Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1785 - 1792)

Oorlogsdreiging

In januari 1785 vindt er koortsachtig overleg plaats om middelen te beramen tot beveiliging van het eiland Zuid-Beveland. Het stadsbestuur wijst Gecommitteerde Raden van Zeeland op de ondiepte van het water tussen het eiland en de Brabantse wal, ter hoogte van de Reigersbergse Polder. Ook besluit het de vier voorzittende heren uit het stadsbestuur en een van de secretarissen af te vaardigen om met assistentie van bekwame officieren en speciaal van de kapitein Althuizen en van andere deskundige personen te overleggen wat tot beveiliging van de stad en het eiland dienen kan en de middelen daartoe in het werk te stellen.
De burgers en ingezetenen worden in gepaste termen vermaand en opgewekt om in deze tegenwoordige tijdsomstandigheden zich zoveel mogelijk stil en gerust te houden in afwachting wat het stadsbestuur tot algemeen welzijn en veiligheid van de gemeente zal besluiten en in het werk stellen.

In februari 1785 is er een aanhoudende stroom van correspondentie over geruchten van oorlogsdreiging en de bescherming van het eiland, vooral aan de kant van de Reigersbergse Polder en Crabbendijke. Er worden veertig extra militairen ingekwartierd bij de boeren in deze polder. Van de veldstukken die in de Reigersbergse Polder aanwezig zijn zullen er twee te Crabbendijke worden geplaatst. Zoveel manschappen als er nog uit het garnizoen van de stad kunnen worden gemist, zullen naar de polder worden gedetacheerd. Zover deze niet in tenten of barakken kunnen worden gelogeerd, zullen ze in en omtrent het dorp Crabbendijke worden ingekwartierd. Het gerecht van Crabbendijke krijgt opdracht zo spoedig mogelijk kwartier te bezorgen voor vijftig man met de officieren die zich naar de polder zullen begeven, zodra de twee compagnieën uit Zierikzee in de stad zullen zijn gekomen.
Half september 1785 worden vanwege de toegenomen oorlogsdreiging uit het garnizoen van de stad naar de Reigersbergse Polder gezonden een majoor, een capitein, twee subalterne officieren, 4 sergeanten, 3 tamboers en 80 corporaals en gemene manschappen ‘om aldaar te camperen’.

Op 28 september 1785 komt bericht binnen van Gecommitteerde Raden van Zeeland over een ontvangen missive van de ambassadeur te Parijs van de 21e september met een verslag van de conferentie ‘over de vredesnegotiatiën en van de getekende praeliminaire artikelen tussen Zijne Keizerlijke Majesteit en de Republiek’.
De volgende dag komt er opnieuw bericht van Gecommitteerde Raden dat door het tekenen van de vredesartikelen ‘voor het tegenwoordige de vrees voor vijandelijke agressie ophoudt en dat het stadsbestuur met de commanderende officier van het garnizoen schikkingen kan maken dat het detachement in de Reigersbergse Polder zover wordt verminderd als nodig is om aldaar een bekwame wacht te houden over de batterijen onder een zodanig officier als dienstig wordt geoordeeld’. De burgemeesters overleggen met de commanderende officier hoeveel manschappen van het detachement zullen worden terug getrokken.
Gecommitteerde Raden schrijven op 3 december 1785 dat het geschut en de ammunitie van de provincie uit de Reigersbergse Polder kan worden afgehaald en naar ’s Lands Stapel Magazijn terug gevoerd kan worden. Het stadsbestuur wordt verzocht de stukken kanon met toebehoren, aankomende ’s lands wachten, mede terug te halen en op kosten van de provincie te brengen op de plaats waar het stadsbestuur dit nodig zal oordelen. Dit om het gehele detachement troepen dat in de polder ligt nog voor het strenge winterseizoen te laten intrekken, terwijl dit zodanig kan worden verminderd als ze het in overleg met de commanderende officier dienstig zullen bevinden.
Het stadsbestuur besluit de kanonnen voorlopig in ’t Stadhuis te laten plaatsen. Met de officier wordt overlegd over het geheel terug doen komen van het detachement uit de Reigersbergse Polder, nadat al de kanonnen en ammunitie vandaar zullen zijn gehaald.

In de jaren 1786 en 1787 wordt in de Reigersbergse Polder het Fort Bath gebouwd. Paulus Wisboom, de aannemer van het nieuw te maken fort, krijgt toestemming om het benodigde bier voor de arbeiders in de polder te laten inbrengen zonder verplicht te zijn dit over een besloten stad in te voeren.

