Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1785 - 1792)

Openbare orde

Smadelijke opmerkingen van ds. Feykema

In de vergadering van het stadsbestuur van de 30e juli 1785 komt een schriftelijke verklaring van zes getuigen, onder ede gegeven, ter tafel. Volgens deze verklaring heeft ds. G. Feykema, predikant te Kapelle, de volgende smadelijke uitdrukkingen gebezigd in een gesprek over de tegenwoordige tijdomstandigheden: ‘het staat slegt met ’s Lands zaken en daer zitten vervloekte schelmen op het kussen in de Stad Goes en in Holland en dat is zoo waar als er een God is’.
De verklaring luidt woordelijk als volgt:
‘De ondergetekenden verklaren des verzocht waar en waarachtig te zijn dat op 22 april door de heer G. Feykema te Capelle is gebruikt deze smadelijke uitdrukking in een gesprek over de tijdsomstandigheden, latende gemelde heer zich deze woorden onder andere uit: het staat slegt met ’s lands zaken. En daar zitten vervloekte schelmen op ’t kussen in de stad Goes. En in Holland. En dat is zo waar als er een God is, zijnde de ondergetekenden die zulks met verontwaardiging hebben aangehoord. En de noodzakelijkheid begrijpende, dat, zo er zodanige zijn, dezelve geweerd worden, bereid zulks gerequireerd met solemnele eden te sterken.
Capelle, 29 juli 1785
Pieter Jeremiasse, Jan Wissekerke, Huibregt de Vos, Willem Traas, Jan Remijnse en Quinten van de Linde.’

Het stadsbestuur besluit de predikant ten overstaan van een notaris en getuigen te laten verklaren wie hij daarmee bedoelt. De kerkenraad krijgt een brief met het advies ds. Feykema voorlopig geen diensten in Goes te laten houden.

Korte tijd hierna rapporteren notaris Jan de Fouw en de getuigen Matthijs Poelman en Philip Lodewijk Frederik Lotchius, klerken bij het notariskantoor De Fouw, over hun gesprek met ds. Feikema. De predikant wil weten wie die zes getuigen zijn. De notaris geeft als antwoord geen last te hebben deze namen te noemen. De predikant verklaart daarop nimmer dergelijke woorden in de richting van het stadsbestuur van Goes gebruikt te hebben, maar altijd met eerbied over ‘de Heren van Goes’ gesproken te hebben. Hij is bereid zijn antwoord op papier te zetten. De notaris stelt voor over één uur terug te komen. Na terugkomst verklaart ds. Feikema dat het nu zaterdag is en hij moet studeren voor zijn preken op zondag. Hij spreekt af binnen acht dagen te antwoorden.
Op de 8e augustus komt er een uitvoerig relaas van ds. Feikema. De strekking is dat hij gesproken heeft over ‘schelmen op het kussen in Holland en in Goes’. Hiermee heeft hij niet de stadsregering van Goes of leden daarvan bedoeld.

Smadelijke zinspeling aan het koffiehuis op de Turfkaai

Burgemeester Canisius deelt het stadsbestuur op 1 april 1786 mee, dat afgelopen maandagavond aan het koffiehuis op de Turfkaai enige illuminaties zijn aangestoken, ‘versierd met een zinspelende schilderij, toepasselijk op het onlangs gepasseerde te Utrecht, hetwelk van de onaangenaamste gevolgen zou hebben kunnen zijn uit oorzaak van de differente denkwijs van de aanschouwers over dat gebeurde, doch dit is nog gelukkig afgelopen’. Iets anders is dat het aansteken van illuminaties bij goedvinden van een ieder geen geringe vrees tot het veroorzaken van brand opleverde. Het stadsbestuur spreekt uit dat het aansteken van dergelijke illuminaties en vuurwerken, uitgezonderd op tijden wanneer het schieten wordt toegelaten, niet kan worden getolereerd. Staande de vergadering wordt een publicatie vastgesteld en afgekondigd.


Toenemende commotie onder de burgers

Het stadsbestuur komt op maandag de 1e januari 1787 in extra-ordinaire zitting bijeen, ’s avonds om half acht uur. De voorzittende burgemeester heeft ‘het nodig geoordeeld de raad te convoceren om met dien ernst als het gewicht der zaken vereist te delibereren over de maatregelen, te nemen tegen de meer en meer toenemende commoties van sommige burgers, vooral gedurende de aanstaande nacht, in welke het te vrezen is dat, indien daaraan niet wierde voorzien, de geduchtste onheilen zouden kunnen voorvallen’.
Besloten wordt kolonel Macalesten, de commandant van het garnizoen binnen de stad, bij schriftelijke acte te gelasten ‘om zoveel zijn manschappen het toelaten, met drie à vier sterke detachementen door de ganse stad te doen patrouilleren gedurende de aanstaande nacht; alle degenen die aan burgers hun goederen of huizen enig molest willen aandoen, zonder onderscheid gevangen te nemen, deze in de wacht op te brengen en aldaar te bewaren tot nader order; de bedienden van de justitie, des gerequireerd, te doen alle behoorlijke assistentie en desnoods geweld met geweld te keren en voordien zodanig order te stellen waardoor de stad onder de Goddelijke Zegen tegen verdere onheilen en ongeregeldheden worde bewaard’.
Op de 2e januari komt het stadsbestuur om vier uur opnieuw bijeen in extra-ordinaire zitting. Op voorstel van de voorzittende burgemeester wordt besloten dezelfde orders als gisteravond voor de militie te vernieuwen.
Dezelfde schriftelijke orders als gisteravond worden aan de commandant van het garnizoen gegeven. Door de patrouilles dient ook te worden tegengegaan, door minnelijke overreding en anders met sterke middelen, ‘alle partijdig geschreeuw over de straat, hetwelk de gemoederen gaande maakt’. Verder machtigt het stadsbestuur de presiderende burgemeester om, als er geen verandering in de gespannen toestand komt, voor twee à drie volgende nachten uit naam van de raad dezelfde orders aan de militie te geven.

Actie van de schutterijen

De voorzitter deelt het stadsbestuur op de 2e januari 1787 mee opgewacht te zijn door de gezamenlijke officieren van de drie schutterijen. Ze verzochten hem om het stadsbestuur uit hun naam voor te stellen ‘de noodzakelijkheid om de burgerij, hetzij schuttersgewijs hetzij uit volontaires bestaande, in de tegenwoordige troubles onder de wapenen te brengen, teneinde verdere ongeregeldheden te keer te helpen gaan’.
Het stadsbestuur besluit twee officieren uit de schutters uit te nodigen in een van de vertrekken van het Stadhuis. Deze zullen door de burgemeester ‘in termen ter materie dienende uit naam van het stadsbestuur worden bedankt voor de attentie en ijver in deze door de gezamenlijke schuttersofficieren gemanifesteerd’ en mee te delen ‘dat het stadsbestuur op hun trouw staat makende en daarvan desnoods gebruik makende, vooralsnog hun kunnen excuseren om zich daarvan te bedienen en tenminste voor de volgende nacht wederom dezelfde middelen als de vorige nacht van militaire patrouilles zullen emploieren’.

Opheffing Vaderlandsche Sociëteit en het Genootschap

Opnieuw komt het stadsbestuur op donderdag de 4e januari ’s namiddags om vijf uur bijeen in extra-ordinaire zitting. Iedereen is aanwezig behalve de heer J.H. Eversdijk.
Ter vergadering komen, daartoe nadrukkelijk uitgenodigd, enige burgers ‘zeggende leden te zijn van de Vaderlandsche Sociëteit en het Genootschap binnen de stad en daarvan gecommitteerd’. Ze geven het stadsbestuur te kennen ‘dat zij in het zekere zijn geïnformeerd dat de tegenwoordige onlusten en de daaruit voortspruitende ongeregeldheden geattribueerd wierden aan het subsisteren van de Sociëteit en het Genootschap. Dat zij, om een blijk te geven op welk een prijs zij stellen de herstelling van de rust en om daartoe van hun zijde alles op te zetten, ze op heden besloten hebben hun gezelschappen te dissolveren en te vernietigen. Vertrouwende dat dit aan het stadsbestuur aangenaam zal zijn en verzoekende dat door het stadsbestuur die middelen verder zullen worden in het werk gesteld om de tranquiliteit te herstellen en hun personen zowel als van alle andere burgers te beveiligen, waarvan zij in geschrifte enige poincten voorstellen’.
Daarop trekken deze burgers zich terug in een van de vertrekken van het Stadhuis. Het stadsbestuur beraadt zich in alle ernst over de gespannen situatie in de stad. Nadat de burgers weer voor het stadsbestuur zijn geroepen wordt hun door de voorzittende burgemeester voorgehouden ‘dat de gegeven communicatie het stadsbestuur bijzonder aangenaam is, dat deze vastelijk vertrouwen dat door de dissolutie (ontbinding) van hun gezelschappen de rust volkomen zal wezen hersteld en bewaard en dat het stadsbestuur voornemens is bij publicatie op morgen hiervan aan de gemeente kennis te geven en daarbij alle feitelijkheden en aanstotelijkheden dadelijk te verbieden’.

Het stadsbestuur stelt tot herstel van de algemene rust binnen de stad een publicatie vast waarbij op het scherpste wordt verboden:

  • het dragen van leuzen, zowel orange kokardes, dito linten en ook zwarte kokardes;
  • het roepen van Orange Boven, Patriotten Na de Donder en Blixem;
  • tegen de burgers, landlieden of andere personen het roepen Patriot, Weegberijs, Kees en andere Schandnamen;
  • het spelen en langs de straten zingen van het bekende Wilhelmus van Nassouwe;
  • het voeren van vlaggen of vlaggetjes die enige aanstoot of ongenoegen aan iemand zouden kunnen geven of verwekken of reden tot offensie geven;
  • dat niemand onder wat klasse hoegenaamd den Medeburger, Landman, Reisiger of anders zal vermogen te noodzaken te moeten roepen Orange Boven of op de gezondheid van Orange te doen drinken.

