Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1766 - 1771)

Algemeen

Het stadsbestuur besluit in oktober 1766 tot een betere naleving van het Reglement van het jaar 1655 ‘om een vast en eenparig opzicht over de scholen binnen de stad te houden’. Er worden twee leden uit het stadsbestuur aangewezen, die het opzicht over de scholen zullen hebben en de visitaties zullen verrichten. Verder besluit het stadsbestuur ‘tot meerder encouragement der discipelen’ dat jaarlijks bij het visiteren van de scholen, na het tweede Avondmaal in april, in al de scholen, waarin het lezen en schrijven wordt onderwezen, drie à vier prijzen zullen worden uitgedeeld ‘aan de meest gevorderde discipelen, bestaande in boeken van een matige waardije met het wapen dezer stad bestempeld’. De keuze van de boeken wordt aan de visitatoren overgelaten. Zij moeten de namen van de benodigde boeken jaarlijks bijtijds aan de voorzittende burgemeester opgeven. Deze zal de boeken door de boekverkoper, die de leverantie aan de stad heeft, laten vervaardigen.

Particuliere schooltjes

Ook in deze jaren zijn er tal van particuliere schooltjes in de stad. Zo krijgen Josina Jans weduwe van Jan Baden en Christina Scholten in 1766 op hun verzoek toestemming om kinderschool te houden. In 1767 mag Antonia Vervenne een kinder-, brei- en leesschool houden. Dit recht krijgt ook Johanna de Jonge echtgenote van Robertus van Nol, lidmate van de gereformeerde gemeinte, in 1768.
Ook een zekere Machalina Haak verzoekt in 1768 als schoolmeesteresse binnen de stad te mogen fungeren en in haar school te onderwijzen ‘het spellen, lezen, breien, naaijen, stoppen, tekenen, vlammen en soortgelijke handwerken’. Op het positief advies van de schoolarchen wordt ze toegelaten. Eveneens krijgen Stoffelina en Elisabeth Mus in 1768 toestemming tot het leren lezen aan zodanige meisjes die bij hen besteld worden om handwerken te leren. Jacoba Hartog weduwe van Dammes Duindam mag zich vanaf 1769 als schoolmeesteresse in de stad vestigen, evenals Janna van Beijsselaar echtgenote van Adriaan Blommert in 1770.
In 1771 krijgt Pieter Engelse vergunning om een lees-, schrijf- en cijferschool op te richten. De schoolarchen zien na gehouden examen geen zwarigheid. Ook Adriana Bil echtgenote van Willebord Marinusse mag vanaf dit jaar de jonge jeugd leren lezen en breien.

In december 1770 komen er klachten binnen over Gabriël d’Erto en Joos Velius ‘omdat zij aan sommige luiden onderwijs geven in het zingen van Psalmen’. De schoolarchen worden verzocht hiernaar onderzoek te doen.

Voor het ordelijk verloop van het particuliere onderwijs stellen de schoolarchen in november 1768 een concept op voor een nieuw Reglement op het schoolhouden. Dit wordt goedgekeurd en aan alle schoolemeesters en schoolmeesteessen uitgereikt.

Waalse school

In februari 1767 beraadt het stadsbestuur zich over de slechte toestand van de scholen binnen de stad en de noodzakelijkheid om een goede Franse kostschool, zowel voor jongens als meisjes, op te richten. De stadsbestuurders mr. D.C. Keetlaar, J.W. Boddaert en H.J. de Heere zullen samen met de schoolopzieners van gedachten wisselen over de wijze hoe dit tot het meeste voordeel van de stad en nut van de jeugd zal kunnen geschieden. Dit leidt er toe dat in de couranten wordt geadverteerd dat het stadsbestuur voornemens is een nieuwe Franse jufferschool op te richten. De schoolhouder zal een tractement genieten van 200 gulden en vrijdom van alle stedelijke belastingen.

Verder wordt in serieuze overweging genomen dat Johanna Louisa Maurice, echtgenote van Pierre Jacques Benjamin Goujon, daar ze geen Franse kostschool houdt, het haar toegekende tractement van 100 gulden als Frans kostschoolhoudster uit dien hoofde niet verdient en dat dus dit tractement jaarlijks zonder enig nut voor de stad in dit opzicht wordt weggegeven. Besloten wordt dit tractement, dat nu al zo vele jaren aan mademoiselle Goujon wordt vergund en gelaten, te doen ophouden. Ze krijgt nog voor het jaar 1768 en niet langer haar tractement van 100 gulden als Franse jufferschoolhoudster.

