Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1766 - 1771)

Grote Kerk en Kleine Kerk

Het stadsbestuur beraadt zich in april 1766 over ‘de zwaere kosten die zullen moeten geimpendeerd werden om den grond der preekkerk te verleggen’. Tevens komt de noodzaak aan de orde om in de Grote kerk nieuwe stoelen te plaatsen. De bezitters of bezitsters daarvan zullen voor elke stoel moeten betalen vijf schellingen. Bij overlijden of vertrek van de eigenaars vervallen de stoelen aan de kerk. In het vervolg zal voor het overboeken van een stoel op een ander, zowel in de Grote als in de Kleine kerk, moeten worden betaald 12 schellingen inplaats van 8 schellingen en 8 grooten Vlaams.

In juni 1766 komt in bespreking dat, aangezien binnen korte tijd de grond van de preekkerk zal worden verlegd en verscheidene veranderingen gemaakt wat betreft de stoelen, ‘of het ook niet tot meerder gemak van de predikanten en cieraad van het gebouw van de kerk zal zijn om enige verschikking te maken door het verplaatsen van de predikstoel en het stellen van enige vaste banken’. Besloten wordt uit het stadsbestuur hiervoor een commissie te formeren, bestaande uit de heren mr. D.C. Keetlaar, J.W. Boddaert en C.J. van Lichtenbergh. Zij en de kerkmeesters krijgen het verzoek daarvoor een plan te maken met een beraming van de kosten en dit ter deliberatie aan het stadsbestuur voor te leggen.

De vloer van de Grote kerk wordt in 1767 verlegd. Gedurende de werkzaamheden zal de wekelijkse preekbeurt van woensdagavond plaats vinden in de Kleine kerk.
Er wordt een waarschuwing vastgesteld tegen het plegen van baldadigheid in de wandelkerk en het rijden met kruiwagens of slepen van goederen daardoor.
De voor de Grote kerk geleverde zerken worden afgekeurd. De steenhouwer krijgt bericht dat de afgekeurde zerken, omdat deze in het geheel niet aan het bestek voor de leverantie voldoen, voor zijn rekening zijn en hij er verder geen hoeft te leveren.

De stadsdirecteuren krijgen in juli 1771 opdracht een raming te maken van de kosten die aan de Kleine kerk besteed zouden moeten worden als deze behoorlijk gerepareerd wordt.
Uit de raming voor de reparatie blijkt een bedrag nodig van £ 270. Het stadsbestuur besluit de Kleine kerk in overeenstemming met het bestek voor dit bedrag te laten repareren.

Orgel Grote kerk

Op 6 juni 1767 wordt de heer A.F. Groneman op zijn verzoek ontslag verleend als organist en klokkenist van de stad. In deze functies wordt verkoren de heer Johan Michiel Henrichs.
In augustus 1767 bespreken de stadsdirecteuren met de orgelmaker Overbeek het verbeteren en onderhouden van het orgel in de Grote kerk. Er is een akkoord bereikt in die zin dat Overbeek het verstellen van het orgel voor het tegenwoordige heeft aangenomen voor 12 rijksdaalders of £ 5.6 Vlaams en voortaan het orgel zal onderhouden voor een som van £ 10 Vlaams per jaar.