Verder verbiedt het stadsbestuur scherpelijk het aanranden van burgers, landlieden en reizigers, het plegen van geweld aan de huizen, glazen als anderszins, het aanplakken en strooien van paskwillen op en aan de huizen en verder al hetgeen dat enige hinder of beletsel aan de burgerij zou kunnen verstrekken.

Turbulente bewegingen in de stad

Op de 30e januari 1787 komt op verzoek van het stadsbestuur de baljuw mr. Johannis Pols ter vergadering. Aanwezig zijn alle leden van de raad met uitzondering van mr. L.P. van de Spiegel, mr. J.W. van Roseveld, F. de Keijser, mr. Antoni Ossewaarde, mr. J.J. Leydekker de Bruin en L.J. van de Spiegel.
De baljuw geeft opening van de turbulente bewegingen, die opnieuw binnen de stad plaats hebben en van wat door hem daar tegen, doch tevergeefs, in het werk is gesteld. Hij verzoekt het stadsbestuur een ‘officieuze resolutie’ te nemen teneinde hij als baljuw op een krachtdadige wijze mag worden geassisteerd door de militairen.
Het stadsbestuur besluit daarop de baljuw te verzoeken alle moedwilligheid, zo het mogelijk is, tegen te gaan en daartoe gebruik te maken van de militaire macht in de stad. De commanderende officier van het garnizoen wordt schriftelijk gelast ‘om met sterke detachementen te doen patrouilleren en alle geweld te beletten en de justitie te assisteren’.
Aan de gemeente wordt een waarschuwing tegen het plegen van excessen, zoals deze in het ordonnantieboek zijn ingeschreven, voorgelezen.
De volgende dag, de 31e januari, wordt de commandant van het garnizoen voor het stadsbestuur ontboden. Hem wordt ter hand gesteld de schriftelijke order om te dienen voor de aanstaande nacht. Met hem wordt gesproken over ‘de situatie van zijn volk’. Daaruit is op te maken dat het patrouilleren met zulke sterke wachten niet lang volgehouden kan worden, ‘wil zijn volk door vermoeienissen niet onbekwaam gemaakt worden’. Uit overweging dat het niet te voorzien is wanneer deze troebelen een einde zullen nemen, besluit het stadsbestuur Gecommitteerde Raden van Zeeland te verzoeken patent te verlenen voor een detachement van tenminste honderd man om voor enige dagen in de stad garnizoen te komen houden.

Uitbarsting van geweld op 30/31 januari 1787

Maatregelen na uitbarsting

De Staten van Zeeland sturen een brief gedateerd de 1e februari. Ze dringen aan om gepaste maatregelen te nemen tot herstel van de rust. De justitie dient werkzaam te zijn in het straffen van de schuldigen. En, wanneer deze met de bedienden niet voldoende is, dient de sterke hand van de militie te worden gebruikt. Ze wensen geïnformeerd te worden over de waarschijnlijke oorzaak van het oproer, de omstandigheden waaronder de bewegingen plaats vonden, in hoever de justitie waakzaam is geweest en waarom de sterke hand van de militie niet gebruikt is. De secretarissen krijgen opdracht ‘om een beredeneerde missive te concipiëren, daarvan in zijn oorzaken en omstandigheden van het geval kennis te geven, met melding van hetgeen al in het werk gesteld is tot herstelling van de rust en eindelijk met een verzoek dat door de Staten een generale amnestie voor alle de strafschuldigen en intussen een surseance van procedures mag worden geaccordeerd’.

Ook van Gecommitteerde Raden van Zeeland komt een brief. Ze uiten daarin hun verwondering ‘dat ze geen de minste ouverture hebben gekregen noch van de aard en omstandigheden van de plaats hebbende onenigheden noch speciaal om welke redenen van de militie, binnen de stad garnizoen houdende, tot nog toe generlei emplooi is gemaakt, zo tot handhaving en assistentie der justitie als tot hetgeen verder tot herstel van de rust zou mogen nodig zijn’. Ze kunnen niet voldoen aan het verzoek van het stadsbestuur zolang niet nader is gebleken dat het garnizoen van de stad bevonden is tot dat einde niet voldoende te zijn.
Secretaris Van Citters stelt een brief op over het gebeurde aan Gecommitteerde Raden en aan de Staten van Zeeland. Hij wordt voor het concipiëren daarvan bedankt.
De Staten van Zeeland delen daarop echter mee dat ze uit het overgelegde bericht van het stadsbestuur over de plaatsgevonden gebeurtenissen niet voldoende hebben kunnen opmaken wat vóór, gedurende en ná de gepleegde ongeregeldheden heeft plaats gevonden. Ook de verrichtingen tot stuiting daarvan, zowel door het stadsbestuur zelf als door justitie en militie die in de stad garnizoen houdt, geven onvoldoende duidelijkheid.
Op 17 maart draagt het stadsbestuur de regerend en oud-burgemeesters en de secretarissen op de die dag ontvangen resolutie van de Staten van Zeeland, waarbij het stadsbestuur wordt gerequireerd een meer geargumenteerd bericht aangaande de oorzaken van de voorgevallen bewegingen binnen de stad toe te zenden, ‘een verhaal van deselve en wat tot stuiting is in het werk gesteld’ op te stellen. Op 21 maart neemt het stadsbestuur kennis van het rapport van de commissie. Besloten wordt de overgelegde brief van rescriptie aan de Staten goed te keuren en vast te stellen. De regenten P. Ossewaarde en Boreel de Mauregnault maken aantekening ‘tegen de conclusie tot het arresteren van het bericht te protesteren’.

Het stadsbestuur delibereert op de 3e februari over wat verder dient te worden ondernomen tot herstel van de rust, ‘daar er een gezindheid begint te komen om de gemoederen te bedaren en tot malkanderen te brengen, waartoe door alle classen van mensen behoort te worden gewerkt’. Overwogen wordt dat de arbeid van de predikanten daartoe van grote invloed kan zijn. Besloten wordt de Nederduitse predikanten te verzoeken ‘om op morgen ieder in hun openbare predikbeurt op zodanig een wijze als ze tot dat einde het meest bevorderlijk oordelen, de gemeente op te wekken en aan te manen tot vrede, liefde en eensgezindheid met verbanning van alle haat, twist en wantrouwen’. Dit verzoek zal overgebracht worden door een commissie, bestaande uit de heren Ossewaarde, De Craane, Van Citters van Bruelis, Boreel de Mauregnault en Van Tilburgh.

Op de 5e februari wordt de predikanten, met een afschrift aan de Nederduitse kerkenraad,  te kennen gegeven ‘dat het werk door hen gister verricht alleszins is geweest voldoende aan het oogmerk van het stadsbestuur, dat hetzelve aan het stadsbestuur bijzonder aangenaam is geweest en dat zij de predikanten bedanken voor hun aangewende pogingen om ook op deze wijze tot een algemene tranquiliteit mede te werken, vertrouwende dat God daarop Zijn Zegen zal geven’.

Het stadsbestuur besluit op de 24e februari secretaris Ossewaarde te autoriseren om te consenteren in het scheiden van de statenvergadering ‘mits dat alvorens geconcludeerd wordt, zo niet een generale amnestie, tenminste een surseance van procedures tegen de scheiding in de commotie op de 30e januari binnen deze stad, waartoe de gedeputeerden gelast worden op het sterkste te insteren al was het maar tot zo lang de leden van elkander scheiden’.
Tevens wordt besloten dat de stukken, die in de laatste bewegingen binnen de stad zijn geraakt in handen van de baljuw en daar nog berusten, door hem en commissarissen uit het stadsbestuur, te weten de burgemeesters en secretarissen, zullen worden nagezien en geëxamineerd, opdat, indien daarin niets ten nadele van de politie of justitie bevonden wordt, deze aan de rechte eigenaren zullen kunnen worden teruggegeven.

Burgemeester Van Dorth rapporteert op 21 april, mede namens de daartoe gecommitteerden, dat zij geëxamineerd hebben de papieren en boeken, die in de laatste bewegingen op de 30e januari de baljuw in handen waren gevallen. Ze hebben deze van dien aard en inhoud bevonden, dat ze het stadsbestuur moeten adviseren om deze provisioneel ter secretarie te deponeren. Het stadsbestuur besluit de boeken en papieren, evenals de penningen, die onder de baljuw berusten, voorlopig ter secretarie te deponeren.

Op de 7e maart 1787 betogen circa veertig burgers en burgeressen ‘dat zij in hun tegenwoordige omstandigheden gemeend hebben tot geen ander de toevlucht te moeten nemen dan tot uw achtbaren zelve in de gegronde hoop dat het uw edelachtbaren behagen zal hun verzoek om de billijkheid van het zelve toe te staan. Het is uw edelachtbaren bekend hoe de ondergetekenden in de avond en nacht tussen de 30 en 31 januari op een ongelukkige en geheel onverdiende wijze hun glasvensteren, raamblinden en sommige hun meubelen, winkelgoederen, gereedschappen benevens diverse sommen van gelden verloren hebben. Dat hun door dit ongelukkig en onverdiend toeval een aanmerkelijke schade niet alleen in de middelen van hun tegenwoordig bestaan, maar ook in die van hun verdere kostwinning bejegend is ..etc.’

