Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1772 - 1777)

Openbare orde

Het bedelen langs de huizen blijkt in 1772 weer toe te nemen. Het stadsbestuur besluit de publicatie hier tegen te vernieuwen. De zogenaamde ‘roode roede’ wordt ernstig gelast hier nauwkeurig acht op te geven.

Ook blijkt in oktober 1772 dat Adolf Schoon, die enige jaren geleden uit de stad is vertrokken met achterlating van zijn kinderen zonder voor hun onderhoud te zorgen, tegenwoordig rond de stad omzwerft. Het stadsbestuur besluit hem gevangen te nemen en op water en brood te zetten totdat er gelegenheid is hem tot voordeel van het weeshuis, waar zijn verlaten kinderen worden gealimenteerd, op Indië te laten varen.

In mei 1773 blijkt dat de opgezetenen van het platteland zeer lastig worden gevallen door bedelaars en andere landlopers. Met de vier gecommitteerden van het eiland wordt overlegd om de extra-ordinaire compagnie (de zogenaamde ‘roode roede’) met twee man te versterken gedurende deze zomer. De luitenant wordt dringend verzocht zich naar zijn instructie te gedragen.
Een zekere Jan Hendrik Cornelis van Wezel heeft zich niet ontzien om binnen de stad op publieke plaatsen te bedelen, niettegenstaande het ernstige verbod daartegen. Hij wordt gedurende veertien dagen op water en brood gevangen gezet en de stad en jurisdictie onzegd. Ook een zekere Janna Colaris wordt om redenen de stad en jurisdictie ontzegd.

In februari 1775 is er sprake van verregaande kwaadaardigheid en baldadgheid onder sommigen in de stad. Men ontziet zich niet schotschriften of zogenaamde pasquillen op publieke plaatsen aan te plakken en te verspreiden. De dieverijen en straatschenderijen nemen zodanig toe dat de publieke rust en veiligheid geheel en al verstoord is. Het stadsbestuur besluit bij publicatie een premie van £ 25 Vlaams uit te loven ‘aan ieder die weet aan te wijzen de opstellers, aanraders, schrijvers of uitstrooiers van een van deze schotschriften, alsmede de daders of medeplichtigen aan enige nachtdieverij, huisbraak of diergelijke verstoring der publieke rust’. Staande de vergadering wordt de publikatie vastgesteld en alom aangeplakt.

Op 20 mei 1775 wordt om redenen een zeker vrouwspersoon, dat sedert enige tijd alhier heeft gewoond en zich noemt de huisvrouw van Frederik Tappij, thans soldaat in het garnizoen te Vlissingen, met haar kinderen gevangen is gezet om bij de eerste gelegenheid naar Vlissingen te worden getransporteerd met verbod van nimmer in de stad of jurisdictie te komen.

In april 1776 wordt de ‘Ordonnantie op het inkomen, ter nederzetten en verblijven van vreemde personen binnen de stad en jurisdictie’ van de 21e oktober 1769 gewijzigd in de volgende zin:
‘Geen vreemde personen, getrouwd of ongetrouwd, kinderen hebbende of kinderloos zijnde en van welke religie zij ook mogen zijn, zullen uit andere steden of plaatsen komende zich binnen de stad mogen ter nederzetten, voor en aleer zij een certificaat van de magistraat van hun laatste woonplaats of (van de protestantse godsdienst zijnde) van de kerkenraad hunner gemeente hebben vertoond, inhoudende een volledige getuigenis van hun goed gedrag en hantering, mitsgaders een borgbrief voor de alimentatie voor hun minderjarige kinderen, zo in en in dier voege als in de plaatsen van waar zij komen in de minste zin gewoon is gegeven te worden, welk vertoon zij binnen vier weken na hun aankomst zullen moeten doen aan de wijkmeesters die na examinatie aan hun ter hand zullen stellen een acte van admissie en zullen degenen, welke zonder voorgaande verkregen permissie binnen de stad bevonden worden zich nedergezet te hebben, aanstonds moeten vertrekken en, dit niet doende, metterdaad door de bediende van de justitie worden uitgeleid en voorts gestraft. Dit alles zal geen plaats hebben omtrent gekwalificeerde personen die van elders mochten komen om hier enige tijd te verblijven of hun domicilie in de stad te nemen, ook niet omtrent de zodanigen die hun burgerrecht hebben verkregen mitsgaders niet omtrent dienstknechten, meiden of andere domestieken, zolang zij in dienst zijn en eindelijk ook niet omtrent ambachtsgezellen of arbeiders, die alleen maar gedurende de oogst hier verblijven, doch zullen de ambachtsgezellen en arbeiders echter verplicht zijn de wijkmeester op te geven hun naam, laatste woonplaats en bij wie zij menen met hun ambacht of arbeid de kost te winnen en waar zij trouwen’.