Klokkenspel

In juni 1766 constateert het stadsbestuur dat met het gieten van de nieuwe speelklokken niet voldoende voortgang wordt gemaakt. De tijd waarbinnen de klokken gereed hadden moeten zijn is al lang verstreken. Besloten wordt de klokgieter Alexius Petit te Someren en Andreas van der Gheijn te Leuven aan te schrijven dat zij moeten zorgen dat de klokken hetzij behoorlijk worden gegoten, hetzij de al overgegeven klokspijs voor de 1e augustus binnen de stad te leveren. Anders zal zonder verder uitstel tegen hen de gerechtelijke weg worden ingeslagen.
Halverwege juli sturen de klokkengieters Petit en Van der Gheyn bericht dat het klokkenspel wel niet met de 1e augustus maar zo spoedig als doenlijk is in gereedheid zal worden gebracht.
In september informeren de stadsdirecteuren het stadsbestuur dat het nieuwe klokkenspel binnen enige dagen in gereedheid zal zijn. Om deze reden heeft de klokgieter gevraagd om de oude klokken van de toren af te halen. Het stadsbestuur besluit alles tot het afhangen van de oude klokken in gereedheid te brengen, doch de klokken zullen in de toren blijven hangen totdat de nieuwe klokken gearriveerd zullen zijn.
Eindelijk zijn op 15 november 1766 alle klokken gearriveerd. De organist van de Lutherse kerk te Middelburg Heinrichs wordt ontboden om de klokken te examineren.
Een week later rapporteert burgemeester Pieter Ossewaarde uit naam van de stadsdirecteuren dat het nieuwe klokkenspel, waarvan de grote klokken door Alexius Petit te Someren en de kleine klokken door Andries van der Ghein te Leuven zijn gegoten, is gearriveerd en geëxamineerd door de stadsklokkenist Groneman en J. Heinrichs, organist te Middelburg, en goed bevonden. Voor zijn gedane moeite krijgt Heinrichs behalve vrij defroyement een toelage van tien rijksdaalders.

De klokkengieter Van der Gheijn uit Leuven stuurt op de 3e mei 1767 een brief aan het stadsbestuur met het verzoek de kwantiteit van 1000 pond klokspijs van het oude klokkenspel van de stad op rekening van zijn nieuw geleverde klokken toe te zenden. Het stadsbestuur antwoordt hem dat hij dit niet eerder krijgt voordat de nieuwe klokken in de toren hangen. Hij krijgt het advies ‘hoe eerder hoe beter den Horologie te maken, daar hier alleen na gewacht wordt en die gezegd had half mei te zullen beginnen te schrijven en aan te zetten om herwaarts over te komen, zullende hem Van der Gheijn als dan zijn klokspijs kunnen geworden’.

In 1767 komen de stadsdirecteuren met de klokkengieter Alexius Petit tot een finale afrekening van de oude en nieuwe klokken. Enerzijds gaat het om wat Petit tegoed heeft voor het nieuw gemaakte klokkenspel, dat thans in de toren van de Grote kerk is geplaatst. Anderzijds gaat het om het metaal van de oude klokken en de stukken kanon, die aan Petit aangewogen en gedebiteerd zijn.

De volgende specificatie van het gewicht van de oude en nieuwe klokken is in het notulenboek opgenomen.

De 34 kleine klokken van het nieuwe klokkenspel, zoals deze op 11 juni 1767 door de stadsfabriek zijn gewogen, wegen bij elkaar 3941 pond, te weten in ponden per klok:

1 526 18 50
2 516 19 38
3 412 20 36
4 344 21 29
5 276 22 21
6 210 23 21
7 206 24 21
8 180 25 21
9 152 26 20
10 130 27 17
11 120 28 17
12 106 29 17
13 104 30 17
14 78 31 15
15 74 32 15
16 70 33 15
17 54 34 1

De zes grote klokken van het nieuwe klokkenspel wegen bij elkaar 6830 pond, te weten in ponden per klok:

nr. 1 1986
nr. 2 1464
nr. 3 1192
nr. 4 942
nr. 5 686
nr. 6 560

In totaal dus 10771 pond metaal.
De kosten inclusief het gietloon bedragen £ 1.576.5.4.

