Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1772 - 1777)

Schaarste

Op 31 oktober 1772 wordt het vanwege de buitensporige duurte van de granen ten uiterste nodig geacht om met alle voorzorg bedacht te zijn op middelen die zouden kunnen dienen om de duurte, zo niet geheel te voorkomen, tenminste dragelijker te maken. In de statenvergadering wordt ernstig gesproken over het doen van een provisioneel verbod op de uitvoer van tarwe, rogge en gerst tot het einde van dit jaar of het leggen van een belasting van een schelling op iedere zak Zeeuwse tarwe, rogge en gerst die uit deze provincie zal worden verzonden.

Verkoop van zeep

In 1774 krijgt de economie in de stad een zekere impuls door de verkoop van zeep ingevolge de laatst vastgestelde Ordonnantie op het middel van de zeep. Niet minder dan negentig kleine middenstanders krijgen vergunning om zeep te verkopen. Het gaat om de volgende neringdoenden maar ook particulieren. Tal van bekende namen komen onder hen voor.
J.L. Geleeds, Cornelis Briels, Claas Vervenne, Claas Cornelisse Vervenne, weduwe Pieter Metser, Philip Pruijs, Pieter de Winter, Jan Koppens, Albregt Hollestelle, Leendert Reinhout, Maria Vervoort, Jan Vervenne, Jacomijna de Wijs, Jan Wentel, weduwe Meerhoud, Augustijn Simonse, Gillis de Bood, J. Kodde, Adriana Lafort, Boudewijn van Sprang, Hendrik van Sprang, Hendrik Wierling, Willem Sluiter, weduwe P. Vervenne, Frans Paulusse, Pieter de Munk, Catharina Nous, Jan Welle, weduwe C. van de Woestijne, Theunis Groeneweg, Andries van der Mast, Susanna Metser, Cent Frisson, Jan Visser, Claas van de Visse, weduwe van Thijmen Andris, Cornelis Dapper, Leendert Swartenbroek, weduwe Duindam, Cornelis Loof, Gijsbregt Proost, juffrouw De Coo, Gerrit Spijk, Janis Meerman, Zeeger de Hond, weduwe Oudenhoven, Jacob Hage, weduwe Eckhart, Sara van Strijen, David Berthoud, monseigneur Visser, weduwe M. Visser, weduwe Roepel, Willem Zuidweg, Levina Temperman, Simon Blom, Jasperina van der Kloot, weduwe Hartman, Thomas Heiblom, Jan Pierens, Job Hoondert, J. van Bregt, Levina Carstanje, weduwe Bosdijk, Gerrit van Uyen, Huibertus Haring, weduwe Schelstrate, Christiaan Stein, Janna Calferus, Jan de Seijne, Berbel Casteleijn, Maria Claasse, Jacob Reinhout, Adriaan Biersteker, Neeltie Weije, Pieter Tavenier, weduwe A. Ribbe, Tona van de Velde, Adriaan de Jonge, Gerard de Jonge, Jan Welle, Bas Flierenburgh, meester Patijn, Gerard de Heere, Leendert van der Weele, Job Timmerman, Cornelis Welle, Jan van Leeuwen, weduwe Tavenier, weduwe Verplakke en uit Cloetinge Jacobus Bosman, Cornelis Franse en Hendrik de Booijs.
De verzoeken om zeep te mogen verkopen blijven maar binnen komen. Het stadsbestuur besluit dan ook in april 1776 dat, ingeval in het vervolg enige personen zich aan het stadsbestuur adresseren om permissie voor het verkopen van zeep, de heren burgemeesters op zodanige verzoeken naar goedvinden zullen beslissen.

Graanhandel

In 1777 ontstaan er meningsverschillen tussen de graankooplieden en de korenmeters. De secretarissen krijgen opdracht om in overleg met de keurmeesters van de granen een concept instructie voor de korenmeters op te stellen.
Zie verder over de graanhandel het vermelde onder het beurtveer op Dordrecht.

Wijnnering

In 1773 wordt Gerrit Jan Hageman toegelaten als vrij wijnkoper en grossier in sterke dranken en gedestilleerde wateren.

De gezamenlijke wijnkopers binnen de stad delen het stadsbestuur in augustus 1774 mee dat ze met de wijnkopers van de stemhebbende steden van Zeeland voornemens zijn een rekest te presenteren aan de Staten van Zeeland. Ze ‘voelen zich gedrongen door het diep en jaarlijks toenemende verval der wijnnegotie binnen de stad als in de provincie en bij ondervinding geleerd hebbende dat tot het zelve verval merkelijk contribueert de vermeerdering van de impost op de wijnen met een stuiver per stoop, geïntroduceerd in het jaar 1768, mitsgaders het menigvuldig maken van aalbessenwijnen, zonder betaling van enige impost aan den lande, welke imposities over zulks niet minder door het een en ander werd benadeeld’. Ze verzoeken hiertegen maatregelen te nemen en dit met de andere stemhebbende steden op te nemen. Het stadsbestuur bewilligt in dit verzoek.

De wijnkopers binnen de stad dienen in februari 1776 een klacht in. Ze beklagen zich over moeilijkheden met de collecteur van de stadswijnimpost ten opzichte van wat ze naar buiten de stad afleveren. Het stadsbestuur besluit dat ‘van nu voortaan van het resterende na de afpeil, hetwelk bevonden wordt uitgeslagen te zijn, zal worden afgetrokken zoveel als de wijnkopers effectief naar buiten hetzij te land of te water hebben afgeleverd en dat al het overige zal gerekend worden in de stad geconsumeerd te zijn’. Hiervan zal de stedelijke impost moeten worden betaald, doch hiermee zal ophouden het gebruik sinds enige jaren gepraktiseerd om van de stedelijke consumptie 12% te korten.

