Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1766 - 1771)

Bevordering economische bloei

Uit de notulen van het stadsbestuur van 13 december 1767, bij de deliberatie over het agendapunt voor de statenvergadering ‘nieuwe cohieren voor de huisschatting’, blijkt een ware jammerklacht van het stadsbestuur over het economisch verval van de Zeeuwse steden. Geklaagd wordt: ‘Edog het ware wenselijk indien het ook eveneens met de steden gelegen was, schoon men wel niet ontkennen kan dat verscheidene steden zich sedert voorzeide tijden hebben uitgebreid, hetzij dat een tussen beide gekomen temporale welvaart zulks noodzakelijk hebbe gemaakt, hetzij dat de toenemende luxe van de ingezetenen spatieuze gebouwen vereisende, de kleine gemeente heeft genoodzaakt zich naar afgelegener hoeken van de steden te begeven, waardoor derzelver ommetrek allengskens wijder is geworden, maar dat het stadsbestuur niet denken kan dat een enige stad van Zeeland zich zal kunnen beroemen sedert genoemde tijd in effect te zijn toegenomen, zodanig dat de vermeerdering van huizen ook teffens aanwas van ingezetenen en welvaart, waarop het in deze eigenlijk aankomt, hebben mede gebracht. Immers is de commercie geweken, de huizen en pakhuizen daar door minder waardig geworden, de neringen die te voren de steden eigen waren en dikwijls bij speciale privileges ex causa verkregen, zijn thans even zo bloeiend ten plattelande, de markten zijn vervallen sedert dat de landluiden de weg tot een directer verhandeling van hun producten hebben geleerd en ingeslagen en er is niets tgeen de steden tegenwoordig bezitten boven een vorige eeuw als een luxe die wanneer ze niet van een andere kant gesouteneerd kan worden, eerder een bewijs van verval dan van aanwas is’.

Het stadsbestuur beraadt zich in april 1769 over een door burgemeester Van de Spiegel ontworpen plan tot oprichting van een ‘kas van credit’ tot gerief van de kooplieden in granen, zout en mede binnen de stad, voor rekening en onder garantie van deze kooplieden. Uit dit fonds zouden de kooplieden ‘tegen een modicquen intrest en op een facile manier altoos kunnen geriefd worden onder verband van hun gekochte of andersins eigen koopmansgoederen binnen deze stad’.

Regelmatig komt het verval van de commercie binnen de stad ter sprake. Dagelijks komen wel gefundeerde klachten van de kooplieden ter ore van het stadsbestuur wegens hun geringe winsten. Een van de voornaamste klachten is het weinig crediet dat voor de koopman is te vinden. Daardoor wordt deze dikwijls genoodzaakt zijn gekochte goederen ontijdig af te zetten of naar elders te verzenden om de benodigde penningen daarop te negotiëren, zodat deze goederen van onder zijn directie geraken en de marktplaats van de producten of fabrijk naar een andere plaats wordt overgebracht.
Het stadsbestuur besluit een fonds in te stellen waaruit de kooplieden in granen, zout en mede tegen een schappelijke interest en op een redelijke manier altijd zullen kunnen worden geriefd. Het notulenboek vermeldt de condities. Enkele daarvan zijn:

  • het fonds is voor rekening van de stad en zal gedirigeerd worden door drie heren commissarissen met een kassier;
  • de kas van het fonds zal gehouden worden op het stadhuis;
  • het zal iedereen vrij staan, zowel vreemden als ingezetenen, van het fonds gebruik te maken;
  • geen andere goederen zullen beleend worden dan granen van welke soort ook, alsmede wit geraffineerd zout en gereede meekrap, mitsgaders obligaties ten laste van een van de geruineerde provincies, generaliteit, deze stad of andere corpsen van een secuur crediet.

Het stadsbestuur bedankt burgemeester Van de Spiegel voor de genomen moeite en het concipiëren en opstellen van het plan ‘met betuiging dat hun achtbaren hetzelve considereren als een nieuwe blijk van attentie en ijver voor het welwezen van de stad en tegelijk als een plan waardoor (ingeval het tot effect kan worden gebracht) aan het weinig crediet, hetwelk bijzonder in deze tijd alhier voor de koopman te vinden is, spoedig te hulp zou kunnen worden gekomen, hetgeen al ras de kwijnende commercie binnen de stad een geheel andere gedaante zou doen krijgen en deze eerlang mogelijk tot haar vorige bloei herstellen’.

In 1770 beoordeelt het stadsbestuur het Plan tot oprichting van een kas van credit tot gerief van allerlei kooplieden binnen de stad. Het oordeel is ‘dat, lettend op de tegenwoordige omstandigheden van tijden en zaken binnen de stad, het thans niet raadzaam is een project van dien aard te etablisseren ofschoon het project anders niet infaisabel zou zijn’.

Over de West-Indische Compagnie komen nauwelijks gegevens voor in het stadsarchief. Wel komt er in februari 1771 een missive binnen van de representant van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Stadhouder en de bewindhebbers van de geoctroieerde Westindische Compagnie ter Kamer Zeeland, ‘dienende tot adres van enige exemplaren van een notificatie aan de commerciërende ingezetenen van de provincie op de Colonie Essequebo en Demerary met het verzoek om de nodige orders te stellen tot het bekendmaken van deze notificatie’.

Kredietbank voor de handel in granen, zout en meede

Op 29 april 1769 bespreekt het stadsbestuur een door burgemeester mr. L.P. van de Spiegel opgesteld plan voor het oprichten van ‘een kas van credit tot gerief van de kooplieden in granen, zout en mede binnen de stad, voor rekening en onder garantie van dezelve’. Uit dit op te richten fonds zouden de kooplieden in granen, zout en mede ‘tegen een modicquen intrest en op een facile manier altoos kunnen geriefd worden onder verband van hun gekochte of andersins eigen koopmansgoederen binnen deze stad’.
Het notulenboek geeft de beraadslaging op de volgende wijze weer: ‘Nadien men van tijd tot tijd bespeurt het verval van de commercie binnen de stad en er dagelijks gefundeerde klachten worden gedaan door de kooplieden wegens hun geringe winsten, van hetwelke wel verscheidene redenen te geven zijn, doch wel een van de voornaamste is het weinig crediet hetgeen voor de koopman is te vinden, waardoor deze dikwijls in de noodzakelijkheid gebracht wordt zijn gekochte goederen ontijdig af te zetten of naar elders te verzenden om de benodigde penningen daarop te negotiëren, zodat deze goederen van onder zijn directie geraken en de marktplaats van de producten of fabrijk in deze landen naar een andere plaats wordt overgebracht’.
Het stadsbestuur besluit een fonds in te stellen waaruit de kooplieden in granen, zout en mede tegen een modicque interest en op een eenvoudige manier altijd zullen kunnen worden geriefd. Enkele bepalingen uit de in het notulenboek vermelde condities zijn:

  • het fonds is voor rekening van de stad en zal gedirigeerd worden door drie heren commissarissen met een kassier;
  • de kas van het fonds zal gehouden worden op het stadhuis;
  • het zal iedereen vrij staan, zowel vreemden als ingezetenen van de stad, van het fonds gebruik te maken;
  • geen andere goederen zullen beleend worden dan granen van welk soort ook, alsmede wit geraffineerd zout en gereede meekrap, mitsgaders obligaties ten laste van een van de geruïneerde provincies, generaliteit, deze stad of andere corpsen van een secuur crediet.

