Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1778 - 1784)

Bevordering economische bloei

Stadsecretaris Ossewaarde rapporteert in juli 1783 uit de statenvergadering over de deplorabele toestand van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De grootste oorzaak is de nog steeds niet geëindigde ongelukkige oorlog met Engeland, ‘alzo de zaken maar weinig weken kunnen worden gaande en buiten confusie gehouden worden indien dezelve niet met een dadelijk fournissement van penningen wordt ondersteund’. Het voorstel is ‘de Compagnie tegemoet te komen in een petitie van ƒ 2294400 om deze in het armeren van hun schepen vermits het gemis van convooi tegemoet te komen’. Hierover zal nader worden gedelibereerd.
In augustus 1783 wordt besloten ‘te consenteren in de continuatie van de lening van £ 200000 tot hun edelmogenden nadere order en verder in consideratie te geven om hangende hun deliberaties over de petities van 14 millioenen en 12 tonnen de beide posten, bij het evengemelde rapport van de 4e augustus voorgeslagen, aan de Oost Indische Compagnie uit ’s Lands kas te verstrekken’.

In november 1783 komt in de statenvergadering aan de orde dat de bewindhebbers van de Oost-Indische Compagnie in zware zorgen verkeren over het verloop van de compagnie, voornamelijk wegens gebrek aan geld. De staten beraadslagen over een lening van 4 miljoen gulden. Begin december wordt besloten ‘om aan de Oost-Indische Compagnie, in de plaats van het te verlenen credit tot het negotiëren van 16 tonnen goud uit de wisselbank van Middelburg, teneinde hieruit de eerste nood te helpen, uit te keren een som uit ’s lands kasse, mits dat Middelburg een gelijke som fourneert’.

Gecommitteerde Raden van Zeeland geven in juni 1784 kennis van het indienen van een petitie bij de Raad van State tot een bedrag van 2 miljoen gulden om daarmee de Generale West-Indische Compagnie van deze landen te subsidiëren.

 

Meekrapnering

In maart 1781 delen de portionarissen van de meestoof ‘de Son’ (de zogenaamde Sonstoof) mee ‘in het afgelopen jaar het ongeluk te hebben gehad dat hun meestoof gedeeltelijk door de alvernielende vlammen is geruïneerd. En was het niet door de goede directie van de generale brandmeesters en oplettendheid van de burgers, tot de brandspuiten behorende, de gehele stoof zou lichtelijk in de as zijn gelegd. Dit zou voor sommige reders een totale ruïne teweeg hebben gebracht. Welk ongeluk ons overkomen zeker tot groot nadeel van de stad is. In de eerste plaats hebben we met onze goederen een goed heenkomen moeten zoeken. In de tweede plaats weer een fabrijk minder, tgeen een discieraad voor een stad is, wanneer fabrieken worden geruïneerd en niet weder opgebouwd. Ten andere dat verscheidene arme ingezetenen daar in de bittere winter hun brood mede winnen, die anders door de armen moeten worden bedeeld’. Ze zijn wel genegen het pand weer op te bouwen en een straatweg op hun kosten te laten aanleggen en te onderhouden om hun goederen van en naar de stoof beter te kunnen transporteren, ‘alzo de avenue naar de stoof in de winter voor geen mens of beest om te passeren is en dus ook zeer moeilijk is in geval van brand om met de brandspuit erbij te komen’. Ze verzoeken vrijdom van de stadswaag voor de tijd van 21 jaar, evenals dit in het eiland Tholen aan de portionarissen in een meestoof in een dergelijk geval volgens hun bericht is geaccordeerd. Ze beloven in dat geval de meestoof weer te zullen opbouwen en een straatweg naar de stoof en rondom het gebouw te leggen.
De brief is ondertekend door: J. de Lasabel, Willem Beijaard, Matthijs Cakebeeke, Jacobus Joël en Jan Soutendam.

Het stadsbestuur besluit de portionarissen het recht van vrijdom van de stadswaag voor de tijd van 21 jaar ingaande 1781 te verlenen. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • ze zijn verplicht het resterende van hun stoof af te breken en zodra mogelijk geheel te verplaatsen en opnieuw op te bouwen aan de andere zijde van de haven bij de meestoof ‘de Liefde’, de zogenaamde ‘Liefdestove’, of ter plaatse door de stadsfabriek aan te wijzen;
  • na afbraak zal de grond, ter plaatse daar thans de ‘Zonstoof’ staat, op hun kosten en tot genoegen van de stadsdirecteuren weer worden geëffend;
  • de stad behoudt aan zich de eigendom van de grond op de plaats daar de meestoof zal worden herbouwd;
  • na beëindiging van de 21 jaar vrijdom van de stadswaag zullen de eigenaren van de ‘Zonstoof’ aan de stad bovendien betalen een jaarlijkse 200e penning van £ 5.

Maar de eigenaren van de meestoof geven daarop, in april 1781, te kennen dat ze, na het op hun vorig verzoek ontvangen gunstig octrooi, vooral vanwege de hoge raming van kosten van de timmer- en metselaarsbazen, boven hun verwachting tot hun leedwezen niet in staat zijn tot het verplaatsen van de meestoof. Ze verzoeken de 21-jarige vrijdom van de stadswaag alsnog te verlenen als ze beloven de stoof niet alleen te zullen opbouwen op de plaats daar hij nu gedeeltelijk nog staat, maar ook de rijweg met puin behoorlijk zullen onderhouden.
Het stadsbestuur besluit hen de vrijdom van de stadswaag te verlenen zoals hun bij resolutie van 3 maart 1781 is toegestaan, mits ze voldoen aan de daarbij aangegeven voorwaarden zover deze van toepassing zijn ‘en onder conditie van de stoof te zullen laten opbouwen, de rijweg derwaarts jaarlijks behoorlijk te zullen laten onderhouden en eindelijk van nu af aan te betalen een jaarlijkse 200e penning van £ 5 ten profijte van de stad’.

