Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1778 - 1784)

Algemeen

Mr. Groen van Prinsterer beschrijft deze periode in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland op de volgende wijze: ‘Rampzaliger tijd heeft de Republiek niet gekend. Aanvankelijk voorbeeldenloze welvaart, zacht beheer, uitzicht op winstgevende neutraliteit. Aan het einde, welvaart en handel verspeeld; de Staat verzwakt door schadelijke oorlog en schandelijke vrede, verscheurd door inlandse twist. Nauwelijks tien jaren en, door het toegeven aan wanbegrippen en driften, was geluk en zegen in jammer en ellende verkeerd’.  

Het zijn jaren van dreigende onheilen. Er zijn allerlei oorlogsdreigingen in Europa. Ook onder de burgerij zijn er toenemende spanningen en binnenlandse twisten. De economie kwijnt. Ook de toenemende verlanding van het vaarwater, het Goese Diep, en de moeilijke bereikbaarheid van de haven is funest voor een aantal bedrijfstakken. De oorlogsdreiging vanuit Engeland heeft een verlammende werking voor de scheepvaart en koophandel. De inkwartiering van het garnizoen betekent een drukkende last voor de Goese inwoners.

Oorlogsdreiging

Op 31 januari 1778 komt er van de Staten van Zeeland bij het stadsbestuur een zogenaamde biddagbrief binnen, waarbij de 18e februari wordt aangewezen als de algemene dank-, vast- en bededag.
Het college ter Admiraliteit in Zeeland wijst de Zeeuwse Staten in januari 1778 met nadruk op de noodzakelijkheid van aanbouw van 24 oorlogschepen, de vereiste reparatie en verdieping van ’s Lands dok te Vlissingen en de aanvulling van de wapenmagazijnen.
In november 1778 rapporteert de Goese afgevaardigde, secretaris Van Citters, uit de statenvergadering over de tumultueuze bewegingen op Walcheren.
Een half jaar later, in april 1779, komen er ‘secrete ouvertures’  binnen van de Zeeuwse Staten en van de Erfstadhouder over de kritieke toestand waarin ons land zich bevindt temidden van alle oorlogsdreigingen in Europa. Het doel is om een strikte neutraliteit in acht te nemen.
Weer een half jaar later, in januari 1780, dringen twee onheilstijdingen door. Het ene bericht is dat de besmettelijke ziekte onder het rundvee op Walcheren te Krommenhoeke is uitgebroken. Het andere is van Gecommitteerde Raden met het bericht dat het konvooi van Schout bij nacht Bijland, dat op 27 december van Texel was uitgezeild, zich aan de Engelsen heeft moeten overgeven. In de volgende maanden is er heel wat te doen in Gecommitteerde Raden over de vrijlating van het door de Engelsen genomen konvooi van Schout bij nacht Bijland. Het stadsbestuur ontvangt hierover steeds informatie.

In maart 1780 wordt in de Zeeuwse Staten, en daardoor ook via de Goese afgevaardigden in het stadsbestuur, in het geheim gesproken over het uitrusten van een equipage van 52 schepen en fregatten van oorlog. Ook in april delibereren de Staten over de kritieke omstandigheden waarin de Republiek zich thans bevindt en over de uitrusting van 52 schepen van oorlog. Het stadsbestuur van Zierikzee ligt dwars. Uiteindelijk krijgen de Heren van de Admiraliteit de boodschap ‘dat de provincie haar quote niet verder zal furneren als ter advenante van de continuatie van de drie thans in dienst zijnde schepen’.

Op 25 oktober 1780 beraadslaagt het stadsbestuur uitvoerig over het verhandelde in de Staten over de onderhandelingen met het Hof van Rusland en de oorlogsdreiging uit Groot Brittannië. In de loop van november nemen de oorlogsdreigingen dagelijks toe. In december krijgen de Goese gedeputeerden naar de statenvergadering opdracht ‘in te brengen om in deze critieke omstandigheden wekelijkse publieke bedestonden te doen houden, teneinde den Goedertieren God te bidden dat hetgeen ter beveiliging van de Republiek en van deze Provincie in het bijzonder in het werk zal worden gesteld, gezegend worde en het vaderland nog lange met alle gewenste voorrechten bewaard blijve’.
Eind december is er volop oorlogsdreiging vanuit Engeland. Hierover geeft het notulenboek een uitvoerige verslaglegging.

