Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1772 - 1777)

Verhouding stadsbestuur en kerken

De bemoeizucht van het stadsbestuur met de kerkelijke gemeente is groot.
In oktober 1773 besluit het stadsbestuur de kerkenraad van de Nederduitse gemeente eraan te herinneren dat ze op de 1e juni 1743 is gelast geen kerk te sluiten zonder vooraf verkregen toestemming van de burgemeesters. Het niet sluiten van enige kerk houdt in dat de gewone predikaties maar ook de catechisaties op zodanige tijden als door het stadsbestuur zijn bepaald te allen tijde doorgang moeten vinden.

Het stadsbestuur heeft nog onlangs en wel op de 13e december 1766 moeten constateren ‘dat de tijden tot het houden van de wekelijkse catechisatiën genoegzaam vermenen te hebben bepaald. Edoch om alle duisterheid dieswegens weg te nemen, wordt de kerkenraad bij deze gelast dat het gehele jaar door, dezelve wekelijks zullen worden gehouden, over zodanige stoffe uit de catechismus als des zondags na de middag is behandeld en wel van de eerste zondag na het tweede Heilig Avondmaal in de maand oktober tot op de laatste zondag in maart, op donderdag daaraanvolgende en de overige tijd des jaars des zondagsavonds op de gewone uren, met dien verstande dat zo het mocht gebeuren dat er geen personen worden gevonden die in de catechisatie konden antwoorden, de heren predikanten zullen verplicht zijn de stoffe, des zondags na de middag behandeld, bij forme van repetitie de gemeinte andermaal voor te houden’. Deze resolutie wordt de kerkenraad ter hand gesteld met last en order om zich daaraan in het vervolg stipt te houden.

In februari 1775 ontstaan er meningsverschillen tussen het stadsbestuur en de kerkenraad van de Nederduitse gemeente. Het stadsbestuur ziet tot haar leedwezen dat ‘door de verschillendheid der sentimenten’ van de leden van het collegium qualificatum ter beroeping van een predikant in de plaats van ds. J.P. de Fremery zich tot nu toe weinig waarschijnlijkheid opdoet dat die plaats binnenkort staat vervuld te worden. Overwogen wordt ‘dat het tot de plicht behoort van Christelijke overheden de vrede der kerke en de stichtinge der gemeinte niet alleen te wensen maar ook, zoveel in hun is, door alle gepaste wegen te bevorderen en zelfs met hun gezag te handhaven’. Besloten wordt de leden die naar het collegium qualificatum worden afgevaardigd en in het bijzonder die van de Nederduitse kerkenraad op het ernstigste aan te manen ‘tot eensgezindheid en tenminste tot onderlinge inschikkelijkheid, opdat de vacante plaats ten spoedigste moge worden vervuld met een persoon, wiens bekwaamheid, vreedzaamheid en alleszins voorbeeldige wandel onder de Zegen Gods van nut zal kunnen zijn ter vermeerdering van de kennisse der waarheid en aankwekinge van ongeveinsde godsvrucht’. Om ‘tot zulk een heilzaam einde een geschikte aanleiding te geven’ stelt het stadsbestuur een drietal predikanten voor, namelijk ds. Nuys van Klinkenbergh te Overschie, ds. Joh. Henricus van den Doorslagh te Abcoude en ds. Van Houten te Den Helder, met betuiging dat het hun aangenaam zou zijn indien de gedachten van de beroepers op een van deze drie zullen vallen. Het stadsbestuur betoogt ‘geen oogmerk te hebben door deze voorslag de stemmen van iemand van de leden van het collegium te willen limiteren of van andere evenwaardige voorwerpen af te trekken, maar nochtans niet zullen kunnen nalaten uit het effect van denzelven voorslag op te maken, welke toegevendheid de leden van het collegium zullen oordelen verschuldigd te zijn aan de aanprijzinge hunner wettelijke overheid’.

De deputaten naar het collegium qualificatum, burgemeester mr. W. van der Bilt van Cloetinge, oud-burgemeester dr. K. Lopsse en mr. W.C. de Crane, verzoeken van hun commissie ontslagen te worden. Ze krijgen het gevraagde ontslag en worden bedankt voor de tot nu toe aangewende moeite. Besloten wordt de Nederduitse kerkenraad en diakenen daarvan bij extract kennis te geven met betuiging, dat het stadsbestuur bereid is, zodra er zich enige kans van meerder succes om een predikant te beroepen opdoet, opnieuw gedeputeerden uit haar midden te beroepen.