Tevens komt ter sprake dat de jeugd in de school van de Franse schoolmeester Jean Alexander de la Rue niet met behoorlijke attentie wordt onderwezen. De la Rue zal tot het beter waarnemen van de school en het onderwijzen van de jeugd in nadrukkelijke termen bij de eerste visitatie van de scholen worden aangemaand. En omdat De la Rue ook voorzanger in de Waalse gemeente is en hij die dienst ook zeer gebrekkig en dikwijls tot ontstichting van de godsdienst waarneemt, wordt besloten hem daarover te reprimenderen.

Het blijkt in oktober 1767 dat de Franse schoolmeester Jean Alexander de la Rue ‘zijn schooltijd voor een groot gedeelte doorbrengt met het aanleren van andere dingen dan zijn schoolboeken en daardoor aan zijn discipelen de nodige attentie en instructie onthoudt’. Ook absenteert hij zich meermalen van ’t schoolhouden en is in het algemeen gebrekkig en nalatig in zijn dienst, niettegenstaande hij bij de laatste schoolvisitatie tot zijn plicht is aangemaand. De La Rue wordt voor het stadsbestuur ontboden. Hij wordt nadrukkelijk gereprimendeerd en gelast voortaan zijn school beter waar te nemen en de jeugd die aan zijn zorg is toevertrouwd met meer attentie te onderwijzen.

Het stadsbestuur bespreekt in mei 1767 de mogelijkheid van het oprichten van een (nieuwe) Franse juffer kostschool en besluit een Reglement hiervoor vast te stellen. Tot Frans juffer kostschoolhoudster wordt aangesteld juffrouw M. Buisson echtgenote van de heer J.B. Buisson, leermeester in de Franse taal te Rotterdam, op een traktement van 200 Hollandse guldens met vrijdom van alle stedelijke belastingen. Juffrouw Buisson krijgt toestemming voorlopig, totdat de hele of halve kostschool levensvatbaarheid blijkt te hebben, meisjes onder haar directie in de school te nemen zonder dat deze geheel of gedeeltelijk in de kost zijn.
Daarop komt van juffrouw Buisson bericht dat ze met de uiterste bereidwilligheid de benoeming tot Franse juffer kostschoolhoudster aanvaardt. Ze krijgt vrij transport van haar meubilaire goederen op kosten van de stad. Er wordt een Reglement vastgesteld voor de nieuw opgerichte Franse juffer kostschool. Enkele bepalingen daaruit zijn:

  • ze mag geen juffrouwen in de gehele kost beneden de 8 jaar en geen voor de halve kost beneden de 6 jaar toelaten;
  • voor kostgeld voor iedere juffrouw moet per jaar worden betaald 200 gulden en voor de halve kost 80 gulden;
  • voor dat geld geeft men hen ’s morgens, ‘s middags en ’s avonds eten, koffie, thee, vuur en licht en een fatsoenlijke opvoeding, onderwijs in de godsdienst, Franse taal, geografie, allerlei handwerk als borduren, petitmetier, het maken van bloemen etc.;
  • iedere juffrouw moet meebrengen een zilveren lepel, vork en mes, 2 tafelborden, 6 servetten, 2 handdoeken, 6 theekopjes en een tinnen waterpot.

De heer J.B. Buisson, leermeester in de Franse taal, krijgt in juni 1767 toestemming aan de huizen van particuliere luiden instructies in de Franse taal te geven. Opmerkelijk is dat de woorden ‘aan de huizen van particuliere luiden’ later uit de notulen zijn geschrapt.
In april 1768 verzoekt Buisson om in zijn huis een hele en halve kostschool op te mogen richten tot onderwijs voor jonge heren in de Franse taal. Het stadsbestuur willigt zijn verzoek in. Dit echter op voorwaarde ‘dat hij geen onderwijs geeft aan zulken die alleen willen ter schole gaan en dit ook tot geen nadeel strekken zal van de reeds geëtablisseerde jufferschool en te dien einde de jonge juffrouwen altoos gesepareerd houdende’.