Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1785 - 1792)

Grote en Kleine kerk

De kerkmeesters geven in juni 1787 te kennen ‘dat het orgel in de Kleine kerk vanwege zwakheid zeer weinig voldoet in het openbaar gezang en daardoor meer ontstichting dan stichting bijbrengt’. Ze stellen voor om voorlopig en tot dat de gelegenheid zich eens zal voor doen om het orgel te verbeteren en versterken, dit te sluiten en daarvan geen gebruik meer te maken. Verder stellen ze voor te doen ophouden de traktementen voor de organist en orgeltrapper en de plaatsen op de gaanderij tot voordeel van de kerk te begeven. Het stadsbestuur gaat met dit voorstel van de kerkmeesters akkoord en ‘voorts in het vervolg in de Kleine kerk in het voorgezang van de godsdienst niet bepaald een gehele pauze maar alleen een, twee of drie vaarzen zullen worden gezongen’. Hiervan wordt aan de Nederduitse kerkenraad bij extract kennis gegeven.
In november 1791 wordt besloten het orgel van de Kleine kerk te verplaatsen naar de concertkamer in de Latijnse school, mits dat de reparatie daaraan gebeurt buiten kosten van de stad.

Op voorstel van de stadsdirecteuren en de kerkmeesters besluit het stadsbestuur in januari 1790 dat in het vervolg alle onkosten voor het orgel in de Grote kerk, uitgezonderd het traktement van de organist en orgeltrapper en de kosten van het stemmen en reparaties, gebracht zullen worden ten laste van de kerkegoederen.

In december 1791 krijgt de stadsvroedmeester J.A. van Nieuwenhuize toestemming om de kamer op de Grote kerk te gebruiken voor het houden van zijn publieke lessen in de vroedkunde. De tijd daarvoor is bepaald op donderdag des nademiddags om twee uur om de veertien dagen gedurende de wintermaanden.

De kerkmeesters geven in januari 1792 te kennen dat er dagelijks in de wandelkerk verscheidene ongeregeldheden geschieden door het spelen van jongens. Besloten wordt dat dit zal verboden worden op poene van vijf schellingen, terwijl de ouders voor hun kinderen en voogden voor hun pupillen zullen moeten instaan.

Scheepswerf

Het stadsbestuur wil de scheepswerf van de familie Welle waar mogelijk ‘favoriseren’.

Op verzoek van de scheepstimmerman Gillis Welle wordt in maart 1786 besloten hem in zijn onderneming tegemoet te komen. De schippers zullen in het vervolg geanimeerd worden om bij hem nieuwe schepen te laten timmeren. Hij zal van het hout dat hij nodig heeft voor het schip dat hij voornemens is op ‘op de hoop’ te bouwen vrijgesteld worden van het kaaigeld en dit alleen voor deze reis.
Ook in maart 1788 besluit het stadsbestuur, op verzoek van de scheepstimmerbaas Gilles Welle, ‘hem tot beneficering van zijn ambacht vrij te stellen van het kaaigeld voor de houtwaren van een poonschuit alsmede van een kleiner vaartuig dat hij voornemens is over enige tijd op stapel te zetten’.

Marinus van der Straaten geeft het stadsbestuur in maart 1790 te kennen dat hij voornemens is binnen enkele dagen van de scheepstimmerwerf uit te halen een nieuwe poonschuit met een paviljoen, groot negentien lasten. Hij verzoekt met deze schuit, even alsof het een smalschip is, in de brede beurt toegelaten te worden en met deze poonschuit zodanige veren te bedienen die anders alleen door smalschepen of poonschuiten van 24 lasten mogen worden waargenomen. Dit is ook toegestaan in 1744 aan Cornelis Boutens voor een poonjacht voor circa 700 zakken of omtrent negentien lasten en in 1778 aan Adriaan Biersteker voor zijn poonschuit. Overeenkomstig het negatieve advies van de overdeken van het schippersgilde besluit het stadsbestuur afwijzend.