Justitie

In mei 1772 stelt de voorzittende burgemeester Van de Spiegel aan de orde ‘dat de zaken welke voor de vierschaar van de stad gebracht worden, schoon deze veeltijds van gering belang zijn, nochthans door de baatzucht van sommige practisijns niet alleen in het lange gedilayeerd, maar ook overbodig kostbaar worden gemaakt. Hierdoor worden veel mensen, die ongenegen of onvermogend zijn in een proces te treden, afgeschrikt hun recht te vervolgen en liever ongelijk willen lijden. Dat de heren regerende burgemeesters in der tijd wel alle moeite aanwenden om de kwesties tussen burgers rijzende in der minne bij te leggen en, daar het passeert, te decideren, doch dat derzelver uitspraak door geen executerende macht gesterkt zijnde, alleen voor de goedwillige is. Dat het ondertussen ten hoogsten de attentie van de regering meriteert zorg te dragen dat de onvermogenden zowel als de rijken op een onkostelijke en naar evenredigheid van het gewicht hunne zaken op een spoedige wijze tot een uitslag derzelve geraken mogen’.
Hij geeft in overweging om, in navolging van andere steden, een Kamer van Justitie van kleine zaken binnen de stad op te richten. Tegelijk legt hij een door hem geconcipieerde concept-ordonnantie op deze Kamer van Justitie voor. Het stadsbestuur dankt Van de Spiegel hartelijk voor zijn werkzaamheden. Besloten wordt  een ‘Kamer van Justitie en kleine zaken’ op te richten. De commissarissen worden op Sint Jansdag benoemd.

Een merkwaardig staaltje van openbare orde doet zich voor in 1776. Naar aanleiding van een bepaald geval blijkt het stadsbestuur ‘dat vele mensen in het verkeerd begrip zijn dat, wanneer zij iemand vinden die zich verhangen heeft of in het water ligt, aan wie geen of geringe tekenen van leven te zien zijn, het ongeoorloofd zou zijn zulke lichamen uit het water te trekken of af te snijden. Daardoor geraken dikwijls ongelukkige mensen om het leven, die door tijdelijke hulp misschien zouden hersteld kunnen zijn’. Bepaald wordt dat niemand een misdaad begaat met verhangenen af te snijden of verdronkenen uit het water te trekken en zodanige hulp aan deze te bewijzen.

In 1776 blijkt dat beide ’s Heeren dienaars ‘wegens hun aanhoudend kwalijk gedrag en dronkenschap, inzonderheid op eergisteravond, wanneer zij bij gelegenheid dat een door de Fiscaal van het landrecht gevangen genomen persoon moest boven gezet worden, volstrekt buiten staat waren om dienst te doen’. Ze worden op het nadrukkelijkste gereprimendeerd en voor het tegenwoordige een maand lang van hun tractement geschorst.

De baljuw Nicolaas Eversdijk voert in februari 1772 een rechtsgeding tegen de gevangen genomen Janna Siegendonk. Ze is op de 26e april 1770 verlost van een onecht kind, dat ze in barensnood aan Hendrik Vroegop heeft opgedragen. Op de 19e november 1771 is ze voor de tweede keer in de kraam gekomen van een onecht kind. Onder ede heeft ze verklaard dat een zekere Jan Bakker de vader is. De baljuw eist geseling en verbanning. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar tot opneming voor zes jaar in een tuchthuis. Daarna zal ze voor zes jaar uit de provincie Zeeland worden verbannen. Ook dit jaar in juni speelt een geding tegen Jean Perron. Hij heeft bij ‘s-Heer Hendrikskinderen een jong meisje naar de weg gevraagd en haar toen bij de arm gegrepen en op de grond gegooid, kennelijk met oneerbare bedoelingen. Hij wordt veertien dagen in de stadhuistoren op water en brood gezet en daarna voor vijf jaar verbannen uit de stad en het eiland.