Zoutnering

Cornelis Boutens Dzoon is eigenaar van een van de zoutketen aan de haven. Hij betoogt in januari 1772 ‘dat hij in zijn keet den 8e april 1771 vuur hebbende aangelegd, naderhand door gebrek van grof zout is genoodzaakt geweest een gehele maand stil te leggen met werken. Dat hij wel gehoord had dat volgens zekere resolutie of placcaat van de Staten van Zeeland niet langer dan 8 maanden vermogt gewerkt te worden, doch dat hij te goedertrouwe en desnoods onder ede kan verklaren nooit anders geweten te hebben of de tijd die een keetbaas moest stil leggen wierd niet gerekend onder acht maanden maar vermogt door hem naderhand worden goed gedaan, dat hij in die veronderstelling ook vermeende ten minste tot het einde van de maand december te mogen werken, maar dat hij van het tegendeel gewaarschuwd zijnde, aanstonds op de 17e december zijn vuur heeft laten wegnemen en zijn panne droog maken, hetgeen hem tot een grote schade geweest is, in hetwelk hij zich nogtans zou getroost hebben indien hij daar mede aan de intentie van het placcaat had kunnen voldoen. Hij is vervolgens door de dekenen van het panneluidengilde gecalangeerd in een boete van twee poonden voor iedere dag welk hij boven de 8e december zou hebben gewerkt’. Hij verzoekt hem vrij te stellen van deze boete. Het stadsbestuur is van oordeel dat dit in strijd is met het Placcaat van de Staten van Zeeland van 19 januari 1708. Zijn verzoek om vrijstelling wordt voor advies in handen gesteld van het panneluidengilde. Besloten wordt de boete te verlagen tot 1/3 van het bedrag.

Zoutkeetbaas Cornelis Boutens betoogt in april 1772 ‘dat hij met Sander Visser ieder voor de helft in gemeenschap gehad heeft een zoutkeet met twee pannen, staande aan de oostzijde van de stadshaven naast een van de twee keten dewelke hem afzonderlijk toebehoren en van achter tegen de keet van de heer Johannes Kouwens. Deze keet is, doordat zijn compagnon (vermits de geringe voordelen die er sedert lange tijd met de zoutnegotie zijn te behalen geweest) geen genegenheid heeft gehad noch is te overreden geweest om dezelve behoorlijk te laten repareren en de zware kosten die daartoe vereist worden te helpen bekostigen, zodanig in verval geraakt dat ze reeds sedert twee jaren heeft moeten stil leggen en ook gedeeltelijk is ingestort door welke instorting de keet van de heer Kouwens mede buiten staat is gesteld van te kunnen bewerkt worden’. De vervallen zoutkeet staat ten noorden van de olymolen aan de overzijde van de scheepstimmerwerf aan de oostzijde van de stadshaven.

Hij is met zijn compagnon overeengekomen deze zoutkeet publiek te veilen en indien mogelijk te verkopen. Maar bij de veiling is er niets voor geboden. Geen ander middel wetende heeft hij moeten besluiten de keet bij de veiling in te kopen voor tien ponden en vijf schellingen Vlaams. Hij is niet in staat de zeer hoge kosten tot herstel van de vervallen keet te bekostigen. Hij verzoekt dan ook toestemming om de zoutkeet af te mogen breken en een gedeelte van de grond waarop deze staat en een gedeelte daarvan aan zijn daar naast staande zout keet toe te voegen en opnieuw te betimmeren als ook om een ander gedeelte van de grond aan Johannes Kouwens over te dragen om de daaraan staande keet te betimmeren. Het stadsbestuur gaat met deze overeenkomst akkoord.

Molens

Boekweitmolens

De boekweitmaler monseigneur Nicolaas van der Hagen, gevestigd in het pand ‘de Hulck’ aan de Klokstraat nummer 9, krijgt in mei 1772 vergunning om bij het inslaan van de boekweit de Rotterdamse korenmaat te gebruiken, mits dat ’s lands- en stadsgerechtigheid en het arbeidsloon van de boekweit betaald wordt naar proportie van de Goese maat en de te gebruiken Rotterdamse korenmaat jaarlijks behoorlijk wordt geijkt. Een ‘slaper’ van deze korenmaat moet op het Stadhuis worden gebracht.

In februari 1777 krijgt Pieternella van Beijsselaar, weduwe van Jan de Puit, vergunning om haar boekweit- en gortmolen in het pand ‘de Hazaert’ aan de Sint Jacobstraat nummer 52 te verkopen met het octrooi dat haar overleden man, naast monseigneur Nicolaas van der Hagen, met uitsluiting van alle anderen, destijds heeft verkregen. De molen wordt gekocht door de burger Jan Soutendam. Hij deelt het stadsbestuur mee dat hij op 18 maart 1777 bij publieke vendue heeft gekocht de boekweitmolen in de Sint Jacobstraat en deze tegelijk heeft doorverkocht aan de heer A.P. op ‘t Hoff, eveneens burger van de stad. Daarmee wordt akkoord gegaan.

