Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1778 - 1784)

Nederduits gereformeerde gemeente

De nieuwe predikant ds. Lotchius komt op de 16e mei 1778 voor het eerst in de vergadering van de kerkenraad. Hij wordt de daarop volgende dag bevestigd door ds. Van Hamelsveld met de tekst Maleachi 2 : 7. Hij doet dezelfde dag intrede met de tekst Jesaja 61 : 1 en 2.

Omdat een gedeelte van het jaar 1778 al ver verlopen is alvorens ds. Lotchius bevestigd is, besluit de kerkenraad dit jaar geen verkiezingen te houden. De ambtsdragers die dit jaar zouden moeten afgaan, zullen dit jaar nog aanblijven.
Het valt overigens op dat ds. Van Hamelsveld de vergaderingen van de kerkenraad uiterst kort en bondig notuleert in het actenboek. Zo worden circa tien vergaderingen in de periode juli tot en met december 1778 op twee bladzijden in het actenboek genotuleerd.

In september 1778 rapporteert ds. D. Kaas de schoolarchen hebben geëxamineerd Cornelis van Zoom, ondermeester te Hellevoetsluis, die heeft gesolliciteerd naar de vacerende schoolmeestersplaats. Hij is zeer bekwaam bevonden. De kerkenraad stelt hem tegelijk aan tot voorzanger, naast Frans Kosten. Ds. Kaas maakt van de gelegenheid gebruik om zijn functie van schoolopziener neer te leggen. Hij doet dit werk nu al twaalf jaar en wil hiervan ontslagen worden.

Ds. Y. van Hamelsveld verzoekt in maart 1779 een collegium qualificatum te beleggen. Desgevraagd deelt hij als reden mee dat hij voornemens is naar Utrecht te vertrekken. Van dit voorgenomen vertrek wil hij vooralsnog niet de redenen openleggen. Het stadsbestuur besluit in te stemmen met het bijeen roepen van een collegium qualificatum. Hiernaar worden afgevaardigd burgemeester mr. D.C. Keetlaar, oud-burgemeester mr. W. van der Bilt van Cloetinge en secretaris mr. Antoni Ossewaarde.  
Ds. van Hamelsveld verklaart schriftelijk dat hij zich niet meer in staat voelt zijn ambtsbediening als predikant langer waar te nemen, waarom hij besloten heeft zich tot de magistraat te wenden met het verzoek hem dit te accorderen. De predikant verzoekt geëxcuseerd te mogen worden van een nadere uitleg te geven. De zaak wordt daarop voorgelegd aan de Classis van Zuid-Beveland. De Classis spreekt uit dat ze de redenen van ds. Van Hamelsveld om zijn ambt neer te leggen voldoende keurt. Maar het collegium qualificatum verklaart dat ze dit classisbesluit niet kan doorgronden. Na uitvoerige overweging wordt besloten dat men de predikant niet kan en mag ontslaan van zijn dienst in de gemeente. Tegen de predikant zullen geen procedures worden aangespannen. De verantwoording van deze zaak wordt aan hem zelf overgelaten. De stadsbestuurders mr. D.C. Keetlaar en mr. A. Ossewaarde en ouderling Z. Coenraads vragen aantekening dat zij zich met deze resolutie niet kunnen verenigen noch met de gevolgen van dien.

Ds. Van Hamelsveld schrijft daarop in mei een brief aan de kerkenraad: ‘Nadien mij uit het mij toegezonden extract uit de notulen van het collegium qualificatum gebleken is, dat de vergadering, immers de meerderheid derzelve, niet heeft kunnen goedvinden het eenparig advies van de Classis van Zuid Beveland in mijn zaak te volgen, en ik mij volstrekt hier tegenwoordig niet langer kan onthouden, ben ik genoodzaakt de vergadering te verzoeken om gedurende mijn absentie tot mijn wederkomst voor mijn predikbeurten te zorgen. PS. Mijn dienst morgen voor de middag in de Grote Kerk hoop ik zelf nog te vervullen’.
De kerkenraad vindt deze brief zo singulier dat ze besluit hier niet op in te gaan. Ze kan zich niet belasten met de voorziening in de preekdiensten van ds. van Hamelsveld.

