Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1766 - 1771)

Haven

In 1766 verzoeken verscheidene schippers die vanuit Goes varen de stadshaven voortaan door geen boom meer te laten afsluiten. Het stadsbestuur besluit dit verzoek af te slaan ‘omdat reeds een Sluit Boom wordt gemaakt’. Wel wordt de boomsluiter opgedragen alles in zijn functie te doen wat tot gerief van de schippers en passagiers kan dienen en hem te gelasten ‘om altijd spoedig bij der hand te zijn en zijn woonplaats te nemen tussen de twee waterpoorten of anders zo dicht bij den Boom als mogelijk is’.

In juli 1766 meldt de voorzittende burgemeester dat sedert enige tijd door de schippers tegen de trekker van de Havendijk vele klachten zijn geuit over het slecht bedienen van het trekpad, terwijl de trekker klaagt dat de schippers zelden gebruik van hem maken. Hij geeft in overweging daarin te voorzien door een reglement. Uit het vastgestelde reglement blijkt dat de trekker verplicht is altijd drie paarden in gereedheid te hebben om zijn dienst waar te nemen en daarbij een bekwame knecht. Hij mag zich niet behelpen met een jongen die niet capabel is. Hij zal altijd wanneer het stil is of de wind en het getij het uit- of inkomen van de haven toelaat zich met een of meer paarden naar bevind van zaken moeten gereed houden aan de boom of het hoofd, zodat het uit- of intrekken niet vertraagd wordt door het halen van de paarden. De trekker zal voor de te presteren dienst, van de boom naar het hoofd trekkende of van het hoofd naar de boom, ook van het hoofd naar de pui of van de puien naar het hoofd, voor elke reis genieten:

 

 

 

 

 

 

 

 

  • van een hengst £ 0.0.6;
  • van alle schippers van de stad varende £ 0.1.0;
  • van grote vreemde poonen of sprietschepen £ 0.1.8;
  • van steen- of mistpleiten £ 0.3.0;
  • van hout ferriën £ 0.2.0;
  • van Vriese tjalk of turfponten £ 0.1.8;
  • van alle bezaanjachten £ 0.3.0;
  • van gaffeljachten £ 0.3.4;
  • van het grote Statenjacht £ 0.4.0;
  • van het kleine Statenjacht £ 0.3.4;
  • van de hoeker of driemastbootje £ 0.3.4.