Vreugdebedrijven op verjaardag Stadhouder Prins Willem V

Op de 24e februari 1787 wordt bij publicatie verboden om op de 8e maart (dit is de verjaardag van de Stadhouder Prins Willem V) ergens anders vuurwerken aan te steken dan op de Grote Markt en op de Kaaij. Verder wordt verboden het gaan met en het afschieten van geweren op een boete van vijftig gulden, evenals het aansteken van illuminaties en het noodzaken van een ander daartoe op een boete van honderd gulden. Deze publicatie wordt terstond gepubliceerd.
Het stadsbestuur beraadt zich op 3 maart 1787 over ‘de omstandigheden van tijden en de aanstaande verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere Prince Erfstadhouder op de 8e dezer, welke zeker door de burgerij in grote vreugdebedrijven zal worden doorgebracht, hetwelk hun edelachtbaren in derzelver laatste Publicatie gedeclareerd hebben wel te mogen lijden’.
Alle aanwezige leden van de raad nemen op zich die dag in de stad te blijven om zo nodig direct bij de hand te zijn om, indien onverhoopt ergens ongeregeldheden mochten gepleegd worden, dit aanstonds te doen beletten. Ze vertrouwen echter dat dit geen plaats zal hebben.
De burgemeester wordt verzocht de commandant van het garnizoen op het ernstigste op het hart te drukken dat hij er voor zorgt dat zijn manschappen op die dag zich ordelijk houden. Ze moeten altijd gereed zijn om op de eerste orders assistentie te bieden waar het stadsbestuur dit zal goedvinden.

Een jaar later, op de 4e maart 1788, blijkt dat na het afkondigen van de publicatie van de 23e februari de vreugdebedrijven op de 8e maart vrij algemeen zullen plaats hebben. Er kunnen niet genoeg voorzorgmaatregelen worden getroffen om de gemeente door vermaningen en bedreigingen op te wekken zich binnen de palen van ordentelijkheid te houden, zich te onthouden van dronkenschap en daarbij te verbieden het rondlopen langs de huizen tot het vragen van geld, drank als anderszins. Verscheidene verzoeken van voorname burgers geven hier ook aanleiding toe. Besloten wordt een nadere waarschuwing te publiceren.

Schadeloosstelling gepleegde vernielingen op 30/31 januari 1787

Enige burgers en inwoners van de stad geven op 17 maart 1787 te kennen ‘hoe ze in de avond en nacht tussen de 30e en 31e januari op een ongelukkige en zeer onverdiende wijze hun glasvensters, ramen, blinden en sommige van hun meubelen en dergelijke hebben verloren tot een aanmerkelijke schade, niet alleen van hun middelen van bestaan, maar ook tot een nadelige invloed op de financiën van de stad en staat’. Ze verzoeken enige middelen uit te denken waardoor ze op een fatsoenlijke wijze schadeloos gesteld en in staat gehouden worden om verder hun huisgezinnen behoorlijk te kunnen onderhouden en aan de stad en het land te blijven contribueren. Het stadsbestuur besluit de beraadslaging hierover vooralsnog aan te houden.

Lasterlijke aantijgingen over de baljuw

In de vergadering van het stadsbestuur van de 24e maart 1787 komt een brief van de baljuw mr. Johannis Pols ter tafel. Deze refereert aan een in het notulenboek ingeschreven verklaring van de meester timmerman Johannis Harinck Czoon en de meester lootgieter Johannis van Huizen. Beiden verklaarden onder ede ‘dat ze op zaterdag de 27e januari 1787 zijn geweest ten huize van Johan Adam Weinrich, wonend in het coffyhuis op de Kaaij. Ze hebben daar, evenals in een herberg en met een groot gezelschap medeburgers, in drinkgelag gezeten wijn gedronken. Toen ze daar zaten te drinken kwam onverwachts boven op de kamer en in hun gezelschap de heer Requirant (de baljuw), die ons in ons drinkgelag alzo bevindende de namen van de tegenwoordig zijnde personen heeft opgeschreven en Weinrich terzake van zijn wijn schenken en het zetten van drinkgelag heeft gecalangeerd’. Onder het gezelschap was mede de procureur Jan de Windt en de pachter Jacobus Lodewijk Geleets. ‘Door deze twee personen is, na de gedane annotatie en calange van het gezelschap geproponeerd, onder elkander een verklaring uit te maken dat den Heer Requirant (aldaar in functie zijnde) zat ofte beschonken was’. De dag daarop heeft Van Huizen het neefje van Geleedst, Cornelis Coutsin, ontmoet die hem vroeg ‘of hij ook niet mede een verklaring geven wilde dat de heer baljuw is zat geweest’. De baljuw wil het aan de wijze consideratie van het stadsbestuur over laten ‘of zodanige infamerende insinuaties, met het respect aan de justitie en baljuwage verschuldigd, bestaanbaar is. Besloten wordt de deliberaties hierover alsnog aan te houden. Maar op de 31e maart beraadslaagt het stadsbestuur opnieuw over de brief van de baljuw. Besloten wordt ‘om redenen het stadsbestuur daartoe moverende’ de procureur Jan de Windt te schorsen in zijn kwaliteit van procureur voor de vierschaar van de stad of het landrecht.

Er komt daarop, gedateerd de 28e april 1787, een brief binnen van de procureur Jan de Windt. Hij verklaart ‘geen part of deel te hebben aan de beschuldiging door de baljuw mr. J. Pols bij klachte aan het stadsbestuur gedaan alsof hij bij diverse burgers zou hebben aangeweest om verklaringen te tekenen ter beschuldiging van hem, hetgeen hij met een turbe van negen eensluidende getuigen in staat is te bevestigen’. Hij verzoekt de hem opgelegde schorsing op te heffen. Het stadsbestuur besluit het verzoek aan te houden en af te wachten welke verklaringen die negen getuigen zullen geven.
Op 19 mei 1787 legt de procureur Jan de Windt een verklaring van enige personen over ‘van hetgeen gepasseerd zou zijn in januari in het koffyhuis op de Kaaij, toen de bewoner daarvan door de baljuw is gecalangeerd geworden’. Zonder te treden in de merites van deze verklaring persisteert het stadsbestuur alsnog bij de schorsing van De Windt als procureur.
Het stadsbestuur besluit op 9 juli 1787 ‘om redenen het stadsbestuur moverende’ Jan de Windt binnen twee maal 24 uur de stad en jurisdictie te ontzeggen met last om daar in niet weder te komen zonder permissie van het stadsbestuur en op pene van zwaarder straf. Voor zijn vertrek dient hij zijn protocollen op de secretarie over te geven. Daartoe wordt een van de stadsgriffiers met assistentie van een stadsbode opgedragen deze aan zijn huis over te nemen. Tegelijk wordt hij ontslagen als schutter van de Handboog.

Opnieuw rellen op 10/11 april 1787

De burgemeester deelt het stadsbestuur op 11 april 1787 mee dat volgens door hem ontvangen klachten van monseigneur L. Krekelenberg in de gepasseerde nacht aan diens huis opnieuw de glazen zijn ingeslagen zonder dat hij kon zeggen wie daarvan de uitvoerders zijn geweest. Dat bovendien, ofschoon in mindere mate, in dezelfde nacht tevoren aan twee á drie huizen van andere burgers ook enige ruiten zijn ingegooid. Het stadsbestuur besluit een premie van £ 25 uit stadskas uit te loven aan degene die de uitvoerders daarvan weet te ontdekken. Tevens wordt een publicatie afgekondigd ‘dat de daders van dergelijke feitelijkheden, ontdekt wordende, boven hetgeen bij de plakkaten van den Lande daartegen is vastgesteld, zullen gestraft worden naar bevind van zaken, zelfs aan den lijve en met bannissement, zoals tot herstel der rust en tot beveiliging van een ieders leven en goederen zal nodig geoordeeld worden’.

Onderzoek Staten van Zeeland naar oproer van 30/31 januari 1787

Vanuit de statenvergadering rapporteert secretaris Ossewaarde dat gesproken is over het rapport van het stadsbestuur over het oproer van 30/31 januari 1787. De Staten van Zeeland besloten commissarissen aan te stellen om te horen de baljuw of diens schriftelijk bericht te vragen en verder de commandant van het garnizoen en de officieren, die op de 30e januari de wacht hebben gehad. Het stadsbestuur wordt verzocht om gecommitteerden aan te wijzen om tijdens de zitting de nodige toelichting te geven. Besloten wordt de regerende burgemeesters en secretaris Van Citters aan te wijzen als gecommitteerden om samen met secretaris Ossewaarde de vereiste uitleg te geven.

Op de 12e mei rapporteren de gecommitteerden om voor een zitting van de commissie uit de Staten van Zeeland te verschijnen betreffende het oproer op 30/31 januari. Ze hebben zich voorzien van de nodige kopieën uit de stedelijke resoluties en papieren. Vervolgens zijn ze naar Middelburg gereisd. Daar zijn ze ‘met alle decentie en honneur ontvangen en behandeld’. In het besogne hebben ze enige vragen van de Raadpensionaris en de heren commissarissen beantwoord en opgehelderd, waarna ze voor de gegeven opening van zaken en genomen moeite zijn bedankt.

Dreiging nieuwe onlusten in oktober 1787

Burgemeester Keetlaar betoogt op 3 oktober 1787 dat het hem voorkomt dat de gisting in de gemoederen, welke sinds enige tijd wederom onder sommige burgers bespeurd wordt, aanmerkelijk is toegenomen door het onlangs gebeurde in Zierikzee en Vlissingen. Vooral de veranderingen in de regeringen en onder mindere beambten in die twee steden, die met veel overhaasting en niet zeer constitutioneel zijn geschied, worden door enige burgers in de stad in consideratie genomen en het is te vrezen dat daarop wel eens mede zou kunnen worden aangedrongen, dat, ofschoon het stadsbestuur het al nodig mocht oordelen en genegen mocht zijn om de burgerij enigszins hierin genoegen te geven, dat zo spoedig niet kon geschieden. Dat het ondertussen te vrezen is dat de rust en tranquiliteit zowel binnen de stad als de gehele provincie niet zal kunnen worden hersteld dan door meerdere middelen van nadruk.
Het stadsbestuur besluit de gedeputeerden ter staatsvergadering aan te schrijven om daar op het ernstigst en nadrukkelijkst te representeren de hachelijke situatie waarin deze stad en de gehele provincie zich bevindt. Dat niettegenstaande de gewenste omkering van zaken in de Republiek, de gisting in de gemoederen eerder toe- dan afneemt. Dat daarvan opnieuw de akeligste tonelen zich hebben doen zien. Dat het te vrezen is, zo God het niet verhoedt, dat dit op andere plaatsen gevolgen zal hebben. Dat hier in spoedig dient te worden voorzien, zo men de provincie geen toneel van verwarring en verwoesting wil zien opleveren.
De gedeputeerden dienen daarom de leden te verzoeken om middelen te beramen waardoor overal de rust zal kunnen worden hersteld. Zijne Hoogheid de Erfstadhouder behoort daarom te worden verzocht om zich naar de provincie te begeven en met assistentie van een gekwalificeerde staatscommissie in alle de steden de daartoe nodige middelen in het werk te stellen.

