Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1772 - 1777)

Stadsbestuur

De eerste vergadering van elk jaar begint steeds op de gebruikelijke wijze. De voorzittende burgemeester opent de vergadering ‘met een gepaste aanspraak en zegenwensen over hun edelachtbaren personen, familiën en regering bij gelegenheid van het nieuwbegonnen jaar’. De tweede burgemeester beantwoordt daarop de zegenwensen. Missives komen ter tafel van het Goese lid van de Staten-Generaal D.W. van Lynden (ook mr. P. Bout is lid van de Staten-Generaal namens Goes, terwijl de heer Boreel de Mauregnault raadsheer te ’s Hage is), de Goese gecommitteerde in de Raad van State Van Lichtenbergh, het Goese lid in Gecommitteerde Raden van Zeeland Van Rosevelt en de rekenmeester Leydekker de Bruin met zegenwensen ter gelegenheid van het nieuw begonnen jaar.
Vervolgens worden de stadsboden, lijkdienaars, stadsomroeper, zegelaars van de bieren, deurwaarders van het landrecht en de bediende van de extra-ordinaire compagnie volgens jaarlijkse gewoonte in de vergadering toegelaten en in hun bedieningen gecontinueerd.
Op de ingediende verzoeken worden de schoolmeesters, de schoolmeesteressen, de herbergiers, de grossiers in sterke dranken, de kroeghouders, de koffijhuishouders, de zoutverkopers, de bakker in de Voorstad en de stadsdrukker weer gecontinueerd.

In januari 1772 wordt in de vacature, ontstaan door het ontslag van J.W. Boddaert, tot raad aangesteld mr. J.I. Leidekker de Bruin. Al na enkele weken treedt hij op als afgevaardigde naar de staatsvergadering.

Ook ontstaat in januari 1772 een vacature van raad door het overlijden van Jacobus Coomans, heer van Wemeldinge. Genomineerd worden Johan Abraham Eversdijk en doktor Coenraat Coenraats. Eversdijk wordt verkoren. Tot nu toe is Eversdijk derde klerk ter griffie. Zijn opvolger als klerk is Jan de Fouw Lzoon.

In juni 1772, bij de vermaking van het stadsbestuur, volgt dokter Kornelis Lopsse burgemeester mr. Laurens Pieter van de Spiegel op. Tot schepenen worden verkoren dokter Coenraat Coenraats, Adolf Ossewaarde, Huibert Jan de Heere en Johan Abraham Eversdijk. Van de Spiegel wordt pensionaris-honorair.

In november 1772 geeft de secretaris J.P. Dassevael, eerste klerk op de griffie, te kennen dat hij door de geïnteresseerden van de te bedijken schorren van Rilland en Bath is aangesteld tot directeur en penningmeester van de nieuwe polder. Hij zou zich graag in het aanstaande jaar van de griffie absenteren. Onder goedkeuring van de beide secretarissen heeft hij met zijn medeklerken ter giffie zodanige schikkingen gemaakt dat het werk op de griffie bij zijn afwezigheid door kan gaan. Het stadsbestuur stemt hiermee in.

Op 13 maart 1773 ontvangt het stadsbestuur een missive van Vrouwe I.M. de Mauregnault, weduwe Vogel, met het bericht ‘dat haar waarde echtgenoot de heer mr. Johan Lodewijk Vogel, raad van de stad en wegens de stad gecommitteerd ter provinciale rekenkamer van Zeeland, nadat hij enige tijd aan waterzucht had gelaboreerd, in de ouderdom van bijna 60 jaar door de dood weg te nemen’.
Het stadsbestuur plaatst op de nominatie tot vervulling van de raadsplaats de schepen Wilhelmus Christianus de Crane en de commissaris van het landrecht Francois de Keijser jr. De Erfstadhouder Prins Willem V benoemt De Crane als lid van de raad.

