Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1778 - 1784)

In 1779 geven de gedeputeerden uit het stadsbestuur, mr. Johan Adriaan van Dorth en Adolf Ossewaarde, hun advies bij de ter kennisname ontvangen brief van de opzichter van ’s Lands Domeinen, Adriaan Paardekooper, aan de raadpensionaris over het onderhouden van de dammen tussen Wolphaartsdijk en Goenje. Naar aanleiding daarvan besluit het stadsbestuur Gecommitteerde Raden te schrijven ‘dat aan de twee einden van de statendam tussen Wolphaartsdijk en Goenje vooralsnog niets behoort te worden gedaan, alzo men dient af te wachten welk effect het doorsteken van die dam door de hoge vloeden in dit winterseizoen zal worden toegebracht’. En wat betreft de dam tussen beide de Goenjes is uit informatie gebleken ‘dat niets of zeer weinig is te repareren, zijnde daaraan in 1777 onder het opzicht van opzichter Laurens Boeren enige verbetering gedaan en kunnende, indien de eerstgenoemde dam moet open blijven, van dat effect niet zijn, waartoe hij is gelegd, maar alsdan verlaten worden, doch dat alzo de reparatie van de laatstgenoemde dam moet blijven ten koste van den lande’.

In augustus 1779 rapporteren de gedeputeerden uit het stadsbestuur, mr. Johan Adriaan van Dorth en Adolf Ossewaarde, over de brief van Gecommitteerde Raden van 28 november 1778 met de daarbij gevoegde missive van de opzichter van ’s Lands Domeinen Paardekooper aangaande de benodigdheden van het onderhoud van de twee einden van de doorgestoken dam tussen Wolphaartsdijk en het Goenje. Ze hebben de situatie geïnspecteerd. Na inspectie hebben ze niet kunnen bemerken dat de doorgraving door de statendam‘iets ten voordele heeft uitgewerkt om hoop te geven van ooit van die kant een vaarwater te bekomen’. Tevens stellen ze voor ‘om, teneinde nogmaals een proef te nemen, een schapendam, leggende in een kreek die zich ontlast in het nieuwe canaal, door te graven om te zien of er dan enige verandering door het meerder water zal komen’. Tenslotte geven ze in overweging om aan Gecommitteerde Raden te adviseren ‘om de oude statendam maar te laten blijven zoals hij legt en geen kosten daaraan meer te maken, vermits hij in het geheel niet voldaan hebbende aan de intentie geen voor- of nadeel aan het vaarwater toebrengt en verwacht kan worden ooit te zullen toebrengen’. Het stadsbestuur gaat met het advies van de gedeputeerden Van Dorth en Ossewaarde akkoord. Beide heren wordt verzocht om voorlopig nog de directie daarvan op zich te nemen en de schapendam te laten doorsteken.
Verder zal aan Gecommitteerde Raden, als antwoord op hun brief van 18 november 1778, de nutteloosheid van het onderhoud van de twee einden van de statendam worden voorgedragen.

En zo slepen de plannen om de verlanding een halt toe te roepen maar voort!

Totdat op 22 januari 1780 burgemeester mr. L.P. van de Spiegel krachtdadige taal spreekt.
Hij betoogt ‘hoe er sedert enige jaren herwaarts verscheidene deliberaties zijn gehouden over de toestand van het vaarwater, voorbij de stad lopende, en verscheidene plannen zijn overgelegd, waarvan sommige ook geëxecuteerd zijn. Maar met die ongelukkige uitslag dat in plaats van verbetering men de verergering dagelijks ziet toenemen, zodat het zogenaamde Goessche diep beoosten de haven nu ten enenmale onbevaarbaar is en de verdroging reeds met sterke schreden bewesten de haven begint op te dringen. Deze omstandigheid moet alle regenten en ingezetenen die hart hebben voor de welvaart van de stad beducht maken, dat de bloei, waarover men tot nog toe reden heeft zich te verblijden, op haar hoogste trap geweest is, zo er geen spoedige en toereikende middelen worden in het werk gesteld om dit kwaad onder Gods Zegen te voorkomen’.

Van de Spiegel acht het onnodig ‘voor te houden wat de gevolgen van een gehele verlanding zouden zijn, daar de beginselen daarvan reeds gevoeld worden in de ogenschijnlijke vermindering van de zoutnering en in het diverteren van de handel der producten van het omliggende platteland naar elders. Het mag niet langer zo zijn dat dit vaarwater langer aan zich zelf overgelaten wordt of dat we blijven wachten op nieuwe plannen van herstel, die gemeenlijk in hersenschimmen bestaan en echter kostbaar vallen in de uitvoering, daar het genoegzaam te bewijzen is, dat er menselijkerwiize geen plannen zullen kunnen worden uitgedacht welke een constante poging van de natuur zullen verijdelen die reeds sedert meer dan twee eeuwen getracht heeft dit vaarwater te doen opslikken’.

Met - als het ware een vooruitziende blik - betoogt hij dat er naar zijn oordeel geen ander middel is dan het graven van een besloten canaal ter verlenging van de haven hetzij noord-oost op naar het zogenaamde Hondegat en uitkomende beoosten het haventje van Oost-Beveland, hetzij van de haven af oost op langs de dijk van Cattendijke gedeeltelijk binnendijks door de uitgeslagen landen en gedeeltelijk buitendijks naar de Schelde, waardoor de uitwatering van de sluis van de brede watering waarschijnlijk zou kunnen worden behouden.
Hij betoogt verder: ‘Deze projecten zullen zekerlijk van veel omslag en kosten zijn, niet alleen in hun aanleg maar ook in hun onderhoud, zowel van de dijken als van de middelen die men zal moeten aanwenden tot het diephouden van een canaal van die lengte, maar anderzijds, niets is te moeilijk of te kostbaar, wanneer men in gevaar is van te vergaan en geen ander middel van behoudenis overig heeft’.
Hij geeft de heren stadsbestuurders in overweging ‘hier ernstig over na te denken en met deze projecten in het ruwe in te stemmen, zodat enige heren gecommitteerd kunnen worden om deze projecten nader te examineren en met terzake kundige lieden hierover te spreken’.
Vervolgens wordt het weer enige jaren stil!

In juli 1783 legt burgemeester Van der Bilt ter vergadering over een verhandeling, door de landmeter Laurens Boeren opgesteld, tot het verbeteren van het Goese Diep. Deze wordt de leden van de raad ter lezing ter hand gesteld.
Landmeter Boeren komt in november 1783 met een door hem geconcipieerd plan tot het faciliteren van de scheepvaart van deze stad. Het stadsbestuur besluit dit in handen te stellen van de heren mr. Johan Adriaan van Dorth en mr. Antoni Ossewaarde om dit te examineren en Boeren daarover te horen. Ze moeten tegelijk aan landmeter Boeren kennis geven van het genoegen van het stadsbestuur over de pogingen die door hem in het werk worden gesteld om zoveel in zijn vermogen is tot welzijn van de stad en burgerij bij te dragen.