Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1785 - 1792)

Arbeiders-, bierdragers- en zakkedragersgilde

Ingaande 1787 worden in het arbeiders- of zakkedragersgilde toegelaten de volgende burgers: Hubregt Zegers, Job Goeman, Jacobus Proos, Marinus van Paassen, Hubregt Cooman, Jan Verhoef, Adriaan van der Maas, Gerard Zaayer, Adriaan van Antwerpen, Leyn Maat, Pieter de Munnik, Jacob van den Visse, Hendrik Reynout, Job van der Maas, Pieter van de Visse, Dignus Corstanje, Marinus Gandolf, Pieter Molhoek, Pieter van Waarde, Jan van Waarde, Antony Springeling, Willem Koningswout, Jan Metselaar, Cornelis Cramer, Job Leendertse, Frans van de Peerl, Joos Luk, Wouter Visscher, Adriaan Loentje, Job Zoutewelle, Cornelis van der Maas en Jan de Jonge. Ingaande 1789 worden toegelaten Jan Ponse, Quirijn Quist, Marinus van Eel, Adriaan de Dreu, Jacobus Sanderse, Johannes Kolder, Willem van Loo, Reinier Crabbe, Jan Sloover, Huibert Bosdijk, Jan den Braber, Huibert Visser, Marinus de Munck, Jan Zandijk en David Brouwer, Jacobus Ponse, Philip Kempe, Adriaan de Munck en Adriaan Beekman. Ingaande 1790 Jan de Kok, Theunis Wagenaar, Benjamin Benjaminse, Bernardus van den Berg, Jacobus Cooman, Hendrik Zwijten, Jan Paaschen, Jacob Gouwelaar, Gerard van der Maas, Dirk Nonnekes, Simon Zoutewelle en Jan La Foy. Ingaande 1791 Jacobus de Haas, Pieter de Hooge, Frans Benjaminse, Pieter Springeling, Marinus Noordhoeve, Willem Kramer, Pieter de Munck, Bartholomeus Kulaert, Pieter Zoutewelle, Adriaan Zoutewelle en Joris Hoogerwerve. Ingaande 1792 Nicolaas Hoogewerve, Laurens de Hond, Mattheus Loof, Izaac de Haas, Harman Wagenaar en Cornelis Brand.

In het bierdragersgilde worden toegelaten de volgende burgers: Daniël Buijs (1785), Laurus Musse en Cornelis Dekker (1786), Johan Coenraad Koch (1787), Cornelis Molhoek (1788), Antoni Molhoek, Maarten van Kleijnputte, Jacob Witte, Johannis Roones (1789), Gerrit Dekker, Janis Witte, Jan Oversluijs (1790), Hendrik Geleeds, Cornelis Zitters (1791), Jacobus de Hooge, Willem Biersteker en Jan Vervenne (1792).

Bakkersgilde

De dekenen van het bakkersgilde verzoeken het stadsbestuur in februari 1786 de resolutie van 16 april 1774 in te trekken. Met deze resolutie werd aan alle bakkers verboden het lenen van goederen om daardoor elkaar in de nering niet te onderkruipen. Ze stellen dat hiermee geenszins het beoogde oogmerk wordt bereikt. Het stadsbestuur besluit deze resolutie in te trekken.

In juli 1788 besluit het stadsbestuur op voorstel van de pasmeesters van den broode en de overdeken en dekenen van het bakkersgilde de Ordonnantie op het bakkersgilde van 1 april 1775 te wijzigen in die zin, dat de bakkers voortaan verplicht zullen zijn ‘hun cropbrood te bakken van zuiver tarwemeel of van een alooy overeenkomstig met hetzelve en de eerste letter van hun naam op een merkteken, in onderscheiding van anderen, door hun verkoren en aan dekenen van het gilde bekend gemaakt, op het winkelbrood te zetten’.
Verder bepaalt het stadsbestuur ‘dat het grof gebuild tarwebrood, onder die naam in het pasboek bekend, zal moeten gebakken worden naar de ten jare 1778 gemaakte tafel, zoals de zetting heden daarvan gegeven wordt, namelijk dat dit moet gebakken worden van 87 pond blom uit één zak gekneed met water en gist zonder melk, zonder hetzelve met iets anders te strijken dan met pap of eijers’.