Uit naam van de kerkenraad geeft ds. Dirk Kaas kennis dat de kerkenraad, althans de grote meerderheid daarvan, bereid is zich te bepalen op één van de drie door het stadsbestuur voorgedragen predikanten om deze tot leraar te beroepen in de plaats van ds. P.J. de Fremery. Ook de diakenen verklaren in meerderheid daartoe genegen te zijn. Besloten wordt dan ook afgevaardigden te sturen naar het collegium qualificatum tot het beroepen van een predikant. Gedeputeerd worden mr. Willem van der Bilt van Cloetinge, mr. L.P. van de Spiegel en secretaris mr. Antoni Ossewaarde.

In maart 1774 verneemt het stadsbestuur ‘dat de predikanten van de stad, wanneer kinderen in onecht of overspel gewonnen ten doop gepresenteerd worden, de gewoonte hebben van bij het bedienen van de doop aan zodanige kinderen niet alleen de voornamen te noemen, die door de moeder worden opgegeven, maar ook soms de toenaam of familienaam van degene die de moeder verklaard heeft vader van haar vrucht te zijn en dat ook zodanige familienaam in het doopboek wordt aangetekend’. Overwogen wordt de moeilijkheden die daaruit zullen kunnen ontstaan, als ook dat het openlijk noemen van een familienaam over een zodanig kind niet nalaat een smet te leggen op families of op personen die beschuldigd zijn en die naderhand kunnen blijken onschuldig te zijn. Het stadsbestuur besluit de predikanten te gelasten aan geen onechte of uit andere ongeoorloofde conversatie geboren kinderen in het vervolg bij de doop enige familienamen toe te voegen, maar enkel de voornamen die aan hen zullen worden opgegeven. Verder wordt het aan de predikanten overgelaten om in het doopboek aan te tekenen als naar gewoonte de persoon die door de moeder gezegd wordt vader van het kind te zijn, mits dat die persoon daarmee instemt.

Uit februari 1777 dateert nog een voorbeeld van de vergaande bemoeizucht van het stadsbestuur met de kerkelijke gemeente. Het stadsbestuur besluit ‘dat, tot meerder gemak en stichting van het Psalmgezang in de Nederduitsche kerken, voortaan zal begonnen worden met een Preludium of Voorspel door het Orgel en tusschen ijdere regel ene kleine Pauseering gehouden worden en zulks te beginnen den 16e februari aanstaande’. Extract hiervan zal aan de Nederduitse kerkenraad worden gegeven om daarvan op morgen aan de gemeente in de beide kerken kennis te geven, mitsgaders aan de beide organisten om zich daarnaar te reguleren.

Nederduits hervormde gemeente

In april 1772 neemt de predikant ds. J.J. van Drunen een beroep aan naar ’s Hertogenbosch. De kerkenraad betuigt dat ‘het haar zeer aangenaam zou zijn als hij nog langer in hun midden zou blijven’. Voor het beroepen van een nieuwe predikant worden naar het collegium qualificatum afgevaardigd de burgemeesters mr. L.P. van de Spiegel en J. Isebree en de schepen Adolf Ossewaarde.

De beroeping van een nieuwe predikant verloopt niet geruisloos.
In oktober 1772 dringt de kerkenraad, bij monde van ds. Pronck en ouderling Does, bij het stadsbestuur aan om snelheid te betrachten bij het beroepen van een predikant, aangezien de winter op handen is. Dit lokt een geprikkelde, uitvoerige brief van acht pagina’s uit van het stadsbestuur. Deze voelt zich beschuldigd de oorzaak te zijn van het lange wachten met het beroepen. Ze dagen de kerkenraad uit met bewijs uit de notulen te komen. Het stadsbestuur betoogt ‘dat het hun van meet af aan erom begonnen was het ware belang der gemeente in het oog te houden en zoveel in ons was te zorgen dat de openstaande plaats mocht vervuld worden door een man, voorbeeldig in zijn leven, zuiver in de leer, deftig en nadrukkelijk in zijn wijze van voorstellen, even zoverre van opgesmukte, winderige preekwijzen als van lage en de godsdienst onterende straattaal, een vriend van een oprechte en verstandige praktijk der godzaligheid en een bestrijder van huichelarij, dweperij en bijgeloof, in het kort door zodanig een man die zowel de verstandigen als de eenvoudigen tot nuttige lering en stichting kan zijn’. Daarom heeft men aan de kerkenraad het initiatief gelaten.

