Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1772 - 1777)

Grote kerk en Kleine kerk

Op 19 december 1772 besluit het stadsbestuur, ‘alzo de Kleine Kerk thans geheel op een cierlijke wijse is vernieuwd en in gereedheid gebracht, zodat in dezelve nu wederom kan gepredikt worden, die van de kerkenraad daarvan kennis te geven, teneinde deze die order stellen dat des zondags nademiddags na het tweede Avondmaal in januari (dus op de 17e januari), voor de eerste reis aldaar den dienst gedaan worde’. Tegelijk wordt verzocht de predikant ‘die dan de toerbeurt zal hebben om aldaar te prediken, een toepasselijke stoffe bij die gelegenheid te nemen’. Verder wordt besloten dat de dienst in deze kerk op de oude voet zal worden voortgezet. Omdat het de beurt is van ds. Kaas om in de Kleine kerk voor te gaan zegt deze toe te trachten aan het verzoek van het stadsbestuur te voldoen.

De voorzittende burgemeester betuigt in januari 1773 ds. Dirk Kaas uit naam van het stadsbestuur ‘het bijzondere genoegen en de goedkeuring in de predikatie, door zijn eerwaarde gepasseerde zondag namiddag in de Kleene kerk gedaan. En uit overweging dat deze predikatie zeer vele zaken van aanbelang tot opheldering van antiquiteiten van de stad behelsde, zijn eerwaarde deze alternatieve propositie te doen om deze predikatie met de druk op stadskosten gemeen te maken of zijn eerwaarde te verzoeken deze in het net geschreven aan het stadsbestuur te overhandigen om in de stadsbibliotheek te worden bewaard’.
Bij het bezoek verklaart ds. Kaas ‘zeer sensibel te zijn wegens de eer die hem uit naam van het stadsbestuur wordt aangedaan’. Hij verklaart echter ‘nooit van zich hebbende kunnen verkrijgen om iets van zijn eigen werk met de druk gemeen te maken’. Hij bedankt dan ook beleefdelijk om deze predikatie op stadskosten te laten drukken. Niettemin neemt hij aan om deze bij gelegenheid na te zien en aan het stadsbestuur in geschrift te overhandigen om in de stadsbibliotheek geplaatst en bewaard te worden.

Op 1 mei 1773 legt de voorzittende burgemeester ter tafel van het stadsbestuur over de leerreden, gedaan door ds. Kaas ter gelegenheid dat voor de eerste maal in de vernieuwde Kleine kerk gepredikt is. Deze is door zijn eerwaarde aan het stadsbestuur opgedragen en aan de burgemeester overhandigd. Besloten wordt dat secretaris Ossewaarde zich ten huize van de predikant zal vervoegen om hem uit naam van het stadsbestuur te bedanken voor de overgegeven leerreden en te betuigen dat het stadsbestuur met aangenaamheid gezien heeft dat de leerreden aan haar is opgedragen en dat ze graag een blijk van haar genoegen daarover aan zijn eerwaarde zou willen geven. Tot dat einde heeft het stadsbestuur het goed gedacht ‘hem aan te bieden de Vaderlandse Historiën of een ander werk hetgeen zijn wel eerwaarde aangenaam zoude wezen’. Ds. Kaas toont zich zeer vereerd door de geste van het stadsbestuur en verklaart het boekwerk als een blijk van edelmoedigheid dankbaar te zullen aanvaarden.

Het stadsbestuur besluit in 1774 dat, aangezien sinds enige tijd zware onkosten door de stad zijn besteed aan de verbetering (de ‘melioratie’) van de Kleine kerk en omdat het redelijk zou zijn dat de stad enige revenuen daaruit zou genieten, ‘de Grote kerk in het vervolg van de Kleine kerk zal genieten het stoelgeld, dat nu 15 stuivers per stoel bedraagt en het bochtgeld van zoveel stoelen en zitplaatsen en bochten als daar in tevoren zijn geweest, en dat het stoel- en bochtgeld van de meerdere stoelen en zitplaatsen en bochten, die er thans zijn, door de stad zal worden getrokken’. De ontvanger van de kerkmiddelen wordt gelast aan de stadsrentmeester te restitueren wat de Grote kerk van de meerdere stoelen en zitplaatsen en bochten al heeft genoten mitsgaders de inkoop van de nieuwe stoelen, die onlangs in de Kleine kerk zijn geplaatst voor rekening van de stad.

Op 20 november 1775 brengt de pensionaris-honorair H.J. de Heere een bezoek aan burgemeester Van de Spiegel. Hij biedt het stadsbestuur daarbij ter verering van de Kleine kerk zijn nieuwe orgel aan, indien het stadsbestuur dit althans wil accepteren. Besloten wordt het present van de heer De Heere te accepteren en hem uit naam van het stadsbestuur daarvoor te bedanken met betuiging dat dit aan het stadsbestuur zeer aangenaam is. De stadsdirecteuren krijgen opdracht om het orgel in de Kleine kerk op een zodanige plaats te doen stellen als ze geschikt zullen oordelen. Ook worden de heren verzocht om in overleg met de kerkmeesters een fonds uit te denken zowel tot onderhoud van het orgel als tot een traktement voor de organist.