Gilles Welle, de scheepstimmerbaas, deelt het stadsbestuur in april 1791 mee dat hij aangenomen heeft om voor een van de beurtschippers van Goes op Amsterdam een nieuw schip te maken. Hij is tevens voornemens voor zijn eigen rekening ‘op de koop’ een poonschuit op te zetten. Hij komt echter ruimte tekort voor de bouw van deze schuiten op zijn scheepstimmerwerf om twee schepen tegelijk onder handen te nemen. Daarom zou hij graag voor het opzetten en bouwen van het eerstgenoemde schip een gedeelte van stadsgrond, liggende tegen zijn werf, gebruiken. Hij wijst op de voordelen van het maken van nieuwe schepen voor de smeden, wantslagers, koperslagers, glasmakers, schilders, zeilmakers en dergelijke.
Hij krijgt hiervoor toestemming op voorwaarde dat hij deze stadsgrond zowel met het removeren van slijk als anderszins voor het bouwen van deze schepen geschikt maakt en voor iedere boom die zal moeten worden gerooid zal betalen £ 1 Vlaams tot voordeel van de stad. Ook dient hij de kaai, zover de vergunde grond zal strekken, op zijn kosten te onderhouden.

Bank van lening

Het stadsbestuur overweegt in maart 1787 dat de Bank van Lening, die sinds 1770 gaande is gehouden voor rekening van de stad onder de administratie van de stadsdirecteuren, en waarop toen genegotieerd is een som van ƒ 12.000 en waarbij tegelijk bepaald is dat, zolang dat kapitaal niet geheel zou zijn afgelost, daarvan niets in de stadsrekening zal worden verantwoord, thans tot die prosperiteit is gekomen, dat alle de kapitalen zijn of kunnen worden afgelost en de panden, de stad toebehorende, alsmede dat, schoon van de vendu der roerende goederen het batig slot wel in de stadsrekening wordt gebracht, de administratie nochtans en het fournissement van penningen, die dan elders moeten worden genegotieerd en waarvan geen mentie in de stadsrekening wordt gemaakt, geschiedt door de heren directeuren. Dat deze particuliere administratie, die ingevolge de resolutie van 13.12.1786 nog is vermeerderd met die van het oude mannenhuis, ondertussen zeer moeilijk is. Het is naar het oordeel van de stadsdirecteuren beter, dat van alle de stedelijke domeinen, hoegenaamd, verantwoording in de stadsrekening wordt gedaan.
Besloten wordt dat de Balans of Cassa Rekening van de Bank van lening zal worden gecontinueerd door de stadsdirecteuren en daarvan jaarlijks aan de stadsrentmeester overhandigd zal worden zodanig een som als zij zullen oordelen te kunnen gemist worden om als een provenu in de stadsrekening in een apart kapittel te verantwoorden.

Posterij

De postmeester-generaal uit Bergen op Zoom, de heer J.O. Le Jeune schrijft op 11 augustus 1789 dat hij in de plaats van Thomas Bakers, die voornemens is zijn commiesplaats der posterij binnen deze stad neer te leggen, aan het stadsbestuur voordraagt Jacobus Huisman. Het stadsbestuur schrijft hem terug dat ze haar gedachten wil laten gaan of in navolging van andere steden geen arrangementen ten aanzien van de posterij zouden kunnen worden gemaakt. Daardoor zou de stad enig voordeel uit de posterij worden aangebracht. Over de vervulling van de vacant komende commiesplaats wil ze nader besluiten.

Het stadsbestuur machtigt op 17 oktober 1789 de regerende en oud-burgemeesters en de secretaris om te examineren het contract tussen de stad en J.O. Le Jeune over de posterij en te adviseren welke arrangementen ter beneficering van de stadsmiddelen bij de aanstelling van een nieuwe postmeester zouden kunnen worden gemaakt.
Dit leidt tot de totstandkoming van een nieuw contract voor de posterij met onder meer de volgende bepalingen:

  • het contract geldt weer voor zeven jaar;
  • in de plaats van Thomas Bakers wordt aangesteld Johannis de Koninck;
  • wanneer de brieven zonder onderscheid van seizoen ’s avonds om half tien aankomen, zal hij gehouden zijn deze nog diezelfde avond te laten bestellen;
  • de bestelling van de post moet vooralsnog geschieden door de weduwe van Marinus Crombouw of haar kinderen;
  • om alle expeditie te bevorderen zullen de brieven en couranten door onderscheidene personen moeten worden besteld.