Uit het vervolg van de brief van het stadsbestuur blijken nog meer bijzonderheden: ‘Wij stonden in dat goede vertrouwen, dat alle de kerkenraadsleden met ons een zelfde inzicht hadden en derhalve bepaalden wij ons op geen persoon, om tot predikant te recommanderen, maar lieten aan de kerkenraad beneffens de diakenen de vrije keuze, in de verwachting dat die keuze zich zou uitstrekken tot een voorwerp in het welke de bovengemelde noodzakelijke vereisten gevonden werden en die bovendien toegedaan was aan het soort van studie of wijze van voorstel (als men het zoo noemen mag) van den heer Coccejus, gelijk het aloude en erkende gebruik in deze gemeente thans vorderde’.
Het komt er op neer dat het stadsbestuur herhaaldelijk heeft aangespoord tot het beroepen. Zelf heeft men de kerkenraad een viertal predikanten, waarvan twee uit de classis, onder het oog gebracht. Maar de kerkenraad weet kennelijk niet hoe te handelen en verwijst naar het stadsbestuur. Er is vervolgens ten huize van burgemeester Van de Spiegel een conferentie gehouden met stadsbestuurders, predikanten en kerkenraadsleden, echter met vruchteloos gevolg.

Op 24 oktober 1772 besluit de meerderheid van de kerkenraad bij de brief van het stadsbestuur het volgende in het notulenboek aan te tekenen: ‘Dat het haar zeer leed is dat haar verzoek volgens resolutie van 19 september 1772 met zo een ongunstig oog is beschouwd, wijl niemand van haar vergadering enig oogmerk heeft gehad om de gedeputeerde heren enigszins te lederen, maar enkel en alleen om het werk der beroeping was het mogelijk naar de vastgestelde kerkenordening voort te zetten. Dat zij tot een bewijs van haar standvastige aankleving aan de kerkenordening zich nu eens en vooral, cordaat verklaard, geen smaak vinden in alle de proposities welke de gedeputeerde heren gedaan hebben en in de missive vermeld worden, omdat zij, behoudens een beter oordeel, van gevoelen is, dat dezelve niet quadreren met de oude en erkende privileges of voorrechten die de gemeente Gods alhier sedert de tijd van de gezegende Reformatie heeft genoten en waarvoor zij betuigt haar eerbiedigste dankerkentenisse aan de Goddelijke Voorzienigheid en aan de magistraat’. Met deze aantekening in het aktenboek verklaren zich niet te conformeren de predikanten C. Zoutmaat en D. Kaas.

Eindelijk wordt er op 24 november 1772 een collegium qualificatum gehouden voor het beroepen van een predikant. Voorzitter is ds. Zoutmaat, assessor ds. N. Pronck en scriba ds. D. Kaas. Namens het stadsbestuur verschijnen burgemeester mr. L.P. van de Spiegel, burgemeester Johan Isebree en schepen en raad Adolf Ossewaarde.
Op de nominatie worden twintig predikanten geplaatst, waaronder de predikanten van West Souburg, Krabbendijke, Nisse, ’s Gravenpolder en Borssele. Hieruit wordt een twaalftal verkoren, daarna een zestal en vervolgens een drietal. Op het drietal staan de predikanten D.A. Walraven uit Elburg, J. Dagevos uit Oegstgeest en P.I. de Fremery uit Overschie. Beroepen wordt ds. Walraven. Deze bedankt voor het beroep.

Opnieuw wordt collegium qualificatum gehouden. Uit het zestal van de vorige keer worden verkoren P.I. de Fremery te Overschie, H. van den Doorslag en J. Teelink le Grand te West Souburg. Met eenparige stemmen wordt hieruit beroepen ds. Petrus Isaak de Fremery te Overschie. Deze schrijft daarop ‘dat hij met een volvaardig gemoed het op hem uitgebrachte beroep aanneemt’. Op 2 mei 1773 wordt hij ’s middags bevestigd door ds. C. Zoutmaat met als bevestigingstekst Efeze 4 : 11, 12 en 13. De intredetekst is Romeinen 1: 15 en 16.