In januari 1773 treedt de baljuw op tegen de gedetineerde Cornelia Krabbe. Ze heeft zich schuldig gemaakt aan dieverij. Cornelia heeft bij Jacob Almekinderen enige tijd geleden onder voorwendsel van appels te willen kopen zich in diens achterkeuken gesloten en van een daar staande tafel zes Zeeuwse rijksdaalders gestolen. Ze is daarop met haar moeder uit de stad vertrokken en heeft zich als dienstmeid te Middelburg in het Oost-Indische huis verhuurd. Daar heeft ze zich weer zo ver te buiten gegaan dat ze daar een diamanten ring heeft gestolen en kort daarna enkele zilveren ringen. De baljuw eist geseling met roeden, brandmerking en verbanning uit Holland, Zeeland en Westfriesland. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om een maand lang te water en te brood te worden gezet om vervolgens gebracht te worden in het tuchthuis te Middelburg voor tien jaar en daarna verbannen te worden voor 25 jaar uit de provincie Zeeland. Ook dit jaar in juni voert de baljuw een geding tegen de gedetineerde Jan Hendrik Cornelis van Wezel. Hij is in mei de stad ontzegd en heeft zich niet ontzien om afgelopen dinsdag door de stad heen te wandelen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om voor veertien dagen te water en te brood gezet te worden en verbannen hem daarna voor altijd uit de stad en het eiland.

De baljuw treedt in juni 1773 ook op tegen Pieter Guns. Hij heeft, komende van den Doel, in zijn vaartuig ingeladen voor rekening van Jan Zegers, zoetelaar op het Bantsche schorre, drie manden wijn, dertig hammen, twee stukken gerookt vlees, vier koeientongen, honderd mosselen, achttien rogge- en vier tarwebroden. Hij wordt veroordeeld tot een boete van driemaal de waarde van de verbeurd verklaarde goederen + betaling van een premie van honderd gulden aan de ontdekkers van de fraude. Omdat hij buiten staat is hieraan te voldoen  wordt hij gedurende drie jaar verbannen uit de provincie. Ook treedt de baljuw in juli 1773 op tegen Maria Bruinings. Ze is in 1762 van een onecht kind in de kraam gekomen. In mei van dit jaar is ze voor de tweede keer van een onecht kind bevallen. Burgemeesters en schepenen verbannen haar voor 25 jaar buiten de provincies Holland, Zeeland en Westfriesland.

Een ander geval doet zich voor in september 1773. De baljuw treedt dan op tegen Neeltje Logierse Braber. Ze is op 6 juli verlost van een onecht kind, waarvan ze de stadsvroedvrouw heeft gezworen vader te zijn Gerrit Traas. En omdat Traas een getrouwd man is en zij een getrouwde vrouw heeft zij dus dubbel overspel begaan. De baljuw eist dat ze na publieke schavottering met een eeuwig bannissement gestraft zal worden. Uit het relaas van de advocaat blijkt dat ze met haar man in een arme en sobere staat geleefd heeft. Ze is helaas in de verleidende strikken van Gerrit Traas gevallen en heeft hier hertelijk leedwezen over. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om veertien dagen te water en te brood gezet te worden, vervolgens zes jaar in een tuchthuis in de stad Middelburg of ergens anders te worden opgenomen en daarna haar levenlang verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. In oktober 1773 speelt een rechtsgeding tussen de baljuw en Francois Bouchelaire. Hij had bevel om de stad binnen tweemaal 24 uur te verlaten. Maar hij heeft zich verstout om daar weer binnen te komen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om veertien dagen te water en te brood gezet te worden en voorts voor altijd verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. In oktober 1773 voert de baljuw een geding tegen Anthoni Kramer. Hij was gelast om de stad binnen tweemaal 24 uur te verlaten, maar is weer binnengekomen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem voor 14 dagen te water en te brood en daarna voor altijd uit de provincies Holland, Zeeland en Westfriesland te worden verbannen.

