Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1772 - 1777)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

In 1774 wordt weer een groot aantal arbeiders tot het Sint Jansgilde toegelaten. Het betreft de volgende 36 personen: Marinus Brandt, Adriaan Benjaminse, Adriaan Cornelisse, Jan van de Velde, Izaak Broeker, Antoni Oudendijk, Jacobus van de Visse, Jacobus de Smit, Marinus Wagenaar, Cornelis Wagenaar, Bastiaan Oudvaer, Gerard Braam, Jan en Harman Gandolf, Dignus Rijn, Pieter Hogesteger, Gillis Welle, Jacob Aasdonk, Pieter den Boer, Daniël Bos, Cornelis van Schagen, Cornelis Cornelisse, Dirk de Jonge, Cornelis Groenendijk, Marinus de Jonge, Klaas Vervenne, Joos van Sint Annaland, Marinus van de Linde, Andries Zoutewelle, Cornelis de Witte, Job van der Maas, Willem Brasser, Pieter de Minder, Janis Hoogesteger, Adriaan Haasdonk en Marinus van den Berge.
1776 is opnieuw een jaar dat tal van Goese ingezetenen worden toegelaten tot het arbeiders- en het bierwerkersgilde. Het gaat dan om: Cornelis Kodde, Jan Puto, Benjamin Ribbe, Adriaan Tavenier, Jan Verhulst, Jacobus de Haas, Adriaan de Beste, Janis van Cloetinge, Bastiaan Flierenburg, Pieter Welle, Jacob van de Kreeke, Jan van Loo, Jan van Loo, Lieven van Loo en Huibregt Nobel.

In 1775 dienen de dekenen van het bierdragersgilde een rekest in. Ze geven te kennen ‘dat het verwerken van wijn en bier, zowel binnen de stad als op wagens die te lande moeten vertrekken, door de wijnkopers en bierbrouwerknechts, mitsgaders het verwerken van azijn en andere impost subject zijnde goederen of waren, door de winkeliers zelf of andere door hun daartoe gekwalificeerde personen, dagelijks zo zeer toeneemt, dat het gilde van de bierdragers geheel zal komen te vervallen’. Ze verzoeken daartegen maatregelen te nemen.
Het stadsbestuur wint hierover advies in van de wijnkopers en bierbrouwers binnen de stad.
De wijnkopers en bierbrouwers vinden het billijk dat door geen wijnkopers of brouwersknechts enige wijnen of bieren van wagens in schepen, schuiten of burgerhuizen verwerkt wordt. Ze adviseren dekenen van het bierdragersgilde te verplichten ‘aan hen te verzorgen zodanige wijn- en bierwerkers die in staat zijn om manden met wijn en vaten met bier naar behoren op wagens en in kelders te bewerken, omdat ze menigmaal in gevaar zijn schade te lijden, zo door de onvermogende krachten als door dronkaards of dat dekenen verplicht zijn de schaden door zulke onvermogende bewerkers toegebracht te vergoeden’.
Het stadsbestuur besluit dat voortaan geen wijnkopers of bierbrouwers enige wijn of bier door hun knechts zullen mogen laten verwerken, maar dat dit alleen door die van het bierdragersgilde zal moeten geschieden. Van wat in het vervolg door de knechts mocht zijn verwerkt, moet worden betaald aan de bierdragers even zoveel geld alsof dit door hun zelf was gedaan. Verder worden de dekenen van het gilde gelast dat ze hun gildebroeders aanzeggen dat het de begeerte van het stadsbestuur is, dat, zo ras een bierdrager aan iemand enige schade zal toebrengen hetzij door dronkenschap of anderszins, deze gehouden zal zijn die schade te vergoeden of anders zal de gildebroeder direct uit het gilde worden gedeporteerd.