Het stadsbestuur besluit in december 1792 Gecommitteerde Raden van Zeeland te verzoeken ‘in ernstige overweging te nemen de bijna weerloze toestand van het eiland’ en ‘om krachtdadige middelen te beramen ter defensie daarvan, hetzij in versterking van troepen of het leggen van gewapende vaartuigen op de Oosterschelde, ter dekking van die plaatsen welke het meest aan het gevaar van een vijandelijke invasie zijn geëxponeerd’.
Betoogd wordt dat het oosteinde van het eiland bijna zonder enige dekking is. Er zijn vermoedens dat de Fransen het tegen onze Staat gemunt hebben. Binnen Antwerpen bevindt zich een korps troepen. Daar zijn ook zeeschepen voorhanden waarmee zonder moeite de Schelde afgezakt en een landing uitgevoerd kan worden. Behoudens die van de Engelse natie is er op de Noordzee geen marine van belang. Het stadsbestuur laat het provinciaal bestuur blijken zeer teleurgesteld te zijn ‘dat er op alle betogen niet de minste actie is ondernomen’. Ook de Walcherse steden, de leden Middelburg, Veere en Vlissingen in de Staten, blijken de zorg van Goes te geringschatten. Verzocht wordt een voldoende aantal militie naar de stad en het eiland af te zenden

en orde te stellen dat de schepen die nu rondom het eiland Walcheren liggen op de Schelde geplaatst worden. Het stadsbestuur laat blijken dat, als de Staten weer geen acht slaan op hun pleitbrief, het de inwoners in overweging zal moeten geven om bijtijds de zaken te schikken ‘en met de zijnen en zijn goed des goedvindende zich in meer veiligheid te begeven’. De brief van het Goese stadsbestuur eindigt met de woorden ‘God geve dat de duisterheden mogen opklaren en dat de moeielijke en interessante taak, Uw Edel Mogenden opgelegd, bekroond moge worden met een uitkomst die den Lande heilzaam en de goede ingezetenen tot vreugde en gerustheid is’.

Op 28 december 1792 komt de raad in extra-ordinaire vergadering bijeen.
Er is een missive ontvangen van Majoor Bruce uit het Fort Bath van de 27e ‘dat er geruchten zijn dat de Fransen van plan zijn met kleine vaartuigen over het zogenaamde Land, buiten het bereik van het geschut van het Fort, een landing te doen op het eiland’. Namens het stadsbestuur begeven de heren Boreel de Mauregnault en Van de Spiegel zich in allerijl naar Middelburg om enige vermeerdering van militie te verkrijgen om het eiland te beschermen tegen vijandelijke aanvallen.
De kapiteins van de burgercompagnieën worden voor het stadsbestuur ontboden en in kennis gesteld van de lopende geruchten. Ze krijgen opdracht hun compagnieën opnieuw op te schrijven en over de sterkte daarvan zo spoedig mogelijk te rapporteren.
Op deze zelfde dag komt ook bericht binnen van de Raadpensionaris van de 27e met de mededeling dat 110 man met hun officieren worden gevorderd uit Bergen op Zoom om het garnizoen op het Fort Bath te versterken. Verder zullen nog twee batterijen van tien stukken à 12 pond en van zes veldstukken aangelegd worden op de noordoostkant van de Bathse kade als de daarvoor benodigde artilleristen bekomen kunnen worden. Ook zullen drie gewapende vaartuigen worden gelegd in de passage door het zogenaamde Bergse Vliet om de batterijen te seconderen. De inhoud van deze brief wordt strikt geheim gehouden.
Uit het notulenboek blijkt volop ongerustheid over een op handen zijnde invasie door de Fransen.

Zorgen over de Staat

Uit de Statenvergadering rapporteert secretaris Ossewaarde op 16 maart 1785 ‘over de inhoud van een depêche van de ministers te Parijs, vervattende ’t ultimatum van den Keijser omtrent de pretenties op de Republiek, bij een missive van de heer Van Lynden aan de heer Raadpensionaris gecommuniceerd’.
Het stadsbestuur neemt op 23 maart met krachtige bewoordingen afstand van hetgeen allemaal over oorlog en vrede in de Staten-Generaal wordt bedisseld. De gedeputeerden naar de staatsvergadering krijgen opdracht te berde te brengen ‘dat het stadsbestuur van Goes niet weinig verbaasd heeft gestaan over hetgeen door de gedeputeerden nopens het antwoord op des Keizers ultimatum te geven is gerapporteerd’.

