Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1778 - 1784)

Veeziekten

Begin 1779 wordt minder streng omgegaan met de invoer van vet en slachtbaar rundvee zowel van buiten als uit de provincie. Met veel omzichtigheid wordt het strikte importverbod geleidelijk opgeheven. Kort hierna komt er bericht van de Staten van Zeeland van de 22e februari, waarbij is besloten dat de publicatie van 30 maart 1775 tot verbod van de in- en uitvoer van rundvee alsnog tot eind december 1779 van kracht blijft, met uitzondering van de vette of ter slachting gemeste kalveren.

De landlieden richten zich op 27 maart 1779 tot het stadsbestuur en verzoeken hen toe te staan, in navolging van andere steden, het benodigde vee tot onderhoud van hun huisgezinnen van andere plaatsen alhier te mogen inbrengen, omdat ze niet in staat zijn om binnen dit eiland uit hoofde van de schaarsheid en de daardoor gerezen prijzen hun benodigde rundvee te bekomen. De brief is ondertekend door de landlieden Cornelis van Damme, Jacobus Joël, Laurus Kruijl, Jan Verburg, Marinus Spruijt, Cornelis Verduijn, Jacob Pické, Hendrik Antonisse, Adriaan Raas, Cornelis Everse, Pieter Janse Pover, Jan van den Berge, Jan van Eekeren, Marynis Boogaard, Pieter Gorsse, Huibert de Mol, Jacobus van Kleijnputte en Jan Temperman.

In april 1780 breekt de besmettelijke ziekte onder het rundvee opnieuw uit. Er worden verbodsbepalingen afgevaardigd met preventieve maatregelen.

De Staten van Zeeland sturen in december 1783 bericht ‘van de ongelukkige tijding dat de besmettelijke ziekte onder het rundvee wederom in Duiveland is bespeurd’. Het plakkaat over de in- en uitvoer van rundvee wordt weer van kracht. Het vervoer van het ene eiland naar het andere wordt verboden, tenzij Gecommitteerde Raden ontheffing verlenen. Er mogen geen veemarkten worden gehouden. Het verbod tot invoer van hooi en stroo blijft op dezelfde voet als sinds de laatste jaren van kracht is.

In december 1784 sturen Gecommitteerde Raden een Plakkaat met een verbod tot het in- en uitvoer en het vervoer van hoorn- en rundvee, mitsgaders van hooi en stroo, in en naar buiten de provincie zonder voorafgaande verkregen toestemming, met uitzondering nochtans ten opzichte van het stro voor het gebruik van de dijkagiën benodigd.

Stadsdokters

Jacobus Plak toont in mei 1778 zijn bul als gegradueerd tot doctor in de medicijnen op de Hogeschool te Franeker. Hij wordt toegelaten om binnen de stad te praktiseren. Cornelis Egter krijgt in juli 1780 op zijn verzoek ontslag als stadsdoctor. Hij ontvangt een attestatie van burgerschap van de stad en een verklaring dat hij het ambt van stadsdoctor sinds 1773 tot genoegen van het stadsbestuur heeft bediend. In zijn plaats komt als stadsdoctor de heer Jean Pierre Cére, tot nu toe tweede stadsdoctor. Hij zal dit ambt alleen bedienen en hiervoor het traktement genieten dat tot nu toe door beide stadsdoctoren gezamenlijk werd ontvangen.

In januari 1784 komt dokter Roelof Evertse in opspraak. Notaris van den Hoek stelt een verklaring op van de getuigen Gijsbregt Proos en z’n vrouw Jacomina Temperman, Cornelis Stein en z’n vrouw Elisabeth van de Visse en Catharina Seijbel weduwe van wijlen Wilhelmus de Fouw. Ze leggen een getuigenis af over de schandalige wijze waarop dokter Evertse zijn huisvrouw Jacomina Susanna Breekpot, zuster van Francois Breekpot, geregeld bedreigt, de deur uit zet en met een hete pook op straat achtervolgt.

