Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1772 - 1777)

Stadsscholen

De schoolarchen brengen in april 1776 rapport uit over het afgelegde examen door Marinus de Jager uit Zwijndrecht. Deze heeft verzocht om aangesteld te worden tot tweede schoolmeester. Opgemerkt wordt dat de Nederduitse kerkenraad voortaan de tweede schoolmeesterplaats wil combineren met de tweede voorlezerplaats. Tijdens de vergadering van het collegium qualificatum wordt beroepen tot tweede schoolmeester met de bediening van de eerst vacant komende voorlezerplaats Marinus de Jager, thans

ondermeester te Zwijndrecht. In aanvulling hierop besluit de kerkenraad hierover: ‘Aan de persoon die zal worden beroepen als schoolmeester zal bij zijn overkomst alhier op een vriendelijke wijze gerecommandeerd worden om in de publieke catechisatie die des zomers op zondagavond en des winters op donderdagavond gehouden wordt als een medecatechiseerder te fungeren’.
De stadsdirecteuren krijgen in 1777 toestemming om de tweede Nederduitse schoolmeester Marinus de Jager uit de stadskas naar redelijkheid tegemoet te komen in het huren van een huis dat geschikt is om daarin overdag school te kunnen houden.

Particuliere schooltjes

In 1773 krijgen Gabriël d’ Erto en Francois Kosten - na ingewonnen advies van de schoolarchen - toestemming ‘om de jeugd en bejaarde personen te leren zingen’. d’Erto vraagt dit ‘tot meerder onderhoud en maintenu van zijn huishouden’. Kosten geeft als reden op ‘dat hij door gedurige tegenheden die hem zijn overkomen, genoodzaakt is om andere middelen tot onderhouding van zijn huishouden ter hand te nemen. Tot welk einde hem het alderbest het leren van psalmzingen is voorgekomen. Alzo hij zich, onberoemd gesproken, oordeelt in staat te zijn om de psalmen de jeugd en bejaarde personen te kunnen leren singen’.
Cornelia Dupersie, de weduwe van de eind 1773 overleden wijnhandelaar Everwijn Anthonisse, deelt het stadsbestuur mee dat haar man een desolate boedel heeft achter gelaten. Tot onderhoud van haar vijf kinderen mag ze in 1774 de jeugd onderwijzen in het spellen, lezen, breien en wat verder tot het schoolhouden behoort. Ook Susanna Anthonisse, weduwe Slink, mag dit jaar een kinderschool oprichten. Gerard van Uijen krijgt in 1774 toestemming ‘een ieder des begerende te onderwijzen in het psalmzingen en dus een openbare zingschool te houden’. In 1775 mag Maria Proos, na gunstig advies van de schoolarchen, in de stad een lees- en breischool houden. Ook Pieter Louwaart krijgt in 1775 toestemming om, tot onderhoud van zijn huishouden, een ieder in het psalmzingen te onderwijzen. Ook Tannetje van Sunder uit de Klokstraat krijgt in 1777 toestemming om een school op te richten om de jonge jeugd te onderwijzen in het spellen en lezen, evenals Jannetje van Klinken om kinderschool in de stad te houden.

In juli 1776 doet zich een geheel andere vorm van onderwijs voor. De schoenmakersbaas Pieter van Eegem en zijn vrouw Johanna Lotion betogen in 1776 dat ze tot meerder onderhoud van hun kostwinning genegen zijn het maken van kanten bij de hand te nemen en daarvan een school zouden willen opzetten om anderen in het kant maken te onderwijzen. Ze krijgen toestemming voor het houden van ‘een kanteschool om aan een ieder, des begerende, het kanten maken te leren’.

Franse school

Juffrouw J.S. Breekpot krijgt in 1773 vergunning om ‘ter instructie van Jonge Juffrouwen zo in het lezen der Fransche taal als allerhande handwerken’ een school op te richten, mits zij na gehouden examen door de schoolarchen daartoe bekwaam wordt gevonden.