De handelingen ter Generaliteit komen het stadsbestuur ‘wederom zo soeverein, eigendunkelijk en singulier voor dat hun edelmogenden verlegen zullen moeten staan hoe zich voortaan meer omtrent het Bondgenootschap te gedragen. In een tijd waarin men pretendeert zijn verloren rechten te willen reclameren en ingeslopen abuizen te redresseren worden de tederste poincten van de Heiligste banden met voeten getreden. Oorlog en vrede zijn dezer dagen bijna op een en dezelfde tijd besloten zonder dat men daarin niet alleen heeft kunnen toestemmen, maar zelfs weet op welke voet’. Het komt het stadsbestuur voor ‘dat dit punt met alle ernst in het besogne behoort te worden geëxamineerd. En tevens van nu af aan ter Generaliteit gedeclareerd, dat hun edelmogenden in geen onereuze toegeeflijkheid bij deze gelegenheid besluiten hoe ook genaamd voornemens zijn mee te delen en op het allerkrachtigste protesteren tegen deze informele handelwijs, de gevolgen die daaruit noodwendig staan te proflueren overlatende voor rekening van de bondgenoten die daartoe hebben meegewerkt’.

Op 19 mei 1787 bespreekt het stadsbestuur een voorstel van de Heer van Lynden, ter vergadering van de Staten gedaan, ‘om in deze conjunctuur van tijden een plechtige commissie, bestaande uit een heer uit ieder lid van staat benevens de raadpensionaris, te benoemen om zich ten spoedigste naar ’s Hage te begeven en aldaar in conferentie te treden met de gedeputeerden van andere provincies ter vermijding van hetgeen verder tot verwijdering van de twistende partijen zou kunnen strekken en vooral om de band der Unie en de tegenwoordige constitutie te handhaven’. Na brede bespreking wordt besloten zich hier aan te conformeren en als gedeputeerde van Goes te benoemen oud-burgemeester mr. W. Canisius.

Op 7 april 1788 rapporteert burgemeester Keetlaar het stadsbestuur dat de heren commissarissen van Zijne Hoogheid gister hier gearriveerd zijn. Ze hebben hem verzocht ‘gelegenheid te mogen hebben om in de Raad te verschijnen en ouverture te geven van de commissie en de last, uit te voeren door de Stadhouder aan hen gedemandeerd. Hij heeft samen met de verdere heren, eergister daartoe verzocht, beraamd de regulatieven bij deze plechtigheid nodig te observeren. Hij heeft begrepen dat ze door een commissie van vier heren, gezeten in vier koetsen, van het jacht behoren te worden afgehaald en naar het stadhuis geconduiseerd. Ze hebben order gesteld dat de commissie door een compagnie grenadiers zullen worden geëscorteerd en de koetsen aan weerskanten door militairen, ordonnantiën, stadsboden en livreibedienden bezet en dat eindelijk het gehele garnizoen zich op de Grote Markt in de wapenen zal bevinden wanneer hun edelmogenden na en van het Stadhuis rijden om aan hen de vereiste honneurs te doen’.

Het stadsbestuur besluit de burgemeesters Keetlaar, Canisius en Van Dorth en secretaris Van Citters af te vaardigen om naar het jacht te rijden en hun edelmogenden naar het stadhuis te begeleiden. Deze heren nemen de commissie op zich. Ze geleiden de heren in de vergadering van het stadbestuur en verzoeken hen hun plaats in te nemen, te weten de heren raadsheren Le Leu de Wilhem, Van Munningen en Van Boetselaar aan het hoogeinde van de tafel en de heer secretaris van de commissie P.A. ’t Hoen aan de rechterzijde van het buffet. Vervolgens heeft de eerste heer, na vooraf door burgemeester Keetlaar in termen bij deze plechtige gelegenheid applicabel daartoe te zijn verzocht, ouverture gegeven van de commissie en last van Zijne Hoogheid. Het komt er op neer dat ze geëxamineerd hebben het rapport van hun gedeputeerden wegens derzelver bevinding binnen deze provincie en de middelen welke tot herstel en bevestiging der rust nodig zijn om in het werk te stellen, daaromtrent met alle menagement mogelijk in het generaal is te werk gegaan. Dat ze, desniettegenstaande gebruik makende van de autorisatie door de edelmogende Staten van Zeeland op Zijne Hoogheid gestrekt zich niet hebben kunnen dispenseren om twee heren, te weten Pieter Ossewaarde en mr. Wilhelmus Christianus de Crane, van hun functies als raden en de tweede ook als schepen, te ontslaan met behoud nochtans van zodanige voorrechten als aan oude regenten gewoon zijn gegeven te worden. En dat Zijne Hoogheid die vacatures heeft gesuppleerd, te weten als schepen de heer Johannes Stokmans en als raden de heren Stokmans en Aarnout van Citters. Van Citters mag pas aantreden als hij de volle ouderdom van 20 jaar heeft bereikt en alsdan tot die post volkomen compatibel is.