Het stadsbestuur betuigt burgemeester Van de Spiegel haar grote erkentelijkheid en bedankt hem voor de genomen moeite en het concipiëren en opstellen van het plan. Het wordt gezien ‘als een nieuwe blijk van attentie en ijver voor het welwezen van de stad en tegelijk als een plan waardoor (in het geval het tot effect kan worden gebracht) aan het weinig crediet, hetwelk bijzonder in deze tijd alhier voor de koopman te vinden is, spoedig te hulp zou kunnen worden gekomen, hetgeen al ras de kwijnende commercie binnen de stad een geheel andere gedaante zou doen krijgen en deze eerlang mogelijk tot haar vorige bloei herstellen’.
Als commissarissen tot het examineren en om middelen voor een toereikend fonds uit te denken worden aangesteld dr. Kornelis Lopsse, mr. Willem van der Bilt en C.F. van Lichtenbergh.

Brouwerijen

De bierbrouwer Samuel Stokmans krijgt in februari 1767 toestemming om zijn woonhuis en brouwerij ‘de Waereld’ aan de Wijngaardstraat, tegenover de Zusterstraat, te verkopen. Als speciale voorwaarde geldt dat de koper de keuze heeft de brouwerij gaande te houden of te ontmantelen en als een gewoon woonhuis of ander gebouw naar zijn goedvinden te gebruiken.
In het voorjaar 1767 wordt de brouwerij ‘de Waereld’ met toestemming van het stadsbestuur ‘gedempt’ en voor een particulier woonhuis verkocht. Eigenaar van het pand wordt mr. L.P. van de Spiegel. Het stadsbestuur besluit ‘dit te eximeren van de contributie van £ 3.6.8 zoals gesteld op elke brouwerie inplaats van de lepel, mitsgaders van de 25 gulden die de brouwerijen volgens eerdere resoluties aan de stads ijkmeesters zijn verschuldigd’.

De bierbrouwers Joos de Lasabel (van brouwerij ‘Het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt) en Willem de Jongh (van brouwerij ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat) delen in september 1767 mee dat ze, vanwege de aanhoudende duurte van de granen en de hop, genoodzaakt zijn hun bieren, in navolging van de andere Zeeuwse steden, met één gulden per ton te verhogen. Ook willen ze aan de kroegen en winkels, waar bier wordt uitgetapt, hun bieren tegen vijf gulden per ton verkopen. Volgens hun eed mag dit niet hoger dan tegen vier gulden aan de kroegen of winkels worden geleverd. Ze krijgen toestemming het bier aan de kroegen of winkeliers voor vijf gulden te verkopen. Tevens wordt besloten de prijs van het bier te verhogen met een halve groot per kan en te verbieden het tappersbier anders te verkopen dan voor 4½ groot per kan.

Bierbrouwer Willem de Jongh van brouwerij ‘de Gans’ krijgt in 1771 toestemming om de wilgenbomen, staande aan het wegje achter zijn brouwerij, voor zijn rekening te kappen, op voorwaarde dat de brouwerij bezwaard wordt met een jaarlijks aan de stad te betalen cijns van acht schellingen en tien grooten zolang de eigenaar van de brouwerij ‘de kap van de bomen zal profiteren’.

Graanhandel

In februari 1767 komt een verzoek van alle schippers om vermeerdering van de vrachtlonen van de granen bij het stadsbestuur binnen. Enige vooraanstaande kooplieden adviseren over dit verzoek en zijn van oordeel dat dit tot nadeel van de graannegotie zal strekken. Het stadsbestuur wijst het verzoek dan ook af.
In augustus 1768 rijst het vermoeden dat enige opgezetenen in het gedeelte van het eiland ‘alwaar de Bergse korenmaat in gebruik is’ zich niet ontzien bij het verkopen van hun granen ‘op Bergse mate merkelijke mesures en fraudes te plegen’. Het stadsbestuur oordeelt het nodig tegen zulke kwade praktijken behoorlijk op te treden. De Heren van Bergen op Zoom worden verzocht om voor rekening van Goes een Bergse korenmaat van hout, met een ijzer kruis daarover geslagen, te laten vervaardigen overeenkomstig de slaper die daarvan op het stadhuis van Bergen op Zoom berust. In oktober 1768 stuurt het stadsbestuur van Bergen op Zoom de Bergse korenmaat toe. Deze wordt op de oude weeskamer van het stadhuis bij de andere stadsmaten gebracht om aldaar te dienen tot ‘een slaper’. Aan de kooplieden die in granen handel drijven en anderen die dit nodig hebben zal op hun verzoek inzage daarvan worden gegeven, zodat ze hun Bergse maten daar naar kunnen doen maken en ijken.

In oktober 1768 richten de kooplieden, negotiërende in granen binnen deze stad, zich in een zeer uitvoerig rekest tot het stadsbestuur. Bij de brief is een bijlage gevoegd met een zeker plan, dat woordelijk in het notulenboek met een uitvoerige toelichting is opgenomen.
De kooplieden en de dekenen van het schippersgilde en het arbeidersgilde verklaren ‘dat ze met groot leedwezen al geruime tijd hebben bespeurd en ondervonden het verminderen van de florissance van deze stad’. Dit komt door de afbreuk die deze wordt toegebracht door het in- en aanbrengen van alle soorten van koopmanschappen, zelfs van buiten deze provincie, in de haventjes op het platteland. Ze zijn overtuigd dat het stadsbestuur reeds lang, indien het mogelijk was geweest, daarin verbetering zou hebben verschaft. Ze nemen daarom de toevlucht tot het stadsbestuur met het verzoek dat (indien hier niet anders in kan worden voorzien) ‘hun mobiele en veel vermogende officie daar omtrent zulks goedvindende gelieven aan te wenden bij de edelmogende heren Staten van Zeeland. Ze nemen met veel nederigheid de vrijheid om aan dit rekwest te annexeren een zeker plan langs welke of door een diergelijke weg indien het kon worden ten uitvoer gebracht, zij redres in deze zouden verhopen’.
Het rekest is ondertekend door:

  • de kooplieden Francois Oversluis, Cornelis Dijkwel, Cornelis Peman, Maarten Anthonisse, Cornelis Boutens Dingenis Zoon, Anthony van de Putte, Jan Le Cointre, Jacobus de Vos, Jan de Voet, Francois Karol, Jan Oostdijk, Izaak Bronkhorst, Adriaan Jasperse, Gerard de Leeuw, Jan Zoutendam, Abraham Weyer en Johannis de Konink;
  • Evert van Nakke als deken van het schippersgilde, uit aller naam;
  • Daniël Janse de Jonge, Job van Loo en David van de Kreeke, als dekenen van het arbeidersgilde.