Handhaving orde, rust en veiligheid

Op de 3e februari 1787 overweegt het stadsbestuur ‘dat het lezen van de couranten en andere nieuwspapieren mede geen mindere invloed heeft op de gemoederen en dat inzonderheid de Hollandsche Courant een is van de bladen welke zonder menagement of discretie al hetgeen in des schrijvers smaak valt ter neder stelt en de verrichtingen inzonderheid van de politieke regering op een onbeschaamde en stoute wijze beoordeelt, waardoor dit blad de zaden van haat en wantrouwen wijd en zijd verspreidt’. Besloten wordt ‘dat het uitgeven en lezen van de Hollandsche Historische Courant provisioneel zal worden verboden binnen de stad en dat geen der andere couranten of nieuwspapieren en tijdschriften zullen worden gedistribueerd, voor en aleer deze door de heren, uit het stadsbestuur daartoe te benoemen, zijn geëxamineerd en beoordeeld in staat om gedistribueerd te kunnen worden’. Hiertoe worden benoemd burgemeester Keetlaar en raadslid Van Tilburgh. De baljuw en de boekverkopers krijgen hiervan bericht.

Er komen in maart 1787 menigvuldige diefstallen en huisbraken voor op het platteland. Deze worden voornamelijk veroorzaakt door landlopers die tegenwoordig in groot getal zich ophouden en telkens opgebracht worden. In overleg met de gecommitteerden van het eiland besluit het stadsbestuur in de vorm van een waarschuwing de gerechten ten plattelande te herinneren aan de plakkaten van de Staten van Zeeland uit de jaren 1614 en 1693 op dit punt.

In verband met de behandeling die de ingezetenen van de stad eind mei 1787 binnen Zierikzee zijn aangedaan verbiedt het stadsbestuur op 2 juni die van het schippersgilde voorlopig met hun vaartuigen naar Zierikzee te vertrekken, veel min enige goederen derwaarts te transporteren. Enkele dagen later wordt deze resolutie ingetrokken omdat De Mijter op vrije voeten is gesteld.

In de vergadering van het stadsbestuur van de 16e juni 1787 betoogt burgemeester Van Dorth ‘dat hem, na het gepasseerde in januari toen men om verscheidene bekende redenen het in die ongelukkige omstandigheden gevaarlijk oordeelde de burgerij in de wapenen te brengen om zich daarvan te bedienen, alsmede na het gebeurde sedert die tijd op verscheidene andere plaatsen, waaruit het niet onmogelijk was op te maken dat deze stad nog wel eens in moeilijke omstandigheden zou kunnen geraken, dikwijls in de gedachten is gekomen dat dezelfde redenen, bestaande inzonderheid in wantrouwen, nog dezelfde zijn’. Hij oordeelt het intussen onverantwoordelijk naar geen middelen uit te zien om dit defect te remediëren en de schutterijen en burgerij, tegen de intentie van haar inrichting, in voorkomende gelegenheden werkeloos te laten proponeren. Hij stelt voor een commissie te benoemen om dit stuk grondig te examineren en hoe eerder hoe beter rapport uit te brengen. Het stadsbestuur besluit hiertoe en belast hiermee de regerende en oud-burgemeesters en secretarissen.

Het stadsbestuur gelast in juli 1787 alle logementhouders binnen de stad om alle avonden voor het slaan van de klok van negen uur aan de presiderende burgemeester met een briefje kennis te geven welke personen bij hen die dag zijn komen logeren met vermelding van de naam, kwaliteiten en plaatsen waar vandaan deze personen gekomen zijn.
De regerende burgemeesters worden verzocht om de vaartuigen van buiten de provincie die van Zierikzee arriveren te doen inspecteren of daarin zich enige geweren, kruid of andere ammunitie bevindt en deze dan aan te houden.
Besloten wordt de resolutie en publicatie van de 5e januari 1787 tegen het dragen van leuzen in zover in te trekken dat aan een ieder, die dat goedvindt, het dragen van Orange strikken en linten wordt toegestaan.
Er komt een waarschuwing van Gecommitteerde Raden van de 18e juli 1787 binnen om te vigileren tegen de verregaande oproerigheden dezer dagen binnen Zuid-Beveland gepleegd. Deze wordt terstond naar het plattenland ter afkondiging verzonden.

Op 12 juli 1787 besluit het stadsbestuur te consenteren in het houden van maandelijkse bedestonden gedurende deze kritieke omstandigheden. Tegelijk worden de predikanten verzocht nauwkeurig acht te slaan ‘op wat wijs hun gebeden in te richten en dat zij onder andere in het gebed voor Zijne Doorluchtige Hoogheid ’t Opperwezen smeken, dat de verdenkingen en het wantrouwen, zo onverdiend tegen Zijne Hoogheid opgevat en waarin voor het grootste gedeelte de tegenwoordige onlusten hun voedsel hebben gevonden, mogen worden weggenomen’.

Burgemeester Keetlaar geeft het stadsbestuur op 1 oktober 1787 in overweging ‘of het niet nodig is middelen in het werk te stellen dat er niet verder wordt voortgegaan met het oprichten van erebogen en andere versieringen en met het illumineren daarvan, welke alle het effect waren van vreugde wegens de omwending dezer dagen in de Republiek voorgevallen, maar welke gevoegd bij andere vreugdebedrijven daaruit voortvloeiende, de burgers en ingezetenen meer en meer van hun beroep en ambacht aftrekken’. Het stadsbestuur besluit hierover bij publicatie het verlangen van het stadsbestuur te kennen te geven, hierin bestaande dat deze vreugdebedrijven een einde nemen, dat de erebogen niet meer worden verlicht, dat er geen vlaggen meer zullen worden uitgestoken dan op het sein van de stadhuistoren en dat een ieder zijn beroep ijverig bij de hand neme. De publicatie wordt onmiddellijk aangeplakt.

Van de Staten van Zeeland komt een brief binnen van de 2e oktober 1787. Daarin wordt bekend gemaakt dat besloten is, ‘gelet op de tegenwoordige gesteldheid van zaken in de provincie, Zijne doorluchtige Hoogheid de Prins van Orange en Nassau te verzoeken Zijne Stadhouderlijke autoriteit te willen gebruiken tot herstelling van de rust’. Deze kennisgeving wordt terstond overal gepubliceerd in de stad en het eiland.

Het stadsbestuur besluit op de 3e oktober 1787 enige stadsbestuurders af te vaardigen om zich te begeven naar de bierdragers- en zakkedragersgilden en van de inhoud van deze resolutie kennis te geven. De leden van die gilden dienen tot rust en tranquiliteit te worden opgewekt. Ze dienen vermaand te worden om niets te doen van hetgeen daar tegen zou kunnen hinderlijk zijn en vooral van hetgeen tegen de wetten en de constitutie, welke alle de burgers altijd getoond hebben zo hoog te waarderen, zou aanlopen om af te wachten de uitslag van de propositie, die het stadsbestuur ter vergadering heeft laten doen. Ze dienen te verklaren dat de burgerij verzekerd kan zijn, dat, gelijk tevoren, altoos het stadsbestuur op alle billijke verlangens van de burgerij zal reflectie slaan. Hiertoe worden verzocht de burgemeesters Canisius en Van Dorth en de heren Adriaan Ossewaarde en Van Citters. Deze begeven zich naar de gildebesturen. Weer in de vergadering teruggekeerd, rapporteren ze ‘dat ze zich durven flatteren dat hun commissie van een goed gevolg zijn zal, alzo alle de lieden welke hen hadden aangehoord eenparig hebben beloofd niets te zullen ondernemen tegen de intentie van het stadsbestuur, te zullen afwachten de uitslag van de verzoeken van het stadsbestuur en zich hebben aangeboden om, waar het stadsbestuur hun nodig heeft, alle assistentie te zullen toebrengen’.

In november 1787 besluit het stadsbestuur, ter bekrachtiging van haar resolutie van 17 december 1729, dat voortaan geen loterijen of dobbelspelen over paarden, runderbeesten of dergelijke binnen de stad en jurisdictie meer zullen mogen plaats hebben. De loterijen en dobbelspelen worden verboden. Hiervan zal een extract worden aangeplakt en ter hand gesteld van de baljuw mr. Johannis Pols.

Op de 29e oktober 1791 constateert het stadsbestuur dat ‘sedert enige tijd sommige booswichten zich niet ontzien om des nachts en bij ontijden, inzonderheid in tuinhuizen en hoven, te stelen en in te breken’. Besloten wordt ‘een sterke publicatie te doen tegen deze verregaande brutaliteiten’.

Niettegenstaande de resolutie van Gecommitteerde Raden van 22 december 1791, waarbij de tegenwoordig in zwang zijnde loterijen van winkelwaren op het platteland verboden zijn, constateert het stadsbestuur in januari 1792 dat men in de stad voort gaat met het distribueren en uitventen van loten. Dit is strijdig met de intentie van de resolutie van Gecommitteerde Raden. Besloten wordt bij publicatie te verbieden alle zodanige distributies en uitventingen van loten en loterijen, die niet door publiek gezag gewettigd zijn.