Verlanding vaarwater

In november 1766 worden de Goese deputaten naar de statenvergadering opgedragen ‘bij bekwame gelegenheid, hetzij op de vergadering of door particuliere aanspraken van de leden van staat of de heer raadspensionaris, te vertonen de steeds toenemende droogten in het vaarwater voorbij deze stad lopende, waardoor te vrezen is dat hetzelve binnenkort ten enemale zal verlanden en mitsdien de leden te verzoeken derzelver serieuze deliberatiën te laten gaan over de middelen waardoor het vaarwater wederom in staat kan worden gebracht, teneinde door het effectief in het werk stellen van zodanige middelen de ruïne van deze stad en van andere steden van deze provincie die de verlanding van dit vaarwater noodzakelijk met zich slepen zal te voorkomen’.
In februari 1767 maakt het stadsbestuur zich zeer grote zorgen over de verlanding van het vaarwater. Er worden desastreuze gevolgen voor de graanhandel en zoutnering verwacht.
De Goese raadsheer in Gecommitteerde Raden van Zeeland, Van Rosevelt, wordt verzocht met alle ernst aan te dringen op de verbetering van het Goese Diep. Tevens wordt besloten de heren gedeputeerden naar de huidige staatsvergadering te gelasten met alle ernst aan te dringen dat Gecommitteerde Raden het een of ander middel in het werk stellen tot verbetering van het vaarwater en onder het oog te brengen de duidelijk blijkende en dagelijks toenemende gehele verlanding van het vaarwater.
Ze schrijven: ‘Hieraan is de totale ruïne van deze stad, maar ook bij consequentie en in vervolg van tijden een onverantwoordelijke schade voor de ganse provincie geënclaveerd, als zo de verlanding van het Sloe en de aanwas van de Kloot en andere plaatsen op het Vlakke, door lieden deskundig geoordeeld wordt, daardoor veroorzaakt te worden. Dat even na de strenge vorst die wij deze winter gehad hebben ontdekt is, dat wel verre dat het zelve zoude verbeteren, zich een plaat of bank aan de oostzijde van de haven van de stad heeft gezet, waar over de kleinste vaartuigen met halve vloed niet kunnen vlooten. Dat zij derhalve de situatie van dat vaarwater zeer apprehenderen en met zeer gegronde vrees zijn aangedaan dat binnen weinige jaren, zo niet weinige maanden, dit eiland met Wolphaartsdijk en Oostbeveland niet meer dan een eiland zullen uitmaken, waardoor de zoutnering en graannegotie die een merkelijk bestaan van de ingezetenen dezer stad uitmaakt, zou overhoop geworpen en de geïnteresseerden totaal geruïneerd worden. Dat zij met leedwezen zien dat van zoveel plannen als ter Rekenkamer berusten niet eens geëxamineerd veel min geprobeerd wordt, daar zulks hoog tijd wordt, zal men deze zomer wederom niet vruchteloos laten doorgaan. Dat zij altoos gemenageerd hadden dit point aan enige andere te hechten om daardoor de deliberatiën van hun edelmogenden niet te vertragen en nog niet dan ongaarne daartoe zouden overgaan dan dat zij, ziende dat de nood voor de deur en de ondergang van de vaart dezer stad voorhanden is, de inactiviteit op dit point niet langer met geduldige ogen kunnen aanzien, maar thans als een allerlaatste poging op het allerserieuste om examinatie en verbetering van dit vaarwater aanhouden en dat bij onverhoopte ontstentenis van dien zij zich gepurgeerd houden van de gevolgen die daaruit zo tot nadeel van de stad als van Middelburg en die der daarbij zo zeer geinteresseerde Oostindische Compagnie staande te proflueren en aan zich reserveren om, hoewel ongaarne, zodanige nadere resoluties hieromtrent te nemen als de dringende nood zal aan de hand geven’.

In februari 1767 beraadslaagt het stadsbestuur over het herstel en de verbetering van het Goese Diep en over een daarover aan de Staten van Zeeland voor te leggen plan. Besloten wordt de baljuw mr. Nicolaas Eversdijk en de secretaris Boddaert op te dragen over deze zaak met lieden ter zake kundig te spreken en zo mogelijk een plan tot verbetering van het vaarwater aan de hand te doen.
Op 18 april 1767 rapporteren Eversdijk en Boddaert over het zogenaamde Goese Diep. Het uitvoerige rapport is in het notulenboek opgenomen. Ze hebben ‘de memorie van remarques voor ’s Lands Inspecteuren en de Fabriek Van der Stel op het Plan ter verbetering van het Goese Diep nagezien. Het bleek hen dat de positieven van die heren op geen gronden steunen of enige bewijzen bijbrengen om het plan te verwerpen als alleen op zuivere gissingen gegrond zijnde’.

Op 30 mei 1767 leggen de gecommitteerden tot de zaak van het Goese Diep een kaart over ‘van de schorren, slikken, canalen etc. van het Schenge tot aan de Schelde, tussen Zuid-Beveland, Oost-Beveland en Wolphaartsdijk, meetkundig opgenomen op ordinair laag water en gecarteerd door de landmeter Laurens Boeren, tot opheldering van het project en plan zoals in de notulen van de 18e april jl vermeld’. Ze rapporteren dat ze na grondige examinatie meer en meer in de gedachte zijn bevestigd dat alleen de opruiming van de kanalen de zo zeer begeerde verbetering in dat vaarwater kan te weeg brengen. Op de kaart hebben ze de daarvoor nodige werken aangegeven. Uitvoerig geven ze aan welke voorzieningen dienen plaats te vinden. Het stadsbestuur besluit de kaart en het daarbij gevoegde rapport bij de eerste gelegenheid aan Gecommitteerde Raden van Zeeland af te zenden met een missive in termen ter materie dienende.