Ds. van Hamelsveld schrijft de kerkenraad in juni dat hij zich door het besluit van de kerkenraad genoodzaakt voelt zijn ambt neer te leggen. Hij verzoekt een getuigschrift over hoe hij zich in leer en leven te Goes heeft gedragen. Hij benadrukt dat hij niet anders dan genoodzaakt is tot deze stap te komen. Hij acht zich volstrekt niet meer in staat zijn bediening in Goes voort te zetten. Het collegium qualificatum verklaart niet in staat te zijn dit verzoek in te willigen omdat men de redenen waarom de predikant zijn ambt wil neerleggen niet kent. Tegen dit besluit protesteren ds. N. Pronck en een diaken. Het getuigschrift krijgt hij, behelzende ‘dat hij zijn ambt getrouw heeft verricht en zover bekend gezond in de leer des geloofs en onergerlijk in de wandel is’.

In juli deelt burgemeester Van de Spiegel mee dat hij is opgewacht door een deputatie van de Nederduitse kerkenraad met het verzoek deputaten te benoemen tot het formeren van een collegium qualificatum tot het beroepen van een predikant in de plaats van ds. Y. van Hamelsveld. Afgevaardigd worden burgemeester L.P. van de Spiegel, F. de Keijser en P. Ossewaarde.
Er worden 18 predikanten op de nominatie gezet, met als eerste ds. Jona Willem Te Water, predikant te Vlissingen en historieschrijver van Zeeland, en als derde ds. Willem Gerard van der Gryp te Monnikendam. Hieruit wordt met eenparige stemmen beroepen de weleerwaarde zeer geleerde heer ds. Jona Willem Te Water te Vlissingen. Ds. Te Water schrijft op 10 augustus o.a.: ‘Mijn hart is vervuld met eerbiedige dankerkentenisse aan den Heere, wiens Voorzienigheid ik, die er zovele doorslaande blijken van in mijn gansche leven genoot, met diepe ootmoed aanbidde’. Al op 14 augustus 1779 schrijft ds. Te Water in een uitvoerige brief dat hij buitengewoon vereerd is met het beroep van de Nederduitse gemeente uit Goes. Hij heeft echter van de regering van Middelburg vernomen dat hij aangesteld is tot Professor in de wijsbegeerte en vaderlandse historiën. Daarom bedankt hij voor het beroep. Ware dit niet zo geweest, dan was het beroep hem zeer aangenaam geweest
Met eenparige stemmen wordt nu beroepen ds. Willem Gerard van der Gryp, predikant te Monnickendam. Op 10 september deelt deze mee dat hij volkomen overreed is het beroep aan te nemen. De bevestiging is op 29 december door ds. Lotchius in de Grote kerk. Op vrijdagavond de 31e december doet hij intrede.

In december 1779 beklaagt ds. Lotchius zich over ‘een aantekening die te zijnen opzicht in een publiek geschrift was ter neder gesteld, waardoor hij in zijn eer en goede naam meent te zijn benadeeld’. Hij verzoekt om een verklaring van het stadsbestuur hoe hij zich als predikant te Goes heeft gedragen. Het stadsbestuur geeft hem een verklaring ‘dat hij gedurende de anderhalf jaar dat hij predikant binnen de stad is geweest zijn dienst loffelijk en getrouwelijk heeft waargenomen, dat hij zich altoos vredelievend, bescheiden en voorbeeldig voor de gemeente gedragen heeft, zodat het stadsbestuur hem houdt voor een predikant die de goedkeuring der regering en de liefde en achting van zijn gemeente in alle opzichten waardig is’.

Het stadsbestuur verzoekt de kerkenraad op 25 december 1779 ‘dat de predikanten aan de gemeente van den predikstoel bij tijds kennis geven, dat op Zondag den 16 januari a.s. des nademiddags in beide de kerken zal geschieden een extra-ordinaire collecte, om vermits de ordinaire inkomsten van de armenfondsen daartoe niet toereikende zijn, daaruit gedaan worde een buitengewone bedeling van dekzel en brandstoffen aan de armen en behoeftigen in dit koude saisoen en dezelve gemeente op te wekken om ieder ’t zijne naar vermogen daar in toe te brengen, met aandrang van zodanige middelen, als zij ter bereiking van dit heilzaam oogmerk zullen geschikt oordelen’.   

In april 1783 overlijdt de voorzanger Frans Kosten. De kerkenraad herinnert er aan dat de schoolmeester Cornelis Engelse destijds is aangesteld met de toezegging van Kosten te zijner tijd te zullen opvolgen. Besloten wordt de tweede schoolmeester Engelse thans tot voorzanger aan te stellen.