Op 9 januari 1781 schrijven de Staten van Zeeland de stadsbesturen, ‘in welkers havens enige equipages van koopvaardijschepen geschieden, dat ze onmiddellijk moeten verbieden en dadelijk beletten het uitlopen van zeeschepen uit hun havens voor de 20e januari’. In de loop van januari heerst er volop oorlogsdreiging vanuit Engeland. Stadsecretaris Van Citters rapporteert uit de Statenvergadering onder meer over de premie voor de commissievaarders en het plakkaat tegen het inlopen van Engelse kapers.
De Staten van Zeeland schrijven een algemene dank-, vast- en bededag uit op de 14e februari.

Op 10 februari 1781 komen plakkaten van Gecommitteerde Raden bij het stadsbestuur binnen over het verbod van uitvoer en toevoer naar Groot Brittannië van oorlogsammunitie en contrabande goederen; over het provisionele verbod van particuliere scheepvaart uit de zeehavens van deze landen naar alle rijken en staten hetzij door het Canaal of achter Engeland; over het verbod van uitvoer van scheepsmaterialen en schepen voor de aanbouw van schepen; over het verbod van gebruik van de schepen voor rekening van de Koning van Groot Brittannië. Verder komen er voorschriften over de vermeerdering van de landmacht tot een aantal van 50 à 60 duizend man en om de frontierplaatsen in behoorlijke staat te brengen en de magazijnen met de vereiste oorlogsammunitie te voorzien. Koortsachtig worden ’s lands magazijnen op sterkte gebracht door de inkoop van artillerie en ammunitie.
In juni 1781 is er een drukke correspondentie tussen Gecommitteerde Raden en de Zeeuwse steden over de toestand van de staat, het uitrusten van oorlogschepen en het beschermen van de schepen naar Oostindië. Opmerkelijk is de vermelding: ‘Wordende eindelijk de heren geautoriseerd omme te insteren dat het besogne gedecerneerd over het advies van de heren van Middelburg, op de 14e mei jl. uitgebracht, speciaal concernerende de billijke klachten van voornoemde heren over de werkeloosheid en inactiviteit waarmee de zaken binnen de Republiek tot algemene defensie getrakteerd worden, ten spoedigste worden gepurgeerd’.

Intensieve beraadslagingen zijn er in juli 1781 over de belabberde toestand van de Staat en de defensie. Er heerst alom ongenoegen en wrevel over de werkeloze inactiviteit van de Stadhouder. Grote zorgen zijn er over de verdediging van de provincie. In augustus 1781 worden uitvoerige beschouwingen gewijd en correspondentie gevoerd tussen Gecommitteerde Raden en de steden over de toestand van de Staat, het optreden van Van Brunswijk Wolfenbüttel en het zwakke optreden van Stadhouder Willem V.

In oktober 1781 delen Gecommitteerde Raden mee dat ze op verzoek van Zijne Doorluchtige Hoogheid, de heer Prince van Orange, aanschrijving hebben gedaan aan de baljuwen van de stemmende steden ‘om met de nodige omzichtigheid alle devoiren aan te wenden teneinde zeker oproerig geschrift, dezer dagen in druk uitgekomen onder den titel ‘aan het Volk van Nederland’, niet verder worde verspreid en deszelfs auteur worde ontdekt’.

Van Gecommitteerde Raden van Zeeland komt in februari 1782 bericht over de oorlogsdreiging vanuit Engeland. De tot nu toe genomen maatregelen waren vooral gericht op een aanval van kapers en lichte schepen en zeker niet op een onverhoedse landing en geenszins tegen een superieure macht van oorlogsschepen. Vanaf het begin is geoordeeld dat de defensie daartegen overgelaten moet worden aan de vloten van de Staat. Omdat onze kusten en zeegaten daar nu van ontbloot zijn, uiten Gecommitteerde Raden hun ernstige bekommernis, zeker nu er geruchten gaan over een op Zeeland gerichte expeditie vanuit Engeland. Ze geven in overweging om, zolang er geen vloot voor de kusten patrouilleert, de tonnen in de zeegaten weg te nemen of te verleggen. Het stadsbestuur besluit aan te dringen op een vergadering van de staten over dit onderwerp.

