Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1785 - 1792)

Nederduitse gemeente

In de kerkenraadvergadering van 30 september 1785 deelt de praeses mee een brief te hebben ontvangen van ds. Nicolaas Pronck uit Wouw van de 20e, waarin ‘zijn eerwaarde te kennen geeft deszelfs aanhoudende lichaamzwakheid, zonder enig uitzicht op zodanige herstelling, waardoor hij tot den predikdienst wederom in staat zou kunnen zijn, waarom hij zig genoodzaakt vindt zijn Emeritaat te solliciteren, verzoekende deswegens dat de kerkenraad dat alles gelieve aan te wenden, hetwelk dit doelwit kan bevorderlijk zijn’.
Ook het stadsbestuur ontvangt begin september een brief van ds. Pronck vanuit Zundert dat hij zich vanwege ‘continuele indispositie buiten staat bevindt om de predikdienst waar te nemen’ en verzoekt hem emeritaat toe te kennen.
Er wordt een vergadering van het collegium qualificatum belegd om hierover te beslissen en een andere predikant te beroepen. In aanwezigheid van burgemeester Canisius, burgemeester Van Dorth en oud-burgemeester Van der Bilt van Cloetinge wordt besloten ds. Pronck emeritaat te verlenen.
Drie maanden later, op de 18e december 1785, overlijdt ds. Nicolaas Pronck te Wouw, ‘werwaarts zijn eerwaarde ter herstelling zijner gezondheid zich begeven hadde’.

Op de 16e augustus 1786 komt het collegium qualificatum in vergadering bijeen voor het beroepen van een nieuwe predikant. Namens het stadsbestuur zijn aanwezig oud-burgemeester mr. W. Canisius, mr. A.W. van Citters, heer van ‘s Gravenpolder, en Z.D. van der Bilt, heer van Kloetinge. Ook de diakenen zijn voor deze vergadering uitgenodigd.
In de vergadering wordt geconstateerd dat niemand van de diakenen aanwezig is. Dit komt, volgens het bericht van de praeses, ds. Van der Grijp, omdat hem deze morgen door de diakenen is verteld dat geen van hen iets had aan te merken op de predikanten die hun de vorige avond waren opgegeven. Maar niemand onder hen ‘had tot dusverre eene drijving tot eenen of anderen predikant en geen inspiratie om alsnog een beroep te doen, schoon zij niets wisten in te brengen tegen een der heren die hun door burgemeester Canisius waren voorgesteld, waarom zij gewenscht hadden dat het beroepingswerk nog twee of drie weken ware uitgesteld en om dat uitstel de eerste gedeputeerde verzocht hadden’.
De vergadering verneemt dat het collegium qualificatum ‘om der diakenen wil’ al een en andermaal is uitgesteld en dat dit verzoek geschiedde toen de koster deze vergadering aan het beleggen was. De vergadering besluit eenparig met het beroepingswerk verder te gaan.
Op de nominatie worden 18 predikanten geplaatst, waaronder (als eerste) J. de Stoppelaar te Steenbergen, L. Geene te ’s Gravenpolder, P.W. Lamotthe te Cloetinge, J.P. Pronck te Zundert en J. van Dorth te Oegstgeest. Hieruit worden 12 predikanten verkoren, daaruit weer 6 en vervolgens 3 (De Stoppelaar te Steenbergen, Storm te ’s-Gravenzande en Van Beuningen te Oud-Beijerland). Op de 19e augustus brengt het collegium qualificatum een beroep uit op ds. J. de Stoppelaar te Steenbergen.
Op de 27e augustus wordt het college bijeen geroepen voor het lezen van de ingekomen brief van ds. De Stoppelaar. Hierin schrijft hij ‘na rijpe overweging en afbidding van Gods verlichtende Genade zich verplicht te voelen de beroeping van Ter Goes in des Heeren Vreeze aan te nemen’.
De nieuwe predikant, ds. De Stoppelaar, verschijnt op 18 november op de kerkenraadvergadering, ‘vertonende zeer loflijke getuigschriften van de Classis Tholen en Bergen op Zoom en van de kerkenraad van de hervormde gemeente te Steenbergen’. De bevestiging vindt op zondag de 19e plaats door ds. Van der Grijp.