Burgemeester mr. L.P. van de Spiegel rapporteert in 1772 over het verhandelde op de laatst gehouden statenvergadering. Er is een resolutie van Hoogmogende Heren besproken over de verandering van de psalmberijming en om daartoe, evenals uit de andere provincies, een predikant uit Zeeland te benoemen. Het stadsbestuur besluit, wanneer voor dit werk tot verbetering van de rijmpsalmen ds. Brahé uit Vlissingen mocht worden voorgedragen, zich die voordracht te laten welgevallen.

In maart 1772 krijgen de kerkmeesters toestemming de ouderlingen en diakenen van de Nederduitse gemeente voortaan vrij te stellen van betaling voor hun vaste zitplaatsen in de kerken en dit gedurende de tijd van hun dienst.

Het stadsbestuur besluit in juni 1773 de predikanten van de Nederduitse gereformeerde gemeente, die in het vervolg beroepen worden, uit de stadskas te vergoeden boven de klassikale kosten het verschot wegens het transport van hun goederen en verdere onkosten, mits dit alles de som van £ 12 niet te boven gaat.

In november 1773 ontvangt het stadsbestuur een brief van de Staten van Zeeland met enige gedrukte exemplaren van de publicatie tot introductie van de nieuwe psalmberijming zoals die op de 4e november 1773 door de Hoog Mogende Heren Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden zijn vastgesteld.

In december 1774 beklaagt de kerkenraad van de Nederduitse gemeente zich er over dat de waarneming van de vacaturebeurten binnen de stad volgens de aloude en standvastige klassikale reglementen moet geschieden door alle predikanten binnen Zuid-Beveland, gelijk ook de stadspredikanten verplicht zijn alle vacerende kerken in het eiland te helpen bedienen. De classis heeft tegen het protest van de stadspredikanten kunnen goedvinden met gehele vernietiging van dat aloude gebruik vast te stellen, dat in geval van vacatures de stad Goes geheel op zich zelf zal staan en niet door de landspredikanten geholpen hoeft te worden, terwijl de stadspredikanten van alle vacatures op de dorpen van het eiland ontslagen zijn. Het stadsbestuur draagt haar gedeputeerden naar de statenvergadering op te verzoeken, dat de classis wordt gelast deze resolutie in te trekken en te vernietigen en het waarnemen van de vacaturebeurten zowel in de stad als op het eiland volgens de klassikale wetten op de oude voet te laten plaats vinden. Anders zijn daaruit zodanige bezwaren te verwachten dat de openbare godsdienst in de stad zal worden gestremd. Op de 14e december beraadslagen de Staten van Zeeland hierover. Het verzoek van het stadsbestuur wordt overgenomen.

Op 10 september 1774 besluit het stadsbestuur de 30e oktober te bepalen als dag om de ‘Nieuwberijmde Psalmen in de Nederduitse kerken’ in de stad te introduceren. Een uittreksel van deze resolutie wordt aan de kerkenraad toegezonden met het verzoek om deze aan de gemeente op de 11e van de preekstoel kennis te geven, zodat een ieder de gelegenheid heeft zich tegen die tijd van nieuwe psalmboeken te voorzien. De predikant wiens beurt het is om op zondagmorgen de 30e oktober te preken, wordt verzocht ‘een stoffe op die gelegenheid toepasselijk tot zijn onderwerp te nemen en te verklaren’.
Tegen die tijd is het stadsbestuur er toch niet geheel gerust op dat de invoering van de nieuwe psalmberijming in de kerken en scholen bij een ieder is doorgedrongen. Op de 22e oktober spreekt het uit ‘dus wel reden te hebben om te vertrouwen dat de goede ingezetenen, welke belang stellen in deze verbetering van het gezang en in de goede orde van dit voortreffelijk gedeelte van den openbare godsdienst, zich tegen deze tijd van nieuwe psalmboeken zullen voorzien’. Ten overvloede wordt besloten ‘de predikant, wiens toerbeurt het is op aanstaande zondag voormiddag in de Grote Kerk te prediken, de intentie van het stadsbestuur ter nadere herinnering van de predikstoel bekend te maken en om de gemeente door de meest krachtige en bekwaamste drangredenen op te wekken, teneinde een ieder, die het nog niet heeft gedaan, zich voorzie van een psalmboek om in staat te zijn deze nieuw berijmde psalmen tot algemene stichting te kunnen medezingen’.

