Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1772 - 1777)

Besmettelijke ziekte onder het vee

Op 20 juni 1772 wordt de Goese gedeputeerden naar de statenvergadering opgedragen ‘de Staten in overweging te geven, vermits het den Hemel beliefd heeft de drukkende en dreigende rampen van het land genadig af te wenden of zodanig te matigen, dat alle inwoners deswegens overvloedige stoffe van dankbaarheid hebben, of het derhalve niet betamelijk en geschikt was de ingestelde bedestonden na de 1e juli te doen ophouden en met een plechtige dankzegging voor de Goddelijke verschoning te besluiten’.

De regerend burgemeesters krijgen in maart 1774 machtiging om naar bevind van zaken toestemming te verlenen voor de invoer van beesten om te weiden binnen dit eiland uit het eiland van Wolphaartsdijk en Oostbeveland. Op 23 juli 1774 komt een missive van Gecommitteerde Raden van Zeeland binnen met kennisgeving ‘dat de ganse provincie door des Heeren Goedheid tegenwoordig meer dan zes weken bevrijd is geweest van de geduchte plaag der besmettelijke ziekte onder het rundvee’.

Maar eind 1774 breekt opnieuw de veeziekte uit. Gecommitteerde Raden sturen een publicatie waarbij het placcaat van 21 december 1769 tot bescherming tegen de verdere verspreiding van de besmettelijke ziekte onder het rundvee alsnog wordt verlengd tot 31 maart 1775. In Schouwen is de besmettelijke ziekte weer ontdekt. De invoer en uitvoer van rundvee wordt opnieuw verboden.

In april 1775 wordt het wenselijk geoordeeld dat de landzaten gelegenheid wordt gegeven zich van hun overtollig vee te ontdoen. Aan Gecommitteerde Raden wordt gevraagd om tot eind juni permissie te verlenen voor het uitvoeren van rundvee buiten het eiland. Er komt daarop bericht binnen dat dit toegestaan is tot 15 mei.
Ook de schout Stoffel de Leeuw krijgt vergunning om uit Oost-Beveland binnen het eiland over deze stad rundvee ter weiing te varen, mits het vee is voorzien van een behoorlijk certificaat van gezondheid. Ook de opgezetenen van het eiland van Wolphaartsdijk krijgen toestemming hun rundvee uit Wolphaartsdijk in dit eiland in te voeren om te weiden.
Op de 13e mei verlenen Gecommitteerde Raden toestemming om hoorn- en rundvee uit en in de eilanden naar en van buiten de provincie te laten voeren en in te brengen, mits dit geschiedt over deze stad en dat die permissie niet wordt gegeven voor de uitvoer van ongebeterd rundvee boven de twee jaar oud.

In januari 1777 krijgen de stadsecretarissen machtiging om aan degenen die dit verzoeken, uit naam van het stadsbestuur, toestemming te verlenen voor de uitvoer van rundvee. Het aantal beesten dat de schippers inladen moet duidelijk zijn. Op overtredingen staat een boete van ƒ 50 voor elk beest. Tevens wordt een ieder ernstig gewaarschuwd om, aangezien de ondervinding geleerd heeft dat de besmetting door personen in de klederen wordt overgebracht, niemand in de stallen te laten komen, maar de beesten buiten te brengen om aan kopers te tonen.

Stadsdokters

Dokter Cornelis Egter, gegradueerd in de medicijnen aan de Universiteit van Leiden, krijgt in juli 1773 toestemming om in de stad en jurisdictie de praktijk van medicine doctor uit te oefenen.
In juli 1773 overlijdt de stadsdokter Coenraat Coenraets. Terwijl de doodsklok anderhalf uur over de stad beiert, wordt hij begraven in de wandelkerk. De vacature van stadsdokter wordt voorlopig waargenomen door Cornelis Egter tot voordeel van de weduwe Coenraets. In december 1773 krijgt Egter zijn definitieve aanstelling als stadsdokter.

In 1776 krijgt de stad er zelfs een chirurg bij. Jean Pierre Ceve vertoont zijn bul als gepromoveerd doctor in de medicijnen aan de Academie te Rheims in het Franse Champagne. Hij krijgt toestemming om als doctor in de medicijnen binnen de stad te praktiseren. Tegelijk wordt hij aangesteld tot stadsoperateur en stadsdokter. De functie van stadsdokter is namelijk vacant door het overlijden van dokter Henricus Hallewaard.