De Staten van Zeeland sturen op de 12e november 1792 een brief toe. Hierbij worden de magistraten van de stemmende en smalsteden aangeschreven en gelast om op het nauwkeurigste toezicht te nemen op de handelingen en gedragingen van alle personen die verdacht zijn van door woorden of daden aanleiding te geven tot wat de publieke rust zou kunnen storen of tot oogmerk hebben om verandering te maken in de wettige en vastgestelde regeringsvorm van de provincie, mitsgaders om, ingeval het ingezetenen mochten zijn die zich daar aan schuldig maken, ten opzichte van deze te handelen conform de wetten en plakkaten van den Lande. En ingeval het vreemdelingen zijn, deze zonder vorm van proces dadelijk de inwoning of het verblijf binnen de stad te ontzeggen.
Het stadsbestuur besluit zich te conformeren aan een concept publicatie van de Staten waarbij vreemdelingen verplicht zullen worden bij hun aankomst binnen drie dagen daarvan kennis te geven aan de magistraten, met opgeving van hun namen en kwaliteit, terwijl het aan de magistraat wordt overgelaten welke personen al of niet toelaatbaar zijn tot de inwoning.

Eind november 1792 vinden er stroperijen en oorlogshandelingen plaats tot aan de grenzen van de staat. En omdat het oosteinde van Zuid-Beveland open en bloot ligt wordt voorgesteld om daar een garnizoen te leggen. Het bataljon infanterie uit Bergen op Zoom zou in het Fort te Bath en gedeeltelijk in de Reigersbergse Polder en op Crabbendijke en Waarde gelegd kunnen worden.

Justitie

In maart 1786 treedt de baljuw Nicolaas Eversdijk op tegen de gevangen genomen Jan Hollestelle. Hij heeft de stad in 1785 verlaten met achterlating van zijn kind zonder voor alimentatie te zorgen. Hierdoor zijn de regenten van het weeshuis genoodzaakt het kind, ‘‘t geen anderszins door gebrek zoude hebben moeten vergaan’, in het weeshuis in te nemen en van voeding en klederen te verzorgen. Hollestelle is sinds enige weken met verlof naar de stad gekomen, maar heeft zich niet in het minste aan zijn kind gelegen laten leggen. Zelfs toen de weesheren hem ontboden, heeft hij aan de dienaars die met de boodschap belast waren, tot antwoord gegeven: ‘Zo zo, dat compliment neem ik van u niet aan. De heren weten waar ik ben en kunnen mij daar vinden’. De baljuw laat de eis over aan burgemeesters en schepenen. De procureur betoogt dat Hollestelle niet uit kwaadwilligheid, maar uit pure nood en behoeftigheid genoodzaakt was zijn kind aan de liefdadigheid van het weeshuis over te laten. Hij is een arm soldaat die niets in de wereld bezit. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om gedurende zijn leven lang te worden gebannen uit de provincie Zeeland.

Ook voert de baljuw in maart 1786 een geding tegen Paulus Staf. De baljuw betoogt ‘dat de gedetineerde Willemine de Ruyter, weduwe van Jan Kest, wonende buiten de stad, bij welke hij lange tijd als koekebakkersknecht heeft gewerkt, en nu in de gepasseerde maand januari in kwestie geraakt zijnde (zodat zelfs volgens getuigenis van voornoemde weduwe hij haar gedreigd heeft met een mes de keel af te snijden)hem heeft ten laste gelegd, dat sedert donderdag in de Colijnsplaatse jaarmarkt als man en vrouw zouden hebben geleefd en tezamen vleesschelijk geconverseerd en zo verre zelfs dat voornoemde weduwe hem zoude kennis gegeven hebben dat ze bij hem bevrucht was’. Ze heeft hem daarna gezonden naar de chirurgijn, naar doctor Thielens en naar de apothekers Bakers en Breekpot om kruiden voor het afdrijven van de vrucht. Uit het uitvoerige relaas blijkt de schuld van Staf en de onschuld van Willemine de Ruyter. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om gedurende 25 jaar te worden gebannen uit de provincie Zeeland zonder daarin weer te mogen komen.

In augustus 1786 treedt mr. Johan Adriaan van Dorth, waarnemende de baljuwage, op tegen Antony Smit. Hij heeft zich volgens eigen getuigenis aan dieverij schuldig gemaakt, namelijk een manshemd gestolen en verkocht. Zulke misdaden dienen ingevolge de Plakkaten van den Lande anderen ten exempel te worden bestraft. Hij eist dat hij zal worden gestraft met geseling, bannissement of anderszins. Advocaat De Wind zegt dat de gedetineerde bekent ‘dat hij op de 3e, over de wal komende, heeft zien te bleiken leggen gewassen linnen onder andere hemden’. Hij heeft uit armoede en hoogdringende nood van de bleik genomen een linnen hemd en dit te gelde gemaakt om in staat te zijn levensmiddelen te kopen. Om met eigen arbeid de nodige levensmiddelen te winnen is hij door een kwaad been buiten staat geraakt. Hoewel hij aan de ene kant met leedwezen is aangedaan over de verfoeilijke en strafwaardige daad door hem bedreven, kan hij aan de andere kant niet af zijn om in overweging te geven clementie te betrachten. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om gedurende de tijd van een half uur aan de kaak voor het stadhuis ten toon te worden gesteld en bannen hem gedurende 25 jaar uit de provincie zonder daarin weer te mogen komen op pene van zwaardere straf.

In augustus 1786 treedt mr. Johan Adriaan van Dorth, waarnemende de baljuwage, op tegen Janna Pieter, door de wandeling genaamd Janna de Boerin. Ze wordt verdacht van op zondagavond uit de winkel van Pieter de Ridder te hebben gestolen een stuk nieuwe teerlinck en zich aan diefstal te hebben schuldig gemaakt. Het blijkt dat er nog veel meer dieverijen en klachten ‘op de kerfstok van de gedetineerde bij de heer baljuw’ staan. Ze ontkent ook niet een lediggangster te zijn. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om voor haar leven lang te worden gebannen uit de provincie Zeeland.

De baljuw Van Dordt treedt in september 1786 op tegen Johannes Hofman, soldaat onder het 2e bataljon van de generaal-majoor Houston. Hij heeft op de 1e september als soldaat de wacht gehad aan de Ganzepoort. Beschonken zijnde heeft hij in dronkenschap het bestaan zich van zijn wachtpost te verwijderen, maar ook met ijselijke vloeken en brutaliteiten aan te randen een jood die zijn waren, bestaande in schorten, banden, rugsnoeren of nestelingen, op de jaarmarkt door de stad en dus ook in de Ganzepoortstraat te koop te veilen. De jood is daardoor zo verschrikt dat hij drie bandjes om niet heeft aangeboden. Daarop heeft hij zijn sabel op de jood getrokken en hem daarmee geslagen en gestoken. De jood is daarop zeer ontsteld gevlucht in de koekebakkerswinkel van Willemina de Ruyter weduwe Kest. De eis is wegens straatschenderij oplegging van een boete en bannissement. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om voor zes weken te water en te brood te worden gezet en te verbeuren een boete van 37 ponden Vlaams en verbannen hem gedurende zijn leven lang uit de provincie Zeeland.

In maart 1787 treedt de baljuw mr. Johannis Pols op tegen Petrus Hartog en zijn huisvrouw Johanna Nederveen. Hartog heeft bekend zich niet alleen vervoegd te hebben bij de troep van degenen die op dinsdagavond en nacht de 30e januari 1787 aan verscheidene huizen binnen de stad de glazen hebben ingeslagen en andere moedwilligheden hebben uitgericht. Maar volgens zijn antwoorden is hij naar het oordeel van de baljuw te brengen onder de allerslechtste klasse van mensen die bij dergelijke gevallen uit zijn om buit te maken. Hij heeft ook nog een zak geld thuis gebracht. Ook heeft hij nog een klomp boter gestolen, volgens zijn zeggen uit grote armoede. Er worden zeer uitvoerige vertogen gehouden door de procureurs Van den Hoek en Roef. Burgemeesters en schepenen veroordelen Petrus Haring om acht dagen en Johanna Nederveen om drie dagen in hun gevangenissen alleen met water en brood te worden gevoed en tot betaling van de kosten van het proces.

Ook in juni 1787 treedt de baljuw op tegen de gevangen genomen Margaretha Duynkerke. Ze heeft zich als dienstmaagd, hoogzwanger zijnde, verhuurd bij de heer Jacobus van Kleijnputte en haar zwangerschap weten te verbergen. Door weeën in barensnood overvallen, is ze van een kind verlost, ‘welke vrucht haar op het secreet schijnt dood ontvallen te zijn, zonder dat zij dit aan haar juffrouw of iemand anders bekend heeft gemaakt’. Uit de getuigenissen van de verdachte, de dokter en de vrouw van Van Kleijnputte kan verondersteld worden dat het kind al dood was bij de geboorte. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om gedurende haar leven lang gebannen te worden uit de provincie Zeeland en betaling van een boete van 200 gulden.

In december 1787 treedt de baljuw mr. Jan Pols op tegen de gevangen genomen Jan Welle. Behalve meer gepleegde baldadigheden heeft hij op zondagavond 25 november de glazen met een steen uitgegooid bij Jacobus Oostveen. Ook heeft hij Pieter Engelse uit boze moedwil bij de keel gegrepen en bovendien voor het huis van Antony Ossewaarde met euvele moed een plank van de stadsheul afgenomen en naar de omstanders gegooid. In de klapperwacht gebracht zijnde heeft hij daar de bank op het vuur geworpen. De baljuw eist verbanning of een corporele straf. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om op morgen de 15e oktober een uur lang aan de kaak te pronk te worden gesteld en voorts gedurende twaalf jaar verbannen uit de provincie Zeeland.
Ook in december 1787 speelt een rechtsgeding tegen Catharina van Kleijnenbreugel. Ze heeft zich aan diefstal van twaalf rijksdaalders schuldig gemaakt. Bij de luiden waar zij inwoonde heeft ze deze vanwege de slechte sluiting van haar kabinet onder hun bedstee verborgen. Ze betoogt geen duit op de wereld te hebben. Ze is daarop wel vier dagen en drie nachten op de vlucht geweest en heeft kroegen bezocht en bij die gelegenheden gelagen betaald en geld vertoond. De baljuw eist bannissement of een corporele straf. Er staat geen vonnis vermeld.