Bij het uit zes punten bestaande Plan wordt een concept-brief aan de Staten van Zeeland gevoegd en een 15 bladzijden tellende memorie van betoog van de voordelen en de nuttigheid van het middel.

In 1769 staat één van de graanpakhuizen ‘de Wijngaertrancke’ van graanhandelaar Maarten Anthonisse aan de oostzijde van de Wijngaardstraat nummer 14/16. Johannes Pieren koopt van Anthonisse een zomerkeukentje en erve, staande en liggende achter het graanpakhuis.

In november 1771 blijkt dat ‘enige burgers en ingezetenen van de stad en andere kooplieden in granen zich niet ontzien om op dinsdagen de boeren, rijdende met granen of hun wagens naar de Korenmarkt, in de straten en somtijds buiten de stad waar te nemen en de granen van hen op te kopen, eer zij op de markt komen. Hierdoor worden veeltijds de huisluiden, die van het rijzen of dalen van de prijs der granen zo goede kennis niet kunnen hebben als de voornoemde kopers, schade toegebracht en is de wekelijkse Korenmarkt van de stad, die van oude tijden af altoos is beroemd geweest, minder aanzienlijk geraakt’.
Het stadsbestuur besluit, bij vernieuwing van vorige publicaties en speciaal die van 1 augustus 1684, dit te verbieden.
Verder zal voortaan door niemand op dinsdagen enig koren mogen worden gekocht of verkocht of de zakken daartoe geopend, voordat het gewone teken door de klopper of inklepper van de Korenmarkt om elf uur zal zijn gegeven. En eindelijk wordt besloten dat niemand, indien twee of meer met elkaar over enige koop van koren negotiëren en trachten te accorderen, tussenbeide zal mogen komen en zodanige koop voor de uitgeloofde prijs of meer of minder voor zichzelf toeslaan, voor en aleer hij weet dat die twee of meer lieden niet hebben kunnen accorderen.

Wijnnering

Jacobus de Coo krijgt in 1766 vergunning om de wijnnegotie als vrij wijnkoper uit te oefenen, evenals monseigneur Jacobus de Jongh Wzn en Hermanus Tobias de Lasabel in 1768.

Zoutnering

Z.M. Rimmers verzoekt in januari 1766 als boekhouder van de zoutkeet van de erven van mevrouw de weduwe Bourghelle zijn turfhok te mogen vergroten. Hij krijgt toestemming om onder opzicht van de stadsfabriek tot de beoogde vergroting aan de zuidzijde van de zoutkeet drie voeten en aan de noordzijde 2½ voeten van stadsgrond in te nemen.
In september 1768 verzoeken de executeurs in de boedel van wijlen de heer Arent Willem van Kerchem, heer van Baarland, permissie om een achtste gedeelte van de zoutkeet ‘ter Muiden’, reeds in leven van Van Baarland verkocht aan Evert Beerewouts maar nog niet getransporteerd, aan hem in eigendom te doen transporteren.
Op verzoek van de overluiden van het panneluidengilde besluit het stadsbestuur in 1771 op stadskosten een zoutvat te laten maken en ijken.

Meenering

De meekrapnering bevindt zich in 1768 zich in een kwijnende staat. In een uitvoerig betoog over wat in de statenvergadering zal worden behandeld over de provinciale financiën vermelden de Goese gedeputeerden het volgende over de meenering:
‘dat het stadsbestuur met heren commissarissen van begrip is, dat ze zelfs als nog zwarigheid zouden maken in het belasten van de meede met tien schellingen per gemet, uit consideratie dat het een van de meest florerende takken van commercie is, die nochtans zeer wisselvallig is, dat men ook ziet hoe zeer de cultuur van dat gewas bij onze naburen thans meer dan ooit in zwang gaat, zodat te duchten is dat een belasting van dien de ingezetenen van de provincie buiten staat zal stellen om te markten tegen die van andere landen waar die belastingen niet geheven worden’.

Molenarij

Korenmolens

In oktober 1766 beklagen de molenaars van de wind- en waterkorenmolens zich over hun gering loon. Ook zijn, volgens hen, door de nieuwe ordonnantie op het gemaal verscheidene opgezetenen van het platteland van hun molen geweerd. Het stadsbestuur besluit hun maalloon in het vervolg te bepalen op zeven grooten Vlaams de zak.

De molenaar van de stadswindkorenmolen vraagt in januari 1768, bij het beëindigen van zijn pachttermijn, om ontslag. Het stadsbestuur besluit de molen tot het meeste profijt van de stad publiek te verpachten. Pieter Salomonz. van Eenennaam wordt de nieuwe pachter van de korenmolen. Dit leidt kennelijk tot geen bevredigend resultaat, want in juli 1768 verkrijgt hij vergunning om in het door hem gekochte huis aan de ’s- Heer Hendrikskinderenstraat, waarin vele jaren het tappen of kroeghouden is uitgeoefend, de tappernering als kroeghouder uit te oefenen. In april 1769 verzoekt Van Eenennaam ontslag van zijn pacht ofwel dat de pachtsom met f 100 wordt verminderd. Besloten wordt hem van zijn pacht te ontslaan en de windkorenmolen opnieuw aan de hoogstbiedende te verpachten. In mei 1769 kan de molen worden verpacht aan Jacobus de Haas voor zeven jaar voor £ 60 pacht per jaar.
Molenaar Jacobus de Haas verzoekt in 1770 ‘uit medelijden met hem en zijn huisgezin’ hem een afslag van de pachtsom toe te staan. Hij krijgt een vermindering van £ 10 en hoeft voortaan dus slechts £ 50 te betalen.

Houtzaagmolen

Hubertus Harinck dient in 1766 een verzoek in om de negotie in gezaagde houtwaren te mogen uitoefenen. Daarvoor wil hij gebruiken een zekere schuur van de graanhandelaar Maarten Anthonisse, staande tegenover de schutterij. Na ingewonnen advies van de dekenen van het timmerliedengilde besluit het stadsbestuur dit verzoek in te willigen.

