadsbestuur geeft hem toestemming om in die kwaliteit voor de vierschaar en voor die van het landrecht te praktiseren.

Posterij

In november 1762 overlijdt de postmeester/commies Francois Breekpot.
De Postmeester Generaal van Steenbergen, Jacob Otto Le Jeune, draagt voor de vacante commiesplaats voor Thomas Bakers. Het stadsbestuur schrijft terug dat ze de weduwe van de overleden postmeester Breekpot hebben toegestaan om tot eind december de posterij waar te nemen. Daarna zullen ze op het verzoek van Le Jeune reageren. Deze verzoekt daarop opnieuw om Thomas Bakers met de bediening van de posterij binnen de stad te belasten.
Op 4 december 1762 bespreekt het stadsbestuur de bediening van commies der posterij binnen de stad. Gelet op de 'pressante en geïtereerde sollicitatiën' van de Postmeester Generaal Le Jeune ten faveure van Thomas Bakers, burger en inwoner van de stad, wordt besloten tot postmeester of commies van de posterij per 1 januari 1763 aan te stellen Thomas Bakers, op voorwaarde dat de conventie tussen Le Jeune en Bakers vooraf ter goedkeuring aan het stadsbestuur wordt voorgelegd. Bakers mag deze functie voorlopig voor vier jaar bedienen. Het contract is opgenomen in het notulenboek. Het begint aldus: 'De Postmeester van Steenbergen neemt op zich de expeditie van de brieven van Goes vice versa, alle prompte bezorging te doen geworden en te dien einde daartoe te houden het bequaam getal Paarden, Postillions, mitsgaders alle kosten van dien, benevens alle de veeren van het Strijense Sas en de Moerdijk af tot aan het veer van Gorishoek toe, zonder dat het Postcomptoir van Goes deswegens in enige onkosten zal gehouden zijn, maar die alle moeten wezen en blijven ten laste van de Postmeester van Steenbergen'. Verder vermeldt het contract dat het veer van het Sloe vice versa ten laste van de Walcherse steden blijft. Het uitvoerige contract geeft interessante bijzonderheden over de organisatie van de posterij in deze tijd.