Op 2 september 1767 heeft de stadsfabriek Boudewijn Cramer de oude klokken uit de toren van de Grote kerk gewogen. De zes grote klokken van het oude klokkenspel wegen samen 10726 pond, te weten in ponden per klok:

nr. 1 4432
nr. 2 2384
nr. 3 1490
nr. 4 1070
nr. 5 788
nr. 6 562

De 17 kleine klokken van het oude klokkenspel wegen samen 2108 pond, te weten in ponden per klok:

nr. 1 384
nr. 2 278
nr. 3 264
nr. 4 204
nr. 5 159
nr. 6 143
nr. 7 120
nr. 8 114
nr. 9 82
nr.10 76
nr.11 60
nr.12 56
nr.13 50
nr.14 46
nr.15 32
nr.16 20
nr.17 20

In totaal weegt het oude klokkenspel dus 12834 pond.
De twee voor het nieuwe klokkenspel geleverde oude stukken kanon wegen 7048 pond. Bij elkaar dus een gewicht van 19882 pond metaal.

Hierin zijn niet meegerekend de klok, die voor de Waalse kerk is bestemd met een gewicht van 186 pond en de klok van het weeshuis, `waarvan ’t oude klokje dat geborsten was onder het montant der oude kleine klokken begrepen en gerekend is`.

Op 25 augustus 1763 heeft klokgieter Alexius Petit uit Someren in tegenwoordigheid van Jan Goort Heijben, president, Pieter de Rooy, schepen, en Jan Leene, schepen, twee metalen stukken kanon gewogen. Deze kanonnen stonden op het bastion Hoogewerve te Goes en zijn door hen meegenomen met toestemming van het stadsbestuur. Het grootste kanon weegt 4870 pond en het andere 2549 pond, samen dus 7419 pond of in Amsterdams gewicht 7048 pond.

de oude klokken wegen 19.882 pond in geld £ 1905.7.2
het nieuwe klokkenspel weegt 10.771 pond in geld £ 1576.5.4
er resteert derhalve 9.110 pond in geld £ 329.1.10

Er resteren drie van de zes grote klokken van het oude klokkenspel, te weten:

nr. 2 2.384 pond
nr. 3 1.490 pond
nr. 6 562 pond
in totaal 4.436 pond

De stad is schuldig aan klokkengieter Petit wegens levering van een geheel nieuw klokkenspel met een gewicht van 10771 pond metaal £ 1.077.2.0 plus voor gietloon £ 499.3.4, in totaal derhalve £ 1576.5.4.

Hiervoor heeft Petit verkregen van de stad:

  • twee kanonnen met een gewicht van 7048 pond metaal met een waarde van   
£ 675.08.8
  • aan geld
£ 200
  • de grote uurklok nr. 1 met een gewicht van 4432 pond en een waarde van
£ 424.14.8
  • alle kleine klokken met een gewicht van 2108 pond en een waarde van
£ 202.00.4
  • de grote klok nr. 5 met een gewicht van 788 pond en een waarde van
£ 75.10.4
Samen derhalve £1577.14.0

Uit de afrekening blijkt dat Petit nog moet bij betalen £ 1.8.8.

Klokkengieter Petit verzoekt hem iets extra´s boven zijn bedongen loon toe te leggen, omdat hij genoodzaakt is geweest, zowel door het vergieten van de klokken die door het uitdraaien bedorven waren, als anders extra-ordinaire kosten te maken. Het stadsbestuur is kennelijk zeer tevreden over het resultaat en besluit dat hij ontslagen is van betaling van de £ 1.8.8. Daarenboven zal hem als extra-ordinair douceur ter hand worden gesteld één van de oude klokken met een gewicht van 1070 pond en een waarde van £ 102.10.10 Vlaams.

Behalve de klok die tot luidklok voor de Franse kerk is bestemd, behoudt de stad voor zich drie van de oude klokken, namelijk een van 2384 pond, een van 1490 pond en een van 562 pond. De stadsdirecteuren krijgen toestemming deze drie oude klokken tot het meeste voordeel van de stedelijke financiën te verkopen, hetzij door in de couranten een advertentie te plaatsen of op andere wijze. In november 1767 komt er van burgemeesters, schepenen en raden van Hilversum een verzoek om informatie over de te koop staande drie oude klokken. De stadsfabriek Kramer krijgt machtiging om te onderhandelen.