In oktober 1789 voert de baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt een rechtsgeding tegen de gedetineerde Catharina Steutel en Johanna Marcus Liefbroer. Ze hebben zich gedurende de jaarmarkt of kermis schuldig gemaakt aan diefstal van een stuk ruige boezelstof uit een kraam op de markt. Burgemeesters en schepenen veroordelen hen om gedurende acht dagen op water en brood gezet te worden in de gevangenis en verbannen hen uit de provincie Zeeland.
Ook treedt de baljuw in deze maand op tegen Cornelia Rooseniet, Antonie de Munk en Maatje Brand. Ze hebben zich schuldig gemaakt aan het stelen van aardappelen op het land van de weduwe Jasperse. Burgemeesters en schepenen verbannen hen uit de provincie Zeeland zonder daarin weer te mogen komen.

In juni 1790 komt de gevangen genomen Jan le Cointre, gewezen koopmansbode van Goes op Middelburg, voor het gerecht. Hij heeft zich in de uitvoering van zijn functie van koopmansbode schuldig gemaakt aan het achterhouden van aanmerkelijke sommen geld die hem op zijn eed toevertrouwd waren. Er is dus ook sprake van meinedigheid. Bovendien wordt hij berecht over zijn insolventie, door zijn niet boekhouden en verduisteren en verdonkeren van zijn handelingen en aan de kennis van zijn crediteuren onttrekken van de stand van zaken. Hij is vervallen in de termen van het Plakkaat tegen de frauduleuze bankroeten, ‘hetwelk altemaal zaaken zijn van zwaare gevolgen welke de samenleving der menschelijke maatschappij doen waggelen’. Hij wordt eerloos verklaard en de eis van de baljuw is dat hij de aangebrachte schade zal vergoeden. Tot afschrik van anderen zal hij op het schavot door de scherprechter worden afgehouwen het eerste lid van zijn twee voorste vingers en voorts voor zijn leven gebannen uit de provincie zonder daar ooit weer in te komen. Burgemeesters en schepenen matigen de straf en veroordelen hem om zijn leven lang te worden gebannen uit de stad en het eiland zonder daar ooit weer in te komen. Ook voert de baljuw in juni 1790 een geding tegen Christiaan Kesselaar uit Goes. Vanwege zijn aanhoudend slecht gedrag is hem gelast binnen 24 uur de stad en jurisdictie te verlaten. Hij is daarna niet alleen verscheidene malen weer in de stad gekomen maar heeft bovendien zelfs nieuwe tekenen van slecht gedrag vertoond. Hij wordt voor zijn leven lang verbannen uit de stad en het eiland.

In juli 1790 komt het tot een veroordeling van Jan de Jonge en zijn huisvrouw Lena van de Perel. Hij is op zondagavond omtrent 9 uur met voorbedachten rade gegaan naar het huis van Jacobus Kooman en daar is hij met vloeken en getier, na vooraf een ruit te hebben ingeslagen, in huis gekomen en heeft de huisvrouw van Kooman, Jacoba Meeuse, die bij de zeven maanden zwanger was en alleen thuis was, zodanig in haar eigen huis geslagen dat haar een tand uit de mond is gevlogen en ze bij haar geburen in huis is gevlucht. Daar heeft hij haar nog twee slagen toegebracht. Zijn vrouw heeft bovendien nog geroepen dat, ‘indien ze haar ontmoeten mocht, de dood gezworen, zeggende ‘bij dijken of bij wegen zal ik u vermooren of daar is geen God voor mij’. De baljuw eist dat ze beiden uit de provincie worden verbannen. Kennelijk zijn ze van deze eis ontslagen.
In november 1790 speelt ook een rechtszaak tegen Jan Welle, soldaat in het regiment van Baaden dat te Axel in garnizoen ligt. Hij is in 1787 wegens straatschenderij publiekelijk aan de kaak gezet en voor twaalf jaar uit de provincie verbannen. Hij is niet alleen weer in de stad verschenen maar heeft op 27 oktober 1790 een zwaarder misdaad gepleegd, namelijk het inslaan van glazen aan verscheidene huizen en dat met een blanke sabel mitsgaders het houwen met dezelve sabel in het hoofd van Pieter Manger, burger en inwoner. En dit alles ‘goedsmoeds zonder dat Manger of iemand anders enig leed aan hem heeft toegebracht’. De baljuw eist dat hij door de scherprechter strengelijk zal worden gegeseld en gebrandmerkt en verder vanwege het gevaar voor de samenleving voor zijn leven lang opgenomen in een werkhuis of rasphuis om daar met zijn handenwerk de kost te verdienen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot geseling, opsluiting voor twaalf jaar in een werkhuis en daarna voor 25 jaar gebannen uit Zeeland, Holland en Westfriesland.

In november 1791 voert de baljuw Verselewel van der Bilt een rechtsgeding tegen de 21-jarige Lena Huzijn uit Goes. Ze heeft zich niet ontzien, op het moment dat ze naar Veere als dienstmeid zou vertrekken, in de winkel van Pieter Baso op de Grote Markt twee paar kousen onder een leugenachtig voorgeven dat ze die aan haar juffrouw moest laten zien ontvreemd. Bovendien heeft ze zich op 27 september te Veere vervoegd in een uitdragerswinkel en daar gevraagd en bekomen een Oost-Indische mantel en rok mitsgaders een zwarte schort en een nieuwe kneepjesmuts om bij haar juffrouw te passen. Verder is ze naar een broodbakker in de Kerkstraat te Veere gegaan en heeft daar op naam van haar juffrouw twee witte broden gehaald zonder te betalen. Zo heeft ze nog meer diefstallen op haar geweten. De baljuw eist dat ze de scherprechter overgeleverd en door hem, aan een paal gebonden, strengelijk met roeden zal worden gegeseld en met een brandijzer gebrandtekend en verder verbannen uit de provincie Zeeland. Burgemeesters en schepenen spreken als vonnis uit dat ze op 6 december een uur lang, met roeden omhangen, aan de kaak op de Grote Markt te pronk zal worden gezet en gedurende 25 jaar verbannen uit de provincie Zeeland.

Schutterijen

Ook deze jaren functioneren de drie schutterijen in de stad: die van Sint Adriaan van de busschieters, die van Sint Joris van de handboogschutters en die van Sint Sebastiaan van de voetboogschutters.
In april 1785 verzoekt Johan Hendrik Eversdijk, hoofdman van de schutterij van de handboog, uit naam van de leden van de schutterij ‘dat op hun kosten aan hen mochten worden ter hand gesteld extracten uit de stedelijke archieven van zodanige privileges en resoluties die op hun schutterij betrekking hebben’. Het stadsbestuur besluit de secretarissen opdracht te geven om de bedoelde stukken na te zien en hierover te rapporteren.

De regerende burgemeesters, de oud-burgemeesters en de secretarissen rapporteren in juni 1786 dat ze hebben nagezien het conceptreglement op de vrijwillige schutterlijke en burgerlijke exercities. Het stadsbestuur stelt het concept voor advies in handen van de burgerkrijgsraad. Verder wordt nog besloten dat onder opzicht van de stadsdirecteuren en in overleg met de burgerkrijgsraad zullen worden vervaardigd ‘drie nieuwe vaandels, één voor iedere schutterij, elk beschilderd met het couleur en kenmerk van die schutterij en alle met het stadswapen, om daarvan bij de exercities gebruik te maken’.

Extra-ordinaire compagnie

In deze jaren van onrust en oorlogsdreiging is er op het eiland Zuid-Beveland een speciale taak weggelegd voor de zogenaamde ‘roode roede’ ofwel de extra-ordinaire compagnie.
In 1789 wordt tot opvolger van de overleden bediende van de compagnie, Jacob de Smit, aangesteld Willem Koningswoudt, tot nu toe assistent van de nachtwakers of de klapperwacht.
Het stadsbestuur besluit in december 1790 ‘vanwege de menigvuldige landlopers de bende van de Roode Roede voor enige tijd met twee of drie man te verdubbelen’. De regerende burgemeester wordt verzocht de nodige orders hiertoe in het werk te stellen.
Maar in februari 1791 worden de twee extra bedienden op voorstel van burgemeester Van Citters ontslagen, ‘vermits de oorzaak van hun aanstelling door de rust binnen dit eiland ten enenmale cesseert’.
In december 1792 verzoekt het stadsbestuur de regerende burgemeesters om samen met de gecommitteerden van het eiland te overleggen ‘of het raadzaam is, daar er tegenwoordig volgens betrouwbare informatie zo hier als elders zich vele vagebonderende personen ophouden, tot meerdere beveiliging van de goede opgezetenen alhier de extra-ordinaire compagnie met enige manschappen te vermeerderen en ook om nauwkeurige inspectie te nemen en te doen nazien in welke staat de wachthuizen ten plattelande zich bevinden’.
De voorzittende burgemeester rapporteert daarop dat er overeenstemming is bereikt om de extra-ordinaire compagnie te vermeerderen. Wel geven de burgemeesters in overweging ‘om tot menagement van kosten provisioneel deze vermeerdering in dier voege te doen, dat elke reis wanneer de bende naar het Land gaat, deze met twee man vermeerderd wordt, die in overleg met de baljuw te dien einde zouden kunnen verkoren en bij de reis betaald worden’.