Op 11 oktober 1788 deelt burgemeester Canisius het stadsbestuur mee dat de oudste predikant van de Nederduitse gemeente, ds. D. Kaas, hem heeft meegedeeld nog gaarne in zijn dienst te willen continueren zo lang zijn krachten en vermogens dit toelaten. Echter, om redenen van zijn klimmende jaren en vermindering van geheugen verzoekt hij om gedurende de wintermaanden te worden vrijgesteld van zijn vrijdagavondbeurten. Het stadsbestuur besluit ds. Kaas, uit consideratie van zijn klimmende jaren, vrij te stellen van de vrijdag avonddiensten gedurende de wintermaanden en dienvolgens toe te staan dat op deze toerbeurten voorlopig geen publieke godsdienstoefeningen zullen worden gehouden.
In januari 1792 besluit het stadsbestuur op het verzoek van de predikanten ‘gedurende de indispositie van ds. Kaas de vrijdagkerk te sluiten, gelijk mede de Kleine kerk wanneer het de weekbeurt van deze predikant zal zijn, terwijl de overige beurten van ds. Kaas als dan exact zullen waargenomen worden’.

Burgemeester Van Dorth betoogt in de raadsvergadering van 27 februari 1790 dat hem ter ore is gekomen ‘dat de Classis van Zuid-Beveland tot suppletie van vacante plaatsen het oog begint te slaan op personen die in de gepasseerde troebelen zodanig zijn gemêleerd geweest, dat zij in de waarneming van hun functies zijn gegenereerd of ten enemaal, ja zelfs door dadelijke remotiën zijn gestremd. Er zijn er zelfs die openlijk hun gaven hebben laten horen en er hebben al beroepingen hun beslag gekregen’. Op zijn advies besluit het stadsbestuur hiervan aan Gecommitteerde Raden kennis te geven en hen in overweging te geven te effectueren dat predikanten, die ‘openlijk bekend staan van de laatste beroerten het verderfelijke systeem van die tijd te hebben gesolveerd en zich elders door hun gedrag zodanig hebben vergrepen’, geweigerd worden binnen deze provincie toegelaten te worden. Ook adviseert het stadsbestuur ‘de classes van Zeeland en speciaal die van Zuid-Beveland op te dragen bij het nazien van de stukken van beroepingen nauwkeurig te letten op de getuigschriften’.

Gedurende deze jaren doet de kerkenraad enkele uitspraken.
Zo wordt in maart 1785 besloten dat voortaan ‘in alle voorkomende zaken bij zulk een wijk, in welk de predikant buiten staat is die te verrichten of gedurende een vacature bij welke een wijk openstaat, alle dezelve, gene uitgezonderd, zelfs niet de bestraffing bij ‘t dopen van een onecht kind, door de praeses van dien tijd, in welke zulk een zaak voorvalt, het werk zal afgedaan worden’. In maart 1787 besluit de kerkenraad voortaan ‘Roomsgezinden, welke buiten de gewone tijd de ondertrouw begeren en in een besloten kerk trouwen, bij den ondertrouw zullen geven een dukaton meer’. Ook wordt besloten om, zo voortaan ouders weigeren hun kinderen te laten dopen, daarvan aantekening te houden. En ten aanzien van het sluiten van huwelijken wordt in juni 1787 bepaald ‘dat bij het aflezen van namen in de huwelijkse proclamatiën geene titels zullen worden bijgevoegd en ook dat het afkondigen daarvan door de voorlezers zal geschieden’.

In november 1785 is de koster van de Grote kerk, Teunis van Uije, wegens aanhoudende en steeds toenemende lichaamszwakheden buiten staat die post langer waar te nemen. Hij is daardoor genoodzaakt voor die bediening te bedanken. In zijn plaats wordt aangesteld Jacobus Pieterse. De nieuwe koster dient aan de gewezen koster Van Uye gedurende zijn leven lang jaarlijks uit te keren een bedrag van € 56 Vlaams. Tot ontlasting van de koster zal Maria Zoetebier elk half jaar op de gewone tijd aan de huizen ophalen en ontvangen de gelden die aan de kerk wegens de zitstoelen betaald moeten worden en die penningen in handen stellen van de koster. Ook zal ze moeten verzorgen wat tot waarneming van de wekelijkse catechisaties van de predikanten in de consistorie vereist wordt op zodanige dagen en uren als de predikanten goedvinden.