Houtzaagmolen

De eigenaren van de houtzaagmolen, Dignus en Marinus Harinck, krijgen in april 1774 van de stad ‘een einde van de stadswal, strekkende van de Hoofdpoort tot aan de Stenen Beer, op voorwaarde van de wal op te zuiveren ten genoegen van het stadsbestuur en voortaan zuiver te houden’.

In maart 1775 geeft Marinus Harinck te kennen dat hij met zijn broeder Dignus Harinck in 1769 van hun moeder, de weduwe Van Oostzanen, de zaagmolen heeft gekocht en op de 20e mei 1769 met een zeer favorabel octrooi is begunstigd. Hij heeft nu de helft van de zaagmolen van zijn broer Dignus gekocht. Hij verzoekt daarom het volle genot van dat octrooi alleen voor zichzelf te mogen hebben. Het stadsbestuur besluit, onder intrekking van het octrooi van 20 mei 1769, ermee akkoord te gaan dat Marinus Harinck octrooi wordt verleend voor 14 jaar vanaf 1 april 1775 om alleen en met uitsluiting van alle anderen in de stad en jurisdictie het zagen van hout op de door hem gekochte molen uit te oefenen.

Pel- en gortmolen en chocolademolen

In juli 1775 krijgt Appolonia Weksteen, weduwe van Pieter de Keijser, toestemming haar pel- en gortmolen op het Ravelijn de Grenadier te verkopen met het octrooi dat op de 20e december 1766 werd verkregen om voor de tijd van 14 jaar met uitsluiting van alle anderen de gort- en pelmolen te mogen gaande houden.

Het stadsbestuur ontvangt in januari 1777 een verzoek van Jacobus van Kleijnputte. Deze heeft enige jaren geleden in Vlissingen een chocoladefabriek opgericht en sinds die tijd met goed succes gaande gehouden. Hij is voornemens de molen van Vlissingen naar Goes over te brengen en te Goes het maken van chocolade ter hand te nemen. Dit zal niet dan met zware kosten kunnen gebeuren. Hij verzoekt vergunning om met uitsluiting van alle anderen hier een chocoladefabriek te mogen vestigen.
Besloten wordt Van Kleijnputte voor de tijd van 15 achtereenvolgende jaren octrooi te verlenen om op zijn nieuw te stichten chocolademolen op het Ravelijn de Grenadier, met uitsluiting van alle anderen binnen de stad, het maken van chocolade uit te oefenen. Bepaald wordt dat nochtans alle burgers en winkeliers van andere plaatsen chocolade mogen ontbieden en verkopen.

Beurtveren

Beurtveer op Dordrecht

In december 1772 verzoekt het stadsbestuur van Dordrecht enige verbeteringen in het beurtveer van de wederzijdse steden tot stand te brengen. De beurtschipper van Dordrecht heeft zich namelijk beklaagd dat het veer niet regelmatig wordt waargenomen, ‘aangezien het thans zodanig wordt bevaren dat de beurtschipper wiens toerbeurt het is om ‘s woensdags van deze stad te varen, wederom de daaraanvolgende zaterdag van Dordt afvaart en dan tot woensdag acht dagen daarna te Goes blijft liggen’. Ze wijzen ‘op de kortheid des tijds welke de beurtschippers te Dordrecht in ladinge leggen, dit tot ongerief van hun ingezetenen’. Voorgesteld wordt dat voortaan de beurtschipper, die op woensdag van hier is afgevaren, te Dordrecht in lading zal moeten blijven leggen tot de daarop volgende woensdag.

Na ingewonnen advies van de overdeken van het schippersgilde besluit het stadsbestuur Dordrecht te berichten ‘dat het voorstel in het bevaren van het wederzijdse veer zeer nadelig voor het veer zou zijn, ja een geheel verloop zou kunnen effectueren om reden dat een koopman, die tegenwoordig enige granen met de beurtman die op woensdag van hier op Dordrecht afvaart en van daar op zaterdag vertrekt, ter negotie inladende verzekerd is van het provenu daarvan ten langste des maandags daaraanvolgende terug te hebben en dus die penningen des dinsdags, wanneer wekelijks de graanmarkt gehouden wordt, wederom tot zijn negotie kan emploieren, daar hij, indien het afvaren van Dordrecht conform het voorstel veranderd zou worden, bijna een week langer het gebruik van zijn geld zou moeten missen en bovendien nog enige dagen meer aan huur der graanzakken zou moeten betalen. Al hetwelk tot merkelijk bezwaar van de graannegotie, die het wederzijdse veer voornamelijk in stand doet blijven, zou strekken’.
In mei 1773 dringt het stadsbestuur van Dordrecht opnieuw aan op verandering in het bevaren van het veer. Opnieuw besluit het stadsbestuur hier niet op in te gaan omdat dit tot groot nadeel zou zijn van de kooplieden binnen Goes.

Beurtveer op Zierikzee

In februari 1775 deelt Adriaan de Beste, beurtschipper op Zierikzee, mee dat hij genegen is een nieuw vaartuig tot waarneming van het veer in gebruik te nemen. Het stadsbestuur besluit hem toe te staan dat bij zijn overlijden of anderszins bij het overgaan van het veer op een ander persoon deze gehouden zal zijn het nieuw uit te halen vaartuig volgens taxatie van vier neutrale en te Goes woonachtige schippers over te nemen, mits het vaartuig een kopjacht is.