Interessant is het overzicht van de opbrengsten van de meekraprederij over de jaren 1759 tot en met 1779, dat de meekrapreders van de Zonstoof naar het stadsbestuur sturen. Hieruit blijkt dat vooral de jaren 1764 tot en met 1772 goede opbrengsten opleverden.

1759    £ 13.06.11
1760    £   8.16.03
1761    £ 11.06.07
1762    £ 20.01.03
1763    £ 12.15.10
1764    £ 29.10.04
1765    £ 35.15.09
1766    £ 16.10.08
1767    £ 28.01.08
1768    £ 35.06.09
1769    £ 38.03.06
1770    £ 27.00.10
1771    £ 29.18.01
1772    £ 39.09.03
1773    £ 22.02.11
1774    £ 11.06.08
1775    £ 08.01.09
1776    £ 12.10.02
1777    £ 16.03.08
1778    £ 26.12.01
1779    £ 17.13.06

Brouwerijen

De gezamenlijke bierbrouwers, Jacobus Dominicus van brouwerij ‘het Witte Claverblad’, Beestenmarkt nummer 1, Jacobus de Jongh Wzoon van brouwerij ‘de Gans’, Wijngaardstraat nummer 29, en Dignus Boutens van brouwerij ‘de Fortuyn’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, verzoeken in oktober 1784 toestemming om hun bieren, zowel verse als oude, aan de kroeghouders en drankverkopers voor niet minder te mogen verkopen dan tegen zes gulden per ton en deze ook aan de godshuizen tegen zes gulden per ton te mogen leveren.

Volgens de goedgunstige resolutie van het stadsbestuur van de 10e oktober 1767 is aan de toenmalige brouwers in de brouwerijen toegestaan om het bier aan de kroegen en bierwinkels te verkopen voor vijf gulden de ton. Tot op heden hebben ze dit ook gedaan. Ze bemerken echter nu ‘tot hun grote schade dat, uit hoofde van de meerdere duurte van de granen en hop en het kostbare onderhoud van hun brouwerijen, tot voorkoming van het verval van hun brouwnering een matige verhoging noodzakelijk is’. Ze stellen dan ook voor per ton zes gulden te mogen rekenen en ook aan de godshuizen voor zes gulden per ton te mogen leveren.
Het stadsbestuur besluit het eerste verzoek af te wijzen. Niettemin wordt de bierbrouwers voorlopig gelaten ‘de faculteit om hun bieren tot zodanige prijs te verkopen als zij naar de waarde der ingrediënten als anderszins zullen vermenen te kunnen doen’.

Graanhandel

Het stadsbestuur stelt in 1778 een nieuwe Ordonnantie op de korenmeters vast. Deze wordt opgenomen in het ordonnantieboek en met de druk gemeen gemaakt. In 1784 wordt de Ordonnantie op de korenmeters van 24 januari 1778 gewijzigd in die zin ‘dat het graan hetwelk door de burgers of ingezetenen binnen de stadspoorten in hun schuren wordt opgemend en gedorst, bij verkoop daarvan berustende in de schuren, pakhuizen of zolders binnen de stad, door de korenmeters niet zal moeten worden gemeten, maar met de eigen maten van de burgers of ingezetenen zulks zal gedaan worden, op dezelfde voet als bij verkoop van het graan der landzaten practicabel is’.

Wijnnering

In deze jaren worden verscheidene vrije wijnkopers binnen de stad toegelaten, evenals grossiers in sterke dranken.
Sem Pronck en Antoni de Broekert krijgen in 1779 vergunning om op te treden als grossiers in sterke dranken, evenals Carel Quirijnis Pyll en Johanna Schuiling voor het verkopen van sterke dranken als grossier. Als vrije wijnkopers worden toegelaten Carel Quirinus Pijll en Jan Dominicus Dzoon in 1781, evenals Jacobus Willem de Jongh en Sem Pronck in 1783.

Ook enkele slijters vestigen zich in de stad. Zo krijgt Gerrit Jan Hageman vergunning om tot onderhoud van zijn huishouden brandewijn, genever en andere gedestilleerde wateren te verkopen.

Zoutnering

Met ongenoegen constateert het stadsbestuur in juni 1779 dat sommige luiden zich niet ontzien kolen uit de zoutketen binnen de stad te brengen. De ondervinding heeft meer dan eens geleerd hoe licht daardoor brand kan ontstaan. Tegen het verkopen en inbrengen van kolen uit de zoutketen binnen de stad is al bij resolutie van 5 januari 1716 voorzien. Het stadsbestuur besluit nogmaals te verbieden het verkopen en inbrengen van kolen uit de zoutketen binnen de stad. Tevens wordt verboden het werpen of storten van enige vuiligheid in de stadsachterhaven of de kaai.

In 1783 worden de eigenaren van de zoutketen benaderd door de eigenaren van de keten te Middelburg met het verzoek om gezamenlijk bij Gecommitteerde Raden een rekest in te dienen tot ondersteuning van een verzoek aan de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden om ontheffing van de belasting op het inkomende klipzout. De meeste Goese eigenaren van zoutketen hebben geweigerd dit rekwest mede te ondertekenen ‘als begrijpende om verscheidene redenen de frequente invoer van het klipzout in het generaal schadelijk voor de zoutnering’. Burgemeester Van der Bilt stelt daarom uit naam van de zoutkeetbazen voor dat, als een zodanig rekwest gepresenteerd wordt, als stadsbestuur daarin niet te bewilligen. De gedeputeerden ter staatsvergadering worden gemachtigd om het rekwest, dat staat gepresenteerd te worden, ter deliberatie van het stadsbestuur over te nemen.