Grote zorgen over de Republiek

In juni 1782 ontvangt het stadsbestuur een missive van de Staten van Zeeland van de 28e mei met het bericht ‘dat zij uit aanmerking van de duistere en kommerlijke omstandigheden, waarin de Republiek zich thans bevindt, vermits het God Almachtig gelieft heeft deze Verenigde Nederlanden te bezoeken met eenen verderfelijke oorlog ter zee’. Besloten wordt dat in verband met de order van de Staten op de tweede woensdag van elke maand, ’s avonds om zes uur, openbare plechtige bedestonden zullen worden gehouden.

Het stadsbestuur gelast haar gedeputeerden naar de statenvergadering over te brengen op welke wijze het stadsbestuur ‘met bekommering is aangedaan over de algemene situatie van de Republiek, daar deze zich voortdurend bevindt in een allerverderfelijkste oorlog’. Ze beroept zich op de plechtige verzekering van de Staat dat de kusten van Zeeland binnen korte tijd met een respectabel eskader in de Noordzee zou worden gedekt, wanneer men zich de uitzonderlijke uitgaven als noodzakelijk zou willen getroosten. ‘Maar ondertussen wordt aan die verwachting niet beantwoord. Integendeel, de uitvoering der zaken geschiedt met een traagheid, die naar werkeloosheid gelijkt, waarvan de oorzaken niet te bevatten, tenminste het stadsbestuur van Goes volstrekt onkundig zijn en waarvan de gevolgen allernadeligst zich openbaren’. Uit geruchten blijkt dat de uitrusting van de schepen van de vloot allerbelabberdst is. Het stadsbestuur overweegt zelfs de bedestonden te beëindigen. De reden daarvan is ‘dat wel gebeden kan worden dat de wapenen van de Staat gezegend zullen worden, maar dat dit krachteloos wordt als de Staat haar wapenen zo zeer verwaarloost’.

Het stadsbestuur ontvangt begin januari 1783 een missive van de Staten van Zeeland van 23 december 1782. Er is een kopie bijgevoegd van een brief van de Hoogmogende Heren Staten-Generaal met klachten, gedaan door de Envoijé van de Koning van Pruisen over de strafwaardige wijze, waarop Hare Koninklijke Hoogheid, mevrouw de Prinses van Orange, zijn nicht, in een kwaadaardig libel getiteld: ‘Brief over de waare oorsaak van ’s Lands ongeval gevonden tussen Utrecht en Amersfoort’, in haar persoon op een allerverfoeielijkste wijze wordt behandeld en ten toon gesteld, gevende de heer Envoyé kennis van hoogstderselver gedane aanschrijving aan de respectieve baljuwen van de stemmende steden van Zeeland met last om met de nodige omzichtigheid alle devoiren aan te wenden, teneinde het geschrift niet verder worde verspreid en, indien het mogelijk is, de auteur worde ontdekt, in verwachting dat het stadsbestuur wel zodanige orders wil stellen, waardoor de devoiren der officieren van de justitie worden gesouteneerd en het oogmerk van de missive van hun hoog mogenden kan worden bevorderd’. De baljuw gaat direct in eigen persoon op onderzoek uit bij de boekverkopers. Bij geen van hen blijkt het geschrift aanwezig, veel min dat dit door hen verkocht wordt.

In februari 1783 komt bericht binnen over de gesloten vrede tussen Frankrijk en Spanje enerzijds en Groot Brittannië anderzijds. Het stadsbestuur constateert met leedwezen dat dit voor de Republiek slechts een wapenstilstand inhoudt tussen Groot Brittannië en de Staat.