De kerkenraad van de Nederduitse gemeente verzoekt het stadsbestuur in januari 1783 of in het vervolg op de bededagen in de Kleine Kerk maar één dienst, te weten ‘s namiddags, gehouden mag worden. Daardoor kan één van de predikanten, die anders op die dag gewoon is twee diensten te verrichten, aanmerkelijk worden gesubleveerd.
Het stadsbestuur overweegt ‘het bezwaar voor een predikant om op zo een solemnele dag een dubbele beurt waar te nemen, vooral wanneer zulks door een vacature, absentie, ziekte of andere beletselen van een van zijn ambtgenoten geen noodzakelijkheid wordt en daarbij dat doorgaans de Grote kerk des morgens de opkomende gemeente wel kan omvangen’.
Besloten wordt het verzoek te accorderen en toe te staan dat in het vervolg op de bededagen de Kleine kerk des voormiddags zal gesloten worden en daarin alleen des namiddags gepredikt zal worden, zullende de dienst in de Grote kerk, gelijk te voren, driemaal geschieden ‘en wordende speciaal de predikanten verzocht omtrent de avondbeurt bij het oude gebruik te blijven en gelijk die godsdienstoefening volgens resolutie van de 20e februari 1762 op voordracht van de predikanten in die tijd daartoe is ingesteld, dezelve zonder een eigentlijke biddagpredikatie te doen, voornamelijk te doen dienen tot een gebed en dankzegging met een korte aanleidende aanspraak’.

Naar aanleiding van dit besluit overweegt het stadsbestuur het groot nadeel dat de kerke- inkomsten, zowel als de diaconiearmen, komen te lijden door het dikwijls sluiten van een kerk of surcheren van de godsdienstoefening. Besloten wordt ‘dat in het vervolg op geen verzoeken aan de presiderende burgemeester, in der tijd gewoon gedaan te worden, tot het sluiten van een kerk of opschorten van een godsdienstoefening favorabel zal mogen worden gedisponeerd, zo er, behalve de predikant te wiens behoeve zo een verzoek gedaan wordt, een zijner ambtgenoten vacant en aanwezig is, evengelijk zulks in andere steden constant practicabel is, alsmede niet dan met bewilliging en medeweten van de  kerkenraad, wordende te dien einde de predikanten gerecommandeerd om in deze bij continuatie voor elkander alle inschikkelijkheid te gebruiken en niettemin de burgemeester indertijd geautoriseerd om bij onverwachte omstandigheden wanneer de bovengenoemde gevallen niet kunnen exteren, naar bevind te handelen’.

In deze periode worden bij de jaarlijkse verkiezing van de helft van de kerkenraad (vier ouderlingen en vier diakenen) de volgende ambtsdragers gekozen:
1779 tot ouderlingen Zywert Diderik van der Bilt, Jacobus Petrus de Jonghe, Hendrik Mackay en Christoffel de Jongh en tot diakenen Marinus van Balen, Gerard Peman, Jan de Fouw en Hubertus Haring.  
1780 tot ouderlingen Johan de Jong, Willem Beijaard, Jacobus Louwaart en Samuel Vertregt en tot diakenen Jacob Walraven, Gerard de Leeuw, Anthony Kouweliere en Cornelis Mispelblom.
1781
1782 tot ouderlingen Johan de Jongh, Johan Pieter Dassevael, Zacharias Coenraats en Leijn Dijkwel en tot diakenen Jan de Fouw, Jacob Jasperse, Johan Fitsner en Gerard Rapholm.
1783 tot ouderlingen Ziewert Diderik van der Bilt, Johan Stokman, Hendrik Mackay en Christoffel de Jong en tot diakenen Jacobus de Hondt, Marinus van Balen, Jacob Walrave, Hubertus Haring en Frederik van Nakke.
1784 tot ouderlingen mr. Willem Canisius, Jan de Jongh, Willem Beyaart en Marinus van Balen en tot diakenen Gerard de Leeuw, Antoni Couweliere, Gerard Pelma en Cornelis Mispelblom.

De kerkenraad besluit dat voortaan het presidium niet meer, zoals de gewoonte is tot nu toe, met de aanvang van een nieuw jaar zal wisselen, maar voortaan op het scribaat zal volgen. Overigens is opmerkelijk de wijze van notulering door de vier predikanten: ds. Kaas in een fraai en duidelijk handschrift, ds. Lotchius duidelijk maar uiterst beknopt (slechts enkele regels per vergadering), ds. Pronck in een bijna onleesbaar handschrift en ds. Van der Grijp zeer wijdlopig.   