Beurtveer op Rotterdam

De beurtschippers van Goes op Rotterdam verzoeken in oktober 1776 om, inplaats van met het eerste getij op zaterdag, voortaan op vrijdag af te mogen varen, omdat ze als ze zaterdags afvaren vanwege de verlanding voor de stad soms niet in staat zijn om ’s maandags, zijnde de marktdag, te Rotterdam te zijn. Dit is tot groot nadeel van de kooplieden en passagiers. Het stadsbestuur overweegt dat deze verschikking tot voordeel van het veer zal zijn en besluit de Heren van Rotterdam te schrijven om onder wijziging van het ‘Reglement van 1761 op het bevaren van het veer van deze stad op Rotterdam’ vast te stellen dat de beurtschippers in plaats van op zaterdag op vrijdag met het eerste getij zullen moeten afvaren.

Herbergen en tapperijen

Herbergen en kroegen

In 1772 betoogt de herbergier en kroeghouder van ‘de Westschans’ aan het einde van de haven, Michiel Hoevens, dat hij eertijds vergunning heeft verkregen op voorwaarde van betaling van een jaarlijkse recognitie van drie ponden Vlaams. Wegens de geringe verkoop van wijn, die in een geheel jaar geen drie ankers bedraagt, voelt hij zich zeer bezwaard. Het is voor hem voordeliger daar in het geheel geen herberg of kroeg meer te houden als hij de jaarlijkse belasting moet blijven betalen. Op zijn verzoek wordt de recognitie verlaagd.

Anthony Molhoek krijgt in 1772 vergunning om achter zijn huis, genaamd ‘de Prince van Orange’, aan de Nieuwstraat nummer 14 een kolfbaan aan te leggen. Hij betoogt ‘dat hij gepasseerde jaar zijn huif- en schoenmakerwinkel heeft moeten verkopen wegens een gebrek aan zijn gezicht en daarom tot onderhoud van zijn huisgezin de herberg wil kopen in de hoop en verwachting aldaar op een eerlijke wijze de kosten voor hem en de zijnen te gewinnen’.
Ook Jan Bosdijk krijgt in 1772 toestemming dat zijn minderjarige broer Adriaan de kroeg ‘de Salm’ aan de Blauwe Steen nummer 1, waarin zijn moeder op de 15e november 1772 is overleden, na het houden van de koopdag van het meubilair, overneemt. Hij zal daarbij aanvaarden al wat daarin aard- en nagelvast is en de losse goederen zoals boorden, planken, schermen etc., het pakhuis staande aan de stadswal met wat daarin aard- en nagelvast is, het recht op een welle gemeen met Thomas Swart daaronder begrepen, voor een bedrag van £ 400 Vlaams op ‘de Salm’ staande. Hij zal tevens de inboedel ontlasten van alle tappergereedschappen en de zakken tot verhuring geschikt, door alles over te nemen volgens taxatie. Ook zal hij de van de heer Johan de Jongh gehuurde kelder bij de boedel in huur voor het overige van de tijd overnemen. Wel verzoekt hij dan de kroeghoudernering in ‘de Salm’ te mogen voortzetten. Na een positief advies van de heren van de weeskamer verleent het stadsbestuur toestemming.

In december 1774 gaan er geruchten dat door sommige kroeghouders wel een derde gedeelte water bij de sterke drank wordt gemengd. De pachter van de brandewijnimpost verzoekt om, geassisteerd door een stadsbode, door een van de beëdigde proevers van de sterke drank in de kroegen te laten proeven. Het stadsbestuur besluit dit verzoek voorlopig af te wijzen. Niettemin wordt met ongenoegen kennis genomen van de handelwijze van de kroeghouders. Deze worden gelast dit in het vervolg na te laten. Wanneer opnieuw klachten worden vernomen, dan zal de pachter worden gemachtigd de proeving te laten doen.

Johanna Spelle geeft in 1776 te kennen dat ze in 1776 door een gunstige concessie van de heren hoofdman, dekenen en verdere leden van de schutterij van de Handboog is aangesteld tot conciërgeresse. Ze ‘zou gaarne aldaar exerceren het houden van herberg, edog alzoo zij geen herberg vermag te houden zonder consent van uw edelagtbaren, zo verzoekt ze vergunning gelijk de conciërgiën van de verdere schutterijen herberg mogen houden’.

Koffyhuizen

Beide ‘coffyhuyzen’ veranderen deze jaren van eigenaar.
Zo krijgt Benjamin Hoogelande in september 1773 vergunning voor het houden van een koffy- en biljarthuis in het huis aan de zuidzijde van de Kaai, dat hij heeft gekocht van Cornelis Ossewaarde Czoon. Dit is het pand Turfkade nummer 13, waar vele jaren door Ossewaarde koffie- en biljarthuis is gehouden.
In augustus 1774 delen Jacobus Christianus Loo en Johannes Luthout mee dat Loo aan Luthout heeft verkocht zijn koffiehuis ‘het Royale Coffyhuys’ op de Grote Markt nummer 22. Ze verzoeken deze verkoop goed te keuren. Tevens verzoeken ze Luthout het houden van koffij- en biljarthuis toe te staan. Het stadsbestuur besluit Johannes Luthout vergunning te verlenen voor het houden van ‘coffy- en billardhuys’. Het koffyhuis gaat in oktober 1777 over op Leendert van der Weele.

