Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1766 - 1771)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Het Sint Jansgilde van de arbeiders en het Nassaugilde van de bierdragers trekken in 1767 opvallend veel nieuwe krachten aan. Tot het Sint Jansgilde worden vijftien personen toegelaten, te weten Pieter Toorenaar, Jan Tavenier, Antoni Benjaminse, Cornelis Dapper, Adriaan Verschoor, Abraham van der Visse, Jan Soutendam, Hendrik Galeets, Pieter de Jonge, Jan Haring, Jan Geertse, Jacob Pieke, Cornelis Pieterse, Johannes Voskuijl en Pieter Koppejan.
Tot het bierdragersgilde worden elf personen toegelaten, te weten Jan Temperman, Jan Landschot, Johannes de Kok, Willem Kodde, Paulus Zuidwegt, Jan Kogelenbergh, Cornelis Kogelenbergh, Pieter Welle, Johannes Landschot, Cornelis Metzelaar en Benjamin Hooglander.

Ook in 1770 wordt een groot aantal arbeiders en bierwerkers toegelaten, 26 in getal. Het gaat om Lieven van Loo, Joseph van Eghem, Pieter van Waarde, Anthoni Krombout, Lieven van Loo, Jan van de Poele, Adriaan Bosdijk, Anthoni Krombout, Joseph de Jongh, Engel de Jongh, Job Visser, Lieven van Loo Jobzoon, Gerrit de Heere, Jacobus Janse Poelman, Jacobus van Antwerpen, Frans Coentraats, Gillis de Waard, Jaques Mosse, Jan Visser, Jozias Menheere, Job Jobse van der Maas, Pieter Reijnhoud, Pieter Salomonse van Eenennaam, Jacobus Schout, Lieven Murre en Hendrik Dekker.

In 1767 ontstaan er moeilijkheden en klachten over de vrachtenaars en slepers binnen de stad, zowel wegens nalatigheid in het waarnemen van hun dienst als ongeregeldheid in het afeisen van sleeploon. Door het ontbreken van een vaste ordonnantie kunnen ze nu veelal handelen naar eigen goeddunken en dikwijls tot belemmering van de negotie en winkelnering. Het stadsbestuur besluit een nieuwe ordonnantie of reglement op te stellen op grond waarvan een vrachtenaars- of slepersgilde binnen de stad kan worden opgericht.

Maar naderhand wordt opnieuw gesproken over de wenselijkheid van het oprichten van een vrachtenaars- of slepersgilde. Het stadsbestuur besluit de ordonnantie op het zakkedragersgilde te herzien en daarbij te letten of het op te richten slepersgilde bij dat van de zakkedragers kan worden gevoegd.
Verder draagt het stadsbestuur de burgemeesters en secretarissen op te bezien of, tot een beter gerief in het lossen van vaten en goederen van buitengewone grootte en zwaarte, niet hier of daar zou kunnen worden geplaatst een soort van kraan of wip en zo ja, wat deze zou moeten kosten en op welke wijze de penningen daarvoor het beste zonder bezwaar van de stadskas zouden kunnen worden gevonden.
De daartoe aangestelde commissarissen leggen in 1768 een concept-ordonnantie over volgens welke een vrachtenaars- of slepersgilde binnen de stad kan worden opgericht.

Schippersgilde

Harman Dame van Veen verzoekt in 1771 om met uitsluiting van alle anderen een lenge te mogen verhuren om paarden en koeien te lossen. Na ingewonnen advies van de overdeken en dekenen van het gilde besluit het stadsbestuur Van Veen ‘mitsgaders alle burgers dezer stad lengen hebbende’ toe te staan deze te verhuren. Het is de schippers verboden lengen van vreemdelingen te gebruiken.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

Het stadsbestuur besluit in 1767 op voorstel van de overdeken van het schoenmakers-, gareelmakers- en leerkopersgilde vast te stellen dat voortaan een zadelmakersproeve zal bestaan ‘uit het maken van een nieuwerwets zadel zoals tegenwoordig meest gebruikt en bereden wordt’.
In 1769 geeft het schoen- en gareelmakersgilde te kennen:

  • de slechte staat waarin het grootste gedeelte van de gildebroeders zich bevindt vanwege het geringe debiet, veroorzaakt door het menigvuldige werk dat gedurende de vrije jaarmarkt van Middelburg of Vlissingen wordt verkocht, alzo zeer vele burgers en landzaten zich voor een geheel jaar daarvan voorzien of tegen de jaarmarkt daarop wachten en dat enkel om ‘de ingebeelde goede koop’;
  • dat gedurende enige jaren sommige gildebroeders op de gewone wekelijkse marktdag hun werk op de Grote Markt in kramen of op tafels te koop veilen, waardoor onder hen dagelijks vele moeilijk te vereffenen twisten ontstaan.

De dekenen van het gilde verzoeken daarom allereerst dat niemand, hetzij uit de besloten Zeeuwse steden of anders, gedurende noch buiten de vrije jaarmarkt zal mogen inbrengen en verkopen enig schoen- en gareelmakerswerk op verbeurte van al het zelve en bovendien vier zilveren dukaten. En verder dat op gelijke boete niemand hetzij op de wekelijkse marktdag of in de week enig werk buiten zijn winkel op een publieke plaats zal mogen veilen. Het stadsbestuur besluit echter dit verzoek om redenen af te slaan.
In het najaar 1770 wordt een nieuwe instructie voor het schoenmakers- en gareelmakersgilde vastgesteld.

Smedengilde

In 1766 besluit het stadsbestuur dat van nu voortaan alle goud- en zilversmeden hun gemaakt goud en zilver moeten laten keuren bij de Keurkamer van Middelburg, totdat te Goes nog eens een keurkamer opgericht zal zijn. Tevens wordt de goud- en zilversmeden gelast hun ongekeurd goud en zilver, dat zij thans in hun winkels hebben, binnen veertien dagen te Middelburg te laten keuren en van nu voortaan geen ongekeurd goud- of zilverwerk meer te verkopen. De dekenen worden gelast daar op nauwkeurig acht te geven en de winkels zo spoedig mogelijk te inspecteren zoals ook in het vervolg drie à vier malen per jaar dient te gebeuren. Ook wordt op advies van de dekenen van het smedengilde besloten dat het verkopen van parels en juwelen aan de goud- en zilversmeden zal worden toegestaan.

Weversgilde

Jan Arnold Slink, de enige die van het weversgilde binnen de stad nog over is, krijgt in 1770 bevel om het zilver en dergelijke, dat het gilde toebehoort, ter griffie te brengen om daar te worden gedeponeerd. In juli 1771 is de laatste deken van het weversgilde, Jan Arnold Slink, de stad ontvallen. Besloten wordt de papieren en ornamenten van het gilde af te halen en bij provisie op het Stadhuis te brengen en de heren Lopsse en Boogmaker naast een van de secretarissen te machtigen ‘om te inquireren of het mogelijk is dat het gilde door hetzelve enige tijd open te stellen wederom in train kan worden gebracht en van advies te dienen over wat verder daartoe zou kunnen strekken’.
Het stadsbestuur besluit in augustus 1771 het weversgilde binnen Goes met vrijdom van burger- en gilderecht voorlopig open te stellen voor alle personen, die in staat zijn een proeve als wever te doen.

De gezamenlijke hoedenmakers binnen de stad leggen in november 1771 een conceptordonnantie over voor de oprichting van een hoedenmakersgilde. Op hun verzoek wordt besloten dit met het weversgilde te combineren. Daarop stellen de overdeken van het gecombineerde wevers- en hoedenmakergilde en de beide stadsecretarissen conceptordonnanties voor de beide gilden op. Het stadsbestuur stelt deze vast en neemt deze op in het ordonnantieboek.