Molens

Gortmolens

De gortmolenaar Jacobus van Kleijnputte verzoekt in februari 1778 om, behalve het pellen van gort, zich ook te mogen generen met ‘het breken van zogenaamd Juffrouwgort van gepelde gerst met een molen en stenen door paarden gedreven en niet met breekstenen op zijn ordinaire pelmolen’. Hij wil dit doen ‘tot meerder goedmaking van zijn lasten en onderstand van zijn huisgezin’. De boekweitmalers binnen de stad geven hierover advies. Ze zijn van mening dat het verzoek strijdig is met artikel 46 van het Plakkaat van de Staten van Zeeland van 16 september 1766 op het gemaal. Het zal tot nadeel zijn van de geoctrooieerde boekweitmolens.

Niettemin besluit het stadsbestuur het verzoek in te willigen en Van Kleijnputte toestemming te geven om met een molen door paarden en stenen gedreven en niet met breekstenen, op zijn ordinaire pelmolen van gepelde gerst zogenaamd Juffrouwgort te breken zonder daarmee gort of meel van boekweit te malen of te breken.
Van Kleinputte krijgt in juni 1780 verlenging van het octrooi, dat voorheen aan de eigenaren van de gort- en pelmolen (laatstelijk Pieter de Keijser’s weduwe op 20 december 1766) is  verleend, dit om alleen en met uitsluiting van alle anderen de gort- en pelmolen op het Ravelijn bij de Koepoort gaande te houden voor de tijd van veertien jaar.
In augustus 1783 krijgt Van Kleijnputte toestemming om tot gerief van zijn snuiffabriek stenen op zijn pelmolen te stellen. Hij krijgt ook vergunning om garstegort bij de kleine maat te verkopen.

Boekweitmolens

In april 1779 wijzen de boekweitmalers in de stad, Nicolaas van der Hagen en Antoni Pieter op ’t Hof, er op dat hun op 17 november 1765 verleende octrooi dit jaar afloopt. Op hun verzoek om opnieuw octrooi voor 14 jaar krijgen ze verlenging met uitsluiting van alle anderen binnen de stad en jurisdictie om de boekweit- en gortmalerij uit te oefenen. Echter zonder nadeel van het octrooi, verleend aan de gortmolenaar Jacobus van Kleinputte.

Oliemolens

Op zondagavond 2 april 1780 waait door een geweldige stormwind de oliemolen op de kattenberg om. Oliemolenaar Jacob Tavenier deelt het stadsbestuur ‘tot zijn smertelijk leedwezen mee dat hij het droevige ongeluk heeft gehad dat op zondagavond de 2e april door een schielijk opgekomen geweldige stormwind zijn olijmolen, genaamd de Kattenmolen, gestaan hebbende aan de westzijde van deze stadswal, nabij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, is omgewaaid en door de val het voornaamste van zijn molen als de as, de roeden, etc. aan stukken is geslagen. Daardoor is hij in de uiterste ellende en armoede gedompeld’. Hij vraagt daarop toestemming ‘om tot vinding van een gedeelte van de penningen voor de herbouwing van zijn omvergewaaide oliemolen binnen de stad en onder de jurisdictie van de stad onder zijn medeburgers en verdere ingezetenen een collecte te mogen doen’. Tevens verzoekt hij om brieven van voorschrijving aan andere steden en plaatsen voor het houden van een collecte. Het stadsbestuur besluit dit verzoek van de hand te wijzen.

In augustus 1780 geeft Pieter van Kleinputte te kennen dat hij genegen is om op de hoogte, de zogenaamde Kattenberg, aan de westzijde van de stadswal nabij de ’s-Heer Hendrikskinderen Poort, daar de molen van Jacob Tavenier gestaan heeft, een dubbele olymolen te laten bouwen. Het stadsbestuur geeft hem toestemming op de kattenberg op de Westwal een dubbele olijmolen te stichten. Hij krijgt vrijdom van de jaarlijkse belasting van £ -.6.8 Vlaams, die door de eigenaar van de vorige oliemolen werd betaald tot profijt van de stad. Ook krijgt hij vrijdom van het kaaigeld van de voor de molen benodigde materialen die hij van elders moet laten komen en vergunning voor het laten verwerken van zijn zaad, olij en koeken en voor het laten vervoeren daarvan zijn eigen vrijman, knechts en paarden te gebruiken. De toegangen van weerskanten naar de molen op de Kattenberg, van de Stoofstraat en de Nieuwstraat, zullen op stadskosten zodanig worden gemaakt dat deze met geladen wagens kunnen worden bereden om het benodigde tot kort bij de plaats te laten vervoeren.

De eigenaren van de oliemolen aan de oostzijde van de stadshaven buiten de Bleikveldse Poort gaan in december 1780 met het stadsbestuur een contract aan voor het rooien van enige bomen van de stad, die voor de molen in het malen hinderlijk zijn. Volgens dit contract zullen alle bomen die hinder veroorzaken worden gerooid. In de plaats daarvan zullen binnen veertien jaren geen andere geplant mogen worden. Voor iedere plaats daar een boom zal worden gerooid, zal jaarlijks gedurende veertien jaar door de eigenaren betaald dienen te worden een schelling tot voordeel van de stad.
De eigenaren van de oliemolen betalen voor het door de stad uitslaan en in 14 jaren niet opnieuw planten van 83 stuks bomen die aan de molen hinderlijk zijn £ 4.3.

In november 1783 besluit het stadsbestuur op verzoek van de eigenaar van de oliemolen ‘de Hoop’ dat de molenaars en hun knechts van de oliemolens binnen de stad zullen worden gebracht onder de eed om bij het uitmeten en afleveren van olie een ieder zijn gerechtigheid te geven. De eigenaars van de oliemolens dienen in het vervolg telkens bij het aannemen van nieuwe knechts aan de burgemeester daarvan kennis te geven.