Markten

Jaarmarkt

Het stadsbestuur overweegt in mei 1773 dat de jaarmarkt door de menigvuldige kramen bij gelegenheid van de kermis zeer wordt bedorven. Besloten wordt ‘voortaan de kramen alle rondom de goot van het marktplein te doen stellen en dus het midden van de markt open te laten en de overige kramen die aldaar plegen te staan te doen rangeren op de Vlasmarkt, Beestenmarkt en Kaai’.

De dekenen van het kramersgilde verzoekt in juni 1773, in navolging van wat bij resolutie van 28 december 1771 ten gunste van de hoedenmakers is besloten, te verbieden het uitventen van enige goederen door vreemde kramers gedurende de jaarmarkten of jaarlijkse kermissen langs de straten of aan de huizen binnen de stad. Besloten wordt dat gedurende de aanstaande en volgende jaarmarkten de vreemde kramers geen goederen zoals lakenen, chitsen, catoenen, koursens, etc. langs de straten of aan de huizen mogen uitventen. Ze mogen alleen hun waren verkopen op vaste, aan hen aangewezen plaatsen.
Met het oog op de Goese jaarmarkt besluit het stadsbestuur in 1774 het leuren en uitventen van enige goederen door vreemde kramers aan de huizen tijdens de jaarmarkt opnieuw te verbieden.

Jaarlijks besluit het stadsbestuur op verzoek van de Nederduitse kerkenraad het aan de burgemeesters over te laten ‘om op de eerstkomende jaarmarkt te weren alle spellen en vertoningen, welke aan de gemeente enige ergernis kunnen geven’. Zo vermelden de notulen van de kerkenraad van 6 juli 1776: ‘Besloten wordt dat de praesis ds. Kaas met ouderling Jacob Louwaart achtervolgens oude gewoonte de presiderende burgemeester zal begroeten en verzoeken dat alle ergernisse van de aanstaande jaarmarkt geweerd worde. Ze bekomen van de Heer President Burgemeester een geruststellend antwoord’.

Grote of Korenmarkt

In oktober 1773 besluit het stadsbestuur het rijden met wagens en andere rijtuigen over de Grote Markt binnen de daarop staande bomen te verbieden. Dit mag voortaan alleen langs de huizen rondom de markt. Onverminderd dit zullen de opgezetenen van het platteland hun graan op dinsdagen onverhinderd op de Grote Markt op en af mogen voeren.

Vismarkt

Begin 1772 zijn er klachten van de zogenaamde ventjagers. Op advies van de afslager van de vis besluit het stadsbestuur dat voortaan, inplaats van dagelijks zes vissen af te slaan, gedurende de vier wintermaanden zal kunnen worden volstaan met alleen tweemaal per week vier vissen af te slaan. De overige vis mag worden uitgeleurd.

Bakkerijen

De dekenen van het broodbakkersgilde vragen in juni 1772 vergunning voor een verbetering zowel van het loon op het bakken van het mekkebrood als op de zetting van het ‘pas van den brode’. Het stadsbestuur besluit echter het verzoek om verbetering van het bakloon voorlopig af te slaan. De rekwesten worden in handen gesteld van de ‘pasmeesters van den brode’. Deze krijgen toestemming in het stellen van het broodpas zoveel mogelijk opzicht te nemen op het bezwaar van de bakkers.

Het verval en de teruggang in de inkomsten is zelfs ook bij de bakkers te bespeuren. Zo is het opmerkelijk dat de gerenommeerde bakkerij van Corbeel in ‘den Neptunis’ op de hoek van de Grote Kade nummer 2 ook niet meer kan rondkomen. Bakkersbaas Mattheus Corbeel verzoekt om te mogen worden gepermitteerd als grossier in de sterke dranken ‘in zijn woonhuys de Neptuynis, nu zijnde een bakkerij staande bij de opalende brugge, dewijl hij sig beswaart vindt om de kost voor zijn huishouden te winnen’.

De gezamenlijke brood- en zoetekoekbakkers delen het stadsbestuur in juli 1774 mee ‘dat ze gedurende de tijd dat de beide stadskorenmolens door de huidige korenmolenaar Jacob de Haas worden bediend en waargenomen, veeltijds door de slechts behandeling van dezelve, zo in het niet tijdig malen van hun ter molen gebrachte graan, waardoor ze menigmaal genoodzaakt worden om hun gemalen meel, nog van het malen warm zijnde, te moeten bewerken en gebruiken als in het behoorlijk malen van het graan, dat daadoor in verre na de vereiste kwantiteit blom niet komt uit te leveren, de ene keer meer de andere keer minder’. Ze verzoeken de beide korenmolens door een andere molenaar te laten bedienen. Het stadsbestuur besluit molenaar De Haas op het ernstigste te gelasten de brood- en koekebakkers zoveel mogelijk op hun tijd te gerieven en voor hen zo goed te malen als elders gedaan wordt.

Bakker Marinus van de Steene krijgt in mei 1775 toestemming voor het doen van zijn proef als peperkoekbakker, ofschoon hij zijn twee volle leerjaren nog niet heeft voldaan. Hij neemt in 1776 de peperkoekbakkerij en -winkel in ‘het Witte Hart’ aan de Ganzepoortstraat nummer 9 over van Zanddijk.