Veertien maanden later, in april 1784, komen er geruchten binnen over keizerlijke troepen aan de grenzen van de Republiek. Het stadsbestuur besluit daarop in een extra-ordinaire vergadering op 7 april 1784 tot een opmerkelijke stap.
De voorzittende burgemeester maakt uit naam van de regerende en oud-burgemeesters ernstige bezorgdheid kenbaar over de toestand van de Staat. Naar aanleiding daarvan besluit het stadsbestuur de gedeputeerden naar de staatsvergadering op te dragen om bij de eerste geschikte gelegenheid aldaar het volgende voorstel te doen: ‘De heren gedeputeerden van Goes vinden zich gelast ter tafel van uw edelmogenden te brengen dat ze met uiterste aandoening hebben gezien, hoe, sedert enige tijd, de publieke schriften en gesprekken in sommige naburige provincies vervuld zijn geweest met klachten over misbruiken en verkeerdheden in de behandeling van ’s lands zaken en over toeleg of werkelijke indracht op de voorrechten der ingezetenen, hetwelk tot gevolg heeft een algemeen wantrouwen, beroering en verwarring, in meest alle departementen, terwijl de grote zaken van de Republiek zowel ten aanzien van haar buitenlandse belangen als de inwendige vastigheid en orde der regering onder de voortdurende twisten moeten verwaarloosd worden. Een situatie die ze voor zo bekommerlijk aanzien, dat, zonder een spoedig hulpmiddel, de Republiek, midden onder de voordelen, welke de Goddelijke Goedheid ons nog aanbiedt om te genieten, zal verloren gaan.
Dat het stadsbestuur van Goes reeds lang heeft gewacht, dat uit een der provincies die de meeste reden daar toe hebben, een propositie zou gedaan zijn, om toereikende maatregelen uit te denken, zowel tot een grondig herstel van reële misbruiken als tot wegruiming van kwalijk opgevatte verdenkingen, maar dat zij zich nu niet langer hebben kunnen dispenseren deze gewichtige zaak ter tafel van hun edelmogenden te brengen, omdat zij het gevaar van dag tot dag zien toenemen en zich verzekerd houden dat zulk een toestand van zaken, als waarin de Republiek zich tegenwoordig bevindt, aan zich zelven overgelaten wordend, niet kan verbeteren maar op den duur moet verergeren tot dat het herstel onmogelijk zal gemaakt worden’.
Het stadsbestuur verzoekt ‘een extra-ordinair besogne te beleggen, teneinde in het zelve te examineren welk de beste middelen zouden zijn overeenkomstig met de constitutie en regeringsvorm van deze Republiek om alle redenen van klachten en wantrouwen weg te nemen, de abuizen die er in het publiek bestier mochten zijn ingeslopen, overal te herstellen, de voorrechten en vrijheden der ingezetenen tegelijk met de tegenwoordige regeringsvorm op een vaste voet te stabileren en daardoor onder Gods Zegen de Republiek weder te brengen tot de oude luister en welvaart, mitsgaders dat de deliberatiën van dit besogne behoorde te worden aangevangen en voortgezet, met dien ijver en spoed als het gewicht der omstandigheden, waarvan ’s Lands wel- of kwalijkvaren afhangt, noodwendig vorderen moet’. Tot dit extra-ordinaire besogne wordt voorgedragen mr. Antoni Ossewaarde.

Helaas, op 24 april 1784 constateert het stadsbestuur met leedwezen dat de Staten nauwelijks acht nemen op haar indringende pleidooi om een extra-ordinair besogne te houden over de toestand van de Staat. Besloten wordt zich nu tot de Hoogmogende Heren Staten-Generaal te wenden met een uitvoerig schrijven. Het interessante schrijven begint op de volgende wijze:

‘Hoog Mogende Heeren,
Wanneer men ernstig nadenkt over de gebeurtenissen, waarvan deze Republiek sedert de drie laatste jaren het ongelukkig toneel is geweest, moet men verwonderd staan, hoe het mogelijk zij dat een Staat, weleer zoo bloeiend in aanzien en zoo beroemd door de Wijsheid der Regering, in zulk een korte tijd tot een onvoorbeeldelijke laagte en verslagenheid is gebracht…’.

