Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1778 - 1784)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Gedurende deze jaren wordt een groot aantal inwoners toegelaten tot het arbeidersgilde, het zakkedragersgilde of het bierdragersgilde. Het betreft de volgende burgers:
in 1780 Frederik Goossen, Jacobus Dekker, Krijn Bliek, Job van Loo, Cornelis van der Maas, Cornelis Zoutewelle, Cornelis Karstanje, Gerard de Minder, Adriaan Willeboers, Jan Crombouw, Adriaan Zonius, Daniël Tavenier, Jan van Antwerpen, Pieter Crombouw, Jan Wagenaar, Ary de Haas en Marinus Carstanje;
in 1781 Janis Reijnhout, Pieter de Rijger, Engel de Jonge, Janis Kopmels en Marinus Crombouw;
in 1782 Adam Heyblom, Petrus Hartog, Isaac Remijn, Cornelis Dapper, Willem Springeling, Aren Cornelis Witvliet, Gijsbregt Gandolf, Balten Hollestelle, Marinus Verstrate, Cornelis de Beste, Matthijs Catsman en Engel Hoogelande;
in 1783 Pieter Zoutewelle, Matthijs Schuiling, Pieter de Ridder, Willem van de Kreeke, Jan Laurusse, Hubregt Laurusse, Aarnout Carstanje, Janis Hoovers, Jacob Laurusse en Jan den Boer;
in 1784 Cornelis Wagenaar, Cornelis Reinout, Jacob Meeuwsen, Pieter Hallewaart, Janis Hoogelande, Gideon Klap, Dominicus Nagelkerke, Pieter Creuijt, Gabriël Crombouw en  Abraham Groenendijk.

Beenhouwersgilde

In juni 1779 betogen de beenhakkers dat ze vanwege de schaarsheid van het rundvee binnen het eiland graag vet rundvee van elders zouden invoeren om de burgerij van goed rundvlees te kunnen voorzien. Het stadsbestuur besluit Gecommitteerde Raden toestemming te vragen voor de invoer van vet slachtbaar rundvee.

Ook in 1784 verzoeken de slachters Laurens Kreuil en Jan Temperman, vanwege de schaarsheid van jong vee binnen het eiland, toestemming voor het vervoer van nuchtere kalveren uit Wolfersdijk en Noord-Beveland, die daar genoeg te bekomen zijn. Ze krijgen deze ontheffing.

Kleermakersgilde

In februari 1782 dienen de dekenen van het kleermakersgilde een verzoek in tot leniging van de nood bij vele hulpbehoevenden en noodlijdenden in de stad. Daarop besluit het stadsbestuur ‘dat van nu voortaan het aan alle vrijmeesters in het gilde is toegestaan om alle soorten van op de koop te maken goederen van bombazijn en andere lijwaten stoffen, buiten hun huizen door vrouwen, die niet in het gilde vrij zijn, te laten naaien’. Tevens wordt besloten ‘dat zodanigen, die niet in het gilde vrij zijn, geen werk aan hun huizen mag worden gegeven, wanneer zij man, kinderen of iemand anders hebben die het ambacht van kleermaken verstaat, blijvende omtrent het maken van stoffen als van laken, consaayen, baaijen of dergelijke, aan de huizen der vrije personen de ordonnantie in haar geheel’.

Kramersgilde

Het blijkt in november 1778 dat sommige baatzuchtige winkeliers, die van de kwistachtige aard van zekere minderjarige personen misbruik weten te maken, aan deze tot hun merkelijke schade onnodige goederen verkopen. Het stadsbestuur besluit, ‘ofschoon zodanige verkopingen naar rechten wel zijn van gener waarde, tegen zulke onbetamelijke handelwijze bij publicatie te voorzien en deze te verbieden aan alle winkeliers en ook aan particulieren’.

Schippersgilde

Adriaan Biersteker, schipper varende in de brede beurt met een smalschip, krijgt in juni 1778 toestemming van het stadsbestuur om, uit overweging van de slechte staat van zijn schip, met een grote poonschuit in de brede beurt te mogen varen, evenals met zijn smalschip.