Chirurgijns- en apothekersgilde

De dekenen en verdere leden van het chirurgijns- en apothekersgilde betogen in oktober 1786 dat ze, niettegenstaande de gestelde orders van het stadsbestuur, thans in een zeer diep verval zijn geraakt en wel zodanig dat niet alleen door sommige van de gildebroeders sinds enige tijd zodanige functies worden uitgeoefend waartoe zij uit hoofde van hun toelating tot het gilde geheel en al onbevoegd zijn. De medicine dokters leveren volop medicijnen terwijl dit alleen aan de apothekers is toegestaan. Door onbevoegde personen wordt een menigte pillen, elixers en spiritualia verkocht. Ze verzoeken de vorige resoluties en ordonnanties te vernieuwen en te bepalen dat:

  • geen praktiserend medisch doctor als chirurgijn over uitwendige kwalen zal mogen praktiseren en geen medicijnen zal mogen leveren maar dit bij de apothekers te laten;
  • geen chirurgijns inwendig als medicine doctors zullen mogen praktiseren, veel min de medicamenten daartoe leveren, maar alleen de vrijheid zullen hebben in hun chirurgicale praktijk te leveren zodanige fomenta, zalven, pleisters, tincturen en dergelijke zaken als tot hun chirurgenpraktijk zal worden vereist. En dat ook geen lijders enig chirurgijn als doctor zal mogen gebruiken of inwendig geordonneerde medicijnen van een chirurgijn accepteren;
  • geen apothekers als medicine doctors over inwendige noch chirurgijn over uitwendige kwalen zullen mogen praktiseren en dat ook niemand een apotheker als doctor of chirurgijn zal mogen gebruiken;
  • degene die als operateur binnen de stad werkzaam is, zal niet mogen verrichten handelingen van vroedkunde, het steensnijden, de catharaat en het breuksnijden;
  • ook niemand die niet tot doctor, chirurgijn of apotheker is gepromoveerd als zodanig zal mogen praktiseren;
  • etc..

Het verzoekschrift is ondertekend door Thomas Baker, Jacobus van der Poel, Carolus Sandijck, Johannes de Koninck, Jozias de Quant, Pieter Huysman en Jacobus Breekpot.

Glazenmakersgilde, Koper- en blikslagersgilde

Willem Musse, deken van het glazenmakersgilde, en Cornelis Dupersy, deken van het koper- en blikslagersgilde, geven in 1786 te kennen dat bij resolutie van 8 november 1760 naar aanleiding van het gepresenteerde rekwest van de hoefsmeden Gideon Vervenne en Quirijn de Roo het smedengilde door het stadsbestuur in zoverre is geprivilegieerd dat voortaan geen van de Roomse religie dan die ingeboren burgers van de stad zijn, tot dit handwerk zullen worden toegelaten. En omdat het smedengilde met deze gilden is gecombineerd willen ze graag voor hun respectieve ambachten ook van het genoemde privilege gebruik maken. Ze verzoeken dit privilege ook toe te staan aan het glazenmakers- en aan het koperslagers- en blikslagersgilde, die met het smedengilde zijn gecombineerd.

Kleermakers- en keurslijfmakersgilde

In september 1785 stellen de vrijbazen van het kleermakers- en keurslijfmakersgilde enige verbeterpunten voor. Zo verzoeken ze dat er bij de eerste verkiezing van dekenen over hun gilde worden verkoren ‘dekenen die voor hun zelfs belang hebben in de goede orde en welstand van het gilde en dus zulke die werkelijk hun ambacht exerceren en dat zulks alzo in de bestendigheid moge plaats grijpen’. Ook wensen ze dat elk jaar twee van de vier dekenen nieuw aantreden en dat de dekenen twee volle jaren aanblijven. Ze menen dat deze tot verbetering van het gilde en tot beter emplooi van de penningen die tot de gildekas behoren kunnen strekken.
De brief is ondertekend door Hermanus Keveris, Thomas Heyblom, Reinier Hoondert, Pieter den Boer. Jan Driessen, P. Verheule, J.W. Weijdman, Christiaan van Kleinenbrugel, Heindrik de Waard, Martinus Bootsgezel, Johannes Bergen, Cornelis Briels, Jacobus van der Brule, Jan Lucksen, Jan de Witte, Andries Tris, Gerard Rapholm, Willem van der Os, Adriaan Bondooij,
Johannes Baden, Hubrecht van der Wijde en Johannes Vernet.
De overdeken en de dekenen van het gilde schrijven daarop in een uitvoerig advies dat ze geen gegronde redenen zien om het verzoek van de gildeleden over te nemen. Het advies is ondertekend door Z.D. van der Bilt van Cloetinge als overdeken en Theunis van Uije, Cornelis Steijn, Everwijn Mispelblom en Jan de Wijs als dekenen.
Het stadsbestuur besluit echter, op advies van de overdeken en de dekenen, te blijven bij het oude gebruik in het besturen van het gilde.