Houtzaagmolen

De Goese gedeputeerden naar de staatsvergadering krijgen in april 1781 opdracht het verzoek van Marinus Harinck om vrijstelling van de betaling van de 200e penning op zijn houtzaagmolen ‘de Eendracht’ wegens de achterstallige jaren sinds de stichting van de molen te ondersteunen en te bepleiten dat hij voor het toekomende mag volstaan met de 100e penning.
In september 1781 worden de Goese gedeputeerden naar de statenvergadering opgedragen ‘het daarheen te dirigeren dat het advies van de heren van de rekenkamer van de 27e augustus over de betaling van de 200e penning der achterstallige jaren van de zaagmolen ‘de Eendracht’ en het verzoek om vrijdom van die last van het daarbij gebouwde kleine molentje van Marinus Harinck in een besogne nader worde geëxamineerd’.

De eigenaar van de houtzaagmolen, Marinus Harinck, geeft het stadsbestuur in november 1783 te kennen dat hij en ook die van het timmerliedengilde en alle ingezetenen van de stad volgens de ordonnantie verplicht zijn 2½ % kaaigeld te betalen. Van dat kaaigeld zijn de timmerlieden en anderen op het platteland sinds enige jaren vrijgesteld. Daardoor kunnen deze hun houtwaren voor 2½ % minder leveren, dit tot groot nadeel van de stadstimmerlieden. Daar komt nog bij dat deze timmerlieden hun goederen door hun eigen arbeiders laten lossen en dat nadat ze het hout soms meer dan 3 à 4 dagen op de kaai hebben laten liggen, deze met hun eigen wagens of die op hun dorp zijn gehuurd wegvoeren en daardoor in staat zijn (waarop zij zich ook beroemen) bij bestedingen hun werk voor 2½ % minder aan te nemen of hun houtwaren voor zoveel minder kunnen leveren dan de burgers van de stad.
Verscheidene ingezetenen op het platteland en voornamelijk die woonachtig zijn te Cloetinge, Capelle, Biezelinge, s-Gravenpolder, Nisse, ‘s-Heer Hendrikskinderen en Wissekerke zouden hem met hun leveranties begunstigen. Dit zou strekken niet alleen tot voordeel van de stadsfinanciën maar ook van de arbeiders binnen de stad alsook die van het schippersgilde door welke hij zoveel mogelijk zijn houtwaren laat vervoeren.

Het stadsbestuur voelt hierin mee en besluit dat voortaan van alle houtwaren, zonder onderscheid of ze nu binnen de stad of naar het platteland vervoerd worden, de belasting van het kaaigeld volgens de ordonnantie dient te worden betaald.

Markten

Zuivelmarkt

Gedurende deze jaren is de functie van poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse Poort en de Hoofdpoort gecombineerd met ‘het sluiten en ontsluiten van de kettingen bij de Kleine of Gasthuiskerk aan het eind van de Lange Vorst voor de dinsdagse zuivelmarkt’ en ‘het spannen van de reep op de Beestenmarkt op de toondagen en de paardenmarkt’.

Jaarmarkt  

Elk jaar wordt ter gelegenheid van de aanstaande jaarmarkt de presiderende burgemeester gemandateerd tot het al of niet toelaten van vertoningen op de aanstaande jaarmarkt en volgens een oud gebruik alle ergernissen op de aanstaande jaarmarkt te weren. Ook wordt met regelmaat besloten op de aanstaande jaarmarkt niet toe te laten enige komedianten, koorddansers, rijffelaars, draayborden of dergelijke, ook geen bedelaars. De schippers varende van de stad wordt aangezegd om geen bedelaars of gebrekkige personen naar Goes met zich mee te voeren. ’s Heeren dienaars dienen bij de aankomst van schepen attent te zijn om bedelaars te arresteren en in een verzekerde plaats te brengen tot de eerste gelegenheid van het vertrek van een beurtschip naar Bergen op Zoom.

Beurtveren

Beurtveer op Amsterdam, Haarlem en Zaandam

In oktober 1782 wordt op verzoek van Nicolaas Vervenne, beurtschipper van Goes op Amsterdam, en Cornelis Katsman, varende als knecht bij Vervenne, besloten Katsman in de plaats van Vervenne aan te stellen tot vaste beurtschipper van Goes op Haarlem, Zaandam buiten de sluis en Amsterdam.

In april 1784 beklaagt een aantal kooplieden zich over de beurtschipper op Amsterdam. Deze schijnt nu besloten te hebben niet meer op Amsterdam te varen. Ze verzoeken hen toe te staan vreemde schippers voor het vervoer van hun vrachten te mogen gebruiken. De brief is ondertekend door de kooplieden Gerard de Leeuw, Jan Soutendam, Jacobus Jaspers, Cornelis Reuss, David de Klerk, Michiel Soeten, Francois Karol en Jan Barbier.

Beurtveer op Dordrecht

De beurtschipper van Goes op Dordrecht, Cornelis Oversluis, verklaart in 1784 genegen te zijn ontslag te nemen uit zijn bediening van beurtschipper. Zijn opvolger moet dan wel zijn vaartuig overnemen. Besloten wordt de functie voor vacant te beschouwen. Aangesteld wordt Pieter de Ridder. Hij zal het schip van Oversluis tegen de taxatieprijs overnemen.

Beurtveer op Middelburg

In november 1780 schrijft het stadsbestuur van Middelburg dat Enoch de Rapper, de koopmansbode op Goes, is overleden. De stad Middelburg wil voortaan een vaste beurtschipper op Goes aanstellen en de vacante plaats van koopmansbode daarmee combineren. Daartoe is aangesteld Jacob Dolk. Dolk wordt door het Goese stadsbestuur erkend en voorzien van een bekwame leg- en laadplaats in de haven en van zodanige voorrechten waarvan de beurtschippers en koopmansboden gewoon zijn te profiteren.

Beurtveer op Rotterdam

In maart 1781 worden de burgemeesters Keetlaar en Van der Bilt gemandateerd om bij het aansmakken voor het bedienen van het Rotterdamse veer voor een jaar als naar gewoonte zodanig te handelen als zij tot het meeste gerief van de kooplieden en passagiers en ten beste van het veer naar bevind van zaken zullen nodig oordelen, hetzij met maar een schipper hetzij met twee daartoe te laten aansmakken.