In juni 1778 betogen enkele schippers die in het zogenaamde grote schippersgilde varen, Willem Kodde, Engel Pieterse, Klaas Vervenne en Jan Visser, ‘dat ze gewaar worden dat Adriaan Biersteker, mede met zijn smalschip in het gilde zijnde, een poonschuit heeft gekocht met de bedoeling om daarmee in het grote gilde te varen en dus van tselve recht te genieten als de smalschepen’. Ze wijzen er op dat het zeker minder kostbaar is te varen met een poonschuit dan met een smalschip, terwijl van beide schepen hetzelfde recht geprofiteerd wordt. Dit klemt temeer omdat een van de schippers onlangs nog een nieuw smalschip in gebruik heeft genomen. Dit zou aanmerkelijk minder kostbaar zijn geweest als hij voor een poonschuit had gekozen. Ze verzoeken hen toe te staan om, indien zij hun schepen voor een goede prijs kunnen verkopen, ten allen tijde ook met een poonschuit in het gilde met hetzelfde recht als nu met hun smalschepen te mogen varen. Het stadsbestuur besluit hun verzoek in zover te accorderen dat hen toegestaan wordt met poonschuiten te varen in het grote gilde evenals met smalschepen, mits dat deze poonschuiten tenminste 24 lasten of meer kunnen laden, doch niet minder.

Een aantal schippers, varende van deze stad, richt zich in februari 1779 tot het stadsbestuur. Het betreft de schippers Jacob de Hooge, Willem Kodde, Hendrik Reijnhout, Marinus van Baalen, Willem Zuidweg, Cornelis Oversluijs, Jan van Strien en Claas Vervenne. Ze geven te kennen ‘dat door de grote kostbaarheid van het uithalen en onderhouden van de vaartuigen, die thans bijna nog eens so kostbaar zijn dan in vorige tijden, het merkelijk verhogen der lasten wegens het stellen van tonnen en bakens te water als van jacht- en schutgelden der vaartuigen, het sterk verlopen van het vaarwater voor en nabij deze stad, zodanig dat meest langs een ganse omweg van hier naar opper, so Holland als elders en daar af herwaarts, moet gevaren worden om terselver plaatsen over en weer te kunnen komen, hetwelk langdurige reizen en alzo veel meer als anders slijtagie aan vaartuigen maakt en aanhoudende duurte der consumabele  levensmiddelen, die nu considerabel hoger in prijs dan lang te voren zijn, behalve de zware onkosten van tollen en wachten op de vaarreizen: zij van hun kleine vrachtlonen die veel minder zijn als in andere Zeeuwse steden, en zelfs hier ten plattelande, daar het nog vrij wat goedkoper van leven is, met derselver huisgezinnen niet kunnen blijven bestaan’. Ze wensen enige vermeerdering van vrachtlonen en verzoeken aan de schippers voortaan alhier toe te leggen:

  • voor het voeren van granen hier ter stede of ten plattelande geladen, elke reis per zak op de volgende plaatsen als de verdere Zeeuwse steden met Bergen twee en een halve grooten;
  • Dordrecht, Rotterdam en Gouda drie grooten;
  • Delft, Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam vijf grooten;
  • voor vracht van iedere duizend steen, namelijk ijsselsteen, twee schellingen en twee grooten;
  • van Gelderse moppen zes schellingen;
  • en van elke duizend pannen of leijen acht schellingen en zes grooten;
  • voor het doen van een boomreise met een smalschip op Haarlem en Amsterdam tien pond Vlaams;
  • op Dordrecht, Rotterdam en Gouda zes pond Vlaams;
  • en met een poonschuit op een van de drie laatste steden vier pond en dertien schellingen.

De kooplieden, metselaars en houtkopers reageren eind februari fel op het verzoek van de schippers. Ze wijzen het stadsbestuur er op dat een groot gedeelte van de schippers het betreffende rekwest niet heeft getekend. In een uitvoerig betoog schrijven ze dat inwilliging hen voor grote lasten zal plaatsen. Het geschrift is ondertekend door Anthony van der Putten, Pieter Vermeulen, Jan Soutendam, Frans Karol, Jacob Jasperse, Jan Soutendam, Cornelis Rouw, David de Klerk, Jan Barbier, Jan le Cointre, Jan Lantman, Adriaan Kuijpers, Gerard de Leeuw Gzoon, Thomas Heijblom, Frans van Baalen, Jan Noorthoeve, Jacobus de Hond, Jacob Allemekinders en Adriaan Jasperse.