Burgerwacht

In februari 1785 krijgen Christoffel de Jongh, Jan Le Cointre en Willem Gorsse op hun verzoek ontslag als luitenanten van de burgerij in de Handboog, Voetboog en Busse. Ze behouden de eer en voorrechten die daaraan verbonden zijn en speciaal vrijdom van wachten en het recht van zitting in de krijgsraadbank in de kerk.
Tot luitenant van de eerste compagnie in de Busse wordt aangesteld Johan Fitzner, tot luitenant van de tweede compagnie Cornelis Dupercy, tot vaandrig van de eerste compagnie Philippus de Wijs en tot vaandrig van de tweede compagnie Cornelis Dominicus.
Tot luitenant van de tweede compagnie in de Handboog wordt aangesteld Jacobus van der Poel, tot vaandrig van de eerste compagnie de procureur Jan de Windt, tot vaandrig van de tweede compagnie Nicolaas van Steveninck.
Tot luitenant van de eerste compagnie in de Voetboog wordt aangesteld Jacobus Jasperse, tot luitenant van de tweede compagnie Cornelis Snoep, tot vaandrig van de eerste compagnie Gerhardus Peman en tot vaandrig van de tweede compagnie Leendert Krekelenberg.

Burgemeester Canisius legt op 6 augustus 1785 een gespecificeerde lijst voor van de gevoelens van de burgers die genodigd waren om zich over de noodzakelijkheid van het wachthouden door de burgerij, volgens het verzoek van een van de Exercitie Genootschappen, uit te spreken. Uit de lijst blijkt dat verreweg de meerderheid de noodzaak daartoe niet erkent. De uitslag is als volgt:

schutterij van de edele Handboog, eerste compagnie: voor 12 en tegen 50;
schutterij van de edele Handboog, tweede compagnie: voor 7 en tegen 30;
schutterij van de edele Voetboog, eerste compagnie: voor 17 en tegen 31;
schutterij van de edele Voetboog, tweede compagnie: voor 19 en tegen 24;
schutterij van de edele Busse, eerste compagnie: voor 9 en tegen 41;
schutterij van de edele Busse, tweede compagnie: voor 10 en tegen 50;
schutterij van de Handboog in totaal: 19 voor en 80 tegen;
schutterij van de Voetboog in totaal: 36 voor en 55 tegen;
schutterij van de Busse in totaal: 19 voor en 91 tegen;
In totaal derhalve 74 voor en 226 tegen.

Uit een nader onderzoek blijkt dat ruim drie vierde zich verklaard heeft tegen het oprichten van de burgerwachten. Het stadsbestuur concludeert hieruit dat het het beste is ‘het verzoek verder geen object van onderzoek te maken’. De commissieleden kunnen echter niet nalaten het stadsbestuur onder het oog te brengen ‘hun rechtmatige bekommering dat, zolang als er genootschappen subsisteren, er altoos een source van tweedracht zal zijn, waarvan men de beklagelijkste gevolgen in andere plaatsen heeft bespeurd, nog afgezien dat de existentie geheel strijdig is met de constitutie en privileges van de stad’.
De commissieleden leggen daarop een conceptpublicatie voor.
In de publicatie wordt verslag gedaan van de stemming. Tevens wordt het besluit van het stadsbestuur bekend gemaakt dat voortaan de burgerwacht weer als vanouds via de schutterijen moet verlopen. De Exercitiegenootschappen zullen derhalve moeten worden opgeheven als zijnde in strijd met de oude privileges en costumen van de stad.
De regenten P. Ossewaarde en W.C. de Craane verklaren zich tegen deze publicatie omdat daaruit zeer veel onaangenaamheden zouden kunnen voortvloeien en de heer Boreel de Mauregnault verzoekt in de notulen aan te tekenen dat hij zich niet met de publicatie kan verenigen.

In 1785 komen de burgercapiteinen, Marcus Boddingius, Nicoaas van der Hagen, Jacobus van der Poel en Jacobus Louwaart, gezamenlijk overeen een plan te maken om alle burgers en ingezetenen van de stad voorzover deze genegenheid hebben zich tot nut van het vaderland en bijzonder van de stad te laten bekwamen in de in deze tijdsomstandigheden nodige wapenhandel. Het plan omvat tien artikelen, waarvan de eerste drie luiden:

Artikel 1: Er dienen te worden aangesteld twee bekwame personen in de wapenhandel, wel geverseerd om alle manschappen van de drie schutterijen, zo officieren, schutters en verdere adelborsten, in de wapenhandel elk in zijn kwaliteit behoorlijk te onderrichten.

Artikel 2: Alle officieren, schutters en adelborsten zullen veroplicht zijn twee maal per week op een zeker daartoe te benoemen uur te compareren op de schutterij waaronder ze behoren.

Artikel 3: Op het bepaalde uur verzameld zijnde zal aan ieder uitgedeeld worden de geweren welke van stadswege op ieder der schutterijen zullen gebracht worden.

In maart 1786 overlijdt de kapitein commandant bij de vrijwillige burgerlijke exercities Marinus Harinck. Op voordracht van burgemeester Canisius uit naam van de leden van de burgerlijke krijgsraad besluit het stadsbestuur in zijn plaats te benoemen Gerhardus Peeman, kapitein in de voetboog.

Het stadsbestuur bespreekt op 17 juni 1786 het rapport van de regerende burgemeesters en secretaris Van Citters over de overwegingen van de leden van de burgerkrijgsraad en de verdere burgerofficieren. Besloten wordt vast te stellen ‘de ampliatiën en alteratiën op het Reglement op de vrijwillige exercities van de schutters en burgers, de 24e september 1785 gearresteerd’. Deze worden met de druk gemeen gemaakt, gepubliceerd en geaffigeerd.
De stadsfabriek krijgt machtiging om de nodige geweren aan de kapiteins van de burgerij te overhandigen om aan de onvermogenden, die verkiezen te exerceren, in bruikleen te geven. De kapiteins moeten een nauwkeurige aantekening van deze geweren houden en vooral zorgen dat deze in goede orde bij het eindigen van elke exercitietijd weer onder de bewaring van de stadsfabriek worden gebracht.

De stadsdirecteuren worden op 22 juli 1786 gemachtigd om enig buskruid, dat toebehoorde aan de leden van het laatst vernietigde Exercitie Genootschap en in de stadsmagazijnen ligt opgeslagen, in onderling overleg over te nemen.

Op 7 oktober 1786 verzoeken de exercerende burgerofficieren de burgemeester om de nodige patronen tot afvuring deze namiddag. Tevens verzoeken ze om daarbij te assisteren. De officieren verklaren niet meer te verkiezen te exerceren met hun gewone Orange Echarpes (sjerpen) om verscheidene redenen die zij daarvan voortbrengen, hoezeer de burgemeester hun daartoe had proberen te bewegen.
Het stadsbestuur besluit voor deze keer, omdat het de laatste maal is, aan de exercerende burgers de nodige patronen toe te staan om deze namiddag af te vuren en de officieren ‘te permitteren om voor deze reis zonder echarpes te exerceren’. Geen van de leden van het stadsbestuur dan alleen de heren Ossewaarde, De Craane en Boreel de Mauregnault wensen daarbij te assisteren. Sommige leden van het stadsbestuur menen zich te kunnen voorstellen ‘dat de couleuren der echarpes in vroegere tijden in de onderscheidene schutterijen different zijn geweest’. De krijgsraad wordt verzocht daaromtrent onderzoek te doen en van hun bevinding rapport te doen.

In de vergadering van het stadsbestuur van 16 juni 1787 betoogt burgemeester Van Dorth ‘dat hem, na het gepasseerde in januari toen men om verscheidene bekende redenen het in die ongelukkige omstandigheden gevaarlijk oordeelde de burgerij in de wapenen te brengen om zich daarvan te bedienen, alsmede na het gebeurde sedert dien tijd op verscheidene andere plaatsen waaruit het niet onmogelijk was op te maken dat deze stad nog wel eens in moeilijke omstandigheden zou kunnen geraken, dikwijls in de gedachten is gekomen dat dezelfde redenen, bestaande inzonderheid in wantrouwen, nog dezelfde zijn’. Hij oordeelt het ‘intussen onverantwoordelijk naar geen middelen uit te zien om dit defect te herstellen en de schutterijen en burgerij tegen de intentie van haar inrichting in voorkomende gelegenheden werkeloos te laten proponeren’. Hij stelt voor een commissie te benoemen ‘om dit stuk rijpelijk te examineren en hoe eerder hoe beter rapport uit te brengen’. Het stadsbestuur besluit hiertoe en geeft de regerende en oud-burgemeesters en secretarissen opdracht zich hiermee te belasten.

Op 7 juli brengt de commissie rapport uit. Ze acht dit punt van het alleruiterste belang in het tijdperk waarin we nu verkeren. Het rapport komt globaal op het volgende neer. De toestand van het vaderland is thans zeer ongelukkig en het onlangs gebeurde in Hollandse steden kan ons niet genoeg omzichtig doen te werk gaan, zodat de uiterste middelen moeten worden aangewend om de rust te bewaren. Aan het begin van het jaar is het gemis van de assistentie van de burgerij pijnlijk ondervonden, terwijl deze toch hoognodig was. Het oproepen van hun hulp zou de toestand nog meer gevaarlijk gemaakt hebben. Het is overbekend dat enige van de burgerofficieren het vertrouwen en de achting van de burgers hadden verloren. Het was dan ook onmogelijk om door het aanvoeren van manschappen door dergelijke officieren de beroerten te stillen.
En hoewel er van die officieren inmiddels twee hun ontslag hebben gevraagd en verkregen, kan men niet dan met schrik denken aan ongelegenheden waarin wij wederom de hulp van de burgers niet zouden durven vragen. Het is nu tijd om stappen te nemen waardoor alle wantrouwen wordt weggenomen en de eensgezindheid onder het grootste en nuttigste gedeelte der burgerij wordt bevestigd. De regering moet zich zonder meer op hen kunnen verlaten. In extra-ordinaire gevallen moeten extra-ordinaire middelen ter hand worden genomen.
De commissie van regerende en oud-burgemeesters en secretarissen stelt voor die burgerofficieren, die het vertrouwen van de burgerij missen en daardoor in hun posten nutteloos zijn, te ontslaan en hun plaatsen in te vullen met anderen waarvan men weet dat die de liefde en toegenegenheid van de burgerij bezitten. Het stadsbestuur besluit zich aan het rapport te conformeren. De zaak van het ontslaan en promoveren van officieren wordt aangehouden tot de volgende maandag.