In juni 1777 komt een brief van ds. Jozua van Iperen, predikant te Veere, binnen met toezending van een exemplaar van de door hem geschreven kerkelijke historie van het Psalmgezang. Hij biedt deze aan het stadsbestuur aan en verzoekt dit goedgunstig te ontvangen en uit een toegenegen oogpunt te beschouwen als een gering gedenkteken van zijn hulde en ootmoedige dankerkentenis wegens het vertrouwen dat het stadsbestuur in hem stelde toen hij verordend werd tot het helpen verkiezen van een nieuwe psalmberijming. Hij wordt voor deze geste hartelijk dank gezegd.

Al in september 1774 neemt ds. C.J. de Fremery een beroep aan naar ’s-Hertogenbosch.
Ook nu levert het beroepen van een nieuwe predikant wrijving op tussen kerkenraad en stadsbestuur. Het stadsbestuur vindt kennelijk dat de kerkenraad laks is om tot het beroepingswerk over te gaan. Dit blijkt uit de volgende vermelding in de notulen van 25 februari 1775: ‘Hun edelachtbaren, tot hun leedwezen ziende dat door de verschillendheid van sentimenten der leden, welke het collegium qualificatum moeten uitmaken tot het beroepen van een predikant in de Nederduitse gemeente in de plaats van ds. De Fremery, zich tot nog toe weinig waarschijnlijkheid opdoet dat deze plaats binnenkort staat vervuld te worden. En overwegende dat het de plicht is van christelijke overheden de vrede der kerk en de stichting der gemeente niet alleen te wenschen maar ook zo veel in hun is door alle gepaste wegen te bevorderen en zelfs met hun gezag te handhaven, hebben goedgevonden en verstaan de leden die het college qualificatum moeten helpen formeren, en in het bijzonder die van de Nederduitse kerkenraad, op het ernstigste aan te manen tot onderlinge inschikkelijkheid, opdat de vacante leraarsplaats ten spoedigste mocht worden vervuld met een persoon, wiens bekwaamheid, vreedzaamheid en alleszins voorbeeldige wandel onder de Zegen Gods van nut zal kunnen zijn ter vermeerdering van de kennis der waarheid en aankweking van ongeveinsde godsvrucht’. Het stadsbestuur beveelt een drietal predikanten aan, te weten ds. Nuijs van Klinkenberg te Overschie, ds. Johannes Henricus van den Doorslag te Abcoude en ds. Van Houten te Den Helder en vermeldt daarbij 'Het zou de magistraat aangenaam zijn indien de gedachten van de beroepers op een van deze drie predikanten konden vallen’.

Nadat de afgevaardigden van het stadsbestuur, mr. W. van der Bilt van Cloetinge, dr. K. Lopsse en mr. W.C. de Crane, zich in maart 1775 teruggetrokken hebben uit het collegium qualificatum, bezoekt ds. D. Kaas het stadsbestuur. Hij deelt uit naam van de kerkenraad mee dat de grote meerderheid van de raad bereid is zich te bepalen op een van de drie voorgeslagen predikanten. Uit een groslijst met de namen van twaalf predikanten wordt een drietal gesteld, te weten de predikanten Van den Doorslag te Abcoude, Nuis Klinkenberg te Overschie en Van Houten te Den Helder. Met eenparige stemmen beroept het college ds. Jacob Hendrik van den Doorslag te Abcoude. Deze verklaart ‘de beroeping in ’s Heeren Vreese op te zullen volgen’. Op 13 augustus doet hij zijn intrede met de tekst 1 Korinthe 1 : 23 en 24, na bevestigd te zijn door ds. C. Zoutmaat met de tekst 1 Petrus 4: 10 en 11.
Maar al in juni 1777 neemt ds. Van den Doorslag een beroep aan naar de gemeente van Dordrecht. Op 8 juli neemt de predikant ‘van de vergadering met teerhartige zegenwenschen afscheid, hetgeen door de praesis uit naam van de vergadering met hartelijke zegenwensen is beantwoord’. Hij neemt op 17 augustus afscheid met een verhandeling over de tekst 1 Thessalonicensen 3 : 12 en 13.