Bij de tumultueuze bewegingen begin 1787 geven de predikanten de kerkenraad bericht ‘hoe elk afzonderlijk een commissie gekregen had uit het stadsbestuur met verzoek om van den Predikstoel bij aanhoudende tumultueuze bewegingen elk tot rust en eensgezindheid aan te manen, hetgeen elk der predikanten volvaardig op zich nam’. Nadat de predikanten aan het verzoek van het stadsbestuur op zondag de 4e februari hebben voldaan, ontvangt de kerkenraad een uittreksel uit de notulen van het stadsbestuur van 5 februari met de volgende inhoud: ‘Aan de Nederduitse kerkenraad en aan de heren predikanten zal worden te kennen gegeven dat het werk dat hun eerwaarden op gisteren verricht hebben alleszins is geweest voldoende aan ’t oogmerk van hun edelachtbaren en dat dit hun bijzonder aangenaam is geweest en dat ze de heren predikanten bedanken voor hun aangewende pogingen om ook op deze wijze tot een algemene tranquiliteit mede te werken, vertrouwende dat God daarop Zijnen Zegen zal geven. Getekend A.W. van Citters’.

In september 1788 overlijdt de krankenbezoeker Adriaan Does. Hij wordt in de nederkerk begraven. Met eenparige stemmen beroept de kerkenraad tot nieuwe krankenbezoeker Antoni de Ridder. De kerkenraad besluit van deze gelegenheid gebruik te maken om een nieuw, door ds. Kaas opgesteld Reglement voor de krankenbezoeker vast te stellen. Hierin wordt in acht artikelen uitvoerig omschreven wat er zo al van deze functionaris verwacht wordt zoals catechiseren op de scholen, in de kerk, in het weeshuis, en dergelijke. Het Reglement wordt in het notulenboek ondertekend door Paulus Provoost, Antoni de Ridder en Cornelis Dekker. Antoni de Ridder overlijdt in november 1792. Eenparig wordt in deze functie benoemd Cornelis Dekker.

In februari 1789 verzoekt het stadsbestuur de diakenen van de Hervormde Nederduitse gemeente haar binnen de tijd van acht dagen te berichten ‘uit wat hoofde het college nu niet meer desselfs aandeel in het traktement van de stadschirurgijns betaalt’. De diakenen betogen dat de diaconie in het verleden nooit in de traktementen van de stadschirurgijns heeft bijgedragen. Dit wordt in een zeer uitvoerige brief met redenen toegelicht.

In september 1791 doet zich een treurige controverse voor binnen de kerkenraad. Diaken Nortier brengt bezwaren in bij de kerkenraad, bij het stadsbestuur en vervolgens in een speciaal bijeen geroepen collegium qualificatum tegen het feit ‘dat de boekhouder borgtocht dient te verlenen voor de administratie van de armengoederen’. Het collegium qualificatum wil het laten zoals het is en stelt dus Nortier in het ongelijk. Deze berust hier niet in en verzoekt opnieuw om een bijeenkomst van het collegium qualificatum. Het college blijft echter bij haar eerdere standpunt. Dit leidt er toe dat ds. Kaas een zeer uitvoerig ‘Contra Protest’ tegen het protest van diaken Nortier aan de kerkenraad overlegt. Dit begint met deze woorden: ‘Nimmer hoorde men in onze kerkelijke vergaderingen een voorstel zoo vreemd en ongehoord als dat van de diaken A. Nortier…’. Hij beoordeelt de actie van Nortier ‘met verontwaardiging, als in strijd met de eer en het goed gerucht dat men zijn naaste dient toe te brengen, zonder voorbeeld, ongegrond en sterk beledigend’. Met dit contraprotest verenigen zich ds. W.G. van der Grijp, Marcus Boddingius, Johannes Walrave, Willem de Wolff, Jacobus de Jongh, W. van der Hoek en Nathanaël Visser.
De boekhouder van de diaconie, Jacob Walrave, schrijft daarop zich gedrongen te voelen zijn ontslag als diakonyboekhouder te verzoeken ‘gevoelende dat zijn zwak lichaamsgestel door de onverdiende, onvriendelijke behandelingen van diaken Nortier niet weinig geattaqueerd wierd en sig niet in staat vindende met dien mensch gemeenschappelijk de diakony te dienen’.
De kerkenraad doet een dringend beroep op boekhouder Walrave in functie te blijven. Het gevolg is dat Walrave verklaart op verzoek van de kerkenraad voorlopig te zullen blijven fungeren als diaken en boekhouder. Maar op zijn dringend verzoek krijgt hij in januari 1792 ontslag als diaken en boekhouder van de diaconie.
De diakenen verzoeken de kerkenraad de nieuwe boekhouder weer jaarlijks zeven ponden Vlaams als vergoeding te verlenen, dit op voorwaarde dat hij verplicht is borgen te stellen. De kerkenraad gaat wel akkoord met het eerste, maar het stellen van borgen acht men een bevoegdheid van de diaconie.