In april 1768 wordt de stadsorganist en klokkenist J.M. Heinrichs naar Vlissingen beroepen op een traktement van 500 gulden. De voorzittende burgemeester verzoekt hem dringend een beslissing enige dagen in beraad te houden. Overwogen wordt dat de tegenwoordige klokken nog niet geheel in orde zijn en dat men niet weet wie men in zijn plaats zal kunnen krijgen. Een nieuwe klokkenist zal mogelijk nog veel verandering daaraan nodig oordelen, wat altijd tot nadeel van de stadsfinanciën zal zijn. Tevens wordt overwogen ‘dat de tegenwoordige klokkenist volkomen kundig in zijn affaires scheen en met de klokken, zoals die tegenwoordig zijn, gewend is om te gaan’. Besloten wordt Heinrichs boven zijn traktement van f 450 jaarlijks extra-ordinair voor een nieuw jaar toe te kennen f 100. Hij moet dan wel toezeggen te Goes te zullen blijven tot hij in een grotere plaats van meerder consideratie wordt beroepen. Op deze voorwaarde is de klokkenist bereid te blijven.

In juli 1768 rapporteert klokkenist Heinrichs dat het klokkenspel thans volgens het bestek in orde is. De stadsdirecteuren krijgen machtiging om met de smid Huibregt Simonse af te rekenen voor het gemaakte ijzerwerk aan het nieuwe klokkenspel en onder behoorlijke kwitantie ordonnantie van betaling te verlenen. Uit de specificatie van werkzaamheden blijkt dat kopersmid Huibregt Simonse o.a. het volgende moest maken:

  • vermaken van het klavier voor de trommel, de bekkens te korten en verstalen alsmede te verbussen en een kam daar de klavieren tussen spelen;
  • verstellen van de hamers van het heel en half uur slag;
  • maken van twee nieuwe roosters op de zolder boven de trommel met 40 tuimelassen en een rooster onder de klokken met zoveel tuimelassen als nodig;
  • maken van 160 armen in de tuimelassen en enige tuimelassen met armen om van de ene klok tot de andere te komen;
  • maken van 92 hamers met veren daartoe dienende, 40 spillen met 80 ogen daar de hamers aan hangen moeten;
  • een rooster boven het handklavier met 40 tuimelassen aan de ene kant met schroeven, dat men ze los en vast kan maken;
  • maken van 80 armen om de draaien vast te kunnen maken en enige veren voor de klepels om deze terug te houden;
  • maken van 40 klepels en 3 ijzeren balken met het verdere ijzerwerk daartoe nodig;
  • maken van al het ijzer- en koperwerk dat aan de klokken nodig is en ook het ijzerwerk aan de nieuwe balken op zodanige wijze dat het gehele klokkenspel naar genoegen kan worden gebruikt;
  • al het oude ijzerwerk zal tot zijn gebruik zijn;
  • leveren van al de noten, zo dubbele als enkele, die bevonden zullen worden nodig te zijn.

Kopersmid Simonse zal £ 334 ontvangen, te weten het geoffreerde bedrag van £ 250 plus aan meerwerk £ 84. Er wordt een poging gedaan de oude klokken, die de stad aan zich heeft behouden, voor luidklokken te verkopen of op zodanige andere wijze van de hand te doen als het meest voordelig zal zijn.

Stadhuis

In 1770 komt ‘de deplorabele toestand van het Stadhuis, dat zonder reparatie in een puinhoop zal vervallen en voor een groot gedeelte zal moeten worden vernieuwd’, aan de orde. De stadsfabriek en andere kundige personen opdracht krijgen opdracht een raming en bestek te maken van de noodzakelijke verbeteringen aan het stadhuis.
Ze leggen in oktober een plan en een tekening van de noodzakelijke reparatie en verbetering (melioratie) voor aan het stadsbestuur. De raming van de kosten beloopt £ 6.000. De stadsdirecteuren geven advies over de dekking van deze kosten ten laste van de stadskas. Het stadsbestuur besluit het plan met de begroting ‘finaal te arresteren’ en de stadsdirecteuren te machtigen de nodige materialen te ontbieden en te laten vervaardigen. Ter dekking van de kosten worden de recognities voor benoemde burgemeesters, schepenen, raden, pensionarissen en baljuw verhoogd.

