Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1766 - 1771)

Verhouding stadsbestuur en kerken

In maart 1767 deelt burgemeester Lopsse namens de deputaten van het stadsbestuur naar het collegium qualificatum mee dat zij op de vergadering, waarin ds. Pronk tot predikant is beroepen, door de praesis ‘met hevigheid en op een onvriendelijke wijze waren toegesproken en bejegend’. De deputaten hebben deze behandeling, hoe onaangenaam ook, ‘om redenen met veel tranquiliteit willen passeren’, doch ze menen hier toch van aan het stadsbestuur kennis te moeten geven. De voorzittende burgemeester mr. F.N. Keetlaar wordt verzocht om de praesis bij zich aan huis te ontbieden en ‘deze de indignatie van de Raad over deze zijne behandeling jegens de heren gedeputeerden van hun edel achtbaren voor te houden met last van zich bij vervolg voorzichtiger en in zijne uitdrukkingen beleefder en respectueuzer te gedragen’.

Ook op 3 oktober 1767 treedt het stadsbestuur regelend op ten aanzien van de kerkelijke gemeenten. Besloten wordt namelijk dat voortaan van de eerste zondag na het tweede avondmaal in oktober tot op de laatste zondag in maart (zijnde de tijd dat de morgenpredikatiën in de Kleine Kerk cesseren) in de Grote kerk des morgens de predikatiën zullen beginnen om 9 uur, ‘wanneer de heren predikanten worden verzocht precies op den predikstoel zig te bevinden en zal ten half 9 uur en ten 9 uur worden geluid’.
De Waalse kerkenraad wordt gelast zodanige orders te stellen dat, zodra de luiklok op de Franse kerk in gereedheid is gebracht, daarmee zal moeten worden geluid ‘tegelijk als de klok van de Stadhuistoren zal worden getrokken’, hetzij een of tweemaal naar hun goedvinden, doch niet later dan 9 uur, ’s winters gedurende de maand oktober van de 1e zondag na het tweede avondmaal tot de maand van maart en andere maanden een kwartier voor 9 uur ‘om alle confusiën door het luiden op diversche tijden voor de onderscheidene kerken anders te verwagten te preveniëren’.

Soms is het nodig dat het stadsbestuur ingrijpt! Zoals in oktober 1767 als wordt besloten het kauwen van tabak en diergelijke onordentelijkheden in de kerken, waardoor stoelen, banken en muren zeer worden besmet, te verbieden op een boete van 10 schellingen.

Nederduitse (hervormde) gemeente

In september 1766 bekommert het stadsbestuur zich over de te zware belasting van de predikanten in de Nederduitse gemeente. Overwogen wordt dat de dienst van de predikanten niet verder kan worden verzwaard. Bovendien kan een verschikking van de predikbeurten nuttig zijn. Na rijpe deliberatie besluit het stadsbestuur de tot nu toe aangehouden orde in het prediken zodanig te veranderen dat:

  • voortaan jaarlijks van de eerste zondag na het tweede Heilig Avondmaal in de maand oktober tot op de laatste zondag in maart de Kleine kerk ‘s morgens zal worden gesloten;
  • in de plaats van de catechisatie die ‘s zondags over de catechismus pleegt te geschieden, gedurende deze tijd ‘s zondagsavonds een predikatie over een vrije stof in de Grote kerk zal worden gedaan, aanvang om 5 uur;
  • de catechisatie die tot nu toe donderdagsavonds over een vrije stof wordt gehouden zal worden beëindigd en in plaats daarvan zal op dat uur over dat gedeelte van de catechismus waar over ‘s zondagsmiddags tevoren gepreekt is, worden gehandeld;
  • verder zullen gedurende de maanden april tot en met september de wekelijkse vrijdagavondbeurten worden beëindigd met dien verstande nochtans dat vrijdags voor het Heilig Avondmaal de gewone voorbereidingspredikatie telkens zal blijven geschieden, latende verder de preekbeurten zoals tot nu toe is gepraktiseerd.

Van dit besluit wordt de kerkenraad kennis gegeven met de order zich hier naar in het vervolg te reguleren. De gemeente dient bij voorlezing van deze resolutie van de preekstoel bij de eerste gelegenheid kennis te worden gegeven.

Wegens het sluiten van de Kleine kerk op zondagmorgen van half oktober tot eind maart zal de koster of kosteres zeker schade ondervinden. Gezien de schade die de koster of kosterin van de Kleine kerk door het sluiten van deze kerk op deze zondagmorgens van half oktober tot eind maart zal lijden, wordt de koster van de Grote kerk geordonneerd jaarlijks aan deze uit te keren de som van £ 1.6.6 Vlaams.
Omdat door de verschikking van de preekbeurten ook verandering zal komen in de bediening van het Heilig Avondmaal wordt bepaald dat de eerste zondag in januari dit alleen in de Grote kerk en de zondag daarna alleen in de Kleine kerk zal worden uitgedeeld.

In oktober 1771 wordt besloten dat voortaan vanaf de 1e avondmaalsdag in oktober tot de laatste avondmaalsdag in april, inclusief de godsdienst in de Nederduitse kerken, zal beginnen om 9 uur en dat als gevolg daarvan de klokken om half 9 en om 9 uur zullen luiden. De aanvangstijd van de godsdienst blijft na de eerste zondag na het laatste Avondmaal in april tot de laatste zondag in september op kwart voor 9 bepaald. Tevens wordt besloten dat de klok van de Waalse kerk voortaan zal luiden op die tijd wanneer de godsdienst aldaar ‘s zomers en ‘s winters begint.