Opmerkelijk is ook het volgende. Op 9 juli 1791 besluit de kerkenraad ‘dat de praeses met een ouderling de voorzittende burgemeester zal begroeten en volgens een oud gebruik zal verzoeken dat alle ergernissen op de aanstaande jaarmarkt zullen geweerd worden’.
De commissie bezoekt de voorzittende burgemeester mr. A.W. van Citters. Deze ‘gaf ten antwoord dat commissies uit de kerkenraad hem altoos aangenaam waren, behalve de tegenwoordige, gemerkt na zijne gedagten derzelver inhoud behoorde tot het departement van den Raad, verzoekende daarom dat een dergelijke commissie niet gedecerneerd wierd, indien sig in het vervolg de bovenvermelde waardigheid bekleede’. In juni 1792 besluit de kerkenraad ‘van het oud gebruik af te zien om de magistraat te verzoeken op de aanstaande jaarmarkt alle ergernissen te weren’. De aanleiding hiervan is de opmerking van mr. A.W. van Citters van 30 juli 1791.

In deze periode worden bij de jaarlijkse verkiezing van de helft van de kerkenraad (vier ouderlingen en vier diakenen) de volgende ambtsdragers gekozen:
1785 tot ouderlingen Antoni Ossewaarde, Marcus Boddingius, Pieter de Jongh en Marinus Gorsse en tot diakenen Jacob Walraven, Willem de Wolf, Jan Zoutendam en Jan Walraven.
1787 tot ouderlingen Ziewert Diderik van der Bilt, Johannes Stokman, Hendrik Mackay en Christoffel de Jong en tot diakenen Jacob Jasperse, Gijsbertus van de Hoek, Jan Boddingius en Johannes Nederveen.
1788 tot ouderlingen Cornelis van Citters van Bruelis, Marcus Boddingius, Marinus Gorsse in de vacature van de overleden Hendrik Mackay, Gerhardus Peeman en Jan de Fouw en tot diakenen Jacob Walrave, Jacobus de Hond, Frederik van Nakke en Jacobus Willem de Jong.
1789 tot ouderlingen Petrus Alexander Boreel de Mauregnault, Willem Beijaard, Marinus van Balen en Gerard de Leeuw en tot diakenen Antoni Couweliere, Hubertus Haring, Jan Boddingius en Daniel Boddingius.
1790 tot ouderlingen Antoni Ossewaarde, Marinus Boddingius, Christoffel de Jongh en Marinus Gorsse en tot diakenen Jacob Walrave, Willem de Wolf, Jacobus de Jongh en Jan Walrave.
1791 tot ouderlingen Ziewert van der Bilt van Cloetinge, Johannes Stokmans, Jacobus de Hond en Jacobus Jasperse en tot diakenen Willem van de Hoek, Jan Snoep, Adriaan Nortier en Christiaan Bootsgezel. Drie diakenen bedanken echter voor hun verkiezing. In hun plaats worden gekozen Willem den Boer, Nathanaël Visser en Abraham van de Volkeren. Van hen bedankt ook Willem den Boer. In zijn plaats wordt gekozen Jan Boddingius. Deze bedankt ook, maar de in eerste instantie gekozen Nortier is alsnog bereid zijn verkiezing aan te nemen. Het nieuwe viertal diakenen is dus Willem van den Hoek, Adriaan Nortier, Nathanaël Visser en Abraham van de Volkeren.
1792 tot ouderlingen Cornelis van Citters van Bruelis, Gerhardus Peeman, Jan de Fouw en Jacobus van de Poel en tot diakenen Frederik van Nakke, Jan Boddingius, Pieter Machielsen en Johan Fraser.

Waalse gemeente

Begin december 1785 overlijdt de predikant van de Waalse gemeente, ds. Otto Henry de la Broué. Hij wordt in de nederkerk begraven. Op zondag voor kerst beroept het collegium qualificatum met algemene stemmen ds. Bricheaus, predikant te Veere, tot predikant.
Als deze bedankt beroept het collegium qualificatum in januari 1786 eenparig ds. Bevier, proponent te Leiden.

Door het overlijden van Pierre Abel Aviola komt in september 1787 de functie van klokluider van de Waalse kerk vacant. Aangesteld wordt Johan Koenraad Koch.