De stadsdirecteuren krijgen in juni 1771 machtiging om met de beeldhouwer Van Diest te onderhandelen hoeveel deze voor zijn dag- en jaargeld zal kunnen declareren, wanneer de directeuren hem voor de melioratie van het stadhuis zullen nodig hebben. Dit jaargeld mag de som van £ 300 niet te boven gaan voor het gehele werk.

De stadsdirecteuren krijgen in oktober 1771 machtiging om tot gerief van de ingezetenen, vooral bij grote droogte, een regenbak onder de nieuwe waag onder het stadhuis te laten graven. Daarin zal het water van het dak van het stadhuis opgevangen kunnen worden en door middel van een buis geleid worden naar een plaats waar een nieuwe stadspomp op de Grote Markt kan worden opgesteld.

Tot nu toe heeft de conciërge van het stadhuis, Matthijs van Ooijen, ‘onder het Stadhuis’ gewoond. Dit is het huis aan de zijde van de Lange Kerkstraat. Hij heeft hier nu voor bedankt. Het stadsbestuur besluit de oudste gerechtsbode, Francois de Windt, die daartoe zijn dienst heeft aangeboden, vergunning te verlenen om als conciërge de woning onder het stadhuis te gebruiken.

Stadsbibliotheek

Stadssecretaris Van Lichtenbergh geeft in september 1768 in overweging de stadsbibliotheek aan de andere zijde van de vertrekkamer van het stadhuis te doen verplaatsen. De kast, die daarvoor is gebruikt, kan voortaan worden gebruikt voor het bewaren van papieren en documenten waaraan tegenwoordig ter griffie geen goede plaats kan worden gegeven. De secretarissen moeten samen met de stadsdirecteuren overleggen op welke wijze deze verschikking op de vertrekkamer kan plaats vinden.
In oktober 1768 krijgen de beide secretarissen opdracht ‘om het defecte stel generaliteit notulen, die hier ter secretarie worden gevonden en sinds lange jaren niet meer is achtervolgd, tot het meeste voordeel te verkopen en de penningen die daarvan worden genoten bij bekwame gelegenheid te gebruiken voor de aankoop van nuttiger werken in de stadsbibliotheek’.

Slot Oostende

In november 1769 wordt het Slot Ostende in gebruik genomen als plaats en gehoorzaal ‘voor het houden van de publieke lessen over de osteologie, chirurgie en vroedkunde mitsgaders tot de uitoefening van de anatomie’.

Stadspoorten en bruggen

Vanaf 1768 worden de poorten van de stad gesloten in de maand januari om 5 uur, in februari om 6 uur, van 1 tot 15 maart om 7 uur, van 16 tot eind maart om 7.30 uur, in april om 8 uur, in mei, juni en juli om 9 uur, van 1 tot 15 augustus om 8.30 uur, van 16 tot eind augustus om 7.30 uur, van 1 tot 15 september om 7.30 uur, van 16 tot eind september om 7 uur, van 1 tot 15 oktober om 6.30 uur, van 16 tot eind oktober om 6 uur, in november om 5.30 uur en in december om 5 uur.

De stadsdirecteuren geven in oktober 1768 de noodzaak te kennen om de brug aan de Oostpoort en de Bleekveldse poort en de ophaalbrug op de Kaaij te vernieuwen. Het is een werk, dat, hoe belangrijk ook, zonder gevaar niet langer kan worden uitgesteld. De stadsdirecteuren stellen een bestek en een raming van kosten op.