De commissarissen zijn tevens gelast om de leden van de raad hoofd voor hoofd alsmede de heer baljuw en de schepenen buiten de raad plechtig af te vragen of zij direct of indirect enig deel hebben gehad aan de acte van verbintenis op de 8e augustus 1786 te Amsterdam tussen enige zich noemende vaderlandlievende regenten aangegaan en door hen en door vele anderen naderhand getekend en bij zoverre zij daar aandeel in hebben gehad of zij daarvan alsdan afstand van doen en zich van alle verplichtingen uit dien hoofde voor ontslagen rekenen.
Nadat Stokmans is beëdigd hebben alle de presente leden van de vergadering op rekwisitie van hun edelmogenden plechtig en zonder achterhouden hoofd voor hoofd verklaard nooit deel gehad te hebben direct of indirect aan de acte van verbintenis de 8e augustus 1786 te Amsterdam aangegaan.
Vervolgens wordt de baljuw gedemandeerd de gekozen heer Aarnout van Citters in de maand mei in de eed te nemen en van hem eenzelfde verklaring af te vorderen.

Voorts hebben ze over hun edelachtbaren in deze stad de welmenendste zegenwensen uitgeboezemd en van hun edelachtbaren afscheid genomen. Waarna ze op dezelfde wijze naar het jacht zijn gereconduiseerd.
Burgemeester Keetlaar merkt in de vergadering van het stadsbestuur van 12 april 1788 op ‘dat bij de bestelling op de regering door de heren commissarissen namens Zijne Hoogheid afgelopen woensdag onder de pensionarissen-honorair niet genoemd zijn de heren Z.D. van der Bilt van Cloetinge, B. Verselewel van der Bilt en Adriaan van Tilburgh, welke heren tot nu toe van die posten hebben gejouisseerd. Hij is ervan overtuigd dat dit een enkel abuis is en het nooit de intentie van Zijne Hoogheid en de commissarissen is geweest om deze heren van die post te ontzetten. Aan de andere kant is het zo dat in de resolutie van 21 augustus 1756 met klare woorden is vastgesteld dat de pensionarissen-honorair, na die tijd aangesteld wordend tot raden, van de eerste post dadelijk zouden worden verstoken, zonder dat daarover nieuwe deliberaties zouden behoeven plaats te hebben. Het is duidelijk dat de kwaliteit van pensionaris-honorair ten opzichte van de drie heren dadelijk cesseerde. Dat intussen zeker uit onkunde van die resolutie de heren deze post hebben blijven continueren. Het zou hard zijn hen bij deze gelegenheid te destitueren. Besloten wordt dan ook de resolutie van 1756 in volle kracht te houden met uitzondering van de beide heren Van der Bilt en de heer van Tilburgh, die dan kunnen continueren in hun post van pensionaris-honorair mits buiten kosten van de stad. Wel zullen de commissarissen van Zijne Hoogheid hiervan in kennis gesteld worden.

In de vergadering van het stadsbestuur van 30 januari 1790 wordt een strikt geheime missive gelezen van Gecommitteerde Raden van Zeeland van de 28e met als inhoud, dat de gedeputeerden van de provincies hebben kennis genomen ‘van een gesloten conventie tussen de ministers van Zijne Majesteit de Koning van Groot Brittannië, Zijne Majesteit de Koning van Pruisen en die van hun Hoogmogenden over het nemen van gemene mesures met opzicht tot de troubelen in de Oostenrijkse Nederlanden ontstaan’. Besloten wordt de conventie te helpen ratificeren en hiervan aan Gecommitteerde Raden kennis te geven. ‘Na beëdiging hoofd voor hoofd’ besluit het stadsbestuur hierover de striktste geheimhouding te bewaren.

Schaarste aan granen

In het voorjaar van 1789 is er sprake van een dreigende schaarste aan graan.
Het stadsbestuur overweegt op 6 juni ‘de vermeerderende duurte en de grote schaarsheid van graan en de geduchte gevolgen die daaruit te verwachten zijn, indien niet bijtijds bedacht wordt om enigszins tegen een gevreesd gebrek en verdere duurte te voorzien’. Alvorens hierover te besluiten worden de stadsdirecteuren en pasmeesters van den brode verzocht bij de voornaamste kooplieden in granen te informeren voor welke prijs zij genegen zouden zijn een hoeveelheid tarwe aan de stad over te laten.