In september 1784 krijgt iedereen langzamerhand meer dan genoeg van de Hertog van Brunswijk! Dit blijkt uit het volgende.
Gesproken wordt over een Rapport van de 9e september m.b.t. de op de 3e mei 1766 gepasseerde Acte van Consulentschap tussen Zijne Hoogheid en de Veldmaarschalk, de Hertog van Brunswijk, en over de missive van de Hertog van de 30e augustus. Daarbij verzoekt hij ‘in substantie dat zij niet gelieven te concurreren om zijne bij Vriesland en Holland besloten demissie en remotie van zijn persoon van het territoir der Republiek ter Generaliteit te helpen concluderen, maar integendeel om het daar heen te helpen dirigeren dat aan hem een convenabele gelegenheid wordt gegund en op alle bezwaren en beschuldigingen zijne defensie te kunnen allegeren en zich behoorlijk te kunnen justificeren en verantwoorden.
Hieromtrent zijn de commissarissen van oordeel dat hun edelmogenden, zoveel de provincie Zeeland aangaat, behoren te besluiten om de Hertog van alle zijn ambten en bedieningen die hij in de Staat der Verenigde Nederlanden heeft bekleed te dispenseren en af te wijzen alle de posten daartoe betrekkelijk op de Staat van Oorlog, zonder nochtans hiermee te willen prejudiceren aan de eer en goede naam van de Hertog’.
De Hertog moet zich voor het einde van het jaar buiten de Republiek begeven en houden en alle papieren, charters en documenten, de regering, financiën en fortificatiën rakende, overgeven. Hun edelmogenden moeten de Acte van consulentschap geheel vernietigen, alsof deze nooit ware gepasseerd geweest.

Op zondag 7 november 1784 leest de burgemeester een door de gisteren afgezonden expresse teruggebrachte brief van kapitein Van Volbergen voor. De brief houdt in dat ’s avonds te voren gemaakt vuur was voor de Kruisschans, dat de sluizen op alle forten werkten, wat de keizerlijken getracht hebben te beletten, men nu en dan met luchtballen en schroot heeft geschoten om hen te verwijderen en dat alles stil was. Eindelijk dat de vaartuigen voor het Kieldrechtse Gat geplaatst, de Vlamingen naar zijn gedachten wel wat in respect zullen houden.

In dezelfde vergadering verschijnen twee in- en opgezetenen van de Parochie en Heerlijkheid van Crabbendijke voor het stadsbestuur. Ze verklaren dat ze daar en in de Reigersbergse Polder in de gepasseerde nacht zeer duidelijk hebben gezien en gehoord van de kant van het fort Lillo een gedurig bombardement, even alsof het fort was aangevallen, zonder dat ze eigenlijk konden bepalen de uitkomst van het geval. Dat zij het echter nodig hadden geoordeeld om onmiddellijk zich daar heen te begeven om aan het stadsbestuur hiervan kennis te geven met verzoek uit naam van de in- en opgezetenen aldaar om in de vrees en ongerustheid waarin zij zich bevinden zodanige provisionele voorzieningen te doen als het stadsbestuur tot wering van onheilen in staat is. Het stadsbestuur besluit per expresse van dit geval aan de heer Ossewaarde, stadsecretaris en de Goese gedeputeerde ter Statenvergadering, kennis te geven met het verzoek bij Gecommitteerde Raden te bewerkstelligen dat het stadsbestuur toegestaan wordt om twee compagnieën van het garnizoen van de stad naar Crabbendijke en de Reigersbergse Polder te detacheren, dat de staf en de twee compagnieën uit Veere voor deze stad gedestineerd ten eerste worden afgezonden en dat ze mogen worden geautoriseerd om zoveel manschappen als ze nodig zullen oordelen en ter plaatse daar het vereist wordt in het vervolg af te zenden. Het stadsbestuur besluit tevens een expresse naar de Reigersbergse Polder af te zenden met last om daar of desnoods aan boord van het oorlogschip de Pallux, gecommandeerd door kapitein Van Volbergen, op het nauwkeurigst zich van deze zaak op de hoogte te stellen en daarvan rapport te doen.
Secretaris Ossewaarde schrijft in antwoord op de brief van gister, dat hij zijn commissie heeft uitgevoerd o.a. met het dringende verzoek dat de staf en twee compagnieën uit Veere op aanstaande dinsdag naar het eiland zullen worden getransporteerd. Hierop is echter geen besluit in de statenvergadering genomen.