In oktober 1766 constateert het stadsbestuur dat ingevolge de resolutie van 3 juli 1751 aan de houtzaagmolenaar Jacobus van Oostzanen het zetten van een houttuin voor zijn huis is toegestaan tegen betaling van een cijns van £ 1.10. Deze houttuin is thans afgebroken. Van Oostzanen wordt op zijn verzoek ontheven van de verdere betaling van de cijns.
In 1767 wijst Jacobus van Oostzanen, de eigenaar van de houtzaagmolen, er op dat op 2 mei 1701 aan de stichters van zijn zaagmolen is toegestaan om hun hout te vlotten door de sluis van de watermolen, mits de waterkorenmolenaar hierdoor geen schade lijdt. Hiervan heeft hij tot het jaar 1766 geprofiteerd. Totdat het stadsbestuur oordeelde dat door dit doorvlotten de sluis van de watermolen evenals de sluis aan het einde van de achterhaven aanmerkelijk nadeel werd toegebracht. De stadsdirecteuren hebben daarop de situatie geïnspecteerd en geadviseerd aan de Dam even buiten de Hoofdpoort een beschoeiing te maken en een zaat aan te brengen waarop het schip zou kunnen liggen om te lossen. En dat verder het hout zou moeten worden gesleept in het water tussen de Dam en de stenen beer en ook dat naast deze stenen beer een sluisje of heultje met een schof om het hout door te laten, dient te worden gemaakt. Het stadsbestuur besluit daarop dat het nieuw te maken werk voor rekening van de stad zal worden gemaakt en dat het onderhoud of verdere vernieuwingen daarvan ten laste van de eigenaar van de zaagmolen komen.
Van Oostzanen schrijft dat dit werk niet alleen £ 246 aan de stad zal kosten, maar bovendien grote ongemakken en schade aan de dam of de dijk tussen de sluitboom en de stenen beer zal veroorzaken. Omdat de onderhoudskosten voor zijn rekening komen, zal hij buiten staat zijn om zijn gezaagde houtwaren langer voor een mindere prijs af te leveren dan de zaagmolens te Middelburg. Tot voorkoming van de ondergang van zijn negotie stelt hij voor tot het doorvlotten van zijn hout naar zijn zaagmolen te maken ‘een verlaat’ in de Dam bij de Hoofdpoort en een spui in de stenen beer (in de plaats van het sluisje daarnaast). Op deze wijze zal dit werk £ 236 kosten.
Het stadsbestuur besluit Van Oostzanen in zijn houtnegotie zoveel mogelijk te begunstigen en bepaalt dat voor het doorvlotten van zijn hout naar de houtzaagmolen zal worden gemaakt ‘een verlaat’ in de Dam bij de Hoofdpoort en een spui in de stenen beer. Voorwaarde is dat al het benodigde hout tot het nu nieuw maken van dit gehele werk en tot het onderhoud of verder vernieuwen van het spui in de stenen beer, door Van Oostzanen voor eigen rekening zal worden geleverd.

Na het overlijden van de houtzaagmolenaar Jacobus van Oostzanen stelt burgemeester Keetlaar in mei 1769 aan de orde dat voor het selectieve octrooi, waarmee de zaagmolen in 1701 is gesticht, na expiratie van de veertien jaren waarvoor het octrooi is verleend, nooit verlenging is verzocht, veel min verkregen. Besloten wordt de stukken hierover in het archief na te zien.

Op 20 mei 1769 geven de gebroeders Dignus en Marinus Harinck te kennen dat zij van hun moeder, de weduwe van monseigneur Jacobus van Oostzanen, de houtzaagmolen hebben gekocht. Tot het gaande houden daarvan zijn ze genoodzaakt aanzienlijke kapitalen te spenderen. Ze zijn daarom met de uiterste nauwkeurigheid verplicht op al hetgeen tot begunstiging van hun affaires dienen kan te letten. Ze verzoeken daarom octrooi voor het weren van alle andere zaagmolens binnen de stad en vrijstelling van alle provinciale en stedelijke lasten, evenals vrijdom van het kaaigeld voor grof hout.
Ze krijgen octrooi voor 14 jaar om alleen en met uitsluiting van alle anderen in de stad het zagen van hout op de door hen gekochte molen uit te oefenen en dus een ieder gedurende die tijd uit te sluiten van het opnieuw oprichten van een zaagmolen. Tevens krijgen ze vrijdom van de 200e penning op de gebouwen zolang ze op de tegenwoordige voet wordt geheven. Verder worden ze ontheven van alle stedelijke cijns en verkrijgen vrijdom van kaaigeld van grof hout.

Pel- en gortmolens

Vrouwe Appolonia Weksteen weduwe van Francois de Keijser, verzoekt in 1766 om verlenging van het octrooi voorheen aan de eigenaars van de pel- en gortmolen verleend. Ze krijgt octrooi om alleen en met uitsluiting van alle anderen de pel- en gortmolen (die thans in haar bezit is) gaande te houden voor de tijd van 14 jaar.

Oliemolens

De eigenaar van de oliemolen, genaamd de ‘Kattemolen’ op de zogenaamde katteberg op de Westwal, wordt vanaf 1771 tot profijt van de stad een cijns van £ 2 Vlaams per jaar afgevorderd.

Beurtschippers

Beurtveer op Rotterdam

Er zijn voortdurend problemen met het veer van Rotterdam op Goes. In 1767 geeft het bestuur van het schippersgilde te kennen dat Thomas Swart, de beurtschipper van Rotterdam op Goes, voortdurend tegen de wetten en privileges van het gilde handelt. Het stadsbestuur van Rotterdam wordt ingelicht over de menigvuldige klachten over schipper Swart.
De stadsregering van Rotterdam antwoordt dat ze Swart een reprimande hebben gegeven over zijn bediening van het veer tussen beide steden. Hij heeft aangenomen zich voortaan stipt naar de ordonnantie te zullen gedragen.

Beurtveer op Dordrecht

Cornelis Oversluis, de veerschipper van Goes op Dordrecht, geeft in augustus 1768 te kennen ‘wel genegen te zijn tot commoditeit en gerief van de passagiers een nieuw kopjacht of wijd schip met een paviljoen daarop te laten maken’. Vanwege de grote som van penningen die het uithalen van zo’n vaartuig zou moeten kosten verzoekt hij begunstigd te worden met het privilege dat zijn opvolger in het veer dit zou moeten aanvaarden voor de prijs waarop het door wederzijds aan te wijzen twee, en dus in totaal vier, deskundige personen zal worden getaxeerd. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
In juni 1771 geeft Oversluis, de beurtman van Goes op Dordrecht, te kennen dat wegens het laden van zout, granen en andere goederen, zowel in commissie als in eigen negotie, het dikwijls gebeurt dat er meer dan voor één schip vracht zijnde, hij met Steven van de Werken, die als beurtschipper van Dordrecht op deze stad vaart, zo hier als te Dordrecht tegelijk heeft moeten laden, doch dat die van het schippersgilde te Dordrecht dit niet willen gedogen, tenzij de tweede beurtman zijn eigen koopmanschap inlaadt en het gilderecht daarvan voldoet.
Het stadsbestuur van Dordrecht wordt verzocht bij het schippersgilde te bewerkstelligen dat schipper Van de Werken van betaling van het gilderecht worden vrijgesteld, wanneer hij als tweede beurtman binnen de bepaalde legdagen of eer de eerste beurtman herwaarts vertrokken is, afvaart.