Het stadsbestuur besluit in 1783, vanwege de slechte bediening van het veer van Goes op Rotterdam, een vaste beurtschipper aan te stellen op zodanige condities als het stadsbestuur zal goedvinden nader te bepalen. Het veer wordt van nu af aan vacant verklaard. Behalve de aan te stellen schipper en degene die van Rotterdam vaart, zal er nog een uit de brede beurt voor een jaar bij aansmakking het veer helpen bedienen.
Er wordt een ordonnantie voor het beurtveer op Rotterdam vastgesteld. Daarin wordt onder meer het volgende bepaald.

  • De beurtschipper zal gehouden zijn met alle vigilante voor de goederen, die hem door burgers of kooplieden worden meegegeven, te zorgen, de passagiers met alle vriendelijkheid te bejegenen en ten gerief van de passagiers zich te voorzien van ordentelijke bedden met derzelver toebehoren, mitsgaders van ordentelijk keuken- en tafelgereedschap.
  • De beurtschipper zal zonder verzuim verplicht zijn z’n beurt op de bepaalde tijd altijd te vervullen, uitgezonderd bij storm en vorst.
  • Hij zal bij zijn aanstelling tot profijt van het weeshuis betalen ineens 20 rijksdaalders en jaarlijks aan de stadsrentmeester £ 5.6.

Tot beurtschipper op Rotterdam wordt aangesteld Claas Vervenne Phzoon.

Beurtveer op Veere

Andries van der Mast, beurtschipper van Goes op Veere, krijgt in september 1783 op zijn verzoek ontslag uit zijn bediening. De functie wordt vacant verklaard. Zijn nog gebruikte schuit zal tot het bedienen van het veer worden overgenomen voor een som van ƒ 1600 behalve nog ƒ 100 voor de inboedel en losse goederen. Tot nieuwe beurtschipper van Goes op Veere in de plaats van Van der Mast wordt aangesteld Cornelis Reinout, op voorwaarde dat hij de poonschuit van Van der Mast overneemt voor een som van ƒ 1600 en ƒ 100 voor de losse goederen.

Beurtveer op Vlissingen

In juni 1780 verleent het stadsbestuur van Vlissingen Abraham Weije op zijn verzoek ontslag als beurtschipper van Vlissingen op Goes. Thans is het de beurt van Goes om een beurtschipper aan te stellen. Tot beurtschipper van Goes op Vlissingen en van Vlissingen op Goes wordt aangesteld Johannes Hoogelande voor een bedrag van 600 gulden per jaar. Hij moet wekelijks op woensdag varen van Goes naar Vlissingen en op zaterdag van Vlissingen naar Goes, tenzij door weer of wind daarin verhinderd.
In september 1782 krijgt Janis Hoogelande op zijn verzoek ontslag als beurtschipper op het veer Goes-Vlissingen. In zijn plaats wordt Gerrit de Heere aangesteld als beurtman.

Beurtveer op Zierikzee

De stadsregering van Zierikzee geeft in mei 1778 kennis van de aanstelling van Cornelis Reinhout tot beurtschipper van Zierikzee op Goes in de plaats van Gijsbregt Snels, die ontslag heeft gevraagd. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Herbergen en tapperijen

Coffyhuizen

Telkens voor aanvang van de jaarlijkse Jaarmarkt krijgen de beide coffyhuishouders, Benjamin Hoogelande van het coffyhuis Turfkade nummer 13 en Leendert van de Weele van het coffyhuis Grote Markt nummer 22, vergunning om gedurende de jaarmarkt in hun coffyhuizen wijn te schenken.

In 1780 krijgt de coffijhuishouder Leendert van de Weele toestemming om in de stadsmuur, uitkomende op de Oude Vismarkt achter zijn coffyhuis op de Grote Markt, te plaatsen een deur en venster. Hij verplicht zich deze muur te onderhouden en de reparatie daarvan voor altijd voor zijn rekening te nemen. Hiermee gaat het stadsbestuur akkoord.
Later in het jaar blijkt waarvoor hij deze voorziening nodig heeft. Coffyhuishouder Van de Weele krijgt dan vergunning om een oven, geschikt voor de tinnegieterij, koperslagerij en blikslagerij, te plaatsen achter zijn coffyhuis.

In oktober 1780 geven de herbergiers en de coffyhuishouder Benjamin Hoogelande te kennen dat Leendert van de Weele, mede coffyhuishouder, sinds enige dagen zonder toestemming onder daartoe ingetekend hebbende personen in zijn huis gelagen zet en wijn schenkt. Dit is enkel aan de herbergiers, die daarvoor een recognitie betalen, toegestaan. Ze verzoeken tegen deze onbetamelijke handelwijze maatregelen te nemen. Het verzoekschrift is ondertekend door Jan de Fouw (‘de Voetboog’), Johanna Cornelia Spelle (‘de Handboog’), Maria Paret (‘de Busse’), Jan Poelman (‘de Soutkeete’ aan de Grote Markt), Antonie Molhoek (‘de Prince’ aan de Nieuwstraat), Benjamin Hoogelande (‘het Royale Coffyhuis’) en Helena Slover. Het stadsbestuur besluit de coffyhuishouder Van de Weele te verbieden aan iemand (uitgezonderd aan de leden van de al sinds enige jaren in zijn coffyhuis gehouden sociëteit) aan zijn huis wijn te schenken of enige gelagen te zetten ofschoon de wijn door enige personen bij een wijnverkoper wordt gekocht.

Herbergen

Er zijn deze jaren negen herbergen in de stad, te weten ‘de Schanse’, ‘de Prince’, ‘Soutensthuijn’, ‘de Soutkeete’, ‘de Gouden Leeuw’, ‘de Handboge’, ‘de Voetboge’, ‘d’edele Busse’ en ‘’t Schippershuis’.
In 1779 krijgt Maria Paret, thans in haar moeders plaats conciërgeresse van de schutterij van de edele Busse aan de Wijngaardstraat, vergunning om in de schutterij herberg te houden.
Hubertus Harinck Fzoon krijgt in 1781 vergunning om in ‘de Prince’  in de Nieuwstraat nummer 14 de tappersnering als herbergier te doen.