De heer Le Jeune geeft op 5 december 1789 zijn bevreemding te kennen over de aanstelling door het stadsbestuur, zonder zijn voorkennis, van Johannis de Koninck tot commies. Hij meent dat deze persoon niet beschikt over de nodige capaciteiten. Het stadsbestuur geeft hem echter op resolute wijze te kennen dat ze het nimmer zal toelaten dat de heer Le Jeune zich aanmatigt enige autoriteit te hebben om bij voorkomende vacatures het commiesambt der posterij binnen de stad te vervullen en het niet aan hem toekent een recht van nominatie of om vooraf in de aanstelling van de commies gekend te worden.
Overigens gaat Le Jeune akkoord met het nieuwe contract. Het uitgebreide contract wordt in het notulenboek ingeschreven.

In november 1792 komen er dagelijks klachten binnen van verscheidene ingezetenen van de stad en het eiland over het te veel en willekeurig afvorderen van briefporten door de postmeester De Koninck. De secretarissen worden verzocht daarover een ordonnantie of vrachtlijst op te stellen, opdat een ieder weet waarnaar hij zich te gedragen heeft.

Huisje voor koken van oly

In november 1789 besluit het stadsbestuur dat voortaan door iedere schilder binnen de stad voor het gebruik van het huisje, dat op kosten van de stad geschikt is gemaakt voor het koken van oly, ten voordele van deze zal betaald worden tien schellingen per jaar.
De stadsrekening van 1790 vermeldt ontvangsten van de schilders voor het gebruiken van de plaats voor het koken van olie bestemd, te weten van Philip de Bruine, Jan de Broekert, Elisa Bruinse, Jan van Akker, Cornelis Pieterse, Philip de Wijs, Ieman van St Annaland, Willem de Wolf en Frederik Goossen, samen £ 4.10.0.

Openbare ruimte

Straten en wegen

In januari 1787 besluit het stadsbestuur op voorstel van de stadsdirecteuren vier schepen straatsteen voor stad en eiland te ontbieden uit Vlaanderen. Ook in januari 1788 worden de leveranciers aangeschreven om dit jaar drie schepen straatsteen te leveren.

Vesten

In oktober 1791 wordt besloten om in de vest voor de boomgaard van de heer Canisius een dam te leggen teneinde de vest van daar tot de Galghoek met vis te voorzien en het overige van de vest tegen de winter af te laten.

Straatvuil

Het stadsbestuur verbiedt in mei 1789, bij renovatie van vorige resoluties, ‘het werpen van allerhande vuiligheid op ’s heren straten of andere publieke plaatsen of in de kaai, haven en achterhaven, alsmede te renoveren en altereren de orders omtrent het weghalen van puin’.
Ook in maart 1790 wordt besloten dat niemand zijn as of vuilnis aan anderen verkopen of weggeven mag en dat niemand dit kopen of tot zich nemen mag op een boete van 25 gulden voor elk die zich daaraan schuldig maakt. Alle as en vuilnis zal vervoerd moeten worden op de karren en gebracht worden in de assybakken buiten de stad zoals dit is geordonneerd.
In januari 1792 wordt N. van der Visse aangesteld tot assistent van de weduwe Felius, secreet ruimster, ‘mits de borgerij in allen opzigte eerlijk bedienende en zorg dragende dat de tonnen met drek behoorlijk gevuld worden’.
Uit de stadsrekeningen blijken jaarlijkse uitgaven aan traktementen voor de opziener van de stadsvuil- en vangputten van £ 18.13.4 en voor het schoonmaken van het visperk en de trappen alsmede allerlei vuiligheid weg te doen £ 3.3.

Plantsoenen

In december 1785 besluit het stadsbestuur om de olmenbomen, staande aan de Oostsingel, van de Oostpoort tot aan de Hof van burgemeester mr. F.N. Keetlaar, tot het meeste voordeel van de stad publiek te verkopen. De opbrengst is £ 289.11.
Op voorstel van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur in januari 1790 de bomen op de dijk bij de Ganzepoort te rooien en te verkopen.

