Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1785 - 1792)

Nederduitse (stads)scholen

De stadsschoolmeester van de eerste stadsschool, Gerbrand Zandijk en later Cornelis van Zoom, bewoont het huis en de school staande achter de Grote kerk oostelijk van het Slot Oostende.
De tweede stadsschoolmeester, Cornelis Engelse en later Frans Schoonderwalt, gebruikt de stadsschool in het huis ‘de Drie Haringen’, staande op de hoek van de Lombardstraat en de Sint Jacobstraat.

Er wordt een nauwgezet toezicht gehouden op de stadscholen door de zogenaamde schoolarchen. Dit zijn twee vertegenwoordigers van het stadsbestuur en de twee oudste predikanten. In 1785 vraagt ds. N. Pronck ontslag als schoolarch vanwege zijn zwakke gezondheid. In zijn plaats komt ds. W.G. van der Grijp. Ook de vertegenwoordiger van het stadsbestuur mr. W.C. de Craane vraagt in 1786 ontslag als schoolopziener. In zijn plaats komt de stadsbestuurder D. de Meijer. In 1789 verzoekt ook de andere predikant, ds. J.L. Lotchius, ontslag als schoolarch. In zijn plaats komt ds. J. de Stoppelaar.

In augustus 1786 blijkt plotseling dat de tweede schoolmeester en voorlezer in de Grote kerk, Cornelis Engelse, zich zonder enige voorkennis uit de stad heeft ‘geabsenteerd’. De schoolarchen worden afgevaardigd naar het collegium qualificatum dit merkwaardige geval te bespreken. Ze verklaren op 12 augustus hoe een van de schoolmaîtressen, Maria Zeegers weduwe Reinders, ‘zich bezwangerd vindende reeds had bekend dat de zich absenterende schoolmeester Cornelis Engelse vader van haar vrucht is, waardoor zij van nu af aan correctie meriteerde en naar het oordeel van de heren buiten staat moest geoordeeld worden om provisioneel school te houden’. Het stadsbestuur besluit Maria Zeegers voorlopig en tot nader order te schorsen van school te houden. Op 27 september rapporteert het collegium mixtum dat de tweede stadsschoolmeester Cornelis Engelse ‘om redenen was gedeporteerd geworden’. De schoolarchen krijgen opdracht uit te zien naar een ander bekwaam persoon als stadsschoolmeester op een stedelijk traktement van £ 16.13.4. Het stadsbestuur besluit op 7 oktober Maria Zeegers ‘wegens haar slecht comportement en haar gemanifesteerde misdaad van overspel als schoolmeesteres te deporteren’. Maar in april 1787 wordt op voorstel van de schoolarchen besloten Maria Zeegers opnieuw aan te stellen tot schoolmaîtres en dus haar schorsing op te heffen. In de plaats van Engelse als stadsschoolmeester in de tweede stadsschool in het huis ‘de Dry Haringen’ aan de Lombardstraat nummer 8, benoemt het stadsbestuur in september 1786 Frans Schoonderwalt, schoolmeester en voorzanger te Yerseke. Tegelijk besluit het stadsbestuur het jaarlijkse traktement van de tweede stadschoolmeester en voorzanger te verhogen met honderd gulden. Hierdoor kan hij rekenen op een vaste bezoldiging van £ 33.6.8 Vlaams ofwel 200 gulden.