Beurtveer op Veere

Op 31 december 1768 wordt een zekere missive van het stadsbestuur van Veere over het beurtveer in handen gesteld van mr. Willem van der Bilt van Cloetinge als overdeken van het schippersgilde. Deze verklaart dat het grootste gedeelte tot voordeel van het veer en van de schippers zal zijn, behoudens twee opmerkingen:

  • het zal zeer tot nadeel van de passagiers zijn ‘wanneer van Veere op Goes drie dagen na kwartier maan en vervolgens zo wel des zomers als des winters altijd des morgens wordt afgevaren, omdat de meeste passagiers van Middelburg of elders moetende komen niet zeer zullen genegen zijn om des avonds te voren zich naar Veere te begeven, maar liever hun weg over het Sloe zullen zoeken te nemen’. Daarom is hij van mening dat de bepalingen in de ordonnantie gedurende mei, juni, juli en augustus behoren te blijven zoals ze thans zijn;
  • wanneer er gehele vrachten of smakreizen voorkomen, hetzij van graan, zout, kolen of andere goederen, de beurtschippers de preferentie hebben eerst een gehele schuitlading van hetzelve over te voeren, zal dit zeer in het nadeel van de kooplieden zijn, omdat (gelijk het hier meer is gebeurd) het zou kunnen gebeuren dat een koopman 8 á 900 zakken graan in een zeeschip, te Veere liggende, willende laten inschepen, daartoe verkoper te gebruiken een smalschip, waarmee hij dan zou geriefd zijn, doch bij de thans voorliggende bepaling zou hij eerst de beurtschipper moeten volladen en voor het restant dan nog een ander schip moeten afhuren waarvoor hij even zoveel zal moeten betalen als voor een vol geladen schip.

Met de opmerkingen van de overdeken Van der Bilt op het reglement gaan beide stadsbesturen akkoord, waarna dit op 20 februari 1769 wordt vastgesteld.

Beurtveer op Leiden, Delft en Den Haag

In 1770 gaat het niet goed met het beurtveer op Leiden, Delft en Den Haag. Anthoni van Schakerloo, de Goese beurtman op deze steden, bedankt voor het bedienen van het veer. Hij is voornemens zich mettterwoon te Rotterdam te vestigen. Marinus van Balen, mede beurtschipper van Goes op deze steden, verzoekt dit veer, dat sedert enige jaren zodanig is vervallen dat twee beurtschippers daar onmogelijk van kunnen bestaan, aan hem als enige beurtschipper over te laten. Dit is ook de feitelijke reden dat Van Schakerloo ontslag heeft genomen, omdat hij andere middelen van bestaan wilde zoeken. Besloten wordt Van Balen als enige beurtschipper op het veer aan te stellen.

Beurtveer op Hulst

In december 1769 komt van baljuw, burgemeesters en schepenen van de stad Hulst bericht dat Pieter Meertense is aangesteld tot beurtschipper van Hulst op Goes.

Herbergen en tapperijen

In 1768 blijkt dat verscheidene kroeghouders, niettegenstaande hen alleen vergunning is verleend om op gelagen, in hun huizen gezet, bier en sterke drank te tappen, de vrijheid nemen ook wijn voor drinkgelag te schenken. Het stadsbestuur besluit hiertegen een publicatie vast te stellen.

De kroeghouder Robertus Vermeer, wonend in het zogenaamde ‘Appelhuis’ aan de Grote Kade, geeft in 1768 te kennen dat sedert lange tijd in dit huis, ofschoon geen herberg zijnde, onder het doen van de appelnegotie wijn is geschonken. Het is hem gebleken dat dit eigenlijk verboden is. Als hem verboden blijft wijn aan de appelkopers te schenken is hij bevreesd dat die soort van negotie naar een of andere herberg zal worden verplaatst en hij daardoor van dit voordeel vestoken wordt. Op zijn verzoek besluit het stadsbestuur hem toe te staan om in ‘het Appelhuis’ jaarlijks alleen in de maanden september, oktober en november, als zijnde de tijd wanneer wel principaal de appelnegotie wordt uitgeoefend, aan partijen wijn te schenken.

In juni 1770 moeten alle herbergiers en kroeghouders zich hoofd voor hoofd voorzien van een exemplaar van de ordonnantie, te kopen bij de stadsdrukker, ‘teneinde zij completelijk mogen geinformeerd worden van de intenties van het stadsbestuur’. Het blijkt namelijk dat sommige herbergiers en kroeghouders zich zogenaamd onbekend houden van de ordonnantie van 21 oktober 1769 op het inkomen en verblijven van vreemde personen binnen de stad.

Antoni Molhoek verzoekt in februari 1771 toestemming voor het houden van herberg in ‘de Prince’, staande in de Nieuwstraat, mitsgaders tot het oprichten van een nieuwe kolfbaan. Hij krijgt toestemming om in het huis genaamd ‘de Prince’ herberg te houden voor een jaarlijkse recognitie van £ 3. Op advies van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur het verzoek voor de kolfbaan af te wijzen.

In deze jaren gaat een aantal kroegen of tapperijen over in andere handen.
Zo krijgen Pieter Janse de Jonge in 1771 vergunning voor het verkopen van sterke drank als kroeghouder in ‘de Walendans’ in de Nieuwstraat en Christiaan de Minder als kroeghouder in ‘de Stad Veere’.

Markten

Beestenmarkt

In 1770 krijgen de stadsdirecteuren machtiging om de stenen, liggende in het midden van de Beestenmarkt tussen de palen, te laten opnemen en daar op die plaats schelpen te laten leggen voordat deze markt weer opnieuw beplant wordt. ‘En vermits de varkens aldaar op de marktdagen veel schade en vuiligheid toebrengen, wordt hen opgedragen een andere best convenabele plaats elders te despiciëren alwaar voortaan de verkensmarkt zal moeten worden gehouden’.

Jaarmarkt

Het stadsbestuur machtigt in 1766 de regerende burgemeesters ‘zodanige directie te houden ten opzichte van het toelaten of niet toelaten van vertoningen op de aanstaande jaarmarkt als zij zouden goedvinden’.

Botermarkt

De baljuw, in zijn kwaliteit van stedelijke schout, krijgt in 1768 opdracht om op de aanstaande marktdag de boter, die door de boeren ter markt wordt gebracht en geveild, ‘insgelijks te doen wegen en het daarvan te licht bevonden wordende te confisqueren’.