Ook besluit de kerkenraad voortaan de namen van gecensureerde personen, die meer als een jaar tijds buiten opzicht van de kerkenraad zijn geweest, achter in het aktenboek op een register te vermelden.
Een ander besluit is dat - bij gelegenheid dat een ondertrouwd paar verzocht heeft om dezelfde avond na de laatste huwelijksafkondiging in een gesloten kerk te mogen trouwen - ‘in het tegenwoordige geval als voor het vervolg te blijven bij het aloude en zo stichtelijk gebruik in deze gemeente, gegrond op een kerkenraadresolutie reeds van de vorige eeuw, en geen ondertrouwden in den huwelijksen staat te bevestigen op den Dag des Heeren, zo min in een gesloten kerk als in het openbaar, bij het eindigen van den godsdienst’.
Ook doet de kerkenraad een uitspraak over personen die zonder attestatie of lidmaatschap jaren in de stad wonen en dan om bedeling door de diaconie komen vragen. ‘Uit consideratie van het weinig aanbelang dat zodanigen in hun lidmaatschap schijnen te stellen en van het merkelijk bezwaar dat daardoor een diaconie moet krijgen, zullen de diakenen niet verplicht zijn voor behoeftige lidmaten te erkennen diegenen die zonder vertoning van attestaties meer dan twee jaar onder ons gewoond of verkeerd hebben, zullende tot dat einde ieder bij het overleveren van zijn attestatie naar den tijd zijner inwoning in deze stad of onder het ressort van dezelve gevraagd worden’.

In een extra-ordinair belegde vergadering op 25 maart 1784 staat de kerkenraad stil ‘bij de ongelukkige ingezetenen van de buitengemeen hoog overstroomde landen’. Het stadsbestuur wordt gevraagd een collecte te houden in de stad en bij de Staten aan te dringen op een algemene collecte voor die ongelukkige mensen. Helaas, het stadsbestuur weigert dit verzoek in te willigen.

Waalse gemeente

Van de Waalse gemeente is deze jaren nauwelijks iets te vermelden.
In september 1783 overlijdt de klokluider van de Franse kerk, David Berthoud. In zijn plaats wordt aangesteld Pierre Aviola. Tegelijk wordt besloten het kosters- en klokluidersambt van de Franse kerk voortaan te begeven in een zogenaamd Collegium Mixtum.

Rooms-katholieke gemeente

Enige leden van de Rooms-katholieke gemeente dienen in september 1779 klachten in over het beheer door de thans dienende kerk- en armmeesters van die gemeente. De brief is ondertekend door Marinus Visser, Johannes Pieren, Michiel Heijnen, Sebastiaan Vadden, Hermanus Kenens, Jan de Witte, Jan Driessen, Adriaan Tacret en Jacobus Oostveen.
In een eveneens zeer uitvoerig geschrift reageren hierop de thans fungerende kerk- en armmeesters van de Roomse gemeente. De brief is ondertekend door pastoor Wilhelmus Weiler en Cornelis Briels, Carolus Sandijck en Johannes Swartebroeck.
Het stadsbestuur doet hierover de volgende uitspraak:

  • de kerk- en armmiddelen van die gemeente zullen als vanouds worden bestuurd door de pastoor en vier vaste kerk- en armmeesters. In een vacature zal worden voorzien met voorkennis van de voorzittende burgemeester;

  • de pastoor en fungerende kerk- en armmeesters zullen ernstig worden aanbevolen in de bedeling van hun dagelijkse armen, zowel zomer- als winterbedelingen, niet willekeurig of naar gunst, maar naar mate van de nood en last van de arme personen of huisgezinnen te werk te gaan;
  • wat betreft de rekeningen van de kerk- en armenmiddelen zullen de kerk- en armmeesters gehouden zijn voort te gaan met het doen van hun rekeningen om de twee jaar, gelijk tot nu toe gedaan is;
  • wat betreft de plaatsen in de kerk zal worden in acht genomen dat de vaste plaatsen in de zogenaamde tuin, voor een redelijke prijs zullen worden bezeten, doch zonder daar in een vaste rang van personen te distingeren;
  • wat betreft het reguleren van de zogenaamde zondagse en weekdiensten en de verplichtingen van de pastoor daaromtrent, zal het stadsbestuur dit overlaten aan de schikking van de pastoor met de kerk- en armmeesters, een ieder van hun bevelende zich van zijn post te kwijten.

Op verzoek van de kerk- en armmeesters van de Rooms-katholieke gemeente besluit het stadsbestuur hen in mei 1784 toe te staan om Dorothea Heynen, verlaten en innocente huisvrouw van Vincent Frisson, in bewaring te stellen in een verzekerd huis in Brabant tot zolang ze zich in haar ongelukkige situatie zal blijven bevinden.