Tabakdrogers

Deze jaren zijn er verscheidene tabakfabriekjes in de stad.
Zo krijgt Willem Sluiter in 1773 toestemming om de droogast in zijn tabakfabriekje in het door hem van de weduwe van Johan Arnold Slink gehuurde huis ‘de Blauwe Bonte’ in de Ganzepoortstraat nummer 23 behoorlijk te laten repareren. Voorheen is in dit huis jaren lang het kerven en verkopen van tabak gedaan. De oude droogast bevindt zich nog in dit huis maar is geheel in verval geraakt en niet meer bruikbaar.
Maar tabakkerver en -verkoper Sluiter verhuist al weer snel. Hij krijgt in 1774 toestemming om onder het opzicht van de stadsfabriek in het huis ‘de Klok’ aan het westeinde van de Ganzepoortstraat een voor zijn tabakfabriekje benodigde droogast op te stellen.
In 1775 krijgt Frederik van Nakke vergunning om in zijn huis op de Kaai een fornuis of droogast voor het drogen van tabak te zetten. Hij schrijft dat hij, ‘door een toeval aan zijn ogen genoodzaakt te zijn om zijn gewone kostwinning met varen achter te laten en een graanwinkel op te zetten, als nu genegen is om tot meerder onderhoud van zijn huishouden het snijden en verkopen van tabak mede bij de hand te nemen’. Ook Maria Elisabeth Rendvoort weduwe Luurman, mag in 1777 in haar huis in de Ganzepoortstraat 22 een fornuis laten metselen voor het drogen van tabak.

In augustus 1774 schrijven de gezamenlijke tabakverkopers een brief aan het stadsbestuur. Deze is ondertekend door Mattheus Corbeel, Jan Temperman, Johan Baden, Gerardus van Uye, Jan Francis Mol, Gerard Rapholm, Cornelis van Uye, Gerard Bakker, Job Marinusse Timmerman, Gijsbregt Proos en Sent Frisson. Ze delen mee ‘met veel ontzet verstaan hebbende de publicatie vanwege de Staten van Zeeland, inhoudend dat geenderhande gekorven tabak van buiten de provincie mag worden ingeslagen als met te betalen drie stuivers per pond boven de ordinaire impost op de tabak’. Ze beklagen zich er dus over dat ze, door de verhoging van de impost op de van buiten inkomende tabak met drie stuivers per pond, de tabak onmogelijk voor zulke goedkope prijs kunnen verkopen dan de kervers. Hun verzoek is dat alle tabakkervers en grossiers met niet minder dan met 25 pond tegelijk zullen mogen verkopen.
Tegelijk geeft een aantal andere tabakkervers, die ook tabakverkopers zijn, te kennen dat verreweg het grootste vertier van gekorven tabak voor hen bestaat in wat ze aan de ingezetenen van de stad en buitenluiden met kleine kwantiteit verkopen. Zij verzoeken vergunning om de tabak te verkopen met een onbepaalde kwantiteit. De brief is ondertekend door J. Zeevaart, J.C. Loo, Marinus van Baalen, Adriaan Koutsijn, Jacobus Lodewijk Geleedst en Willem Sluijter.
Het stadsbestuur besluit dat de tabakkervers de gekorven tabak, die tabakverkopers inslaan om te verkopen, voortaan aan hen moeten leveren voor een stuiver op elk pond minder in prijs als zij de tabak aan andere luiden, geen verkopers zijnde, leveren. Bovendien moeten ze op elke hoeveelheid tabak, die de niet kervende tabakverkopers van de kervers zullen inslaan, voor overgewicht vijf procent leveren en van een kwantiteit van honderd pond en daarboven naar Rotterdams en Amsterdams gewicht.

Smeden

De meester smid Hubertus Simons krijgt in 1773 toestemming om in de achterkamer van z’n huis in de Sint Adriaanstraat een smeltoventje op te laten stellen onder de speciale conditie dat dit alleen zal dienen om het geelgieten uit te oefenen en niet voor zijn ambacht van koperslager of smid, veel min dat hij koperwerk, hetzij van buiten ontboden hetzij anderszins door hem zelf niet gegoten, mag verkopen. In deze ruimte stond voorheen het fornuis voor de zilversmederij van wijlen de zilversmid Jacobus Wouterse.

Abraham Meytak betoogt in 1773 ‘dat hij het kroeghouden in de kroeg genaamd de Groene Jager enige jaren gedaan hebbende, altoos daardoor een bestaan gehad heeft, doch nu sedert geruime tijd sedert het veranderen van de Varkensmarkt het tappen in deze kroeg zodanig is verminderd dat hij, daarin blijvende continueren, zich van een genoegzame kostwinninge voor zijn huisgezin ontbloot ziet’. Hij heeft het voornemen om het hoefsmeden, dat hij binnen de stad vele jaren zowel bij de meester hoefsmeden David Vervenne als bij Gideon Vervenne als knecht heeft waargenomen, te gaan uitoefenen als meester hoefsmid. Hij wenst zijn proef als meester hoefsmid te doen en zou daarvoor een hoefsmidse willen stichten. Eerst verzoekt hij de smidse ‘het Wagenschot’ op de Vlasmarkt nummer 14, die eerstdaags staat verkocht te worden, ingeval hij deze mocht kopen, van een slootsmederij te mogen transformeren in een hoefsmederij. Het stadsbestuur wijst dit verzoek om bepaalde redenen af. Daarop krijgt Meytak vergunning om een huis in de Nieuwstraat nummer 16, staande tussen de herberg ‘de Prince’ en de looierij van Hendrik Fitsner, tot een hoefsmidse te gebruiken, in dit huis het hoefsmeden uit te oefenen en een travaille te plaatsen.