Chirurgijns

Het stadsbestuur verklaart in februari 1781 dat de stadschirurgijns verplicht zijn alle operaties, waaronder ook begrepen lavementen ten dienste van de arm- en godshuizen, te verrichten, zonder daarvoor, evenmin als de stadsvroedvrouwen, in het vervolg iets te mogen rekenen.

In mei 1783 komt door het overlijden van Adriaan Huisman één van de stadschirurgijnplaatsen vacant. Het stadsbestuur besluit dit ambt alleen door de twee thans fungerende stadschirurgijns, Pieter Huisman en Willem den Boer, te laten waarnemen.

De stadsdoctoren en stadschirurgijns worden in mei 1784 gelast voortaan, zonder onderscheid van wat religie de overledenen geweest zijn, alle lijken, waaraan dit nodig wordt geoordeeld, om niet (dus zonder honorarium) te schouwen ingeval de onkosten uit de nalatenschap niet kunnen worden gevonden.

Vroedvrouwen

Het stadsbestuur besluit in juni 1784, ‘gezien het loffelijke testimonium van dokter Samuel de Wind, ’s lands en stads vroedmeester te Middelburg, na examinatie gegeven aan de heer Esayas Zwart wegens zijn capaciteit zo in de theorie als handige bewerking in de vroedkunde,’ aan te stellen tot stadsvroedmeester.

Gasthuis en simpelhuis

De buitenregenten van het gasthuis geven in september 1778 te kennen dat door het overlijden van oud-burgemeester Johan Isebree en oud-burgemeester mr. Francois Nicolaas Keetlaar twee buitenregentplaatsen vaceren. Ze dragen de volgende zes personen voor met het verzoek daaruit twee nieuwe buitenregenten te verkiezen: burgemeester mr. Dignus Cornelis Keetlaar, mr. Johan Adriaan van Dorth, Adolf Ossewaarde, mr. Aarnout Willem van Citters, Pieter Ossewaarde en mr. Willem Canisius. Aangesteld worden burgemeester mr. Dignus Cornelis Keetlaar en mr. Johan Adriaan van Dorth.
In 1780 verzoekt mevrouw Digna Johanna Ossewaarde, echtgenote van mr. L.P. van de Spiegel, haar ontslag als buitenregentesse van het gasthuis. In haar plaats komt de weduwe M. de Crane-Step.

Oude mannen- en vrouwenhuis

Gedurende deze jaren komt slechts eenmaal het oude manhuis aan de orde. In 1780 betoogt Matthijs Lemmens dat hij toestemming verzocht en verkregen heeft om in de zogenaamde kelder van het oude manhuis als kroeghouder genever, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat te verkopen. ‘Hij is alsdoen in die gedachten geweest dat het hem ook vrijstond om zonder gelagen te zetten aan de gaande en komende man een zooptje te mogen verkopen’ en verzoekt nu alsnog toestemming om als kroeghouder op te mogen treden. Het stadsbestuur wijst dit verzoek af.

Arm- en weeshuis

In april 1779 geven Pieter de Jongh, burger en inwoner van de stad, en zijn naaste vrienden te kennen dat Jacomina Hageman, echtgenote van De Jongh, sinds een geruime tijd genoegzaam van haar zinnen is beroofd. Het is voor hem niet langer raadzaam zijn vrouw ter inwoning te houden. Hij verzoekt toestemming haar in een verzekerd huis in bewaring te stellen. Besloten wordt het verzoek toe te staan en De Jongh acte van consent te verlenen om zijn vrouw in een verzekerd huis, hetzij binnen de provincie of daarbuiten, te confineren.

Het stadsbestuur beraadt zich in 1780 over het slecht gedrag van de binnenvader van het weeshuis, Hendrik de Somer. Met hem is zeer lang geduld betracht. Hij kan in het huis niet langer worden geduld en wordt dan ook ontslagen. In zijn plaats komt als binnenvader de tegenwoordige schoolmeester Pieter Blom.