In april 1779 geeft Marinus Visser te kennen dat hij het ongeluk heeft gehad zijn smalschip te verliezen. Thans is hij in de gelegenheid om zich te voorzien van een ander zeer goed smalschip, varende van Breda op Rotterdam. Hij vreest echter met dit schip in de brede beurt niet te mogen varen omdat het 14 à 15 jaar oud is. Hij verzoekt toestemming om met dit schip van deze stad in de brede beurt te varen. Het stadsbestuur verleent hem dispensatie van de resolutie waarbij is bepaald dat geen schepen boven de 10 jaar oud in de brede beurt zullen worden toegelaten. Schipper Visser krijgt in april 1780 vergunning om met een door hem gekochte poonschuit, zijnde een kopjacht, van vijftien jaar oud in het klein schippersgilde te varen.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

De dekenen van de schoenmakersgilden van alle Zeeuwse steden verzoeken in juni 1778 alle buitenlands werk te verbieden, evenals een dergelijk verzoek in 1769 door de gilden van Middelburg, Vlissingen, Veere en Arnemuiden is gedaan, wat weer is geretireerd op 22 maart 1770. Hierop is op 24 mei 1770 besloten dit af te slaan, genoegzaam zijnde dat elke stad de faculteit heeft om daar dat dienstig wordt geoordeeld de nodige voorzieningen te doen. Het stadsbestuur van Veere heeft hierover aan de Staten geadviseerd. Dit wordt afgewacht.

In november 1778 geven de dekenen van het schoenmakersgilde te kennen dat ze bij voortduur ‘meer en meer ondervinden dat het buitenslands gemaakt schoenmakerswerk zodanig in extra-ordinaire veelheid ten plattelande wordt ingevoerd, in diverse winkels aldaar en bijzonder te Wissekerke en Schore verkocht, en alzo ook wel te dezer stede wordt ingebracht, ja zelfs bij avond, zo ten plattelande als hier ter stede, in manden en korven te koop wordt uitgeleurd. Daardoor gaat een groot gedeelte van hun bestaan en kostwinning verloren’. Ze verzoeken tot handhaving van hun bestaan betreffende het invoeren van buitenlands gemaakt schoenmakerswerk zodanig te voorzien dat, indien mogelijk, die invoer geheel en al, ja zelfs op de vrije jaarmarkten zowel in de stad als op het platteland, wordt verboden. De brief is ondertekend door Leijn Sanderse, Johannis Fitzner, Jacobus Mouthaan, Jan Snelleman en Govert Klemkerke.

De dekenen van het schoen- en gareelmakers, looiers en leerverkopersgilde, Lein Sanders, Govert Klemkerke, Johannes Fitsner, Johannes Snelleman en Adriaan de Jonge, verzoeken in oktober 1781 om ‘een concessie omtrent het kopen der huiden en vellen’.

Smedengilde

De gezamenlijke loodgieters en schaliedekkers verzoeken in 1784 te bepalen dat niemand buiten hen toegestaan wordt enig lood te kopen of in vaten te vervoeren, zelfs niet op de jaarmarkt. Het stadsbestuur besluit op advies van de overdeken en de dekenen van het smedengilde dit verzoek van de hand te wijzen.

Timmerluidengilde/metselaarsgilde

Op voorstel van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur in november 1782 de resolutie van 5 juni 1779, waarbij aan het metselaarsgilde is verboden ‘het maken of laten maken van verlaten van secreten naar riolen of goten binnen de stad of reeds gemaakte verlaten te repareren’, te wijzigen in die zin dat de overtreders zullen vervallen in een boete van 25 gulden telkens.
In 1784 besluit het stadsbestuur op verzoek van de metselaarsbazen hen toe te staan de steenhokken tussen de zogenaamde twee waterpoorten te removeren.