Ook in oktober 1768 krijgen de metselaarsbazen toestemming om op de kaai, tussen de twee poorten, volgens een gemaakte tekening onder opzicht van stadsfabriek te maken negen steenhokken. Nadat deze gemaakt zijn zullen de metselaarsbazen onder directie van de stadsfabriek om de plaatsen loten. Verboden wordt in het vervolg ergens elders op stadsgrond dan alleen daar ter plaatse steen te leggen en dit onder betaling van een jaarlijkse recognitie.

De poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse Poort en de Hoofdpoort, Adriaan den Boer, beklaagt zich in oktober 1770. Sinds 1764 is hij nu poortier, maar hij geniet weinig emolumenten van het openen en sluiten van de Hoofdpoort, ‘doordat zeer zelden personen des avonds of des nachts daar door passeren en doordat de sluitboom van de haven geopend zijnde, de passagiers in kunnen komen zonder poortgeld te betalen’.
Bij zijn aanstelling is hem tevens opgelegd het sluiten en ontsluiten van de kettingen bij de Kleine Kerk en de Zuivelmarkt op de gewone tijden zonder iets daarvoor te profiteren. Hij verzoekt toestemming in verband met zijn talrijk huisgezin dat hem mag worden vergund om van elke passagier, die van het sluiten tot het openen van de Hoofdpoort met een schip, schuit of boot door de havenboom passeert, het ordinaire poortgeld in te vorderen. Tevens dat alle landluiden die op dinsdag op de zuivelmarkt binnen de kettingen goederen te koop veilen, hem zullen moeten betalen twee duiten en degenen die vaste zitplaatsen hebben voor de huizen, een kwart Zeeuwse rijksdaalder in het jaar. Zijn verzoek wordt afgewezen.

Stadswallen

De huurder van de vuilkarren van de stad is ingevolge zijn instructie verplicht om de wallen rondom de stad voor het gebruik daarvan en het genot van het gras daarop behoorlijk af te steken, te zuiveren en schoon te houden. Niettemin blijken de wallen er in 1768 op sommige plaatsen haveloos en zeer vervuild bij te liggen. Het stadsbestuur besluit de bepaling in de instructie van de vuilkarren in te trekken en de stadswallen weer voor rekening van de stad te nemen. De stadsdirecteuren zullen voortaan die directie houden dat de wallen door arbeiders in stadsdienst worden afgestoken, gezuiverd en schoongehouden en het gras tot profijt van de stad wordt verkocht.

Spui en watermolen

In november 1766 moet er een buitengewone reparatie aan het spui tussen de Kleine Kade en de achterhaven gebeuren. Het blijkt dat deze grotendeels defect is, wat veroorzaakt is door de zware stukken hout die er door worden gevoerd naar de houtzaagmolen. Waarschijnlijk is dit te wijten aan de onvoorzichtigheid van de arbeiders die daartoe ingezet worden.
Bezien wordt of en in hoever deze reparatie ten laste van de eigenaar van de zaagmolen kan worden gebracht. Verder wordt nagegaan of ergens een geschikte plaats kan worden gevonden of gemaakt waar de eigenaar van de zaagmolen zijn hout zal kunnen lossen en naar zijn molen voeren zonder de watermolen of het spui in het vervolg te gebruiken.
De stadsdirecteuren inspecteren de situatie bij de hoofdpoort om te bezien of daar gelegenheid is om op een goede manier het ongezaagd hout voor de zaagmolen te lossen zonder dat dit de watermolen hoeft te passeren. Ze komen tot de conclusie dat dit gemakkelijk moet kunnen als aan de dam, even buiten de hoofdpoort, een beschoeiing gemaakt wordt en een zate, waarop het schip zal kunnen liggen om te lossen. Verder moet het daar geloste hout worden gesleept in het water tussen de dam en de stenen beer. Naast de stenen beer zal een sluisje of heultje met een schuif worden gemaakt om het hout door te laten.
Het nieuw te maken werk wordt voor rekening van de stad genomen. Het onderhoud of verdere vernieuwing daarvan komt ten laste van de eigenaar van de houtzaagmolen. In januari 1767 worden de stadsdirecteuren gemachtigd tot het laten maken van een nieuwe sluis aan de achterhaven bij de zaagmolen.