Tot voorziening in de vacature vaardigt het stadsbestuur naar het collegium qualificatum af burgemeester W. van der Bilt van Cloetinge, burgemeester D.C. Keetlaar en oud-burgemeester J. Isebree. Uit een door het college opgestelde lijst met 17 predikanten worden achtereenvolgens een twaalftal, een zestal en een drietal verkoren, te weten ds. IJ. van Hamelsveld te Grootebroek, ds. S.R. van Kessel te Vollenhoven en ds. J.H. van den Houven te Nieuw Beijerland. Hieruit wordt met eenparige stemmen beroepen ds. IJsbrand van Hamelsveld, theologisch doctor, predikant te Grootebroek in Noord-Holland. Al op 11 augustus deelt de beroepen predikant mee ‘niet te willen dralen en het beroep volvaardig, in des Heeren Vreeze en met dankbaarheid, aan te nemen’. De kerkenraad neemt met genoegen kennis van dit bericht. Op de 23e november 1777 wordt de nieuwe predikant door ds. N. Pronck bevestigd met de tekst Hebreeën 13 : 17 ‘Zijt uw voorgangers gehoorzaam’. De nieuwe predikant doet intrede met de tekst 2 Korinthe 4 : 7 ‘Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons’.

De kerkenraad besluit op 22 september 1776 het volgende ten aanzien van de Heilige Doop: ‘Is geresolveerd dat ten aanzien van de aloude gewoonte in deze gemeente, om bij de Doop van in onecht geteelde, schoon in echt geboren kinderen, in het nagebed melding te maken; voortaan zal onder het oog gehouden worden de tijd van zes maanden binnen welke, na de trouw der ouders gerekend, dit geschieden zal, doch niet na gemelder tijd’.

Tijdens de vergadering van de kerkenraad op de 8e maart 1777 komen op hun verzoek binnen twee gecommitteerden van het college van diakenen. Ze geven te kennen dat de diakenen voornemens zijn op de 22e maart een extra-ordinaire uitdeling van vlees en brood te doen aan de armen, zowel lidmaten als geen lidmaten. Daarvoor hebben ze al toestemming van de regering van de stad bekomen. Ze verzoeken de kerkenraad dit goed te keuren.
De kerkenraad ‘neemt zeer veel genoegen in dit voornemen, latende de uitvoering van hetzelve aan de directie van broederen diaconen over’.

De kerkenraad neemt op 12 juli 1777 kennis van het besluit van het stadsbestuur om de resolutie van 3 oktober 1767 over de publieke godsdienst in de beide Nederduitse kerken te wijzigen. Voortaan zullen de kerkdiensten in de Grote kerk en de Gasthuiskerk gedurende het gehele jaar zonder onderscheid van zomer- of wintermaanden en ook bij gelegenheid van het houden van het Heilig Avondmaal op zondagmorgen om 9 uur beginnen. De klokken zullen dan worden geluid om half 9 en 9 uur, op dezelfde wijze als dit sinds het nemen van de vorige resolutie in de wintermaanden heeft plaats gehad.

Op 26 juni 1777 overlijdt de oudste predikant van de gemeente, ds. Cornelis Zoutmaat.
De kerkenraad vraagt het stadsbestuur afgevaardigden aan te wijzen naar het collegium qualificatum voor het beroepen van een nieuwe predikant. Aangewezen worden burgemeester mr. D.C. Keetlaar en oud-burgemeester J. Isebree. Uit een nominatie van 22 predikanten worden achtereenvolgens een twaalftal, een zestal en een drietal verkoren, te weten ds. J.L. Lotchius te Horssen en Dieden in de classis Nijmegen, ds. F.W. Egter te ’s-Heer Hendrikskinderen en ds. C. van Zeijst te Wilnis. Beroepen wordt ds. Johannes Ludovicus Lotchius, die het beroep aanneemt. Op de 25e november schrijft ds. Lotchius een brief dat hij het beroep aanneemt. De kerkenraad neemt met genoegen kennis van de inhoud van deze brief.