Op 12 april 1773 wordt de vergadering van het stadsbestuur door het opmerkelijk grote aantal van 19 stadsbestuurders bijgewoond. Aanwezig zijn de burgemeesters Johan Isebree en Kornelis Lopsse, oud-burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar en de raden mr. Willem van der Bilt, Francois de Keijser, mr. Dignus Cornelis Keetlaar, Marinus de Meijer, mr. Jan Boogmaker, mr. Johan Adriaan van Dorth, Adolf Ossewaarde, mr. Willem Canisius, mr. Aarnout Willem van Citters, mr. Antoni Ossewaarde, Ziwert Diderik van der Bilt, mr. J.I. de Bruin, Pieter Ossewaarde Pz., Johan Abraham Eversdijk en Wilhelmus Christianus de Crane en de pensionaris-honorair J. de Heere.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in juni 1773 wordt tot burgemeester verkoren mr. Willem van der Bilt van Cloetinge en tot schepenen Francois de Keijser, mr. Dignus Cornelis Keetlaar, Marinus de Meijer, mr. Nicolaas Alexander Lelivelt en Pieter Ossewaarde Pz.

In juli 1773 overlijdt de schepen doctor Coenraet Coenraats. Uit het gestelde tweetal, Cornelis Wagenaar en Bernardus Rimmers, benoemt de Erfstadhouder Wagenaar.

In november 1773 overlijdt mr. Adolf Westerwijk, raad van de stad. Hij vervulde vele jaren een vooraanstaande rol in het stadsbestuur. Bij zijn begrafenis in het koor van de Grote Kerk wordt de doodsklok twee uur lang geluid. Voor de vervulling van de vacature worden op de nominatie geplaatst mr. Nicolaas Alexander Lelyveld, regerend schepen, en Jacobus Petrus de Jonghe, weesmeester. Opmerkelijk is dat de Erfstadhouder De Jonghe benoemt. Deze verklaart echter dat hij na rijp beraad tot de conclusie is gekomen, dat hij deze zware post niet meer met zijn hoge jaren kan combineren. Hij bedankt dan ook voor de eer. Opnieuw wordt een nominatie opgesteld met als 1e mr. Nicolaas Alexander Lelyveld en als 2e Cornelis van Citters van Bruelis. Begin 1774 komt van de Erfstadhouder bericht dat hij in de vacature Cornelis van Citters van Bruelis heeft verkoren. Opvallend is dat Lelyvelt voor de tweede achtereenvolgende maal wordt gepasseerd.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in 1774 schrijft de Erfstadhouder vanuit Soestdijk op de 9e juni 1774 dat hij tot burgemeester heeft benoemd mr. L.P. van de Spiegel en tot schepenen mr. J. Boogmaker, mr. J.A. van Dorth, mr. W. Canisius en mr. W.C. de Crane. De afgaande burgemeester doctor K. Lopsse wordt tot pensionaris-honorair benoemd, tot commissarissen van het collateraal F. de Keijser, mr. D.C. Keetlaar en M. de Meijer, tot weesmeesters J. Couwens en J.P. Dassevael, tot commissarissen van het landrecht L. Dijkwel en N. van Stevenink, tot president van het college van kleine zaken Z.D. van der Bilt en tot commissarissen uit het stadsbestuur J.A. Eversdijk en C. van Citters van Bruelis en uit de burgerij doctor C. Egter.

Het stadsbestuur geeft de secretarissen opdracht om voortaan, zoals dit in andere steden van de Republiek ook gebeurt, van de jaarlijkse gewone verandering van de magistraat en de tussenbeide invallende vacatures en suppleties in Wet en Raad in enige couranten kennis te geven.

Op 10 september 1774 presenteert burgemeester Keetlaar het stadsbestuur de door hem geformeerde registers op de notulen van de stad tot het jaar 1772. Deze worden ‘met erkentenisse’ aangenomen. Hij wordt bij monde van de voorzittende burgemeester plechtig bedankt. Het stadsbestuur besluit deze registers ter secretarie te bewaren en de secretarissen te verzoeken deze in het vervolg van tijd tot tijd te completeren.