In februari 1774 speelt een rechtszaak tussen de baljuw Nicolaas Eversdijk tegen Jan Honaard. Hij heeft op de 15e februari uit Hulster Ambacht binnen het eiland gebracht 75 pond tabak zonder deze aan de collecteur te hebben aangegeven. Hij heeft de tabak uitgevent en verkocht, maar is in de Nieuwe West Craaiert door de extra-ordinaire compagnie gevangen genomen. Uit verhoor blijkt dat hij vier weken geleden nog honderd pond tabak van buiten de provincie tersluiks binnen het eiland heeft gebracht en verkocht aan verscheidene personen onder Heinkenszand. De baljuw eist een boete van 2450 guldens. Omdat hij niet in staat is deze boete te betalen wordt hij opnieuw veroordeeld tot veertien dagen te water en te brood en voorts om ten eeuwigen dage verbannen te worden uit de provincies van Holland, Zeeland en Westfriesland.

De baljuw treedt in juli 1775 op tegen de gedetineerde Jan Wondergem. Hij heeft enige maanden geleden bij de oud kleerkoopster Appolonia den Beste te koop gepresenteerd en verkocht een Vriese rok. Uit onderzoek bleek deze gestolen te zijn uit het schip van Jan van Schakerloo. Ondertussen is hij verscheidene reizen in de stad teruggekeerd. Zo is hij op de 17e november tussen 12 en 1 uur ‘s nachts gekomen aan de herberg ‘de Gouden Leeuw’ aan de Grote Markt waar hij een zoopje jenever heeft gevraagd. De hospes weigerde hem dat waarop hij met brutaliteit een fles wijn eiste. Ook dit weigerde de hospes, waarop hij verscheidene dreigementen heeft geuit, zijn mes getrokken en op zijn broekband gestoken. De hospes heeft hem daarop de deur uitgezet waarop hij met een vreselijk geweld de koperen trekker van de bel van de herberg heeft gegrepen en met de ketting en al er afgerukt. Op 14 januari is hij ‘s nachts gekomen aan het huis van Arnoldus Wiggers weduwe in de Korte Vorststraat vragende om koffie te kopen. Nadat hem dit geweigerd was, is hij vertrokken maar na een half uur teruggekomen met hetzelfde verzoek. Onder vreselijke vloekwoorden heeft hij gedreigd de deur binnen te lopen als niet open gedaan werd. Daarop is hij op de deur gaan stampen. De er tegen over wonende bediende van de roode roede heeft hem weggejaagd, waarop hij schreeuwde: ‘Ik geef de donder om de roode roede’. Laatste nacht heeft hij het raam in de stalling van de heer J.B. Petreus opengebroken en daaruit gestolen een jas, drie paardendekens, een hoed, een paar handschoenen en enige flessen wijn. Burgemeesters en schepenen vinden hem schuldig aan verregaande straatschenderijen en dreigementen. Hij wordt veroordeeld om op aanstaande marktdag van half elf tot elf uur aan de kaak van de stad ten toon gesteld te worden. Daarna zal hij voor vijf jaar worden verbannen uit de provincie Zeeland. Ook treedt de baljuw dit jaar in december op tegen Johannes Verbrake. Hij heeft het bestaan om op maandag de 11e december van Konings Kieldrecht te helpen overbrengen drie zakken boekweitmeel en dertien zakken gort en een zak mostellen. Hij wordt veroordeeld tot geseling met roeden door een bediende van de extra-ordinaire compagnie. Dezelfde straf krijgt zijn maat Francis Emmerij, die hem heeft geholpen bij de sluikerijen.