Apothekers

Pieter Krekelenberg legt in augustus 1772 ten overstaan van de regenten Marinus de Meijer en Adolf Ossewaarde zijn proef af als apotheker.
In 1774 komen er klachten binnen dat door de apothekers soms geen goede medicijnen worden gebruikt. De overdeken van het apothekersgilde en de stadsdokters krijgen opdracht om de apothekerswinkels van tijd tot tijd te bezoeken wanneer ze dit nodig zullen oordelen.
De apothekers Marinus Codde, Jacobus Breekpot, Pieter Krekelenberg en Thomas Baker betogen in 1777 ‘dat de dokters binnen de stad niet mogen leveren enige medicijnen, alsmede dat de apothekers niet vermogen in het ambt van de heren doktoren te treden’. Ze merken op dat de baatzucht van de doktors zo ver gaat dat ze dit toch doen en verzoeken om een voorziening. In een acht pagina’s tellend geschrift geven de dokters M. Visser, R. Evertsen, H.J. Tielens, C. Egter en J.P. Cere een verweer op de aantijging van de apothekers.

Chirurgijns

In 1772 vertoont Antoni van Nieuwenhuise, gegradueerd tot medicine doctor op de Academie van Doesburg, het stadsbestuur zijn bul. Hij krijgt toestemming om als chirurgijn binnen het eiland en de stad te praktiseren. Als in oktober 1772 de chirurgijn Ary Krekelenberg overlijdt, wordt Van Nieuwenhuise tot een van de stadschirurgijnen aangesteld. Al spoedig hierna, in september 1773, overlijdt hij. Het stadsbestuur besluit, zoals vanouds gebruikelijk is geweest, dit ambt door enkele personen te laten waarnemen. Aangesteld worden Pieter Huisman en Willem den Boer. Het tractement van Van Nieuwenhuise wordt voor ieder de helft aan de nieuwe chirurgijns uitgekeerd.

Oude manhuis

Het stadsbestuur besluit op 7 augustus 1773 de eigenaars van het oude manhuis te gelasten ‘in het vervolg zorg te dragen dat het huis met alle de vertrekken en departementen van dien wekelijks behoorlijk wordt schoongemaakt, op straffe dat, wanneer bevonden wordt dat een der bewoners van de vertrekken van het huis daarin nalatig is, deze dadelijk daaruit zal worden geremoveerd en de eigenaars niet zullen vermogen zodanig een ongereinigd vertrek binnen de tijd van zes weken te verhuren’.

In december 1774 gelast het stadsbestuur ‘om redenen de eigenaars van het oude Manhuis secreten met vangputten op hun erve te laten maken en wel zorg te dragen, dat voortaan door de bewoonders van het huis generhande vuiligheid in het riool achter het huis lopende wordt gebracht, alsmede dat ook generhande vuiligheid uit de vensters op straat wordt geworpen’.

Arm- en weeshuis

De buitenregenten van het gecombineerde arm- en weeshuis delen in april 1773 mee dat Adriaan Blommert en zijn vrouw tot binnenvader en -moeder van het weeshuis te Tholen zijn aangesteld. Mocht de vrouw en dochter van Blommert onverhoopt tot last van de armen komen, dan zal de armenzorg van Goes hiervoor dienen te zorgen. In deze zin wordt een akte van garantie afgegeven.

In 1774 wordt de weduwe Cornelia Boogmaker-Hoogenhoed op haar verzoek vanwege aanhoudende ongeschiktheid ontslagen als buitenregentesse van het arm- en weeshuis, onder dankzegging voor de getrouwe diensten aan dat huis bewezen.
In de plaats van de in december 1774 overleden mevrouw de weduwe Catharina Stokmans-Pieroom wordt tot buitenregentesse van het arm- en weeshuis aangesteld de weduwe van de heer A. den Boer en in de plaats van de weduwe C. Boogmaker-Hoogenhoed, die haar ontslag heeft verzocht, de weduwe C. Zuidland-Groenenberge.

In 1777 nemen Matthijs Bondooij en zijn vrouw Cornelia Mus ontslag als binnenvader en -moeder van het weeshuis. Er wordt een advertentie geplaatst voor gegadigden. In hun plaats komen Hendrik de Zomer en Maria de Groot, thans vader en moeder in het oude mannen-, vrouwen- en weeshuis te Veere.