Gedurende deze jaren worden bij de jaarlijkse verkiezingen van vier ouderlingen en vier diakenen de volgende ambtsdragers verkoren:
1772 tot ouderlingen Johan Adriaan van Dorth, Adriaan Does, Thomas Snoep en Dingeman van Steenhoven en tot diakenen Hendrik Mackay, Marinus van Balen, George Bellersheim en Willem de Jonge.
1774 tot ouderlingen Zywert Diederik van der Bilt, Willem Beijaart, Antony van de Putte en Jacobus Petrus de Jonge en tot diakenen Gerard de Leeuw, Cornelis Snoep, Gerard Peeman en Anthony Cauwbier.
1776 tot ouderlingen Boudewijn Kramer, Sander Visser, Jacobus Louwaart en Marcus Boddingius en tot diakenen Daniël Buis, Pieter de Jonge, Jan de Fouw en Jacobus de Hond.
1777 tot ouderlingen Johan de Jongh, Johan Pieter Dassevael, Zacharias Coenraats en Leijn Dijkwel en tot diakenen Jacob Jasperse, Marinus Gorsse, Jacob Walraven en Willem de Wolf.

Waalse gemeente

Op 29 mei 1773 komt bericht dat de synodale vergadering van de Waalse kerken in deze landen in september volgens toerbeurt weer binnen Goes zal worden gehouden. De Waalse kerkenraad krijgt toestemming om de synodale vergadering tegen september binnen de stad uit te schrijven. Daarbij wordt de burgers en inwoners van de stad dispensatie verleend van het verbod om in het nadeel van de herbergiers enige personen of vreemdelingen hier passerende te logeren. Dit wordt gedurende de tijd van de synode aan burgers en inwoners toegestaan.

De Waalse kerkenraad krijgt op 4 september 1773 toestemming om de grote klok bij de opening van de Waalse synode op a.s. donderdag gedurende acht dagen te luiden. Op de 18e zal een deputatie uit de synode door het stadsbestuur worden ontvangen. De stadsfabriek wordt gemachtigd tot het maken van ‘enige arrangementen’ in de kerk.

Tijdens de Waalse synode worden op de 18e september ds. Goglin en ds. Hartman, predikanten te Bergen op Zoom en Aardenburg, ieder geassisteerd door een ouderling, als gedeputeerden van de Waalse synode door het stadsbestuur ontvangen. Na verzochte audiëntie worden ze door de secretaris Van Citters aan de voordeur van het Stadhuis ontvangen. ‘Ze worden in de vergadering van het stadsbestuur begeleid en aldaar, op stoelen tegenover het stadsbestuur gezeten zijnde, hebben zij uit naam van de Synode in gepaste termen gecomplimenteerd met over derzelver personen en loffelijke regering de dierbaarste zegeningen van God Almachtig toe te wensen, dezelve te bedanken voor hun gunstige protectie die zij gedurende de reeds gehouden sessiën hadden genoten en te verzoeken dat het stadsbestuur daar in niet alleen gedurende de nog te houden sessiën maar ook ten alle tijde gelieve te continueren. Daarop bedankt burgemeester Lopsse de gedeputeerden voor de zegenwensen en eerbewijzingen. Hij verklaart dat het het stadsbestuur altijd zeer aangenaam is hare stad op de gewone toerbeurt door deze eerwaarde vergadering te zien vereerd, dat gelijk derzelver deliberatiën met vrede waren begonnen hun edelachtbaren hoopten dat deselve in vrede tot welstand der Waalse kerken zouden eindigen en dezelve voorts zo over hun personen als bedieningen wederkerig toegewenst de dierbaarste zegen van den Almagtige. Wordende de heren gedeputeerden voorts wederom gedemitteerd en door de secretaris tot aan de puije van het stadhuis gereconduiseerd’.

In augustus 1776 deelt de Waalse kerkenraad het stadsbestuur mee dat de armenlasten van de gemeente sinds enige tijd zo zijn verminderd, dat de inkomsten wel toereikend zijn tot alimentatie van de armen die tot de Waalse gemeente behoren. De kerkenraad bedankt het stadsbestuur voor de toeleg van 1/3 in de wekelijkse bedeling door het weeshuis.

Het stadsbestuur besluit in november 1776 naar aanleiding van het verzoek van de Waalse kerkenraad, vanwege de zwakheid en ouderdom van de huidige predikant van die gemeente, om de kerkenraad te machtigen tot verlichting van de dienst van de predikant door vermindering en verandering van de preekbeurten zodanig te handelen als ze tot welzijn van de gemeente het beste zal oordelen.