De dekenen van het kleermakers- en keurslijfmakersgilde, Theunis van Uije, Jan de Wijs, Everwijn Mispelblom en Martinus Bootsgezel, beklagen zich in augustus 1786 over de onaangename bejegening die zij in hun functie telkens van hun mede gildebroeders moeten ondervinden. Ze hebben zich ‘een geruime tijd met het grootste gedeelte van hun gildebroeders in veel moeilijke omstandigheden bevonden en bij alle voorkomende gelegenheden, zo op begrafenissen als anderszins, telkens vele juderingen, smadelijke woorden en andere onfatsoenlijke bejegeningen moeten aanhoren’. Daarom verzoeken ze om nadere vaststelling van de ordonnanties op hun gilde uit de jaren 1613 en 1722. Zo dient geregeld te worden ‘dat de gildebroeders van nu af aan en voortaan zullen gehouden en verplicht zijn om ter begrafenisse te komen wanneer een der gildebroeders, zijn huisvrouw mitsgaders een weduwe van dien, ofte een wollenaaister, in het gilde vrij zijnde, kwam te overlijden’. Een ander zwaarwegend punt is ‘dat de dekenen bij aanhoudendheid menigvuldige klachten hebben dat de wollenaaisters die in het gilde vrij zijn, hun gilderecht maar verkrijgende bij inkoop als wollenaaister en geen proeve doende gelijk een gildebroeder verplicht is te doen en zij wollenaaisters zich niet ontzien om allerhande manswerk te maken of zelfs te laten maken om publiek te verkopen’.
Het stadsbestuur besluit de ordonnantie aan te passen.

Maar in oktober 1786 komt er een rekest bij het stadsbestuur binnen van 22 burgers en vrijbazen van het kleermakers- en keurslijfmakersgilde. Hierin beklagen ze zich over het niet beslissen op hun rekest van de 26e augustus 1785 tot redres van enige zaken en tot een goed bestuur van hun gilde. Tevens protesteren ze tegen de klachten van de dekenen van hun gilde ‘alsof deze telkens onaangename bejegeningen moeten ondervinden’. Integendeel! Zij storen zich juist aan het gedrag van de dekenen.
Verder beklagen ze zich erover dat het stadsbestuur zonder hen daarover te horen wijzigingen heeft aangebracht in de ordonnanties van 1613 en 1722.
Het stadsbestuur besluit, ‘gelet op de zeer oneerbiedige en ongemesureerde termen in het rekwest voorkomende, die het stadsbestuur niet aan de verzoekers, maar aan de steller en schrijver toeschrijft’, het verzoek af te wijzen. De verzoekers wordt ernstig gelast om de ordonnanties en resoluties van het stadsbestuur te gehoorzamen en de dekenen met al hun vermogen deze te helpen onderhouden.

Schippersgilde

Op 10 september 1791 wijst de overdeken van het schippersgilde, P.A. Boreel de Mauregnault, het stadsbestuur er op dat door het opdrogen van het vaarwater het dikwijls niet mogelijk is passagiers naar de een of andere plaats ten spoedigste over te voeren met vaartuigen die alleen in het gilde zijn toegelaten. Hij geeft in overweging lieden, die zogenaamde vaarhouten varen en hoogaarzen of hengsten voeren, die volgens de Ordonnantie op het schippersgilde geen goederen mogen laden, toe te staan om een of enige passagiers, die geen koopmansgoederen bij zich hebben, naar elders te transporteren. Dit op voorwaarde dat dit niet geschiedt op hetzelfde getijde dat er een beurtman naar zodanige plaats afvaren moet.
Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Wel moet er voor worden gezorgd dat deze kleine vaartuigen tenminste elk jaar nauwkeurig geëxamineerd en geklopt worden.

Smedengilde

In maart 1786 verzoeken Willem Musse, deken van het glazenmakergilde, en Cornelis Dupersy, deken van het koper- en blikslagersgilde, dat het privilege, dat aan het smedengilde (dat met hun gilde is gecombineerd) toegestaan is, ‘waarbij die van de Roomse religie, uitgenomen die ingeboren burgers van de stad zijn, tot dit ambacht en handwerk niet zijn toegelaten tot hun ambachten’, mede mag worden uitgebreid, zodat deze ook van dat voorrecht genieten.
De overdeken en dekenen van het smedengilde verklaren echter dat het hen niet redelijk voorkomt om die van de Roomse religie, mede zijnde burgers die schattingen en lasten betalen, uit te sluiten tot het doen van hun proeven, waneer deze voldoen aan de wetten en rekwisities die in de gilden plaatshebben. Temeer daar door het accorderen van dit verzoek een deur geopend zou worden voor meer diergelijke verzoeken in andere gilden en andere moeilijkheden daaruit zouden kunnen voorkomen. Het stadsbestuur besluit het verzoek van de hand te wijzen.