In december 1790 overlijdt de eerste stadsschoolmeester, Gerbrand Zandijk. Hij wordt in de nederkerk begraven. Schoolmeester Zandijk diende de eerste Nederduitse stadsschool vanaf 1763. Hij bewoonde het huis en de school, staande achter de Grote kerk naast het Slot Oostende. Door zijn overlijden komen de bedieningen van stadsschoolmeester en voorlezer en voorzanger in de Nederduitse kerken vacant. Het stadsbestuur draagt de heren schoolarchen op om in overleg met de kerkenraad van de Nederduitse gemeente van deze vacature in de Rotterdamsche en Haarlemsche Couranten advertentie te doen. Op voorstel van de schoolopziener P.A. Boreel de Mauregnault besluit het stadsbestuur in 1791 de schoolarchen te machtigen om in een zogenaamd ‘collegium mixtum’ uit de ontvangen sollicitanten een bekwaam persoon tot schoolmeester en voorzanger te beroepen. Als sollicitanten melden zich aan Frans Schoonderwalt, tweede schoolmeester en voorzanger binnen de stad, en Kornelis van Zoom, voorheen te Goes en thans schoolmeester en voorzanger te Tholen. De preses legt de vraag voor of deze personen al of niet moeten worden geëxamineerd. De kerkenraad besluit eenparig dat noch Kornelis van Zoom noch Frans Schoonderwalt nogmaals aan een examen moet worden onderworpen, omdat ‘beiden tot volkomen genoegen van het collegium mixtum door heren schoolarchen voor hun aanstelling tot tweede schoolmeester en voorzanger binnen de stad bekwaam gevonden zijn tot de school en kerkedienst en verkieselijk boven andere sollicitanten welke zich hebben aangeboden, de eerstgenoemde in het jaar 1778, de laatstgenoemde in het jaar 1786’. Dit leidt er toe dat tot eerste stadschoolmeester en voorzanger wordt benoemd Cornelis van Zoom.

Franse school

De Franse school is gevestigd in een huis aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat. De school en het huis worden bewoond door de Franse schoolmeester, monseigneur Jaques Jenoteau.

Op haar verzoek mag Helena Augusta Loo in 1788 binnen de stad school houden en de jeugd onderwijzen in de Franse taal en handwerken. In januari 1790 verzoekt de Franse kostschoolhoudster H.A. Loo eenzelfde traktement te mogen genieten als haar voorgangster, mevrouw Ceré, in die functie genoot. Het stadsbestuur gaat niet op haar verzoek in.

Helena Augusta Loo geeft het stadsbestuur in januari 1790 te kennen dat ze in 1788 is aangesteld als mademoiselle in de stads Franse jufferschool. Ze meent dat haar school thans op een vrij goede voet is gevestigd en heeft het voornemen om met het aanstaande voorjaar kostkinderen aan te nemen. Ze zou dan ook graag genieten een zodanig traktement als de vorige Franse mademoiselle, thans gehuwd met doctor C.P. Ceré, is toegekend geweest.

Latijnse school

Het stadsbestuur besluit in juni 1788 ‘om daartoe moverende redenen’ de rector van de Latijnse school E. van Driel te ontslaan als Lector Historiarum et Eluqueuntia.

Particuliere schooltjes

In maart 1785 overlijdt de schoolmaîtresse Margaretha Baaden. Het stadsbestuur stelt in haar vacature wegens hun bekwaamheid twee schoolmaîtressen aan, namelijk Maria van Hoorn, echtgenote van Jan Verheule, en Sara Goosen. Hiermee wordt in dit speciale geval afgeweken van de resolutie van 16 november 1782, waarbij werd bepaald dat niet meer als zes schoolmaîtressen binnen de stad mogen fungeren.
Pieternella de Kouter weduwe van Hendrik Zwieter krijgt in 1787 toestemming om kinderschool te houden. In 1789 wordt ook Antonetta van Huizen toegestaan om een kinderschool op te richten.

Tekenschool

De leden van het in de stad opgerichte Teken College, ook genoemd de Tekenschool, krijgen voor het jaar 1786 teruggegeven uit de stadskas wat zij voor vuur en licht hebben besteed.
De directeuren van het Teken College verzoeken in oktober 1787 om nog voor een jaar uit de stadskas tot goedmaking van de nodige kosten te mogen ontvangen de som van 600 gulden. Het stadsbestuur besluit dit verzoek, ‘vanwege de algemene nuttigheid van het collegie’, te accorderen.