In 1775, bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur, wordt tot burgemeester verkoren Johan Isebree en tot schepenen Adolf Ossewaarde, Z.D. van der Bilt van Cloetinge, B. Rimmers, J.A Eversdijk en C. van Citters. Tot pensionaris-honorair wordt aangesteld de afgegane burgemeester mr. W. van der Bilt van Cloetinge.

Op 30 december 1775 houdt het stadsbestuur haar laatste vergadering. Het enige bespreekpunt is het verslag van het bijwonen van het collegium qualificatum tot verandering van de Waalse kerkenraad. Tijdens deze vergadering zijn aanwezig de regerende burgemeester mr. L.P. van de Spiegel, de oud-burgemeesters mr. W. van der Bilt van Cloetinge, doktor K. Lopsse en mr. F.N. Keetlaar, en de raden M. de Meijer, mr. J.A. van Dorth, Adriaan Ossewaarde, mr. W. Canisius, mr. A.W. van Citters, mr. Antony Ossewaarde, Z.D. van der Bilt, P. Ossewaarde Pzoon, J.A. Eversdijk, mr. W.C. de Crane en C. van Citters van Bruelis.

 

Op 18 mei 1776 overlijdt oud-burgemeester doktor Kornelis Lopsse. Op de nominatie voor de vacante raadsplaats worden geplaatst Johannes Balduinus Petreus en Zacharias Coenraats. De Erfstadhouder benoemt Petreus tot lid van de raad.

In juni 1776 vraagt de schepen Zywert Diderik van der Bilt, heer van Cloetinge, ontslag. De Erfstadhouder benoemt in zijn plaats mr. Jan Boogmaker.

Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in 1776 volgt mr. W. van der Bilt van Cloetinge de afgaande burgemeester mr. L.P. van de Spiegel op. Tot schepenen worden verkoren Francois de Keijser, Marinus de Meijer, Pieter Ossewaarde en Johannes Balduinus Petreus.
Bij de jaarlijkse vermaking van het stadsbestuur in 1777 wordt tot burgemeester verkoren mr. D.C. Keetlaar en tot schepenen mr. J.A. van Dorth, mr. W. Canisius, mr. W.C. de Crane, mr. A.W. van Citters en mr. Anthonie Ossewaarde. De afgegane burgemeester Johan Isebree wordt tot pensionaris-honorair verkoren. Tevens wordt in december 1777 tot pensionaris-honorair van de stad aangesteld de heer Pieter Damas, Graaf van Hogendorp.

Het jaar 1777 wordt afgesloten met vermelding van de tijdens de laatste vergadering aanwezigen, te weten de burgemeesters mr. Willem van der Bilt van Cloetinge en mr. Dignus Cornelis Keetlaar, de oud-burgemeester mr. Laurens Pieter van de Spiegel, en de raden Marinus de Meijer, mr. Jan Boogmaker, mr. Johan Adriaan van Dorth, mr. Willem Canisius, mr. Aarnout Willem van Citters, mr. Antoni Ossewaarde, Zywert Diderik van der Bilt, Pieter Ossewaarde en mr. Wilhelmus Christianus de Crane.

Mr. Laurens Pieter van de Spiegel

In deze jaren vervult mr. L.P. van de Spiegel een spilfunctie binnen het stadsbestuur. In januari 1773 blijkt dit op treffende wijze. Burgemeester Isebree deelt het stadsbestuur dan mee dat oud-burgemeester L.P. van de Spiegel heeft verzocht om zijn functie van stadsdirecteur neer te leggen. Hij merkt echter op het voor het welwezen van de stad Goes ten hoogste noodzakelijk te vinden tot welwezen van de stad, dat Van de Spiegel in die charge blijft volharden. Het stadsbestuur besluit met eenparigheid burgemeeter Isebree en mr. Jan Boogmaker te verzoeken ‘om burgemeester Van de Spiegel met aandrang van redenen en alle empressement op het nadrukkelijkst te verzoeken en te adhorteren om zich in die charge den dienst van de stad niet te willen onttrekken maar daarbij te blijven volherden’.
Op de 9e januari rapporteren Isebree en Boogmaker dat ze indringend hebben gesproken met Van de Spiegel. Deze ‘bespeurende dat het het stadsbestuur aangenaam zou wezen dat hij de functie van stadsdirecteur zou blijven waarnemen en niet voornemens zijnde zich aan de dienst van de stad te onttrekken’ is bereid gevonden die charge weer op zich te nemen. Besloten wordt Van de Spiegel benevens de heren Isebree en Keetlaar als stadsdirecteuren te continueren tot de 5e januari 1774.