Scheepswerf

De scheepstimmerlieden Cornelis en Jan Welle delen in juni 1771 mee dat ze wel genegen zijn de scheepstimmerwerf van hun vader te kopen indien er een mogelijkheid is om deze in een betere staat te brengen. Ze verzoeken hen octrooi te verlenen dat niemand te Goes een andere scheepstimmerwerf zal mogen oprichten en dat er geen nieuwe vaartuigen van deze stad zullen mogen varen, tenzij ze hier gemaakt zijn en de schippers van deze stad verplicht zijn hun vaartuigen hier alleen te laten repareren. Het stadsbestuur besluit het verzoek af te wijzen ‘om redenen, zullende hen echter, wanneer ze de werf van hun vader kopen en des verzoekende, worden geaccordeerd zodanig privilege als waarvan hun vader tegenwoordig jouisseert’.

Bank van lening

In 1770 overlijdt de weduwe van Johan de Vrij, houdster van de bank van lening. Dit is aanleiding voor het stadsbestuur de stadsdirecteuren advies te vragen of de bank niet beter tot voordeel van de stad door iemand, vanwege het stadsbestuur aan te stellen en onder opzicht van stadsdirecteuren, zou kunnen worden gehouden.

Op 11 augustus rapporteert burgemeester Van de Spiegel dat hij de administratie heeft nagekeken. Het is hem gebleken dat er sedert 10 à 12 jaren een aanmerkelijk voordeel is overgeschoten. De directie in de bank en de manier van boekhouden van de tegenwoordige kassier is in een zeer goede orde bevonden. Ook is het hem voorgekomen dat de bank zeer gevoegelijk zou kunnen overgenomen en door de tegenwoordige kassier geadministreerd worden. Het stadsbestuur besluit voor het vervolg geen octrooi aan particuliere personen meer te verlenen, maar de bank voor rekening van de stad over te nemen. Verder wordt besloten de tegenwoordige kassier Theodorus Grim in die functie te continueren op het genot van een jaarlijks tractement van £ 83.6.8 en de vrije bewoning van het huis daar de bank wordt gehouden.
Op 5 januari 1771 rapporteren de stadsdirecteuren ‘dat ze de gehele maniantie (het beheer en de administratie) van de Bank van Lening voor rekening van de stad hebben overgenomen en de directie, door de cassier daar in gehouden wordende, ten volle moesten approberen’.
In februari legt burgemeester mr. L.P. van de Spiegel uit naam van de stadsdirecteuren een concept-reglement voor de leenbank en een instructie voor de bankier over. Het stadsbestuur gaat hier graag mee akkoord. Kort daarop besluit het stadsbestuur dat het voortaan niemand toegestaan zal zijn om goederen van personen in de stadsleenbank te brengen dan die daartoe speciaal toestemming van het stadsbestuur hebben.

Wegen en straten

Er vindt volop straatonderhoud plaats. In januari 1769 levert Matthias Smits uit Brussel drie schepen straatsteen. Ook in december 1769 geven de stadsdirecteuren te kennen dat ze weer drie schepen steen voor de reparatie van de straten nodig hebben. En in maart 1771 schrijft het stadsbestuur op verzoek van de stadsdirecteuren de leverancier van steen aan om zo spoedig mogelijk weer drie schepen steen voor de straten en wegen over te zenden.

In november 1770 krijgt Cornelis de Winter toestemming voor het laten weiden van schapen buiten de stadspoorten op onbezaaide landen en weiden gedurende de wintermaanden, mits dit geschiedt met toestemming van de eigenaars van deze landen en zoveel mogelijk belet wordt het bederven en beschadigen van de wegen.
De ‘stadskarreman’ Christiaan van den Berge deelt in mei 1771 mee zich zeer bezwaard te voelen door de resolutie van het stadsbestuur van 25 april 1767. Daarbij werd bepaald dat hij voor het vervoeren van puin £ 25 per jaar krijgt. Hij wil in dit geval liever als karreman ontslagen worden. Het stadsbestuur maakt korte metten en besluit Van den Berge te ontslaan en de stadsdirecteuren te machtigen om het puin, de as en andere vuiligheid voor rekening van de stad weg te voeren en daarmee te handelen als ze tot het meeste voordeel van de stad zullen oordelen.