Kroegen

Er zijn deze jaren 22 kroegen in de stad. Er vinden nogal wat mutaties plaats in de eigenaren van kroegen en tapperijen. Zo krijgt Adriaan Raas vergunning om in het huis ‘Boomstee’ brandewijn, genever, bier en andere gedestilleerde wateren als kroeghouder uit te schenken en te verkopen. Boudewijn Schipper mag dit doen in de kroeg ‘de Koning William’, staande tussen de twee waterpoorten. Johannes Babtist de Keij krijgt vergunning om in het huis ‘het Molentie’, staande aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, kroeg te houden. Geertruid Oudelande mag de kroeghoudersnering doen in het huis ‘de Blaauwe Steen’.
Johan Willem Weijdman krijgt vergunning om in het huis ‘de Drie Kroontjes’  in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat de tappersnering van bieren en sterke dranken als kroeghouder te doen. Ook Jacobus Verburg mag in de kroeg ‘Goeree’, voorheen ‘de Papekerke’, aan de oostzijde van de Grote Kade nummer 38 de kroeghoudersnering doen.
Hetzelfde mogen Adriaan Rentmeester in de kroeg ‘de Groene Jager’ op de Beestenmarkt en Johannes Babtist Philippus in de kroeg ‘het Wapen van Amsterdam’ in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat doen.

Bakkerijen

In juli 1779 dient de meester broodbakker Alexander Antoine Lubin twee verzoeken in. Allereerst wenst hij ‘dat hij niet alleen het aan hem bestelde gebuilde blekke brood op zijn venster mag plaatsen, maar ook dat hij ten gerieve van een ieder zulk brood in het vervolg op de koop mag bakken’. En verder verzoekt hij ‘of het Frans brood een duit meerder in prijs dan tegenwoordig mag worden verhoogd of dat het anderhalf lood minder in gewicht mag worden gebakken’.

Zulk brood droogt in het bakken aanmerkelijk meer uit dan het gebuilde brood en dus zal dit, gebakken zijnde, de bakkers weinig of geen winst daarop kunnen hebben. Besloten wordt het 5e artikel van de Ordonnantie op het bakkersgilde van de 1e april 1775 zodanig vast te stellen dat de bakkers voortaan zullen vermogen hun grof gebuild brood,  hetzij besteld of op de koop, in blekken te bakken en op hun vensters te plaatsen, mits zich houdende aan het gewone pas en gewicht zoals bij de ordonnantie bepaald.

In juni 1780 koopt Jacobus Ramondt uit de boedel van Willem van de Kerkhoven een woonhuis in de Ganzepoortstraat. Dit huis is tot op heden gebruikt als peperkoekbakkerij. Hij is voornemens om daar in de broodbakkerstijl te gaan doen. Behalve de daar staande bakoven heeft hij nodig een fornuis voor het heet maken van water. Hij krijgt vergunning om in dit huis een bakoven en een fornuis voor het heet maken van water aan te brengen.

Smederijen

Leendert van der Weele kreeg in 1767 al toestemming zijn proef als blikslager te doen. Jaren is hij blikslager geweest, totdat hij het koffyhuis op de Grote Markt overnam. In 1780 krijgt hij vergunning om een oven, geschikt voor de tinnegieterij en de koper- en blikslagerij te plaatsen achter zijn koffyhuis aan de Grote Markt met een uitgang op de Oude Vismarkt.

Zilversmid Adriaan Boddingius mag in 1782 in zijn gekochte pakhuis aan de Korte Vorststraat een gemetseld fornuis voor het zilversmeden plaatsen.

Ook Johannes Verwest verzoekt in 1782 een smidse te mogen oprichten in het Papegaaystraatje. Hij schrijft ‘dat hij van jongsaf  het slotensmidambacht geleerd heeft, hetzelve al bij de tien jaren als meesterknecht te Vlissingen heeft waargenomen en nu wel genegen is slotensmidbaas alhier te worden’. Hij wil graag een smidse oprichten in het door Ary van den Hoven bewoonde huis op de hoek van het Papegaaystraatje en de Korte Vorststraat, dat hij van hem heeft gekocht heeft.
Het stadsbestuur wijst dit om redenen van veiligheid af. Daarna gaan de  stadsdirecteuren in onderhandeling met Verwest over het verkopen van een aan de stad vervallen huis, genaamd ‘de Bonte Koe’,  aan de Beestenmarkt nummer 4, op voorwaarde dat hij daar een smederij mag oprichten.
De stadsdirecteuren krijgen machtiging het huis ‘de Bonte Koe’ tot het meeste voordeel van de stad aan Verwest te verkopen. Na inspectie van de generale brandmeesters of ter plaatse een smidse kan worden gesteld, wordt overeenstemming bereikt met Verwest over de verkoop van ‘de Bonte Koe’ voor £ 50. Daardoor komt aan het kroeghouden in dit pand sinds vele jaren een einde. Verwest krijgt toestemming om in dit pand een smidse te maken.

In 1783 verzoekt Pieter Fabrij om, na een gedane proef in de smidse bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort van Gerard Steijns, de hoefsmederij te mogen uitoefenen. De overdeken van het smedengilde rapporteert dat over het verzoek geen andere overwegingen zijn voorgekomen als dat Fabrij van de Roomse religie en geen ingeboren burger is. Volgens de resolutie van 8 november 1760 mogen geen roomsgezinden dan ingeboren burgers worden gepermitteerd het hoefsmeden uit te oefenen. Fabrij heeft echter verklaard eerstdaags van de Roomse religie afstand te zullen doen en ‘tot de waare hervormde kerk over te koomen’, wanneer het gilde geen zwarigheid zou maken gunstig op zijn verzoek te berichten. Het stadsbestuur besluit Fabrij toe te staan om na het doen van een behoorlijke proeve in de smidse van Steijns het hoefsmeden uit te oefenen, ‘mits uiterlijk binnen de tijd van zes maanden belijdenis doende van de Hervormde godsdienst’.