Huizen

Opmerkelijk is dat gedurende deze jaren verscheidene vermogende burgers stal- en koetshuizen laten bouwen achter hun huizen of zomerhuizen laten aanbrengen.

Zo krijgt de vermogende zeep- en zoutfabrikant Martinus Slabber in 1785 gedurende 21 jaar vrijdom van de 200e penning op de stal of het koetshuis, die hij voornemens is te bouwen op een onlangs door hem gekochte erve van de heer Cornelis van Citters van Bruelis. Deze erve ligt in het Stalstraatje nummer 3, tussen de Sint Adriaanstraat en de Vlasmarkt, achter zijn woonpand ‘’t Schaeck’ aan de Grote Markt nummer 9.
In april 1786 verleent het stadsbestuur de weduwe van Jan van Kogelenberg vergunning om van een zeker huisje aan de noordzijde van de Korte Nieuwstraat (Pyntorenstraat nummer 10) een stal te maken. Wel moet hij de mestput aanleggen onder het opzicht van de stadsfabriek
De stadsdirecteuren verkopen in september 1790 ingevolge de verleende machtiging door het stadsbestuur aan Melchior Limbertus de stal nabij de Koepoort, Wijngaardstraat nummer 37.

Jacobus Proos, voogd over de nagelaten wezen van zijn overleden broeder Gijsbregt Proos, deelt het stadsbestuur in januari 1788 mee dat in zijn nalatenschap is een woonhuis, schuur en erve, zijnde een timmermanswinkel, staande aan de westzijde van de Wijngaardstraat. Hij krijgt toestemming om tot de verkoop van deze timmermanswinkel met woonhuis over te gaan.

Willem Opperman en Adriaan Visser komen in juli 1788 overeen dat Opperman aan Visser verkoopt zijn schuur achter zijn woonhuis en erve in de Ganzepoortstraat ’hebbende voorschreven schuur zijn uitgang in het zogenaamde Schotje Vol Arremoe’.

Adriaan Groenendijk krijgt in maart 1789 toestemming om als voogd over de erfgenamen van Jan Blankert een speelhof en zomerhuis aan de stadssingel tegenaan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, die tot de boedel behoort, tot het meeste voordeel te verkopen.
In april 1792 mag Antoni de Keijzer op de erve achter zijn woonhuis in de Ganzepoortstraat nummer 21 tegen de stadswal een zomerhuis laten bouwen met uitzicht over de stadswal.
De weduwe Vermaas-van der Weele heeft voor haar zoon Marinus Vermaas in juni 1792 gekocht het huis ‘de Blauwe Hand’ met een schuur staande aan de stadswal. Nu haar zoon in 1791 overleden is, is zij verlegen met die schuur, allereerst ‘omdat hij zo bitter slecht is dat het te verwonderen is dat hij al lang niet omgewaaid is’. Verder is de schuur niet verhuurbaar. Ze krijgt toestemming om van die houten schuur een zomerhuis te laten maken.
En in augustus 1792 mag Jan van Hakkeren achter zijn woonhuis ‘de Blauwe Bonte’ aan de Ganzepoortstraat nummer 23, ‘ter plaatse daar jaren herwaarts en thans nog een houten schuur staat’, een zomerhuis laten zetten.

In mei 1789 overlegt het stadsbestuur ‘over de menigvuldige inconveniënten, voorkomende in het schrijven van de condities van koop en verkoop van huizen en andere goederen door personen, welker onbekwaamheid in het stellen van zodanige instrumenten aanleiding geeft tot vele disputen en de ingezetenen in kostbare procedures zouden kunnen inwikkelen’. Besloten wordt dat voortaan geen condities van koop en verkoop van huizen of enige andere goederen zullen mogen worden opgesteld als door de contractanten zelf, tenzij door de vendumeesters, klerken van de griffie, een advocaat, procureur of notaris. Alle anderen worden nadrukkelijk verboden enige koopcondities op te stellen.

Jan van Akkeren is in 1792 genegen achter zijn woonhuis in de Ganzepoortstraat, uitkomende op de stadswal, ter plaatse waar sinds jaren en thans nog een houten schuur staat, een zomerhuis te laten zetten ‘om uit hetzelve een uitzicht over de stadswallen te hebben’.