Latijnse school

Op 24 juli 1773 overlijdt de rector van de Latijnse school Johannes Henricus Voijer. Hij wordt begraven in de wandelkerk, terwijl de doodsklok een half uur luidt. In zijn plaats wordt aangesteld de heer Carolus Johannes Kies de Vlieger, wonende te ’s Hertogenbosch, op een tractement van £ 125 en met vrije woning in het huis van de stads Latijnse school, twee lasten turf en vrijheid van stedelijke impost op de wijnen en bieren. Daarentegen zijn de verplichtingen voor hem niet gering. Zo is hij verplicht, ‘wanneer zich daartoe de gelegenheid voordoet, jongeheren hetzij uit de stad of eiland of van elders aan te nemen, in de gehele of halve kost voor een zo civiele prijs als hem doenlijk zal zijn, te nemen. Zodra de rector een goed aantal jongelingen in de gehele of halve kost in zijn huis en onder zijn directie mocht verkrijgen, welker ouders verlangen dat ze onderhouden het schrijven, cijferen en de France taal, zal de rector verplicht zijn de raad daarvan te verwittigen en, zulks goedgevonden zijnde, omzien naar een persoon, ongetrouwd, van de gereformeerde religie, bekwaam tot het geven van deze instructies, ook ware het doenlijk om te instrueren in de mathesis, geographie en voornamelijk te letten op een goede educatie der jongelingen. De rector zal verplicht zijn aan zulk een persoon te geven een vrije kamer, behoorlijk gemeubileerd, hem aan zijn tafel te admitteren en de kosten, vuur en licht te verzorgen. De rector zal gehouden zijn zich te bekwamen om voor de maand van oktober de Latijnse school te openen en desselfs instructie te beginnen met een Oratio Inauguralis. De jaarlijkse programmata zullen gedrukt kunnen worden ten laste van de stad’.

In maart 1774 komen het stadsbestuur ongunstige geruchten ter ore. Deze worden sinds enige tijd verspreid over de rector van de Latijnse school, de heer Carel Jan Kies de Vlieger, onder meer over zijn gedrag en kundigheid in de Latijnse taal. Als dit onverhoopt waar mocht zijn, vindt het stadsbestuur dit zeer ernstig. Onderzocht zal worden wat hier van waar is, ‘opdat de jeugd geen gevaar loopt om het kwade gedrag, van zijn voorganger en leermeester navolgende, daar en boven vooral de leergierigen zijn tijd niet nutteloos bestede, om een volkomen kennis in de talen te calangeren’.
De curatoren wordt opgedragen ‘om aan de ene kant zich op het nauwkeurigst te informeren over hetgeen ten laatste van de rector nopens desselfs kwalijk gedrag wordt gedebiteerd en aan de andere kant hem zo exact doenlijk te examineren in de Latijnse en Griekse talen en in hetgeen verder tot zijn schoolonderwijs dependeert en van derzelver bevind aan het stadsbestuur rapport te doen’.

De curatoren van de Latijnse school, W. van der Bilt van Cloetinge, F.N. Keetlaar en ds. C. Zoutmaat, beraden zich in april 1774 over het gedrag en de bekwaamheid van de nieuwe rector van de Latijnse school, de heer Carel Jan Kies de Vlieger. Ze hebben hem in de Latijnse en Griekse talen geëxamineerd en hem over zijn in de afgelopen winter gehouden gedrag onderhouden. Ze oordelen dat ‘zijn kundigheid in die talen niet zo groot is als dit naar hun begrip in een goed rector wordt vereist. Indien het examen de beroeping was voorafgegaan, zouden ze geen ogenblik twijfelen om te adviseren om van deze persoon af te zien en een ander kundig man te beroepen. Het schijnt hen toe dat hij wel bekwaam is om eerstbeginnende jongelingen te onderwijzen en dat het ook aan geen natuurlijke vermogens ontbreekt om, indien hij lust tot studeren mocht hebben, zich bekwaam te maken om ook verder gevorderde jongelingen te kunnen instrueren’. Wat betreft zijn gedrag heeft hij sommige tegen hem ingebrachte beschuldigingen bekend, sommige volstrekt genegeerd en andere verkleind. Hij ‘heeft in het algemeen beleden dat zijn gedrag in de afgelopen winter niet is geweest zoals een voorganger der jeugd betaamt, doch hij betuigde met een waar berouw en leedwezen daarover te zijn aangedaan en dat hij met Gods hulp zich in het vervolg zo hoopt te gedragen dat niemand op zijn gedrag iets met grond zou kunnen berispen’. Het stadsbestuur besluit rector Kies de Vlieger aan te raden om zijn ontslag als rector te verzoeken en dit binnen de tijd van 14 dagen na het eindigen van de paasvakantie. Doet hij dit niet, dan zal worden besloten de heer De Vlieger om gewichtige redenen ontslag te geven.

De rector trekt zijn conclusies. Op 30 april 1774 verzoekt hij ontslag. Uit ‘bijzondere gratie’ besluit het stadsbestuur hem zijn tractement nog drie maanden en ook de inwoning in het rectorhuis tot 1 augustus te vergunnen.