Zilversmid Jan Boddingius krijgt in 1784 vergunning om in zijn huis ‘de Vos’ aan de Lange Kerkstraat nummer 8 een fornuis te plaatsen voor het zilversmeden.
Ook de goud- en zilversmid Adriaan van den Thoorn krijgt in 1784 vergunning om onder toezicht van de stadsfabriek het vuurinstrument voor zijn goud- en zilversmederij benodigd in een ander vertrek van zijn huis te plaatsen.

Wagenmakers

Wagenmaker Adamus Meijler geeft in 1778 te kennen dat hij het ambacht van wagenmaker al vele jaren heeft uitgeoefend. Hij is genegen dit binnen de stad als vrijmeester te doen. Daarbij geeft hij in overweging dat hij zich het meest op het maken van rijtuigen en niet zo zeer op het boerenwerk toegelegd heeft. Dus wat dat betreft zal hij de hier ter plaatse gevestigde wagenmakers niet zeer benadelen. Hij krijgt vergunning om, nadat hij tot burger zal zijn toegelaten, het wagenmaken als vrijmeester uit te oefenen.

In april 1779 beklaagt de meester wagenmaker Meijler zich bij het stadsbestuur dat sommige lieden binnen de stad gebruik maken van rijtuigen, die van buiten de stad alhier worden ingebracht, aan anderen weer te verkopen tot groot nadeel van hem en zijn confraters. Hij verzoekt te verbieden dat nieuwe rijtuigen van elders worden ingebracht. Bepaald wordt dat niemand binnen de stad enige rijtuigen op andere plaatsen zal mogen laten maken of elders gemaakte rijtuigen zal mogen ontbieden of laten inkomen met het voornemen om deze in de stad aan anderen te verkopen. Daarentegen staat het een ieder vrij om tot eigen gebruik rijtuigen elders te laten maken en binnen de stad te laten inkomen zoals dit vanouds gebruikelijk is geweest.

Hoedenmakers

De hoedenmakerbaas Pieter Machielse krijgt in 1778 vergunning om in het huis in het Wittepaardstraatje nummer 5, dat hij van zijn broer Gerard Machielse heeft gekocht, de hoedenmakerij te bedrijven ‘gelijk zijn broeder al over lang gedaan heeft’ en voor het fabriceren van hoeden een fornuis te laten maken.

Het stadsbestuur besluit in 1780 de hoedenfabrikeurs binnen de stad voor het aanstaande pachtseizoen dezelfde vrijdommen van stadswege te verlenen als volgens de resolutie van 26 september 1778 is geaccordeerd, te weten zes hoeden smeekolen, tien schalen Schotse kolen, een last turf en van zoveel halve vaten bier als zij hoeden smeekolen tot hun fabriek zullen nodig hebben en nog van zes zakken boskolen.

Kaarsenmakers

Philippus de Wijs deelt het stadsbestuur in 1779 mee genegen te zijn bij zijn ambacht als  schilder zich te generen met het maken van kaarsen. Hij krijgt vergunning een fornuis te plaatsen in het huis van Leendert Mus aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat nummer 26.

In 1780 verzoeken de schildersbazen en de kaarsenmakers binnen de stad of ze gezamenlijk tot een hoofdgilde mogen worden gebracht, gelijk dit ook in andere steden plaats heeft. Nu behoren ze nog tot het kramersgilde; ze wensen tot een apart gilde te behoren. De kaarsenmakers verzoeken tevens een voorziening tegen de uitvoer van roet uit de stad en op het kopen en verkopen van roet. Het stadsbestuur besluit echter beide verzoeken af te wijzen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat er omstreeks 1780 tien schildersbazen in de stad zijn, namelijk Jacobus Louwaart, Willem de Wolf, Philip de Bruine, Elisa Bruinsen, Jan Verheule, Cornelis van Uije, Cornelis Pieterse, Frederik Goosen, Philippus de Wijs en Jan van Akkeren.
Er zijn negen kaarsenmakers in de stad, namelijk de schildersbazen De Wolf, De Bruine, Verheule, Van Uije en De Wijs en verder Cornelis Briels, Frans van Balen, Abraham Boone en Willem Goeree.

In het verzoekschrift wijzen ze er ook op ‘dat de kaarsenmakers ondervinden en dat jaarlijks ook meer en meer toeneemt, dat vele personen zich toeleggen om op de jaarlijkse koeiemarkten, zo binnen de stad als ten plattelande, te kopen niet alleen de huiden maar ook daarbij het smeer der beesten, zodat ze niet in staat zijn om tot hun fabrijk genoegzaam smeer te kunnen bekomen, aangezien de kopers van huiden het smeer en de huiden door elkander rekenende, voor het smeer meerder per pond kunnen betalen’. Ze zijn daardoor genoodzaakt het smeer van elders te laten komen.

De schildersbaas en kaarsenmaker Cornelis van Uye krijgt in 1781 vergunning om zijn voor het kaarsenmaken benodigde fornuis te verplaatsen. Tevens krijgt hij toestemming om op een geschikte plaats in zijn huis een ast te laten maken voor het drogen van tabak.
Ook Hendrikus Johannes van ’t Hof mag in 1783 in het huis ‘de Meerseman’ in de Lange Vorststraat nummer 4, laatst bewoond door de weduwe van Robertus van Nol, een fornuis voor de kaarsensmelterij laten maken.