Burgemeester Canisius rapporteert daarop namens de gedeputeerden, die met de voornaamste kooplieden in granen overlegd hebben. Van de graankooplieden is voor rekening van de stad overgenomen tegen tien gulden de zak een hoeveelheid van over de 1000 zakken tarwe. Ze menen dat hiermee de bakkers een geruime tijd kunnen worden geriefd. Als het pas verhoogd wordt met één duit en iedere zak afgeleverd wordt aan de bakkers voor 32 schellingen zal de stad aan weliswaar daarbij een gering verlies lijden. Maar aan de andere kant, wat het voornaamste is, zal het gevreesde gebrek worden verhoed en zullen de bakkers geen nadeel ondervinden, terwijl de burgerij niet al te veel wordt bezwaard. Verder heeft de graankoopman David de Klerk te kennen gegeven een voldoende hoeveelheid rogge te hebben om de bakkers daarvan tegen 19½ schelling per zak te gerieven.
Het stadsbestuur bedankt de gedeputeerden voor hun gedane moeite en gehouden directie en gaat graag akkoord met de genomen schikkingen. De stadsdirecteuren krijgen machtiging om nader te infomeren naar de hoeveelheid rogge die in de stad voorhanden is. Ze krijgen de vrijheid om, afhankelijk van hun bevindingen, enige meerdere voorraad van elders te ontbieden. Wel moeten ze daarbij in het oog houden de sterkte van het aanstaande garnizoen.

Het stadsbestuur neemt op 27 juni 1789 in overweging ‘de grote verzending en de zeer hoge prijzen van de granen, waardoor men met reden beducht is (schoon de regeringen van sommige steden, waaronder de stad Goes, voor een tijd tegen een niet al te drukkende prijs in het brood voor hun ingezetenen hebben voorzien) dat een gebrek en schaarsheid zelfs nog voor de inzameling van de te veld staande oogst, voor de opgezetenen ten plattelande zou kunnen worden veroorzaakt’. Besloten wordt Gecommitteerde Raden in overweging te geven om de regeringen van de stemmende steden te verzoeken de gerechten ten platten lande aan te schrijven ‘ieder in de zijne zorg te dragen dat er binnen elke parochie een genoegzame hoeveelheid tarwe tot gebruik voor de ingezetenen verblijve tot de tijd, dat de te velde staande oogst zal zijn ingezameld’.

Ingevolge het verzoek van Gecommitteerde Raden van Zeeland wordt in juli 1789 een generale lijst opgesteld van de opschrijving van de granen in het eiland Zuid-Beveland en het eiland Wolphaartsdijk.
De stadsrekening van 1790 vermeldt een betaling voor de inkoop van 5195 zakken tarwe voor £ 7317.11.4.

De te velde staande granen blijken een overvloedige oogst op te leveren.
Het stadsbestuur overweegt op 12 september 1789 ‘hoe dat het de Goddelijke Voorzienigheid heeft behaagd, na een strenge en harde winter, welke een ieder een kommerlijk vooruitzicht geven moest omtrent de vruchten van het land die de mens een onontbeerlijk voedsel verschaffen, dit jaar te zegenen zo met een zeer milde oogst als allergelukkigste inzameling van denzelven en hoe deze zegen te groter is, dewijl nog over weinige weken het groot vertier van granen buiten's lands reden gaf om voor gebrek aan dezelve beducht te zijn’.
De gedeputeerden naar de statenvergadering krijgen een voorstel mee ‘voor het uitschrijven van een plechtige dankure binnen deze provincie teneinde den goedertieren God te danken voor al deze onverdiende Gunstbewijzen en ’s Hemels Zegeningen verder af te smeken’.

Spoedig daarop komt een brief van de Staten van Zeeland met uitschrijving van een plechtig dank- en bede uur op de 21e september ‘teneinde de Allerhoogste te danken voor Zijne bewarende Hand en voor de bijzondere Zegen waarmee alle de inwoners des lands door de zeer rijke oogst beweldadigd zijn en voorts Hem in alle ootmoedigheid te bidden dat Hij ons met Zijn verdere goedgunstigheden wil achtervolgen en alle rampen en oordelen, die ons dreigen en zouden kunnen overkomen, genadig van ons wenden’. Het stadsbestuur besluit deze brief te publiceren en gedrukte exemplaren daarvan aan de predikanten te distribueren.