Vismarkt

In juni 1771 geven de visvrouwen Janna Wondervens, Maetje Geense, Jacomina Colaris en Janna van de Visse te kennen dat sommige burgers zich niet ontzien voor anderen, die absent zijn, aan het visperk aan de Turfkade vis te mijnen. Ze verzoeken orders te stellen en hen als verkoopsters van vis permissie te verlenen ‘hun gekochte vis in kaarns in het water te leggen om deze levendig te houden en daags daarna te verkopen’.

Het stadsbestuur besluit de Ordonnantie op het visperk van 28 november 1766 zodanig vast te stellen, dat voortaan niemand buiten de verkoopsters van vis aan de huizen rond zal mogen gaan en vragen of er vis nodig is en dat ook niemand zijn gemijnde vis aan anderen met winst zal mogen overdoen.

Bakkers

Gerrit Barends en zijn vrouw Janna Ruijmschoot krijgen in 1766 vergunning ‘om met uitsluiting van alle anderen in hun woning de koks- en pasteibakkershantering te mogen uitoefenen en vreemdelingen te mogen spijsigen mits van de bij hun geconsumeerd wordende wijnen betalende tappersimpost gelijk dit op 9 juli 1763 aan Pieter Coelders is geaccordeerd’.

In 1768 besluit het stadsbestuur het zogenaamde Franse brood, ‘hier ter stede tot nog toe onder geen bepaling van wicht of prijs gestaan hebbende’, op een behoorlijk broodpas te stellen. Alle bakkers en broodverkopers binnen de stad, die genegenheid hebben om het zogenaamde Frans brood te bakken, krijgen opdracht dit niet anders dan op pas te verkopen.

In 1769 verzoekt Alexander Lubin vergunning om in zijn huis in de Lange Vorststraat een oven te laten aanbrengen. Na gehouden inspectie wordt dit, vanwege de kleine omtrek daarvoor en de nabijheid van pakhuizen met brandstoffen en graanzolders geweigerd.

Vlees- of beenhouwers

In 1770 geeft De vleeshouwer Jan Francois Mol geeft in 1770 te kennen dat hij in navolging van andere winkeliers binnen de stad volgens een sedert lange jaren vergunde vergunning zich onder andere mede heeft toegelegd op het verkopen van uitlandse gerookte hammen en gerookt vlees in het vertrouwen dat het eveneens is toegestaan om zowel buitenlands gerookt spek als hammen en gerookt vlees te mogen ontbieden en verkopen, zoals dit door hem al enige tijd is gedaan. Maar de dekenen van het beenhouwersgilde verbieden hem dit nu.

Op advies van de overdeken en dekenen van het vleeshouwersgilde wordt naar aanleiding van het verzoek van slager Mol besloten voortaan aan iedere burger, ressorterende onder het kramersgilde, toe te staan het verkopen van buitenlands gerookt vlees, spek en hammen.
Ook de vleeshouwer Willem Brasser verzoekt in 1770, teneinde een beter middel van bestaan voor hem en zijn huisgezin te hebben, bij het vleeshouwen ‘zich ook als verkslager te generen’. Hij meent daarvoor genoeg capabel te zijn. Het stadsbestuur besluit hem echter niet als ‘spekslager’ toe te laten.

In oktober 1771 ontvangt het stadsbestuur een rekwest van de vlees- of beenhouwers Jan Welle Jzoon, Jan van de Visse en Pieter Sloover, allen burgers en inwoners van de stad. Ze verzoeken toestemming ‘om het ganse jaar door, door enige burger of inwoner van de stad daartoe verzocht wordende, hun verk of verkens te mogen doden en opmaken, hun leven lang gedurende, mits betalend een Zeeuwse rijksdaalder per jaar ten behoeve van het slachtersgilde, of hen toe te laten tot het doen van de proeve op het verkensslagten en om bij een gunstige proef ten hunne huizen verkensslagterswinkel te houden’. Ze krijgen vergunning.

De meester varkensslager Jan Temperman verzoekt in oktober 1771 ‘onderdanig om benevens het varkeslagen tot maintenu van zijn huisgezin ook ’t vleeshouwen te exerceren’. Hij krijgt toestemming voor het afleggen van de proef voor het vleeshouwersgilde.

Smeden

De goudsmid Adriaan Does krijgt in augustus 1766 vergunning om in het huis ‘de Vergulde Pelicaan’ van de weduwe Hobius, staande in de Lange Kerkstraat nummer 33 op de hoek van het Kattestraatje, een fornuis te zetten om zijn hantering van goudsmid te kunnen uitoefenen.
In november 1766 speelt een kwestie over de toelating van de meester zilversmid Johannes Petrus Wouters. De kwestie leidt tot het besluit van het stadsbestuur dat van nu voortaan alle goud- en zilversmeden hun gemaakt goud en zilver moeten laten keuren bij de keurkamer van Middelburg, totdat te Goes nog eens een keurkamer opgericht zal zijn.

In januari 1767 maakt het stadsbestuur korte metten met verkopers van oude kleren, ijzer, koper en lood. Zo houdt Jacomina de Wijs zich als oud kleerkoopster ook bezig met het opkopen en weer verkopen van oud ijzer, koper en lood. Op verzoek van dekenen van het smedengilde wordt Jacomina gelast om na de 1e mei de negotie in oud ijzer, koper en lood na te laten en zich binnen die bepaalde tijd van alles wat zij daarvan voor negotie nog onder zich heeft te ontdoen. Dit is voortaan alleen aan de vrije meester smids, koperslagers en loodgieters toegestaan.
Er wordt een ordonnantie op het verkopen van oud ijzer vastgesteld. Enkele bepalingen zijn:

  • de oude kleerkopers, ruylebuijlers of oud ijzerkopers toe te voegen aan het smedengilde om te worden aangetekend in het gildeboek, waarvoor ze £ 1 per jaar moeten betalen;
  • buiten de nu in possessie zijnde oude kleerkopers en oud ijzerkopers of ruilebuylers mogen geen andere die negotie doen, tenzij ze aan het stadsbestuur toestemming hebben gevraagd;
  • de oude kleerkopers, ruilebuylers of oud ijzerkopers zullen niet mogen enigerhande vermaakt oud of nieuw ijzerwerk, koperwerk of lood of iets dat tot het smedengilde behoort anders dan binnen de stad of het eiland en dus niet uit andere landen komende mogen inbrengen;
  • de oude kleerkopers, oud ijzerkopers of ruilebuylers zullen niet mogen buiten de vrije jaarmarkt met hun oud ijzer, koper of lood op de markt mogen staan, maar zich moeten vergenoegen met het verkopen aan hun huizen.

Om dieverijen in het vervolg beter te voorkomen worden de goud- en zilversmeden, smeden, koperslagers, lootgieters, oud koper-, tin- en lootkopers, oude kleerkopers en koperessen binnen de stad gelast alle goederen, die bij hen mochten gebracht of ook door hen ingekocht worden, niet te verkopen, verwerken of weg te doen voordat zulke gekochte goederen gedurende de tijd van veertien dagen aan de luifels of op de vensters publiek ten toon gesteld zijn, om door een ieder gezien te kunnen worden.