In september 1789 geeft een deputatie uit de kerkenraad van de Waalse gemeente het stadsbestuur te kennen dat in het aanstaande jaar de Waalse Synode te Goes staat gehouden te worden. Ze verzoeken het stadsbestuur ‘permissie en protectie, hetwelk wordt geaccordeerd’.
Tijdens de Waalse Synode bezoeken de predikanten Carp uit Dordrecht en Huet uit Vlissingen, ieder geassisteerd van een ouderling, op de 29e mei 1790 als gedeputeerden van de Synode het stadsbestuur. Na verzochte audiëntie worden ze door de stadssecretaris Ossewaarde aan de voordeur van het Stadhuis ontvangen en in de vergadering van het stadsbestuur geleid. ‘Aldaar op stoelen tegenover het stadsbestuur gezeten zijnde, hebben ze uit naam van de Synode in gepaste termen het stadsbestuur gecomplimenteerd met over hun personen en loffelijke regering de dierbaarste zegeningen van God Almachtig toe te wensen. Ze bedanken voor de gunstige protectie, die hun eerwaarden gedurende de reeds gehouden vergaderingen hebben genoten en verzoeken dat het stadsbestuur daar in niet alleen gedurende de nog te houden sessiën, maar ook ten allen tijde geliefde te continueren. Waarop de voorzittende burgemeester Van Dorth de heren gedeputeerden heeft bedankt voor de zegenwensen en eerbewijzen het stadsbestuur toegebracht. Hij verklaart dat het het stadsbestuur altijd zeer aangenaam is haar stad op de gewone toerbeurten door de vergadering van de Waalse Synode te zien vereerd. Hij wenst hen toe dat, gelijk derzelver deliberaties met vrede waren begonnen, het stadsbestuur ook hoopt dat deze in vrede tot welstand der Waalse kerken zullen eindigen en dezelve voorts zo over haar personen als bedieningen reciproque toegewenst de dierbaarste zegeningen van den Almachtigen. Wordende de gedeputeerden voorts wederom gedemitteerd en door de secretaris tot aan de puye van het Stadhuis gereconduiseerd’.

Rooms-katholieke gemeente

In mei 1785 komt er een rekest bij het stadsbestuur binnen van de Roomse pastoor W. Weiler en de armbezorgers (Cornelis Briel, Carolus Sandijck, Levinus Jacob Sandijck en Johannes Swartenbroeck) van de ‘Roomsch Catholyke Religie’ binnen de stad. Ze geven te kennen dat ze in de onvermijdelijke noodzakelijkheid verkeren enige verlichting voor de armenkas van hun gemeente te verkrijgen. De inkomsten zijn niet toereikend genoeg om de nodige alimentatie aan de arme bejaarde personen als behoeftige ouderloze kinderen te bezorgen. Samen met de Roomse pastoor ten plattelande en de Roomse pastoor van Zierikzee zijn ze voornemens zich tot hun edelmogenden te richten met het verzoek ‘om vrijdom van ’s Lands impositiën op zodanige speciën als zij aan hun armen bedelen, welk gedrag zij vertrouwen dat het stadsbestuur kan goedvinden en billijken’. Ze verzoeken de goedkeuring van het stadsbestuur voor dit voornemen. Het stadsbestuur besluit de Goese gedeputeerden naar de statenvergadering op te dragen het daar heen te leiden dat het verzoek van de rooms-katholieke gemeenschap ‘in een besogne wordt geëxamineerd’.
Eenzelfde smeekbede om in de hooggaande nood van de armen en behoeftigen onder de rooms-katholieke gemeente te voorzien wordt gericht aan de Staten van Zeeland.

Ook over een andere zaak richten de pastoor en kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente zich in 1785 tot het stadsbestuur. Ze betogen, dat ze bij resolutie van 25 september 1779 over de zitplaatsen in de Roomsche kerk hebben bepaald ‘dat daaromtrent zal worden in acht genomen dat de vaste plaatsen in de zogenaamde tuin voor een redelijke prijs zullen worden bezeten, doch zonder daarin een vaste rang van personen te destingeren. Soms ontstaat er grote onenigheid over de zitplaatsen, die onlangs tussen twee personen tot zodanige hoogte is gestegen dat het hun (het zij met eerbied gezegd) was voorgekomen dat daarin door verandering van de resolutie dient te worden voorzien’. Ze verzoeken de zitplaatsen in de tuin te reserveren voor de kerkmeesters en hun vrouwen als een compensatie voor hun diensten en de overige zitplaatsen aan de overige lidmaten van de gemeente als vaste zitplaatsen voor een daartoe bepaalde prijs, evenals dit in de Gereformeerde kerk gebeurt.