De smidsbazen Hubertus Symons en Marinus Snoep, beiden vrijmeesters in het smedengilde en Symons daarnaast geweermaker en geelgieter, vragen in 1773 vergunning om in compagnie hun affaires in het huis en de winkel van Snoep aan de Vlasmarkt voort te zetten. Het ontbreekt hen daartoe aan een fornuisje of smeltoventje voor de geelgieterij en ze zouden dit graag in de achterkeuken van Snoep willen opstellen. Dit wordt om redenen afgewezen.

In augustus 1774 neemt het stadsbestuur een merkwaardige maatregel. Besloten wordt aan alle smids, timmerlieden en andere ambachtslieden of hun knechts, alsmede aan alle particulieren wie het ook zij, binnen de stad te verbieden enige sloten van deuren, kisten, kassen of dergelijke sluitingen te openen zonder mondelinge of schriftelijke order van de eigenaar, die hun wel bekend moet zijn, tenzij met permissie van de voorzittende burgemeester. Tevens wordt aan de smids verboden enige sleutels voor dergelijke sluitingen te maken zonder permissie. Ook mogen geen oud ijzerkopers enige sleutels, haken of breekinstrumenten kopen, veel min deze in hun winkels te koop hangen.

De goud- en zilversmid Jan Snoep krijgt in 1774 vergunning om in het door hem gekochte huis uit de boedel van Everwijn Anthonisse te laten maken een fornuis voor zijn goud- en zilversmidstijl.
De zilversmid Adriaan Boddingius mag in april 1775 in zijn huis ‘de Wildeman’ in het Papegaaystraatje nummer 2 een oven zetten om het zilversmeden uit te oefenen.
Ook in 1777 krijgt Adriaan van den Thoorn vergunning om in het door hem gekochte huis ‘de Kemel’ aan de Lange Vorststraat nummer 65 een fornuis te laten maken voor het uitoefenen van het goud- en zilversmeden.

Kopersmid Cornelis Dupersij uit Zierikzee vestigt zich door zijn huwelijk in 1777 te Goes. Te Zierikzee heeft hij als smidsbaas diverse jaren het koper- en blikslagerambacht uitgeoefend. Nu hij onlangs te Goes is komen wonen wenst hij dit ambacht, na gehouden proeve, alhier uit te oefenen. Hij verzoekt aan zijn woonhuis een koperslagersmidse te vestigen. Het stadsbestuur verleent hem toestemming om voor het uitoefenen van het koperslagerambacht een smidse te laten maken in zijn woning aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat.

Leerlooiers

De leerlooiers binnen de stad, Johannes Snelleman en Johannis Fitsner, verzoeken in 1777 om ontslagen te worden van de betaling van het meetloon van de run (dit is fijngemalen eikeschors voor de leerlooierij) die zij voor hun looierij van elders ontbieden. Ze zijn genoodzaakt ‘tot het waarnemen van hunne trafycque van elders run en traan te ontbieden, dan dat het St Jansgilde alhier sutineert deselve goederen uit de vaartuigen te moeten werken en thuis te brengen en dat meters sustineren dat hun van de run meetloon competeert ofschoon deselve in zakken komt, zij deselve nooit meten en ook meest bij het gewicht hun wordt toegezonden en een overmeting hun alleszins schadelijk zoude zijn, wegens de lekkagie die de run daardoor zoude onderhevig zijn. Dat intussen de onkosten van arbeidslonen en meetlonen, vallende op de traan en de run, die goederen omtrent 15% bij hun hoger in prijs doen stijgen en dit zeer nadelig is in het debiteren van de goederen van hun traficque tegen andere plaatsen alwaar die onkosten daarop niet vallen’.
Ze vragen toestemming om, evenals de timmerluiden en de stoeldraaiers, ook hun traan en run die zij van elders ontbieden, door hun eigen volk uit de vaartuigen te laten verwerken en te huis te halen. Het stadsbestuur besluit het eerste verzoek toe te staan en hen te ontslaan van het meetloon van de run die zij van elders voor hun trafieken ontbieden, mits dat zij dit niet laten meten. Het tweede verzoek wordt echter afgewezen.

Steenhouwers

Het blijkt in februari 1772 dat de Middelburgse steenhouwer Nicolaas Mus zich nog steeds niet in de stad heeft gevestigd. Het geduld van het stadsbestuur is nu op. Het hem op 23 februari 1771 verleende octrooi wordt ingetrokken en voor drie jaar verleend aan H.B. van Diest. Van Diest mag als steenhouwerbaas optreden en de steen en de steenhouwerschuursteen verkopen.

In 1774 krijgt ook de steenhouwerbaas Hendrik Zwieter uit Veere vergunning om binnen de stad, en dus in beide steden tegelijk, het steenhouwen uit te oefenen en daartoe een winkel op te zetten. In februari 1775 wijst Zwieter het stadsbestuur op de resolutie van 24 juni 1774, waarbij hem is toegestaan om zowel binnen Goes als Veere een steenhouwerwinkel gaande te houden. Hij verzoekt te bepalen dat voortaan niemand binnen de stad een steenhouwerij zal mogen opzetten of het verkopen van steenhouwerwerk ter hand te nemen, tenzij deze vijf leerjaren bij een vrije steenhouwerbaas zal hebben geleerd en in staat is een voldoenend proefstuk te maken. Het stadsbestuur besluit hem op dezelfde voet deze vergunning toe te staan, echter op de voorwaarde dat hij nu vóór 1 mei a.s. zijn winkel binnen de stad zal moeten oprichten. Anders zal hij verstoken zijn van deze toestemming. Het overige van zijn verzoek wordt afgeslagen.
De stadsdirecteuren komen met hem overeen ‘omtrent de Donkere Poort, op een door de stadsfabrijk aan te wijzen plaats, te zetten een voor de steenhouwernering benodigde schuur’. Waarschijnlijk is dit de plaats waar bijna twee eeuwen een steenhouwerij is gevestigd geweest.