De stadsdirecteuren rapporteren in april 1776 dat het orgel in de Kleine kerk is geplaatst en behoorlijk in orde is. Het kan nu worden bespeeld. Ze zijn zowel voor het onderhoud daarvan als voor het traktement van een aan te stellen organist en orgeltrapper met de kerkmeesters overeengekomen dat al deze kosten ten laste van de kerk zullen komen. Echter zal de kerk alles profiteren wat na Sint Jansdag 1776 van de meerdere zitplaatsen in de Kleine kerk sinds de vernieuwing wordt genoten. De overeenkomst met de kerkmeesters wordt goedgekeurd. Voortaan zal de Kleine kerk de inkomsten genieten van de meerdere stoelen en bochten, die sinds de vernieuwing van de Kleine kerk daarin zijn geplaatst en dus alle revenuen daarvan. Daarentegen zal het onderhoud van het orgel en het traktement van de organist en trapper in de Kleine kerk ten laste komen van de kerk. Tot organist van de Kleine kerk wordt aangesteld Jan Fitsner op een traktement van dertig rijksdaalders of £ 13.5 per jaar.

Stadhuis

In december 1773 overlijdt de stadsbode Francois de Windt. Dit is voor het stadsbestuur aanleiding om zich te beraden over ‘een beter opzicht over de reinigheid der vertrekken en de veiligheid van het gebouw, zo tegen brand als andere toevallen’. Besloten wordt, uit overweging van de meerdere vertrekken die er thans in het Stadhuis zijn en van de meubels die in smaak en waardij zeer veel verschillen van de vorige, voortaan een conciërge van het Stadhuis aan te stellen.
Om deze functie wat meer inhoud te geven, zal bij de eerste vacature van het weegmeesterambt in de stadsbalans, deze functie aan die van conciërge worden toegevoegd.
Ondertussen zal de conciërge worden aangesteld op de gewone emolumenten die de stadsbode, die onder het Stadhuis woont, pleegt te genieten. Hij zal jaarlijks uit de stadskas ontvangen £ 6.13.4 tot de tijd dat de functie van weegmeester of een 2e derde part van het marktmeesterschap op hem zal vervallen. Tot conciërge van het Stadhuis wordt aangesteld Cornelis van Leeuwen en tot stadsbode Pieter Paauwe.

In 1774 rapporteren de stadsdirecteuren dat de stadsfabriek een raming van de kosten voor ‘de melioratie’ (de verbetering en verfraaiing) van het Stadhuis volgens een plan heeft overgelegd. Ze hebben het werk in totaal berekend op £ 1.100 Vlaams. De stadsdirecteuren worden gemachtigd om de melioratie overeenkomstig het plan nog deze zomer uit te laten voeren.

In 1774 vereert oud-burgemeester doctor Kornelis Lopsse de stad met ‘een fraaije Hemelsch en Aard Globe’. Hij wordt daarvoor ‘op het Gratieuste bedankt’.

Pomp op Grote Markt

Op 30 juli 1774 deelt oud-burgemeester Isebree namens de stadsdirecteuren mee, dat binnenkort uit Antwerpen enige bewerkte steen voor een stadspomp, te plaatsen op de Grote Markt, wordt verwacht. Het college ter Admiraliteit in Zeeland is gevraagd een vrij paspoort voor deze steen af te geven.

Scheepswerf

De scheepstimmerlieden Jan en Gillis Welle geven in december 1776 te kennen dat ze van hun vader Jan Welle hebben gekocht de scheepstimmerwerf met het oogmerk om in de plaats van hun vader voor eigen rekening als scheepstimmerlieden te werken. Het stadsbestuur besluit hen toe te staan het scheepstimmermanambacht alleen en met uitsluiting van alle anderen hier ter plaatse uit te oefenen op dezelfde voet als dit aan hun vader Jan Welle op de 20e december 1749 is verleend.

Stadsdrukkerij

De stadsdrukker Jacobus Huisman dient in februari 1773 een verzoek in om vermeerdering van zijn traktement. De reden is dat sinds enige jaren buitengewoon veel nieuwe ordonnanties gedrukt en ook oude herdrukt zijn of staan herdrukt te worden. Het stadsbestuur besluit de stadsdrukker toe te leggen een jaarlijks traktement van £ 20 Vlaams inplaats van de £ 14 Vlaams die hem bij resolutie van 10 mei 1760 zijn toegekend. Daarvoor is hij verplicht alle voorkomende zaken voor de stad te drukken op die voorwaarde dat hem het papier van stadswege wordt betaald. Hij zal ook van de ordonnanties, reglementen of resoluties, die niet met de druk gemeen worden gemaakt, dertig exemplaren en van publicaties, waarschuwingen of dergelijke, die op het platteland ter afkondiging zullen worden gedistribueerd, zestig exemplaren ter stadsgriffie moeten bezorgen.