In juli 1767 geeft Cornelis Snoep te kennen dat hij gedurende 16 à 17 maanden het goud- en zilversmeden heeft geleerd. Hij is al zover ervaren dat hij in staat is om de proef volgens het gilderecht te kunnen doen. Hij is zeer genegen om zich in de stad als goud- en zilversmid te vestigen en wil met dat doel de winkel van monseigneur Johan van Beijsselaar overnemen. De goud- en zilversmid Van Beijsselaar is wegens blindheid buiten staat om zijn beroep waar te nemen en wil zich hoe eerder hoe liever van zijn winkel ten gunste van Snoep ontdoen.
Omdat voor het afleggen van de gildeproef twee volle jaren het goud- en zilversmeden leren staat, kunnen de dekenen van het gilde niet toestaan dat hij tot de proef wordt toegelaten. Het stadsbestuur besluit evenwel in dit singuliere geval, waaruit verder geen consequenties mogen worden getrokken, het verzoek in te willigen.

In mei 1768 geeft Jan Wouters te kennen dat hij een huis wil betrekken in de Lange Vorst nummer 76/78. Hij verzoekt in dit huis te mogen zetten een fornuis en essay-oven, nodig voor het uitoefenen van zijn stijl als zilversmid. Na inspectie door de stadsdirecteuren wordt hiermee ingestemd.

Ook in mei 1768 krijgt de onlangs in het smedengilde toegelaten koperslager Hubertus Simons vergunning om het geelgieten binnen de stad uit te oefenen of tenminste beschadigde stukken geel koper te herstellen. Hij betoogt dat het gegoten koper dat de koperslagers verkopen van buiten in de stad wordt ingebracht. Hij meent in staat te zijn om het gegoten koper zo goedkoop te leveren als het van elders wordt ingevoerd.
Simons krijgt vergunning om in het huis op de hoek van de Vlasmarkt nog twee fornuizen te stellen voor het uitoefenen van zijn koperslagerij. Zijn verzoek om vergunning om het geelgieten in de stad uit te oefenen of tenminste zodanige ontramponeerde stukken geelkoper te herstellen waartoe geen koperslagers zich in staat bevinden, wordt echter afgeslagen.

Abraham Tappij wordt in januari 1769 na gedane proef in het gecombineerde smedengilde toegelaten. Hij krijgt het recht dat gedurende zijn leven niemand dan Pieter de Zager, die het horologiemaken naast hem in de stad uitoefent, binnen de stad als zakhorologiemaker zal mogen vestigen. Voorwaarde is ‘dat hij te allen tijde er voor zorg draagt dat zijn winkel van zakhorologiën behoorlijk is voorzien en er voor zorgt dat z’n winkel waargenomen wordt door een knecht, voor wiens kundigheid en trouw hij gehouden blijft in te staan’.

In april 1769 blijkt dat in het goud- en zilversmedengilde de gildewetten en orders van het stadsbestuur tot welzijn van de burgerij en handhaving van het gilde niet behoorlijk door allen worden nagekomen. De gildebroeders worden gelast voortaan nauwkeurig alle orders van het stadsbestuur na te komen. In het bijzonder heeft de goudsmid Johannes Pieter Wouters gemeend zich aan de gildewetten te kunnen onttrekken. Wouters wordt gelast zich strikt aan de gildewetten te houden. En omdat Wouters zich bij voortduur beklaagt over zijn mede gildebroeders als of deze, niettegenstaande de resolutie van 15.11.1766, hun goud en zilver willekeurig verwerken en met uitsluiting van henzelf, hem alleen aan de keur van Middelburg gebonden willen houden, besluit het stadsbestuur zo spoedig mogelijk alle goud- en zilversmeden en kashouders binnen de stad met een neutraal persoon, die het vak kundig is, te examineren. En als ze enig goud of zilver in de winkels ontdekken dat door de keurkamer van Middelburg niet behoorlijk is gekeurd, daarvan rapport te doen.
Al op 22 april doet de commissie rapport van haar inspectietocht langs de goud- en zilversmedenwinkels. Ze hebben geen goud of zilver in de winkels ontdekt dat niet behoorlijk door de Keurkamer van Middelburg is gekeurd en getekend.

De meester goud- en zilversmid Johannes Pieter Wouters verzoekt in 1769 om als essayeur binnen de stad te mogen fungeren en voorzien te worden van gunstige brieven van voorschrijving aan de Raden en Generaalmeesters van de Munten der Verenigde Nederlanden om tot het examen als essayeur binnen de stad te mogen worden toegelaten.
Het gildebestuur geeft hierin een afkeurend advies, omdat Wouters zich steeds aan de resoluties op het keuren van goud en zilver probeert te onttrekken en ook, omdat hij eerst geprobeerd heeft dit te worden zonder brieven van voorschrijving. Niettemin besluit het stadsbestuur hem de brieven van voorschrijving te verlenen.
In 1770 dient de goud- en zilversmid en essayeur J.P. Wouters een verzoek in voor het oprichten van een Keurkamer te Goes op basis van een strikte ordonnantie. Dit verzoek wordt afgeslagen. Wel krijgt hij vergunning om in zijn woonhuis een scheijoven met een schouwtje te zetten om essay te maken.

De goud- en zilversmid Gerard Peman krijgt in 1770 vergunning voor het zetten van een fornuis in zijn woonhuis aan de Oprel Grote Markt nummer 4 tot het uitoefenen van zijn stijl.
Ook Adriaan Does mag in 1770 voor het uitoefenen van zijn stijl als goud- en zilversmid in zijn huis ‘de Vergulde Pelicaan’ aan de Lange Kerkstraat nummer 33 een fornuis zetten.