Functies en bedieningen

In april 1773 vertrekt notaris Frederik Roeteringh, wonende in ‘’t Wiethuys’ aan de Korte Kerkstraat nummer 15. Hij is aangesteld tot secretaris en boekhouder bij de plantages op Rio Demerarij en is voornemens zich eerstdaags naar deze kolonie te begeven. Hij krijgt ontslag als procureur voor de vierschaar en het landrecht. In zijn plaats wordt verkoren de heer J.G. Bellersheim. De overige procureurs in de stad zijn dan L. de Fouw, C. Dijkwel, D. van Steenhoven en J. de Windt.
De nieuwe procureur Bellersheim overlijdt in januari 1777. Zijn opvolger als procureur voor het gerecht van de stad en het landrecht is notaris Marinus van Uye.

In juni 1775 krijgt Quirinus Dominicus een brief van voorschrijving van het stadsbestuur om toegelaten te worden als notaris. Ook Jan de Fouw deelt in juni 1776 mee ‘dat hij zich sinds een geruime tijd ten comptoire van zijn vader Leonard de Fouw, notaris en procureur te Goes, geoefend heeft in de notariële praktijk en daardoor in staat is om het notarisambt te kunnen uitoefenen’. Hij krijgt een brief van voorschrijving om tot notaris te worden toegelaten.

Op 4 januari 1777 overlijdt de heer Gideon Ossewaarde, namens Goes lid van Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit en Ontvanger van de Convooien en Licenten en van de Grafelijke Tol. Het stadsbestuur draagt via het Goese lid van Gecommitteerde Raden Van Rosevelt als zijn opvolger voor de heer mr. Antoni Ossewaarde, raad en secretaris van de stad.

Hogere overheden

Op de 21e maart 1772 komt bericht binnen dat Hare Koninklijke Hoogheid, de gemalin van de Erfstadhouder Prins Willem V, wederom in gezegende omstandigheden verkeert. En enkele maanden later geeft de Erfstadhouder bericht dat Hare Koninklijke Hoogheid op 24 augustus gelukkig en voorspoedig is verlost van een welgeschapen Prins. Het stadsbestuur besluit ‘de goede burgers en ingezetenen van de stad van de bevallinge Harer Koninklijke Hoogheid bij een publicatie kennis te geven en dezelve te verzoeken dat, hoe zeer dit evenement, waarbij alle welmenende ingezetenen zo merkelijk zijn geïnteresseerd, zoude verdienen door publieke vreugdebedrijven aanstonds gecelebreerd te worden, bij provisie geen openbare tekenen van vreugde, hetzij van schieten of illuminatiën, te laten blijken’. Eerst zal afgewacht worden wat Gecommitteerde Raden hierover voorschrijven.