In juli 1774 wordt tot nieuwe rector van de Latijnse school benoemd Johannes van der Dussen, rector te Weesp, op een jaarlijks tractement van £ 116.13.4, vrijdom van belasting op bier en wijn, vrije inwoning in het rectorhuis en een last turf per jaar voor haardbrand behalve het gewoon minerval van £ -.5.3 van ieder van de leerlingen per maand. Van der Dussen is zeer content met z’n benoeming. Er komt een brief binnen uit Weesp ‘dat hij met de uiterste blijdschap en erkentenis vernomen heeft dat het stadsbestuur gelieft hem toe te betrouwen de bestiering van het gymnasium binnen de stad en dat hij die gunstige beroeping met bereidwilligheid accepteert in verwachting dat de nodige onkosten en transport der goederen bij zijn aankomst zullen worden gerestitueerd’. Maar desondanks blijft Van der Dussen niet lang. Al in november 1774 rapporteert burgemeester Van de Spiegel dat bij hem en burgemeester Van der Bilt van Cloetinge zijn opwachting heeft gemaakt de rector van de Latijnse school. Deze deelde zijn beroeping mee naar Zutphen als conrector en professor in de rechten en dat hij die beroeping reeds aangenomen had. Hij is, omdat hij zo spoedig mogelijk te Zutphen wordt begeerd, genoodzaakt binnen een dag of 14 zijn vertrek te nemen.
De curatoren van de school worden gemachtigd om zo snel als doenlijk is te informeren naar een bekwaam persoon om aan het stadsbestuur tot rector voor te dragen. Tot rector wordt aangesteld de heer H.J. Roosen, thans conrector te Breda.
De curatoren van de Latijnse school krijgen in april 1775 opdracht om te informeren of de nieuwe rector H.J. Roosen genegen is zijn Oratio inauguralis op kosten van de stad te laten drukken. Het blijkt dat deze daartoe wel genegen is. De stadsdirecteuren krijgen opdracht een aantal exemplaren van de Oratio ten koste van de stad te laten drukken.

Het gaat tot tevredenheid met de nieuwe rector. Want in 1776 rapporteren de curatoren van de Latijnse school over hun afgelegde visitatiebezoek aan de school. Ze hebben ‘wederom geassisteerd bij het examen van de discipelen van de school en hebben alleszins contentement gehad, zowel over de vordering van de leerlingen als in het bijzonder over de manier van onderwijs geven door de rector mr. H.J. Roosen’. Besloten wordt rector Roosen, als blijk van het genoegen van het stadsbestuur, ‘over zijn tot heden toe gegeven instructie en tot aanmoediging voor het vervolg, aan te stellen tot Lector Juris met een vermeerdering van zijn tractement van 100 gulden per jaar, waarvoor hij provisioneel zal gehouden zijn jaarlijks enige publieke lessen bij bekwame gelegenheid naar het goedvinden van de curatoren te houden, tot zo lang er jonge luiden in de stad zijn die de rechtsgeleerdheid worden gedestineerd’. Hij zal verplicht zijn om de veertien dagen zijn lessen te houden, evenals de Lector Anatomie thans doet. Maar ook rector Roosen blijft niet lang. Al in mei 1776 vertrekt hij naar Haarlem. In zijn plaats wordt benoemd mr. Roelof Gabriël Bennet, thans conrector van de Latijnse school te Vlissingen, op een jaarlijks tractement van £ 116.13.4, vrije woning in het rectorhuis, een last turf en het gewone minerval van discipelen. Tegelijk wordt bepaald dat de vrijdom van stadsimposten op de wijnen en bieren voor de rector van de Latijnse school wordt ingetrokken. In september 1776 doet de nieuwe rector Bonnet zijn intrede met een Oratio Inauguralis. Het stadsbestuur laat deze op stadskosten drukken.

In juni 1777 komt door het overlijden van ds. C. Zoutmaat één van de curatorplaatsen van de Latijnse school en een schoolarchambt van de andere scholen vacant. Als nieuwe curator wordt benoemd ds. Dirk Kaas en als schoolarch van de Nederduitse en Franse scholen ds. Nicolaas Pronk.

Tot meerdere aanprijzing van de Latijnse school wordt in juli 1775 een schoolmeester aangesteld om driemaal per week in de school lessen te geven in het schrijven en, desgewenst, in de gronden van de cijferkunst, onder het opzicht van de rector. Hij ontvangt uit de stadskas hiervoor 25 gulden. Aangesteld wordt de heer J.A. La Ruë.