In januari 1776 wordt besloten dat aan alle burgers, die verkiezen negotie in Schotse kolen te doen, dat zal vrijstaan zonder dat ze gehouden zijn bij de inslag de stadsimpost of het weeggeld te betalen. Tevens zullen die van het arbeidersgilde verplicht zijn de kolen uit de schepen in de kelders of pakhuizen te verwerken voor een stuiver per schaal, blijvende de betaling van de impost, weeggeld en het ordinaire arbeidsloon bij de uitslag zoals volgens de ordonnantie is bepaald. Wel wordt bepaald dat voor geen negotie doende burgers zullen gehouden worden degenen, wier stijl of nering meebrengt Schotse kolen te gebruiken, of die minder dan vijftig schalen tegelijk opdoen.

In augustus 1777 stelt het stadsbestuur de ordonnantie op het arbeidersgilde opnieuw vast. De tarieven worden vastgesteld volgens de navolgende lijst:

  • wolle in de balans te werken van de 100 steen £ -.1.4;
  • van het pakhuis scheep £ -.1.4;
  • uit een vaartuig naar de balanse per zak £ -.-.4;
  • van de wagens in de balanse per zak £ -.-.2;
  • zakken met hair en klatten, de grootte hebbende van een ton teer, £ -.-.8;
  • oude lorren en vodden bij de 100 pond in de stad £ -.-.3;
  • een zak runne (gemalen schors voor de leerlooierij) £ -.-.4;
  • boekwei of enige andere granen op pakhuizen buiten de fabrieken leggende en vervoerd wordende per zak £ -.-.1½;
  • zout buiten de keeten op een pakhuis leggende en vervoerd wordende te betalen als in de ordonnantie bepaald;
  • leer van de fabrieken scheep doende als in de ordonnantie bepaald;
  • roet binnen de poorten de 100 pond £ -.-.2;
  • een korf glas £ -.1.-;
  • een kist glas £ -.-.8;
  • een pak touw de grootte hebbende van een okshoofd £ -.-.8;
  • een rol matten op kermis £ -.-.1;
  • een zak castanjen £ -.-.3;
  • een zak aardnoten £ -.-.3;
  • een faëton £ -.3.-;
  • een chaise £ -.1.6;
  • een bruin kabinet £ -.2.8;
  • een gemeen dito £ -.1.4;
  • een ton met pijpen £ -.-.6;
  • een stande boter £ -.-.2.

Verder constateert het stadsbestuur dat de klachten, die dikwijls ontstaan over de hoge lonen van de arbeiders, voornamelijk voorkomen doordat de arbeiders van sommige speciën meer durven afvorderen als volgens de ordonnantie moet worden betaald. Besloten wordt om een extract van de resolutie van 16 maart 1763, waarbij zekere straffen zijn vastgesteld, aan die van het arbeidersgilde te overhandigen, met de opdracht om deze aan het gezamenlijke gilde voor te lezen en in het arbeidershuisje aan te plakken, met de opdracht zich daarnaar stipt te gedragen onder bedreiging van de daarin vermelde straffen.

Schippersgilde

Het stadsbestuur besluit in 1776 naar aanleiding van het rekwest van de schippers Jan van Schakerloo, Willem Zuidweg en Frans Paulusse, die met poonschuiten van Goes varen, te bepalen dat de schippers, varende in passing met schippers van de smalschepen, in het vervolg zullen genieten de eerste acht schellingen en de laatste elf schellingen en acht grooten van ieder pond Vlaams van de bevrachting in plaats van £ 0.6.0 respectievelijk £ 0.8.13.

Kramersgilde

De dekenen van het kramersgilde betogen in juni 1773 dat ze, op de verscheidene klachten van de winkelhoudende leden van hun gilde over het van tijd tot tijd meer en meer afnemen van vertier in hun onderscheidene negoties, de oorzaken waardoor dit verval van nering wordt veroorzaakt hebben nagegaan. Het is hen voorgekomen dat een van de voornaamste redenen is ‘het omleuren en venten langs de huizen met lakenen, chitzen, catoenen, kousen en verscheidene andere waren, door vreemde kramers gedurende de jaarlijkse kermissen alhier. Waarom zij zich verplicht vinden om, zoveel in hun vermogen ligt, voor de welstand van hun gilde te vigileren van de door misbruik zo zeer vervallen toestand waarin de onderscheidene (eertijds zo zeer bloeiende) neringen van dit gilde zich thans bevinden’.
Ze verzoeken, in navolging van de resolutie van 28 december 1771 ten gunste van de hoedenmakers binnen de stad, vast te stellen tot betere handhaving van het gilde en tot verbetering van de vervallen staat van de daaronder ressorterende neringen te verbieden het tot hier toe toegelaten verder omlopen en venten met lakenen, chitzen, catoenen, kousen en andere waren het kramersgilde betreffende, langs de huizen binnen de stad gedurende de kort aanstaande en volgende jaarmarkten. Ook wensen ze dat, tot het uitstallen en te koop presenteren van deze goederen en waren gedurende de jaarmarkten, zodanige vaste plaatsen binnen deze stad, hetzij op een van de marktpleinen of elders, worden aangewezen.