Ook de metselaarsbaas Jan Noordhoeve betoogt in 1775 ‘dat hij van tijd tot tijd door zijne calanten wordt aangespoord tot het verkopen van alles hetgeen een steenhouder vercoopt, hetgeen bij zijn nering als metselaar zeer wel zoude te stade komen’. Zijn verzoek om te mogen verkopen alle materialen die een steenhouwer verkoopt wordt afgewezen.

De gezamenlijke metselaarsbazen, Thomas Heiblom, Jan Noorthoeve, Francois Wijtvliet, de weduwe Laurens de Hond, Jacobus de Hond en Heinrich Zwieter, verzoeken in maart 1777 om naast hun confrater Francois van Balen allerhande blauwe steen te mogen verkopen, teneinde de steenhouwersbaas Hendrik Zwieter de steenhouwerij te laten bedrijven en zodoende aan een stuk brood met zijn huisgezin te helpen. Het stadsbestuur besluit hen toe te staan allerhande blauwe steen te verkopen, mits ze deze van hun confrater Francois van Balen kopen en met betaling van alle onkosten zijn leggende blauwe steen overnemen. Deze vergunning geldt tot wederopzegging, omdat het stadsbestuur zich voorbehoudt om, wanneer een ander bekwame persoon zich binnen de stad als steenhouwer wil vestigen, deze met een seclutoir octrooi te begunstigen.

Oude kleerkopers

Een aantal lieden schakelt over op de oude kleerkopersnering of het zogenaamde ruylebuylen.
In 1772 krijgt Jan Scharlaken toestemming de oude kleerkopersnering te doen. Ook Christiaan Eijer wordt vergund het kopen en verkopen van oude kleren, oud ijzer, koper, tin en wat verder tot het zogenaamde ruylebuylen of de oude kleerkopersnering behoort. Op dezelfde wijze mag Francina Onvervaard in 1773 de oude kleerkopersnering binnen de stad gaan doen.

Ook Antony de Keijser uit de Ganzepoortstraat mag zich in 1773 gaan generen met de oude kleerkopersnegotie en met het verkopen van oud ijzer, oud loot en oud koper, evenals Jan Koppens uit de Voorstad. En in 1774 krijgen ook Jan van Akkeren en Apolonia de Beste hiervoor toestemming, evenals Pieter Louwaart en de pruikenmaker Pieter van Oeffelen in 1775. Van Oeffelen deelt mee dat ‘hij nu enige jaren het ambacht van paruiken te maken uitoefent en zich hier vlijtig in heeft gedragen, onberoemd gesproken’. Door verval van werk is hij onlangs bankroet geworden. Daarom wil hij nu de oude kleerkopersnering ter hand nemen.

Maar in 1776 blijkt dat de oude klerenkopers de zaak vertillen.
Geconstateerd is dat sommige personen en voornamelijk oude kleerkopers de zin en het oogmerk van het verbod van alle beleningen door particulieren buiten de stadsleenbank krachteloos weten te maken, onder voorwendsel van de goederen te kopen om deze na verloop van tijd voor een zogenaamd klein winstje weer terug te geven.
Het stadsbestuur besluit het verbod van particuliere beleningen thans ook uit te strekken tot zulke koopmanschappen. Verboden wordt dat iemand eens anders tilbaar goed wat in de leenbank kan beleend worden, uitgezonderd obligaties, zal vermogen te belenen of te kopen, onder conditie van dit gedurende zekere tijd niet te verkopen en voor een zogenaamd klein winstje terug te geven. En bovendien, zo dit door oude kleerkopers of inbrengers in de leenbank geschiedt, geldt een verbod van nering voor één jaar.

Andere bedrijvigheid

Schildersbaas Cornelis van Uyen geeft in 1774 te kennen dat hij bij zijn tegenwoordig bedrijf van schilder graag het kaarsenmaken zou willen doen. Hij krijgt vergunning om in het door hem bewoonde huis een voor het kaarsenmaken benodigd fornuis op te stellen.

De weduwe van Abraham Tappy mag in 1775 binnen de stad met uitsluiting van alle anderen een zakhorlogemakerswinkel open houden, dit op dezelfde voet als destijds haar man bij resolutie van 29 januari 1769 is verleend. Ze moet bij haar afwezigheid wel zorg dragen dat haar winkel wordt waargenomen door een knecht voor wiens kundigheid en trouw zij zal moeten instaan.

Verscheidene inwoners generen zich deze jaren met de verhuur van paarden en rijtuigen. Zo krijgt Jan Sernelisse in 1773 hiervoor vergunning. Ook Laurus de Winter, Gerrit Spijk en Jacobus de Rijder mogen paarden, chaisen en wagens verhuren. In 1774 krijgt Jacob Almekinders hiervoor toestemming, evenals Pieter Welle in 1775.