Tabaknering

Verscheidene ‘tabakfabriekjes’ ontstaan in de stad. Niet minder dan negen tabakdrogers en - kervers krijgen vergunning om een droogast of vuurinstrument op te laten stellen.
Zo deelt Willem Sluijter het stadsbestuur in augustus 1778 mee dat hij in 1774 vergunning heeft verkregen om in het huis ‘de Klokke’ aan het westeinde van de Ganzepoortstraat een droogast voor zijn tabakstrafiek te laten opstellen. Onlangs is hij van daar verhuisd en nu woont hij in een huis aan de westzijde van de Lange Vorststraat nummer 77. Hij wil zich daar opnieuw bezig houden met de tabakstrafiek en vraagt vergunning om daar een droogast voor het drogen van tabak te maken. Hij krijgt daarvoor toestemming.
In mei 1779 krijgt Cent Frisson vergunning om in zijn huis aan de Ganzepoortstraat een nieuwe ast te laten maken voor zijn tabakfabriek, geschikt voor het drogen van tabak, evenals de andere tabakverkopers.
Ook Cornelis Baster mag in november 1779 in zijn huis een vuurinstrument laten maken voor de tabaknering of het kerven van tabak, evenals Cornelis Pieterse in april 1780.
De wijnhandelaar Carel Quirinus Pijl krijgt in 1780 vergunning voor het plaatsen van een vuurmachine voor het gaande houden van zijn tabaknegotie en een voor het tabakkerven benodigd instrument te laten maken. In oktober 1780 verzoekt Jacobus Johannes Pietersen ‘zich toe te mogen leggen op het malen en raspen van snuijf en als fabriqueur’.  Hij krijgt vergunning om zich in de stad te vestigen als fabrikeur van karotten en snuiftabak. Ook Cornelis van Uyen, schilder en kaarsenmaker, krijgt in 1781 toestemming om op een geschikte plaats in zijn huis een ast te laten maken voor het drogen van tabak.
Jacobus de Wijs krijgt in augustus 1781 vergunning om een fornuis te laten maken voor het droogmaken van tabak in het huis ‘de Sterre’ van zijn vader Jan de Wijs in de Lange Kerkstraat nummer 28. Cornelis Pieterse mag in maart 1782 in zijn huis aan de Lange Kerkstraat nummer 42 een voor zijn tabaknegotie benodigd vuurinstrument laten aanbrengen.
In maart 1783 krijgt Hermanus Stael vergunning om in zijn huis een stenen ast voor het snijden en drogen van tabak aan te laten brengen.

Steenhouwerijen

In juni 1778 ontstaan er verschillen van mening tussen de metselaarsbazen en de steenhouwer binnen de stad over de letterlijke zin van de resolutie van 1 maart 1777. Het stadsbestuur bepaalt dat de metselaarsbazen geen ‘bewerkte’ steen zullen mogen ontbieden, maar alleen ‘onbewerkte’ steen, tenzij het palen, bakken of dergelijke betreft, die voldoende bewerkt uit de steenputten komen. De metselaarsbazen worden op het ernstigst bevolen onder de naam van kleinigheden geen steenhouwerwerk te doen, wat in strijd is met de inhoud van hun rekwest. Tenslotte wordt hen onder het oog gebracht dat het de intentie van het stadsbestuur is geweest de metselaarsbazen toe te staan steen te verkopen en niet om de steenhouwer dit te verbieden. Deze is hier, naast de metselaarsbazen, toe bevoegd.

De metselaarsbaas Francois van Baalen geeft in januari 1779 te kennen ‘dat door het overlijden van Hendrik Zwieter niemand binnen de stad vrijbaas is in het steenhouwergilde en de weduwe in onmacht is om te laten werken, waardoor veroorzaakt wordt dat de knechts, welke zonder opzicht van een baas werken, niet of te weinig voldoen aan het oogmerk waartoe zij geroepen zijn. Als zij naar elders vertrekken kunnen onze burgers niet meer tot genoegen bediend worden’. Om deze reden verzoekt hij als baas in het steenhouwergilde te worden aangenomen. Het stadsbestuur besluit hem als steenhouwerbaas toe te laten, mits hij zich voorziet van bekwame knechts die geen hoger loon afvorderen dan 40 stuivers per dag ‘s zomers en 30 stuivers ‘s winters.

Ook de metselaarsbaas Johan Noordhoeve schrijft het stadsbestuur in januari 1779 ‘dat hij gedurig leverantie hebbende aan blauwe steen, waaraan het nodige werk alsdan nog moet worden gedaan. En omdat hij zonder vergunning niet vermag enige knechts tot het laten bearbeiden van blauwe steen te werk te stellen die alsdan zijn klanten zouden kunnen gerieven, zo verzoekt hij hem te accorderen als steenhouwerbaas te fungeren’. Eenzelfde verzoek doet ook de metselaarsbaas Jacobus de Hond in februari 1779.
Het stadsbestuur besluit in februari, na ingewonnen advies van de overdeken en dekenen van het gecombineerde timmerlieden- en metselaarsgilde, de metselaarsbazen Jan Noordhoeve en Jacobus de Hond toestemming te geven om als bazen het steenhouwerambacht uit te oefenen, mits ze zich voorzien van bekwame knechts die geen hoger loon afvorderen dan 40 stuivers per dag ‘s zomers en 30 stuivers ‘s winters.

Overige bedrijvigheid

Gedurende deze jaren krijgen drie burgers en inwoners vergunning voor het verhuren van rijtuigen en paarden. In 1780 is dit Jacobus Schout, in 1782 Jan Temperman en eveneens in 1782 Marinus Corstanje.
Ook komt meer en meer in zwang de negotie in zeep. In maart 1782 krijgt Pieter van Kleijnputte vergunning om als grossier negotie te doen in zeep.

In maart 1783 verzoeken enige burgers, die zich generen met door paarden getrokken wagens en sleden een ieder die dit van hun begeert te bedienen in het vervoeren van goederen, om hun stijl onder een gilde te brengen en daartoe van een ordonnantie te worden voorzien. Het stadsbestuur wijst dit echter af.