Waalse gemeente

In 1766 legt de predikant van de Waalse gemeente ds. De La Broue bij de voorzittende burgemeester een bezoek af. Hij brengt daarbij twee verzoeken over.
De predikant is voornemens gedurende de winter in de consistorie van de Waalse kerk wekelijks enige jonge personen in de gronden van de godsdienst te onderwijzen. Echter, de brandstof die gewoonlijk aan de kerk wordt gegeven is dan niet toereikend. Hij verzoekt daarom een vierde last turf meer voor de kerk. De stadsbode Matthijs van Ooijen krijgt opdracht bij de Waalse kerk een vierde last turf te bezorgen.
Dan is er nòg een verzoek. De kerkenraad heeft vernomen dat de nieuwe klokken van de Grote kerk zijn gearriveerd en dus de oude klokken binnenkort zullen worden afgenomen. Dit is aanleiding om het verzoek van de Waalse kerkenraad van enige jaren terug te herhalen om de Waalse kerk van een klok te voorzien. Besloten wordt de stadsdirecteuren op te dragen om het kerkgebouw van de Waalse gemeente (dit is de kapel van het vroegere klooster van de Zwarte Zusters aan de Zusterstraat) nog eens te bezien of er een mogelijkheid is, zonder extra zware kosten, een klok op het kerkgebouw aan te brengen en daarvan een raming van kosten te maken.

De Waalse kerkenraad geeft in juli 1768 te kennen dat ze op grond van de resoluties van 6 april 1748 en 17 januari 1761 uit de collecte, die elke drie maanden aan de huizen van de inwoners voor de armen en het weeshuis wordt gehouden, gewoon zijn de helft van wat ze wekelijks aan hun armen uitdelen te trekken, dit om het grote aantal armen van hun gemeente ondersteuning te verlenen. Dankzij deze uitdeling hebben ze hun diaconiekas in stand kunnen houden. Maar nu heeft het stadsbestuur op 30 januari 1768 besloten om de uitdeling uit de driemaandelijkse collecte te beëindigen. Niettegenstaande alle overleg zijn ze door het gemis van deze ondersteuning van dag tot dag achteruit gegaan, wat vanwege hun groot aantal armen en het verval van de gemeente niet zal verminderen. Ze verzoeken hen weer op de oude voet te ondersteunen. Het stadsbestuur besluit de regenten van het weeshuis te machtigen aan de Waalse kerkenraad inplaats van de helft, voortaan een derde van wat ze wekelijks uitdeelt uit de driemaandelijkse collecte uit te keren.

De gedeputeerden Laurens Pieter van de Spiegel en Antoni Ossewaarde rapporteren in december 1770 dat in de plaats van oud-burgemeester Johan Isebree tot ouderling van de Waalse gemeente is verkoren Johan Hendrik Voyer en tot diaken in de plaats van dokter Roelof Evertse mr. Nicolaas Leliveld.

De burgemeester wordt in augustus 1770 opgewacht door ds. De La Broue en twee gedeputeerden van de Waalse kerkenraad. Deze hebben hem uit naam van de kerkenraad bedankt ‘voor de goedheid van op de kerk een Toorn met een klok te plaatsen, waarvan zij reeds gebruik hadden gemaakt, bevelende de kerk en hunne personen in de bijzondere protectie van hun edelachtbaren aan’.

Rooms katholieke gemeente

In 1768 overlijdt de pastoor van de gemeente van de roomsgezinden binnen de stad, Franciscus Claus. Hij diende de gemeente van 1738 tot 1768. Een zekere Wilhelmus Weiler verzoekt de voorzittende burgemeester hem toestemming te geven om in de plaats van de overleden pastoor Claus de dienst in de gemeente waar te nemen. Het stadsbestuur heeft informatie over de genegenheid die de burgers en ingezetenen van de roomse godsdienst pastoor Weiler toedragen. Hij krijgt dan ook toestemming om in de plaats van wijlen pastoor Claus de dienst in de gemeente van de roomsgezinden waar te nemen. Pastoor Weiler zal veertig jaar, tot 1808, de gemeente dienen.

In mei 1770 deelt de burgemeester het stadsbestuur mee dat hij is opgewacht door de heer Hermanus van Westerloo, die de dienst als landspastoor van Zuid-Beveland van 1766 tot 1770 heeft waargenomen. Deze gaf kennis van zijn vertrek naar de Wetering buiten Leiden. Tegelijk stelde hij de heer Johannes Zacharias van Papenhoven voor, die in zijn plaats naar de landsparochie van Zuid-Beveland is gezonden. Op zijn verzoek besluit het stadsbestuur Van Papenhoven als landspastoor toe te laten.

De armmeesters van ‘de Roomsche armen’ krijgen in juni 1771 toestemming om voor hun behoeftige luiden een spinfabriek op te richten. Dit dient te gebeuren op dezelfde wijze zoals dit de buitenregenten van het arm- en weeeshuis en de diakenen van ‘de Nederduitse gereformeerde armen’ binnen de stad is toegestaan.