Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1778 - 1784)

Stadsscholen

Gerbrand Zandijk is de schoolmeester van de eerste stadschool, gelegen naast het Slot Oostende achter de Grote kerk.
De tweede schoolmeester Marinus de Jager wordt in augustus 1778 beroepen naar Aardenburg. In zijn plaats verzoekt een zekere Cornelis van Zoom, ondermeester te Hellevoetsluis, met deze functie begunstigt te worden en tevens om het vacante voorlezerambt bij de Hervormde gemeente te vervullen. Hij wordt door de schoolopzieners geëxamineerd. Op advies van de schoolarchen wordt Van Zoom aangesteld tot tweede schoolmeester en tweede voorlezer (de eerste blijft Francois Kosten).

In september 1778 besluit het stadsbestuur op advies van de stadsdirecteuren het huis ‘de Drie Haringen’ aan de Lombardstraat nummer 8, toebehoord hebbend aan de oude klerenkoper Jan Scharlaken, dat wegens de verschuldigde 200e penning aan de stad is vervallen, geschikt te maken tot een schoolgebouw voor de tweede stadschoolmeester.

De tweede stadsschoolmeester Cornelis van Zoom wordt in september 1781 beroepen als schoolmeester en voorzanger te Cloetinge. Hij neemt dit beroep aan. In zijn plaats komt Cornelis Engelse. In februari 1783 wordt Cornelis Engelse aangesteld tot tweede stadschoolmeester. Tevens wordt hij in een zogenaamd collegium mixtum aangesteld als voorlezer en voorzanger in de Nederduitse gereformeerde kerken binnen de stad in de plaats van de overleden Francois Kosten.

Particuliere schooltjes

In juli 1779 krijgt Margaretha Baaden weduwe van Zeger de Hond, vergunning om kinderschool te houden. Ook Maria Zegers, gescheiden vrouw van Jacobus Rijnders, mag in 1780 school gaan houden. De schoolmatres Maria Proos wordt in 1782 geschorst voor zolang de schoolarchen dit nodig oordelen.

In de plaats van de in 1779 vertrokken ds. Y. van Hamelsveld wordt tot schoolarch aangesteld ds. Johannes Ludovicus Lotchius. Bij deze gelegenheid besluit het stadsbestuur aan de heren schoolarchen, aan wie het opzicht en de directie over de scholen is toevertrouwd, te laten het toezicht op de schoolmeesters en schoolmeesteressen.

Het stadsbestuur besluit in november 1782 dat voortaan binnen de stad niet meer als zes schoolmaîtressen zullen worden toegelaten. Deze zijn verplicht in zodanige wijken van de stad te wonen als hen door de schoolarchen zal worden gelast.

Franse school

De schoolarchen van de Nederduitse en Franse scholen delen in oktober 1779 mee dat bij de laatste schoolvisitatie in juli J.A. La Rue, de stads Franse schoolmeester en voorlezer en koster in de Waalse kerk, zijn voornemen kenbaar maakte zich elders te vestigen en afstand te doen van zijn bedieningen en functies. Met de Waalse kerkenraad zal een collegium qualificatum over de voorziening in de vacatures worden gehouden.
In november wordt meegedeeld dat in overleg met de Waalse kerkenraad geen geschikter persoon is gevonden dan monsieur J. Jenoteau, Waals schoolmeester en voorlezer te Zierikzee. Het stadsbestuur gaat akkoord met Jenoteau of een ander bekwame persoon, mits deze elders al een geëtablisseerde school heeft. Op 20 november rapporteren de gedeputeerden uit het collegium qualificatum dat de heer J. Jenoteau voor de op hem uitgebrachte beroeping als schoolmeester, koster en voorlezer van de Franse kerk heeft bedankt. Echter tijdens een extra-ordinair bijeengeroepen vergadering op de 23e november blijkt dat er over Jenoteau ‘favorabele geruchten’ zijn. Tevens is er informatie dat, indien over enkele bezwaren overeenstemming kan worden bereikt, Jenoteau alsnog bereid is een beroep aan te nemen. Het stadsbestuur besluit hem via het collegium qualificatum voor de tweede maal te beroepen. Behalve de beloofde voordelen zullen hem nog worden toegelegd een last turf en dus samen twee lasten turf, vrijdom van stedelijke impost op de wijnen en bieren, vrije inwoning en een (bij het eerste beroep al verhoogd) traktement van £ 87.10, daaronder begrepen wat hem van ’s landswege zal worden betaald.