Timmerlieden- en metselaarsgilde

Op voorstel van de overdeken van het timmerliedengilde besluit het stadsbestuur in februari 1785 dat, indien iemand tegen het verbod van de 27e september 1766 zonder permissie de houtnegotie mocht doen of op enige wijze enige houtwaren mocht opveilen of verkopen, deze zal verbeuren voor de eerste keer £ 1 Vlaams en wanneer hij dit meerdere keren doet voor elke reis £ 4.3.4.

Het timmerliedengilde betoogt in januari 1790 dat het nadeel lijdt door het misbruik van de resolutie van 7 mei 1685 waarbij het vreemde schippers vrij gelaten wordt hun houtwaren, wanneer ze die niet kunnen verkopen aan gildebroeders, aan particulieren te verkopen. Het stadsbestuur besluit te bepalen dat voortaan alle houtwaren, die door vreemde schippers worden aangebracht, niet anders dan aan gildebroeders mogen worden verkocht en, wanneer deze onverkocht blijven, moeten ze weer meegevoerd worden. Niettemin staat het een ieder burger vrij om voor zichzelf houtwaren van buiten Goes te ontbieden.

Het stadsbestuur besluit in mei 1790 op voorstel van de overdeken van het gecombineerde timmerlieden- en metselaarsgilde tot vaststelling van de volgende nadere bepalingen:

  • een gildebroeder die onder het gilde ressorteert en die komt te sterven, daarvoor mag zijn weduwe invallen in de voorrechten van haar man, dus haar winkel voortzetten, knechts en leerlingen aannemen en verder delen in alle de gildenvoorrechten die door haar man genoten werden;
  • als een gildezuster wordt aangenomen tot dat deze met iemand, die geen vrijbaas is in het ambacht van haar overleden man, komt te hertrouwen, dan zal ze haar affaire moeten abandonneren;
  • belangende de winkels der gildebroeders die komen te sterven, die geen weduwe maar wel kinderen, broeders, zusters of andere erfgenamen nalatende, welke buiten het gilde of functie van de overledene zijn, aan deze kinderen, vrienden of erfgenamen de tijd van drie maanden vergund wordt om gelegenheid te hebben om de affaire van de overledene en de goederen het gilde subject tot hun meeste voordeel te verkopen en dat na expiratie van die tijd de erfgenamen geen zodanige goederen aan particuliere personen zullen mogen verkopen, op een boete van vier ponden;
  • dit zal ook in acht moeten worden genomen bij het hertrouwen of overlijden van een weduwe, een gildezuster zijnde.

Vleeshouwersgilde

In februari 1786 geven de dekenen van het vleeshouwergilde, Nicolaas Noorthoeve, Jan Temperman, Leendert van Hoorn en Willem Dekker, te kennen dat het stadsbestuur op 1 april 1747 ten behoeve van hun gilde gunstig heeft geordonneerd dat voortaan door niemand als door de vrije bazen in het gilde en hun knechts, in dienst van hun bazen zijnde, enigerhande rundvee, schapen of lammeren binnen de stad of jurisdictie voor particuliere luiden zal mogen worden geslacht.
Op grond van een aantal redenen verzoeken ze het stadsbestuur, bij interpretatie van de resolutie van 1 april 1747, te verklaren dat ook van alle geslacht rundvee, schapen of lammeren, die van buiten binnen de stad worden ingebracht, hetzij geheel of bij gedeelten, ten profijte van het vleeshouwergilde zal worden betaald het ordinaire loon ten advenante van de kwaliteit, te weten van een koe of rundbeest een rijksdaalder, van kalveren vier schellingen, van een schaap twee schellingen, van een lam een schelling, van een eenjarig varken vijf schellingen en van een jong varken 27 stuivers.
Het stadsbestuur besluit om, bij nadere interpretatie van de resolutie van 1 april 1747, dat van alle geslacht rundvee, schapen of lammeren, die van buiten binnen de stad worden ingebracht, tot profijt van het gilde zal moeten worden betaald het ordinaire slachtloon, te weten:

  • van een koe een rijksdaalder;
  • van een kalf vier schellingen;
  • van een schaap twee schellingen;
  • van een lam een schelling;
  • van een eenjarig varken vijf schellingen en zes grooten.

Wevers- en hoedenmakergilde

In december 1787 stelt de overdeken van het wevers- en hoedenmakergilde voor dat alle linnenverkopers binnen de stad, zoals dit altijd gebruikelijk is geweest, gehouden zullen zijn om aan de gildekas jaarlijks te betalen twee schellingen Vlaams. Het stadsbestuur neemt dit voorstel over onder wijziging van de Ordonnantie op het gilde van de 28e december 1771.