In november 1776 voert de baljuw een rechtsgeding tegen het dode lichaam van Pieter de Kuijper wegens gepleegde dieverij. Hij is op een avond met zijn huisvrouw naar de Munnikendijk gegaan en aldaar heeft hij op een stuk land gestolen een partij klimbonen. Ook heeft hij in een boerenschuur van Pieter van Boven een zak met witte bonen gestolen. Uit de stal van Pieter Wille heeft hij wagenkussens ontvreemd die hij in stukken heeft gesneden. De baljuw eist dat zijn dode lichaam aan de scherprechter wordt overgeleverd om op een horde of kar gesleept te worden naar het galgenveld en aldaar aan de galg gehangen en te verblijven totdat het verteerd zal zijn. Zijn nagelaten goederen worden verbeurd verklaard.

Ook treedt de baljuw eind december 1776 op tegen Willem Corthen. Hij heeft ’s nachts een partij mutsaars gestolen. Hij eist dat hij met roeden zal worden gegeseld en gebrandmerkt. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om morgen, marktdag, een half uur aan de kaak ten toon gesteld te worden en verder voor 25 jaar verbannen uit de provincie Zeeland.

In september 1777 treedt de baljuw op tegen Hermanus Kluttenburg. Hij heeft tijdens zijn verblijf in de stad niet veel goeds uitgericht en zich uitgegeven voor koopman in dekens, tijken, kousen, doeken etc. Hij heeft getracht burgers op allerhande manieren te bedriegen en ‘als een ledigloper bij nagte en dage te vagebonderen’. Burgemeesters en schepenen verbannen hem voor vijftig jaar uit de stad en het eiland.

Brandweer

Tekenend is het besluit van december 1772 ten aanzien van de brandmeesters om ‘de Acten van Aanstelling voor deze en soortgelijke bedieningen, hetwelk enkel lastposten zijn en waarvan niets geprofiteerd wordt, voortaan aan de aangestelden gratis zullen worden gegeven, zelfs zonder betaling van de zegels die ten koste van de stad onder de verschotten van de griffie zullen worden verantwoord’.

Schutterijen

In april 1776 overlijdt de weduwe van de baljuw Huibertus Eversdijk.
De schutterijen worden gelast om de heren baljuw van de stad en hun weduwen bij hun overlijden in het vervolg te begraven door die schutterij, waarvan deze heren voor hun aanstelling als baljuw lid zijn geweest, en aan de begrafenis dezelfde eer te bewijzen alsof zij tot het laatste toe schutter geweest waren. Dit zal ook plaats moeten hebben in het tegenwoordige geval van het overlijden van de weduwe Eversdijk.

Extra-ordinaire compagnie

Omdat de opgezetenen van het platteland zeer lastig worden gevallen door bedelaars en andere landlopers wordt in overleg met de vier gecommitteerden van het eiland besloten de extra-ordinaire compagnie (de zogenaamde ‘roode roede’) in mei 1773 met twee man te versterken gedurende deze zomer. Maar als in juli 1774 blijkt dat de rekening van de impost op de bieren ten behoeve van ’s Lands wachten sluit met een nadelig saldo van £ 85.11.3, wordt alsnog besloten ‘de Roode Roede’ ingaande 1775 weer met twee man te verminderen.

Klapperwacht

De nachtwacht bestaat uit twaalf zogenaamde klapperlieden.
In oktober 1777 worden de klapperlieden en hun assistenten vrijgesteld van de belasting op de honden, dit ieder voor één hond. De nachtwacht gaat er kennelijk steeds op uit onder geleide van een hond.

Garnizoen

In mei 1773 worden Gecommitteerde Raden van Zeeland verzocht het kruitmagazijn binnen de stad te voorzien van het benodigde kruit tot het doen van de militaire excercities door de in de stad garnizoen houdende compagnie.
Gecommitteerde Raden antwoorden dat ze de commies-stapelmeester Jan Bijleveld hebben gelast de stad toe te zenden vier vaatjes buskruit ieder van 50 pond. Ze verzoeken aan het garnizoen binnen de stad geen meerder buskruit af te geven als voor de voorjaarsexercitie, hetgeen 40 pond voor een gehele compagnie nationalen of Schotten en 80 pond voor een gehele compagnie Zwitsers en voor de najaarsexercitie 30 en 60 pond per compagnie.