Het stadsbestuur gaat nog verder om Jenoteau, waarover zeer gunstige geruchten zijn, over de streep te trekken. Besloten wordt de stadsdirecteuren te machtigen om het huis ‘Jerusalem’ aan de Lange Kerkstraat nummer 16, toebehorend en bewoond door de Fiscaal Zacharias Coenraats, dat deze genegen is te verkopen voor £ 600, voor rekening van de stad en ten behoeve van de stads Franse schoolmeester, te kopen en tot een school geschikt te maken. Jenoteau neemt het beroep nu aan.

In januari 1780 verneemt het stadsbestuur van de nieuwe Franse schoolmeester Jacques  Jenoteau dat z’n schoonzus, G. Edet, te Zierikzee ontslag heeft gevraagd als kostschoolhoudster van de Franse jufferschool aldaar. Ze is wel genegen die functie te Goes te bedienen. Besloten wordt met juffrouw Edet te onderhandelen of ze genegen zou zijn hier te fungeren als Franse kostschoolhoudster op een traktement van 200 gulden per jaar en vrijdom van stadsimposten op de wijnen en bieren. Uit de onderhandelingen blijkt dat juffrouw Edet genegen is kostschoolhoudster van de Franse jufferschool te worden. Het stadsbestuur benoemt haar op een traktement van 200 gulden per jaar. In oktober 1783 krijgt juffrouw Edet op haar verzoek ontslag als Franse jufferkostschoolhoudster.

In februari 1780 raakt de voormalige Franse school aan de zuidzijde van de Beestenmarkt nummer 9 overbodig. De stadsdirecteuren onderzoeken of het oude gebouw geschikt te maken is tot stadswerkschuur, houtmagazijn en woning voor de stadsfabriek. Dit zou £ 350 kosten. Gelet echter op de extra-ordinaire uitgaven waarvoor de stad staat en die sinds enige jaren gemaakt moeten worden, waardoor de stadsfinanciën zo zeer bezwaard zijn, wordt besloten het gebouw te verkopen tot het meeste voordeel van de stad. Het pand kan verkocht worden aan Abraham Meytak voor £ 60. In november 1779 besluit het stadsbestuur een woonhuis en erve aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat aan te kopen voor £ 625.3.2 om tot een Franse school gebruikt te worden. Jacques Jenoteau gaat in dit pand wonen.

In maart 1780 wordt tot schoolarch over de Franse scholen verkoren ds. Otto Hendrik de la Broué om samen met de schoolarchen van de Nederduitse scholen uit het stadsbestuur, Eversdijk en Antoni Ossewaarde, het opzicht over de Franse scholen te houden. Ds. De la Broué verzoekt echter hiervan ontslagen te worden vanwege zijn hoge jaren. Het opzicht wordt nu opgedragen aan de schoolarchen van de Nederduitse scholen.

Het stadsbestuur stelt in juli 1780 een nieuw ‘Reglement voor de Fransche kostschool der Jonge Heren’  vast.

Latijnse school

Eind april 1781 vraagt mr. Roelof Gabriël Bennet ontslag als rector van de Latijnse school. Hij blijft zijn traktement en inwoning in het rectorhuis behouden tot eind augustus, mits hij ondertussen zijn functie tot genoegen van de curatoren blijft waarnemen. In december 1781 kan tot rector van de Latijnse school worden benoemd de heer Everhardus van Driel, thans preceptor te Groningen, op een traktement van 700 gulden, een last turf en de inwoning in het rectorhuis. In juni 1782 wordt de nieuwe rector, die onlangs uit Groningen is gearriveerd, voorgesteld om zijn Oratio Inauguraties op stadskosten te laten drukken.

Al spoedig blijkt dat met de nieuwe rector Van Driel een goede keus gedaan is. In september 1783 besluit het stadsbestuur, uit overweging van de loffelijke getuigenissen wegens de bekwaamheden, naarstigheid en verdere hoedanigheden van rector Everard van Driel, hem ‘tot een blijk van bijzonder genoegen in afwachting dat zulks denzelve meer en meer zal animeren om alles tot luister van de school en voordeel van de discipelen aan zijn goede zorg en instructie toebetrouwd, zoveel in zijn vermogen is, toe te brengen’, hem aan te stellen tot Lector Historianum et Eloquentie onder toekenning van een honorarium van £ 16.13.4 per jaar.