In 1781 komt Cornelia Catharina van Visvliet echtgenote van Cornelis van Citters van Bruelis in de plaats van de weduwe De Crane als buitenregentesse van het weeshuis. In 1783 volgt Sara Elisabeth Pieternella den Boer echtgenote van Pieter Ossewaarde de overleden weduwe Den Boer op als buitenregentesse van het weeshuis. In 1784 volgt Jan de Fouw de buitenregent van het weeshuis Leijn Dijkwel op.

De buitenregenten betogen in 1783, bij het opmaken van de rekening van het weeshuis, dat door de zware armenlasten en het geringe provenu van de wekelijkse en driemaandelijkse collecten, de inkomsten van het huis voor de noodzakelijke uitgaven niet toereikend zijn. Het verdient aanbeveling het huis op een of andere manier te subsidiëren tot voorkoming van verdere ruïne van de financiën. Een beslissing wordt aangehouden ter nadere deliberatie.

Op 25 december 1784 krijgen de heren van de weeskamer toestemming om in alle boedels van overledenen binnen de stad en jurisdictie, waarin zich minderjarige erfgenamen bevinden, ofschoon door de overledenen octrooi tot seclusie van de weeskamer is verkregen, ‘in het vervolg te requireren visie omtrent de vereiste opening van de disposities, teneinde te vernemen of de overledenen waarlijk hebben goedgevonden gebruik te maken van het geobtineerd octrooi van seclusie en anderszins als naar gewoonte het interest en opzicht der minderjarigen op zich te nemen’. Alle executeurs van testamenten en voogden van pupillen worden ‘expresselijk geordonneerd om de heren van de Weeskamer in de uitoefening van deze hun plicht geen de minste hindernis toe te brengen’.

In deze jaren is regelmatig sprake dat notabele burgers het recht verkrijgen ‘om de voogdij en het opzicht van de weeskamer over hun na te laten onmondige kinderen en erfgename te secluderen’. Dit is het geval met ds. J.L. Lotchius en C. Sieverts (1780), ds. Nicolaas Pronck en Catharina Adriana Tonning (1780), ds. Willem Gerard van der Grijp en Anna Clasina Bennet (1780), Marinus van Steveninck en zijn echtgenote (1780), Johan Abraham Eversdijk en Eva Elisabeth van der Vliet (1780), Boudewijn Verselewel van der Bilt en zijn echtgenote Maria Digna Keetlaar (1781), Cornelis Du Persy en Sara Karij (1782), mr. Johan Adriaan van Dorth en zijn echtgenote Maria Cornelia Canisius (1783), Jacobus van de Steene en zijn echtgenote (1783), Zacharias Maximilliaan Rimmers en zijn echtgenote Catharina Johanna van Steveninck (1784), Cornelis van Damme en Cornelia Dekker (1784) en Francois de Keijser en zijn echtgenote Anna Christina van der Grijp (1784).

Armenzorg

Het stadsbestuur besluit op 25 december 1779 op verzoek van de diakenen van de Nederduitse gemeente dat op zondag 16 januari 1780 in beide de Nederduitse kerken een extra-ordinaire collecte zal worden gehouden, teneinde daaruit door diakenen in overleg en communicatie met de regenten van het weeshuis aan de door hun bedeelt wordende armen zonder onderscheid te doen een extra-ordinaire bedeling van deksel en brandstof, vanwege het koude weer zeer noodzakelijk. De predikanten zullen van de preekstoel de gemeente opwekken hun liefdegaven te geven.

In januari 1781 krijgen ‘de broeders diakenen’ van de Nederduitse gemeente toestemming om op zondag de 28e januari in beide kerken een collecte te doen om daaruit te vinden de kosten voor een extra-ordinaire bedeling van deksel en brandstoffen in het tegenwoordige winterseizoen. Begin februari wordt burgemeester Van der Bilt van Cloetinge opgewacht door de diakenen van de Nederduitse gemeente. Ze bedanken hem voor de gunstige permissie aan hen verleend voor het doen van een extra-ordinaire collecte op gepasseerde zondag tot voorziening van de noodlijdenden van deksel en kleding. De collecte heeft in totaal £ 32.5.5 opgebracht.