De buitenregenten van het arm- en weeshuis krijgen in 1774 machtiging tot het verkopen van een stuk land, dat het huis met ‘de armen’ van Eversdijk in gemeenschap bezit. Ook in 1777 mogen de buitenregenten van het huis een hofstede en land gelegen in de Nieuwe Craaiert en het hout van een bos onder Ovezande, groot 4 gemeten en 229 roeden, tot het meeste voordeel van het huis verkopen.

Armenzorg

De buitenregenten van het gecombineerde arm- en weeshuis verklaren in januari 1773, mede namens de Nederduitse diaconie, dat de spinfabriek sinds de oprichting een aanzienlijk nadelig slot heeft. Dit is dermate ernstig dat, als de fabriek op dezelfde wijze wordt voortgezet, hetgeen niet anders te voorzien is vanwege de onbedrevenheid en kwaadwilligheid van de spinners en de weinige aftrek van het linnen, de beide diaconieën daardoor totaal zullen worden geruineerd. Tevens verzoeken ze middelen te beramen die de opgerichte fabriek in stand kunnen houden. Burgemeester Johan Isebree en mr. Willem van der Bilt krijgen opdracht, hetzij tot vernietiging hetzij tot instandhouding van de spinfabriek, middelen te beramen die het meest geschikt zijn.

Het stadsbestuur overweegt in 1773 naar aanleiding van de rapportage van de gedeputeerden ‘uit aanmerking dat, indien de fabriek zonder groot verlies kan voortgezet worden, deze tot merkelijk soulaas van de armenmiddelen zou strekken, aangezien vele personen daardoor worden afgeschrikt van de armen onderstand te verzoeken’. Besloten wordt de buitenregenten en diakenen te machtigen de spinfabriek nog enige tijd in werking te houden. Ze krijgen uit de stadskas gecompenseerd hetgeen bevonden zal worden daardoor verloren te zijn. Intussen worden ze verzocht uit te denken en aan de hand te geven zodanige middelen die het meest dienstig zijn om de fabriek gaande te houden.

De buitenregenten van het arm- en weeshuis betogen in juli 1773, dat de tot soulaas van de armenmiddelen opgerichte spinfabriek door de kwaadwilligheid en onkunde van de spinners niet langer kan worden gaande gehouden, tenzij tot grote schade van de stad, voor wiens rekening de fabriek sinds enige tijd heeft gelopen. Het stadsbestuur besluit de buitenregenten en de broeders diakenen van de gereformeerde Nederduitse gemeente te machtigen met de fabriek te stoppen. Zo loopt een veelbelovend initiatief ten einde.

In november 1774 besluit het stadsbestuur tot het opnemen en sluiten van de rekening van het weeshuis en van de spinfabriek aan te wijzen mr. L.P. van de Spiegel en dokter K. Lopsse met macht van substitutie. Op de 12e november doen de heren rapport van het nazien van de rekeningen. De rekening van het weeshuis is in een zeer goede orde bevonden. Bij het opnemen van de rekening van de spinfabriek blijkt dat het weeshuis en de diaconie op die fabriek vanaf de oprichting tot 9 januari 1773 (sinds welke deze ingevolge de resolutie van die dag voor rekening van de stad is gaande gehouden) hebben verloren £ 120 en vanaf 9 januari 1773 totdat de fabriek is opgeheven £ 33 Vlaams. De stadsrentmeester krijgt opdracht het kwade slot van de rekening van de spinfabriek van £ 33 ingevolge de resolutie van 9 januari 1773 uit de stadskas aan het weeshuis en de diaconie terug te betalen.

Weduwenbeurs

Oud-burgemeester Van de Spiegel legt in februari 1773 het stadsbestuur een plan voor tot het verbeteren van de weduwenbeurs binnen de stad. De stadsdirecteuren en burgemeester Lopsse hebben dit plan bekeken. Ze rapporteren dat volgens het plan de contributies zeer gering en dragelijk zullen zijn en door hun grote aantal een goede steun voor het fonds van de beurs zullen helpen uitmaken. Ze bevelen het plan als zeer nuttig voor de burgerij aan het stadsbestuur aan. De secretarissen krijgen opdracht conform het plan een reglement op te stellen. In mei 1773 stelt het stadsbestuur het vernieuwde Reglement van de weduwen- en wezenbeurs vast. Daarmee is het reglement van 16 oktober 1751 vervallen. De achttien artikelen van het nieuwe reglement worden in het notulenboek ingeschreven.