Plantsoenen

In juni 1766 stelt de voorzittende burgemeester aan de orde ‘dat, vermits de stadsplantagiën welke altoos zijn aangemerkt als een merkelijke ondersteuning van de financiën, tegenwoordig zeer considerabel zijn en op verscheidene plaatsen tot voordeel en cieraad van de stad nog zouden kunnen vermeerderd worden, dezelve echter wel een bijzonder opzicht vereisen. Hij geeft mitsdien in bedenking of het niet raadzaam zou zijn de heren stadsdirecteuren, wier ambt vanwege de extra-ordinaire reparaties aan de stad moeilijk genoeg is geworden, van de directie over het plantsoen te ontlasten en te bedanken, mitsgaders op het voorbeeld van andere steden iemand aan te stellen die kundigheid en liefhebberij heeft in het behandelen van bomen en plantagiën onder de titel van Houtvester’.

Het stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te bedanken voor hun tot nu gehouden directie over de stadsbomen en plantsoenen en dit in het vervolg toe te betrouwen aan de heer Jan Willem Boddaert met de titel van ‘Houtvester van de stad’ op een gelijk honorarium als de stadsdirecteuren genieten. De nieuwe Houtvester wordt opgedragen ‘de bomen en plantagiën in goede staat te houden en tot het snoeien en planten daarvan bekwame personen aan te stellen, de ordonnanties van betaling voor deze personen op de stadsrentmeester te depecheren en het stadsbestuur te adviseren zowel over de plantages welke behoren uitgeslagen te worden als van zodanige welke nieuwelings zouden kunnen worden aangelegd, mitsgaders in alles het interest van de stad zo goed mogelijk te betrachten. De stadsfabrijk zal nu en dan staan tot zijn asssitentie’.

In november krijgt houtvester Boddaert toestemming om de bomen, staande bij het pesthuis en op de Oosterschans, te rooien. Hij moet met de stadsdirecteuren overleggen wat daar door de stad kan worden gebruikt. Het overige mag voor brandhout worden verkocht.
Ook krijgen de kerkmeesters machtiging tot het verkopen van dertig olmenbomen die op het kerkhof rondom de Grote Kerk staan.
In juni 1767 krijgt de houtvester toestemming om bij publieke opveiling te koop aan te bieden een zeker partijtje koolzaad, liggende op het zogenaamde Stoofweitje buiten de Hoofdpoort. En in november daarop mag Boddaert de bomen die op de Wal bij de zogenaamde Brouwersgang staan, tot het meeste voordeel van de stad verkopen.
In maart 1768 klaagt de houtvester ‘over de baldadigheden die er geschieden met het schenden van de stadsplantagiën, daar deze van tijd tot tijd vermeerderen’. Hier tegen wordt een publicatie afgekondigd. Ook krijgt hij toestemming om de lindebomen die op het Plein buiten de Ganzepoort staan, tot het meeste voordeel van de stad aan de meestbiedende te verkopen.
De houtvester krijgt in 1769 toestemming voor het rooien en tot het meeste voordeel van de stad verkopen van de bomen die buiten de Hoofdpoort op de Groenedijk, eertijds de Linie van communicatie, staan, evenals de bomen op de Westerschans uitgezonderd die welke de manteling van de schans uitmaken.
In april 1770 wordt het houtvestersambt van de stad opgeheven. Aanleiding hiervan is het vertrek van houtvester J.W. Boddaert naar Amerika. De directie over de stadsplantsoenen wordt weer als vanouds opgedragen aan de stadsdirecteuren.