Enige gildebroeders van het kramersgilde, Joos van Sint Annaland, Abraham van Klink, Jacobus Codde, Johannis Verkuijl, Gerardus van Uye, Jan Francois Mol, Leendert van der Weele en Pieter Zuydweg, maken zich in november 1776 grote zorgen. Ze schrijven een brief aan het stadsbestuur. Het notulenboek geeft de korte inhoud van de brief op de volgende wijze weer: ‘Enige personen, zeggende te zijn gildebroeders van het kramersgilde, verzoeken om, uit consideratie van het nadeel dat zij en hun medegildebroeders lijden wanneer lieden van buiten, geen burger van de stad en dus ook in het gilde niet vrij zijnde, hun waren (schoon de bekendmaking der verkoping bij omlage daarvan gedaan is) aan een ieder in of buiten het gilde zijnde zo bij de grote als kleine maat of gewicht verkopen. Dit is op de laatste maandag door zeker persoon, van buiten met een schuit met aardnoten hier gekomen, gebleken’. Het stadsbestuur wordt verzocht daarin zodanig te voorzien dat in het vervolg niemand, wie hij ook zij en in het gilde niet vrij zijnde, enige goederen binnen de stad zal mogen verkopen, dan alleen bij omlaag aan de winkeliers of gildebroeders van het gilde. Het verzoek van de kramers wordt echter om bepaalde redenen afgewezen.

Timmerluidengilde

Het stadsbestuur besluit in 1774 dat de jongens, die zich in het een of ander ambacht bij de stadsfabriek laten aantekenen en de voorgeschreven leerjaren voor dat ambacht, waarin ze zich hebben laten aantekenen, volbracht hebben, voortaan na het doen van een voldoende proeve in de gilden binnen de stad zullen worden toegelaten, even alsof ze hun leerjaren bij een baas voldaan hadden. Aan het timmerlieden- en metselaarsgilde wordt hiervan bericht gezonden.

Smedengilde

In november 1772 verzoekt Francina Onvervaart, gescheiden huisvrouw van Huibertus Simons, haar huis en smidswinkel op de Vlasmarkt, die zij volgens contract van haar gewezen man voor de schuld van de boedel heeft overgenomen, voor een smidswinkel te mogen verkopen. Besloten wordt haar toe te staan haar huis tot een smidswinkel te verkopen, mits dat de koper een burger van de stad is en proeve gedaan heeft van het smedengilde.

Beenhouwersgilde

De beenhouwers beklagen zich in maart 1772 dat er ‘tegenwoordig bijna geen slachtbaar vee binnen het eiland voor handen is’. Cornelis Landman krijgt toestemming om iedere week binnen de stad te brengen twee vette beesten ter slachting. Ze moeten van onbesmette stallen zijn en er moet een gezondheidsverklaring vertoond kunnen worden.

Poorterij- of Sint Michielgilde

Vanouds bestond in de stad ook het Sint Michielgilde, ook genoemd het poorterijgilde. Dit gilde is thans volkomen in onbruik geraakt. Toch staan er nog enkele landerijen op naam van dit gilde. De stadsdirecteuren delen het stadsbestuur in maart 1774 mee dat ze ingevolge hun opdracht de landerijen die hebben toebehoord aan het zogenaamde Sint Michielgilde, publiek hebben verkocht.