In maart 1786 verzoeken de dekenen van het glazenmakersgilde en het koper- en blikslagersgilde dat het privilege dat aan beide gilden is toegestaan, waarbij die van de Roomse religie, uitgenomen die ingeboren burgers van de stad zijn, tot dit ambacht en handwerk niet zijn toegelaten, tot hun ambachten mede mogen worden geëxtendeert, zodat ze ook van dat voorrecht genieten.
De overdekenen en dekenen van het smedengilde verklaren echter ‘dat het hen niet redelijk voorkomt om die van de Roomse religie, mede zijnde burgers die schattingen en lasten betalen, uit te sluiten tot het doen van hun proeven, waneer deze voldoen aan de wetten en requisities in de gilden plaats hebbende, temeer daar door het accorderen van dit verzoek een deur zou geopend zijn voor meer diergelijke verzoeken in andere gilden en andere moeilijkheden daaruit zouden kunnen voorkomen’.
Het stadsbestuur besluit het verzoek van de hand te wijzen.

Het stadsbestuur besluit in november 1790 de weesheren en het Roomse armbestuur te kwalificeren tot het verlenen van onbepaalde acten van garantie van alimentatie voor arme personen en kinderen welke zich metterwoon naar elders begeven, op zodanige plaatsen daar diergelijke acten mede gegeven worden en speciaal de stad Middelburg.

Adriaan Heydendaal wordt op zijn verzoek in oktober 1791 voorlopig toegelaten tot assistent van de landpastoor Papenhove, die wegens aanhoudende ongesteldheid buiten staat is de dienst onder de landzaten te verrichten.
Op 24 december 1791 legt Heydendaal zijn acte van aanstelling over van de pauselijke nuntius te Luik om de dienst als pastoor in de Roomse gemeenten op het platteland binnen het eiland waar te nemen. Het stadsbestuur besluit hem in die kwaliteit te erkennen, ‘dit onverminderd de deliberaties welke bij de Staten omtrent het erkennen van een opperhoofd over de Roomse gemeenten binnen deze provincie staan gehouden te worden’. Tevens wordt hem een kapelaan toegestaan, ‘mits zulks niet verstrekke tot te groot bezwaar van de gemeente’.

Lutherse gemeente

In 1788 blijkt er een Lutherse gemeente te bestaan in de stad. Op de 27e mei richten vier gemachtigden namens de leden van de gemeente zich tot het stadsbestuur. Het betreft Johan Michael Heinrichs, organist, Johan Frederik Metzger, stadsfabriek, Johan George Eckhart, bakkersbaas, en Johan Adam Weinrich, koffiehuishouder. Ze zijn gemachtigd om aan het arm- en weeshuis binnen de stad, ‘uit aanmerking dat de behoeftige leden van onze gemeente hier woonachtig door heren regenten van het zelve huis al sinds lange tijd zijn gealimenteerd en alsnog de nodige onderstand genieten’, in eigendom over te dragen zodanige penningen die zich in de kas van de gemeente bevinden. Deze gelden zijn thans in beheer bij Johan Jacob Heylman te Hoedekenskerke. Ze verzoeken van deze Heylman, in tegenwoordigheid van de regenten van het arm- en weeshuis, af te vorderen behoorlijke rekening en verantwoording mitsgaders afgifte van alle penningen, boeken en papieren onder hem van deze gemeente berustende. Verder verzoeken ze van het stadsbestuur om voortaan weer met het gebruik van de Franse kerk aan de Zusterstraat voor het houden van hun openbare godsdienst te mogen worden begunstigd. Ook verzoeken ze toestemming om van de Lutherse gemeente te Amsterdam de nodige onderstand in te roepen voor het verkrijgen van een Leraar om hier tweemaal in het jaar het Heilig Avondmaal te bedienen.

De brief is ondertekend door de volgende leden van de Lutherse gemeente: Jacob Smit, Johan Michael Schoch, Johan Lodewijk Langguth, Johan Anton Hollander, Valentin Riekel, Hendrik Erp, Philippus Fris, Johannes Tempers, Christiaan Hartman, Johannes Guillman, Philip Koch, Johan Heinrich Bunje, Frederik Frederiks, Johannes Steijnmet en George Roosee. Enkele handtekeningen zijn niet leesbaar.