Hoedenmakers

Hoedenmaker Frans Joseph Ertel krijgt in 1770 vergunning om in zijn woonhuis ‘de Klock’, staande op de hoek aan het einde van de Lange Kerkstraat nummer 47, een fornuis te stellen voor het maken van manshoeden.
Ook hoedenmaker Gerard Machielse krijgt in 1771 toestemming om in het pakhuis van het huis ‘Brouwershaven’ aan de Lange Kerkstraat nummer 43 een fornuis of oven te laten aanbrengen voor zijn hoedenmakerstijl.
De gezamenlijke hoedenmakers binnen de stad stellen in november 1771 voor een hoedenmakersgilde op te richten en dit te combineren met het weversgilde. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Kaarsenmakers

Kaarsenmaker Willem de Wolf krijgt in 1766 vergunning om in het door hem gekochte huis aan de Kaai de kaarsenmakernering uit te oefenen. Hij mag daarvoor in de kelderkeuken een koperfornuis voor het smelten van vet laten maken.
Ook kaarsenmaker Jan Verheule krijgt in 1769 vergunning om in het huis in de Korte Kerkstraat, dat hij heeft gekocht van Gerrit Barends, een kaarsfornuis op te stellen. De stadsdirecteuren geven echter in overweging ‘of het wel raadzaam is om zodanig een gevaarlijk en licht brandverwekkend metier zo nabij de kerk, het stadhuis, de weeskamer en de griffie te accorderen’. Het stadsbestuur besluit dan ook het verzoek van Verheule af te wijzen. Enkele maanden krijgt Verheule toestemming om in het huis ‘het Sint Janshooft’ aan de Lange Vorststraat nummer 102, dat hij gekocht heeft van Cornelis Steenaart, een kaarsfornuis op te stellen.
In 1770 worden de resoluties van 18 december 1611 en 14 maart 1722, waarbij verboden is kaarsen die buiten de stad zijn gemaakt binnen de stad te verkopen, ingetrokken en buiten effect gesteld.

Tabaksdrogers

Huibregt Zoeteweij mag in 1766 een fournais laten aanbrengen voor het drogen van tabak.
Ook de winkelier Klaas Anthonisz. Duivewaard krijgt in 1767 een gunstige concessie voor het snijden van tabak en het zetten van een daarvoor nodige droogast. Hij krijgt vergunning ‘om, bij de waren die hij thans verkoopt, het snijden en verkopen van tabak te voegen, mitsgaders het zetten van een as, zoals dit ook bij andere winkeliers gedaan wordt’.

Barend Hendrik Luurmans, burger en inwoner van de stad, mag in 1767 in het door hem uit de boedel van de weduwe van Pieter Pieterse gekochte huis ‘’t Land van Beloften’ aan de Korte Kerkstraat nummer 5 een eest laten aanbrengen om tabak te drogen.
In 1769 krijgt ook Marinus van Balen vergunning voor het zetten van een ast om tabak te drogen in zijn huis ‘Sint Adriaan’ aan de Sint Adriaanstraat nummer 17. Hij krijgt ook vergunning voor het verkopen van brandewijn en andere gedestilleerde wateren als grossier. In dit pand is deze nering lange jaren gedaan door Izaac Bronkhorst.
In 1769 deelt Hubregt Soeteweij, wonend in de Voorstad, mee dat hij sedert geruime tijd het tabak kerven, drogen en verdere bereiding in zijn pakhuis achter de Grote kerk heeft verricht tot groot ongemak en kosten vanwege de afgelegenheid van zijn pakhuis van zijn woning. Hij verzoekt het tabak kerven voortaan door middel van een handmolen in zijn woonhuis en erf te mogen verrichten evenals om tot het drogen van de tabak daar een ast te laten opstellen. Om redenen wordt dit verzoek echter afgewezen.
Ook Leendert Zwartebroek krijgt in 1771 vergunning om in de plaats van tabak te verkopen, snuiftabak te bereiden. Hij mag tabakblaren ontbieden en snuiftabak daarvan bereiden.

Steenhouwerij

Nicolaas Mus krijgt in 1770 vergunning ‘om een steenhouwerij en beeldhouwerswinkel in de stad op te richten, als steenhouwer te werken en gemaakt steenwerk te verkopen, uitgezonderd het steenwerk dat voor de stad benodigd is en kleinigheden die door een metselaar in het werk zijnde kunnen worden verricht, dit met uitsluiting van alle anderen’. De stadsdirecteuren geven hierover een gunstig advies.
H.B. van Diest uit Middelburg geeft in september 1771 te kennen dat Nicolaas Mus door het stadsbestuur vorig jaar gunstig met een octrooi is begiftigd om de steenhouwerij in Goes te bedrijven. Het schijnt echter alsof Mus van dit octrooi geen gebruik maakt. Hij verzoekt hem met een gelijk octrooi te begiftigen om als steenhouwer binnen de stad te fungeren. Dit verzoek wordt voor nader onderzoek aangehouden.
In december 1771 verzoekt de meester steenhouwer Nicolaas Mus uit Middelburg, die octrooi kreeg om als steenhouwer te Goes te fungeren, de tijd wanneer hij zich hier metterwoon zou moeten neerzetten nog enige tijd uit te stellen. Het stadsbestuur deelt hem mee dat hij zich voor eind januari 1772 metterwoon in de stad zal moeten vestigen en zijn winkel openen.

Verhuur van paarden en rijtuigen

In maart 1766 worden de verhuurders van rijtuigen, Iman Boutens, Cornelis van Damme, Jan de Jonge, Willem Janse, C. van den Berge, C. Meerman, H. de Vos en Tobias de Jonge, toestemming gegeven voor het verhuren van rijtuigen en paarden. Ze moeten hun acte binnen het jaar vertonen aan de Ontvanger van het wagen- en paardegeld. Voor hun huis moeten ze een bord aanbrengen dat er rijtuigen en paarden bij hen verhuurd worden.
In maart 1771 verzoekt Harman Dame van Veen om met uitsluiting van alle anderen een lenge te verhuren om paarden en koeien te lossen. Na ingewonnen advies van de overdeken en dekenen wordt besloten Van Veen ‘mitsgaders alle burgers dezer stad lengen hebbende’ toe te staan deze te verhuren. De schippers wordt derhalve verboden de lengen van vreemdelingen te gebruiken.

Overige bedrijvigheid

In 1767 krijgt Leendert van der Weele toestemming zijn proef als blikslager in het smedengilde te doen.
Diderik Lindeman krijgt in 1768 vergunning om in de stad leesten te maken voor schoenmakers en houtjes voor muilen en blooken.
Ook in 1768 vestigt Marinus van Leeuwen zich als wagenmaker binnen de stad.
De leerlooier Johan Hendrik Fitsner mag in 1771 een leerlooierij aan de Nieuwstraat nummer 24/26 vestigen. Hij krijgt vergunning een fornuis voor zijn leerlooierij te laten plaatsen.
In 1771 krijgt de zeilmaker Pieter de Wind octrooi om met uitsluiting van alle anderen het zeilmaken binnen de stad uit te oefenen.
Opmerkelijk is dat in 1771 verscheidene inwoners de lorrenhandel of de oude kleerkopersnering gaan uitoefenen. Zo mag in de weduwe van Jan Geense een oude kleerkoperswinkel oprichten. Ook Johanna Hartog weduwe van Johannes Cruijs krijgt vergunning zich te generen met het kopen en verkopen van oude kleren, oud ijzer, koper, tin en wat verder tot het zogenaamde ruijlebuilen of de oude kleerkopersnering behoort. Frans Susijn krijgt toestemming om naast zijn andere affaires een winkel van oud ijzer en kleren en wat er verder tot zo een winkel behoort op te richten,