In september 1772 komt bericht van Gecommitteerde Raden van Zeeland dat ‘op de 17e dezer, zijnde de dag bestemd tot bediening van de Heilige Doop aan de Jonggeboren Prince van Orange Nassau, alomme in de publieke kerken binnen de provincie des avonds om vijf uur de Almachtige dankzeggingen zullen worden toegebracht voor dat het Zijne Voorzienigheid behaagd heeft hun doorluchtige Hoogheden met deze vorst te zegenen. Dat wijders den goedertierene God te zelver tijd zal worden gedankt voor het verlenen ener zo gewenst seizoen, gevolgd van een gezegende oogst, en het genoegzaam doen ophouden van de runderpest, mitsgaders voor de genadige bevrijding van zodanige bezoekingen, welke andere landen ook zwaar gedrukt hebben, en men met recht voor heeft mogen beducht zijn, met verzoek van die orders te stellen, dat met het opluiden der kerkklok, de winkels gesloten worden, teneinde alzo te beter gelegenheid gegeven worde om met de vereiste applicatie tot het gehoor te komen’. Tevens wordt besloten dat met deze plechtige dankure de maandelijkse bedestonden, bij resolutie van 9 december 1771 ingesteld, zullen ophouden.
De voorzittende burgemeester Johan Isebree wordt afgevaardigd om aanwezig te zijn bij de doop van de jonge Prins van Oranje Nassau.
Tevens besluit het stadsbestuur dat op de 17e september openbare vreugde zal worden bedreven met ’s morgens om 8 uur, ’s middags om 12 uur en ’s nademiddags om 4 uur 21 schoten uit het kanon te lossen en op dezelfde uren op de klokken te doen spelen, terwijl van de toren een vlag zal worden uitgestoken. Er zullen echter nergens illuminaties worden aangestoken.
Op de 17e zullen om 5 uur ‘in de publieke kerken de Almachtige dankzeggingen worden toegebracht voor de menigvuldige blijken Zijner aanhoudende Goedheid en Waakzame zorg voor het heil van Nederland en in het bijzonder van deze provincie’.
Op de 9e oktober 1773 komt er een kennisgeving van Gecommitteeerde Raden dat bericht is ontvangen van de Prins van Oranje en Nassau, dat zijn gemalin zich opnieuw in een gezegenden Staat van zwangerschap bevindt. Gecommitteerde Raden verzoeken er voor zorg te dragen ‘dat voortaan in de publieke kerken wierde gebeden dat God Almachtig Hare Koninklijke Hoogheid in hare zwangerschap wil bewaren, gelukkiglijk doen voortgaan en te zijner tijd een gewenschte verlossing geven’.

In februari 1774 ontvangt het stadsbestuur een missive van secretaris Van Citters, die de statenvergadering bijwoont, ‘dat Hare Koninklijke Hoogheid mevrouw de Prinsesse dinsdag laatstleden des avonds om half elf uur gelukkig verlost is van een welgeschapen Prins’. De burgers worden bij publicatie hiervan kennis gegeven. Daarop volgt een missive van de Staten met het verzoek ‘dat God Almagtig in de publijke kerken zal worden gedankt voor de gelukkige verlossing van Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Princesse van Orange en Nassau van een Prins’.

Financiën

Het stadsbestuur stelt in 1774 nieuwe tarieven vast voor de recognities die voor toegekende stadsambten betaald moeten worden. Deze bedragen voor de functie van:

  • gecommitteerde ter vergadering van hun hoogmogenden £ 36.13.4;
  • gecommitteerde ter rekenkamer van de Staten-Generaal £ 26.13.4;
  • raadsheer in de Hoge Raad £ 35;
  • gecommitteerde raad van Zeeland en ter admiraliteit £ 40;
  • gecommitteerde ter provinciale rekenkamer £ 23.6.8;
  • gecommitteerde in de Raad van State £ 36.13.4;
  • commies ter griffie van hun hoogmogenden £ 40;
  • secretaris van het Hof provinciaal £ 13.6.8;
  • baljuw van de stad £ 5.6.8;
  • licentmeester £ 4.13.4;
  • secretaris van de stad £ 4.13.4;
  • eerste griffier van de stad £ 8;
  • tweede griffier van de stad £ 4;
  • stadsbode £ 6.13.4;
  • conciërge van het stadhuis en waagmeester £ 6.13.4;
  • stedelijke schout £ 2;
  • majoor van de klapperwacht £ 2;
  • commies van de posterij £ 4;
  • lijkdienaar £ 3.10;
  • stadsomroeper £ 4;
  • koster van de Grote kerk £ 9.6.8;
  • koster van de Kleine kerk £ 2.13.4.