Op 9 juli 1767 trekken Gecommitteerde Raden een hele dag uit ‘voor het houden van besognes over het plan van opruiming en verbetering van enige stromen binnen de provincie, bijzonder van het vaarwater strekkende voorbij de haven van de Goes’. Ze verzoeken een of twee heren uit het stadsbestuur af te vaardigen om daarbij aanwezig te zijn. Aangewezen worden de baljuw mr. Nicolaas Eversdijk en secretaris J.W. Boddaert.
Uit de statenveradering rapporteren Eversdijk en Boddaart dat ‘het project hun edel mogenden niet infaisabel, maar zelfs van een apparent succes was voorgekomen’. Gecommitteerde Raden besluiten het projectplan te stellen in handen van ’s Lands inspecteurs om dit te examineren en hun van advies te dienen.

In april 1768 draagt het stadsbestuur de gedeputeerden naar de statenvergadering op ‘hun edel mogenden of daar ze ‘t anders van vrucht zullen oordelen, al wederom ernstig te urgeren op de conclusie van de geprojecteerde of andere werken aan het zogenaamde Goese diep, opdat, toch eenmaal een of ander tentamen in het werk mag worden gesteld om de totale verlanding van dit vaarwater voor te komen’. In mei wordt het schriftelijk rapport van de commissarissen tot de zaak van het Goese diep, dat vorig jaar ter tafel van het stadsbestuur werd overgelegd, ‘op de memorie en remarques van ’s lands inspecteurs en de fabriek Van der Stel op het Plan ter verbetering van het vaarwater’, aan Gecommitteerde Raden toegezonden met verzoek het daar heen te leiden dat het geprojecteerde werk ten uitvoer mag worden gelegd of tenminste dat toch eenmaal het een of ander tentamen mag worden in het werk gesteld om de totale verlanding van dit vaarwater voor te komen.
Als de zaak blijft slepen wordt de gedeputeerden naar de aanstaande statenvergadering in augustus 1768 opgedragen ‘de zaak van het Goese diep nimmer uit het oog te verliezen’.
In december worden de gedeputeerden naar de statenvergadering gelast ‘wederom te insteren op het redres van ’t Goese vaarwater’. Tot het waarnemen van deze vergadering worden uit het stadsbestuur afgevaardigd alle de heren die comparanten zijn en genegenheid hebben om te gaan.
In januari 1769 wordt het rapport van de gedeputeerden tot de zaak van het Goesse diep aan Gecommitteerde Raden afgezonden. Eindelijk schrijven Gecommitteerde Raden op 28 januari 1769 dat ze besloten hebben de besoignes over de zaak van het Goese Diep, in vorige tijden en nog laatstelijk in de maand juni 1767 met heren gecommittteerden van de provinciale Rekenkamer en de commissarissen van het stadsbestuur tot dit werk, mr. N. Eversdijk en J.W. Boddaart, over deze materie gehouden, bij bekwame gelegenheid te reëntameren. Ze verzoeken het stadsbestuur commissarissen tot de te houden beraadslaging, waarvan de juiste tijd nader zal worden doorgegeven, aan te wijzen voor het bijwonen daarvan. Maar kennelijk blijft het daarbij!

In augustus 1770 legt de heer Jacob Arnold de Perponcher Sedlnitzky een plan voor tot verbetering van het Goese diep. Besloten wordt dit in handen te stellen van de gedeputeerden naar de Staatsvergadering om aan de Raadpensionaris te overhandigen en voor te stellen ‘dat van de middelen tot redres van dit vaarwater, van tijd tot tijd aan de hand gegeven, een poinct van beschrijving wordt gemaakt’.