Op de 9e juli besluit het stadsbestuur de volgende burgerofficieren (deze missen kennelijk het vertrouwen) te ontslaan:

  • Gerard Rapholm, vaandrig in de Handboog;
  • Leendert Krekelenberg, Adriaan Boddingius en Johannis Walraven, respectievelijk capitein, luitenant en vaandrig in de Voetboog;
  • Jacobus Dominicus, vaandrig in de Busse;
  • Jan de Windt, luitenant in de Handboog;
  • Johan Fitzner, luitenant in de Busse.

Deze plaatsen in de schutterijen worden op de volgende wijze opnieuw ingevuld (deze personen genieten kennelijk het volste vertrouwen van de burgerij en ook van het stadsbestuur):

  • in de Handboog: tot kapiteins Marcus Boddingius en Jacobus Louwaart, tot luitenants Nicolaas van der Hagen en Antoni Pieter op ’t Hof en tot vaandrigs Jan Zoutendam en Alexander Antoine Lubin;
  • in de Voetboog tot kapiteins Johan Amijs en Gerhardus Peeman, tot luitenants Jacobus Jasperse en Cornelis Mispelblom en tot vaandrigs Jacobus de Hond en Willem den Boer;
  • in de Busse tot kapiteins Marinus Gorsse en Philippus de Wijs, tot luitenants Marinus van Baalen en Cornelis Dupersy en tot vaandrigs Hendrikus Johannes op ’t Hof en Jacobus de Jongh Czoon.

Tevens besluit het stadsbestuur dat in het vervolg de aanstelling van burgerofficieren zoals vanouds zal geschieden op voordracht van de respectieve hoofdmans en dekenen van de schutterijen. Benadrukt wordt dat alle deze maatregelen worden genomen niet alleen tot beveiliging van de stad en de goede burgerij, maar ook tot bevordering van de zo hoognodige rust en het uit de weg ruimen van alle wantrouwen onder de goede ingezetenen, waartoe elk waardig lid van de maatschappij het zijne gewillig behoort toe te brengen.

Exercitiegenootschap

Op 5 januari 1785 verzoekt het Exercitie Genootschap voor enige tijd het sluiten van de Grote Kerk gedurende haar exercities. Dit verzoek wordt gedemandeerd aan de kerkmeesters.

In de vergadering van het stadsbestuur van de 19e maart 1785 rapporteert burgemeester Keetlaar ‘dat deze morgen enige personen, zich noemende Leden van ’t Avond Genootschap, uit naam van dat genootschap hem te kennen gaven hoe dat ze voornemens zijn om op het voetspoor van het andere genootschap officieren te verkiezen en naar middelen uit te zien tot het maken van een vaandel’. Niettemin wensen ze niets anders ‘onder het oog te houden dan zich te onderwerpen aan hun wettige overheid en dat zij de vrede beminnen en bereid zijn de vijand, die hun voorrechten benijdt, met hun burgervaderen en medeburgers af te weren’. Ze zijn van mening dat het meer met de privileges van de stad en de schutterijen overeenkomt, dat de schutterijen in de beste orde hersteld en in train gebracht en de beide genootschappen te niet gedaan worden. Hiertoe willen ze zich graag laten vinden, mits de officieren zich bekwaam maken en, zo lang die niet bekwaam zijn, deze gecommandeerd worden door leden van het stadsbestuur, al was het onder de naam van majoors. En, indien het stadsbestuur daartoe niet kan komen, zij als dan verwachten zoveel vrijheden te zullen verkrijgen als het andere genootschap.
Het stadsbestuur besluit dit verzoek in handen te stellen van de vier voorzittende leden van de raad en een van de secretarissen om dit ‘te examineren en speciaal ook om een plan uit te denken tot het in train brengen van de schutterijen op een zoveel mogelijk informele wijze alsmede op welke wijze de genootschappen van exercitie wegens sommige onkosten zouden kunnen worden gededomageert’.

Secretaris Van Citters rapporteert kort daarop uit naam van de vier voorzittende leden van de raad en zichzelf over het verzoek van het Exercitie Genootschap. Enerzijds vindt de commissie dat het verzoek in de tegenwoordige tijd zeer redelijk en zeer geschikt en de attentie van het stadsbestuur zeer meriterende voorkomt. Anderzijds komt het de commissie voor dat hun mening en voornemen is om de schutterij en burgers zoveel mogelijk op de primitieve voet compagniesgewijs in de wapenen te doen brengen teneinde de meer en meer toenemende lust van de burgerij om zich in de wapenhandel te oefenen tegemoet te komen en het stadsbestuur daarvan in tijden van noodzakelijkheid en ongelegenheid de vereiste assistentie zou kunnen verwachten.
De commissie meent dat twee voorname zaken in aanmerking komen:

  • de wijze van uniforme wapening, enigszins gericht naar die van de burgergenootschappen, die zich enige tijd geoefend hebben;
  • het fonds waaruit de te maken onkosten zouden kunnen en dienen te worden gevonden.

Wat het eerste betreft dient volgens de commissie te worden bepaald dat een egale wapening van geweren, sabels en patroontassen naar kaliber en vorm, zoals die tegenwoordig binnen de stad gebruikt worden, behoort plaats te hebben. Over het tweede punt wordt een dekkingsvoorstel gedaan.

De commissie betoogt verder ‘dat ze heeft overwogen de pogingen van velen uit de burgers die zich in gecombineerde gezelschappen als anderszins enige tijd bekwaam in de wapenhandel hebben gemaakt, hetwelk in de tegenwoordige tijdsomstandigheden van veel nut zal kunnen zijn. Het stadsbestuur zou volgens haar bij publicatie haar genoegen daarover kenbaar dienen te maken in die zin dat het het stadsbestuur zeer aangenaam is indien zij die bekwaamheden verder willen emploieren en om door hun voorbeeld hun medeburgers in hun begeerte om insgelijks zich bekwaam te maken bevorderlijk te zijn. Tevens dient de publicatie te bevatten dat het stadsbestuur verwacht dat de leden van de genootschappen de maatregelen van het stadsbestuur van hun zijde daarin zullen favoriseren dat zij hun genootschappen zullen houden voor gedissolveerd’.
De commissie biedt een conceptpublicatie ter vaststelling aan.

Het stadsbestuur besluit het rapport van de commissie aan te houden tot zaterdag de 26e maart. Het notulenboek vermeldt:
‘Nogmaals gedelibereerd zijnde op het rapport van de secretaris Van Citters in de vorige sessie uit naam van de heren gecommitteerden tot het formeren van een plan om de wapening der schutterijen in train te brengen gedaan. Is, hoe zeer hun edelachtbaren eenparig de noodzakelijkheid van dien begrepen, om verscheidene redenen zulks als nog infaisabel geoordeeld. En dienvolgens goedgevonden daar mede nog tot een betere gelegentheid te supersederen en dat aan de leden van het zogenaamde Avond Genootschap van Exercitie intussen zal worden gepermitteerd om op deselve wijs hunne exercities voort te zetten als die van het andere genootschap’.
Kennelijk durft het stadsbestuur het niet aan en vraagt zich af of de genootschappen nog in de hand te houden zijn in deze roerige tijd.

In de vergadering van het stadsbestuur van de 16e juli 1785 deelt burgemeester Canisius mee dat hij opgewacht is door een commissie van officieren en directeuren van het Genootschap van Wapenhandel, zich noemende ‘De Vrijheid’, ten zinspreuk hebbende ‘Dezen Beschermen Wij’. Ze verzochten hem ‘in het aimable onder het oog te houden dat de algemene stem of steun der leden van het Genootschap bij het doen van hun rekening was, dat het stadsbestuur op het allerserieuste middelen zou gelieven te beramen tot het weder in train brengen van de schutterijen vergezeld met alle zodanige voorechten als een vrij burger en schutter wel eertijds hebben genoten. Uit welke schutterij proflueert de bewaring van hun stad, door de zogenaamde burgerwacht te verrichten, opdat de goede ingezetenen in tijd van ruptuur (dat God verhoede) zouden weten waar heen zich te wenden, onder voorwaarde nochtans dat de thans fungerende burgerofficieren zich sterk zouden maken in de wapenhandel en commando van dien, en dat aan zodanigen die hier toe niet mochten genegen of bekwaam zijn, worde verzocht door intercessie van het stadsbestuur hun demissie te nemen of dat er bekwame personen zouden kunnen worden aangesteld tot voorkoming van alle verwarring in een opkomend tumult. En voor het geval het stadsbestuur geen bevredigende reactie zou krijgen, zo biedt het Genootschap zich aan om bij een zich voordoend oproer het stadsbestuur en de goede burgerij met het corps te beschermen en te bewaren’. Ze verzoeken in staat te worden gesteld om voor het Stadhuis te verschijnen en aldaar plechtig, ingevolge de ware zin en mening van alle genootschapsleden, aan het stadsbestuur hulde en trouw te zweren, ‘opdat geen kwaadaardig mens hoegenaamd zich zou vermeten om te durven zeggen dat zulks alleen bij blote klanken en aanbod was gebleven’.
Het stadsbestuur overweegt dat een dergelijk verzoek al op de 19e maart door een ander Genootschap is gedaan, waarop tot nu toe nog geen resolutie is gevallen. Besloten wordt het verzoek van het Genootschap ‘de Waarheid’ nader te examineren en, indien ze dit goedvinden, die van de Burgerkrijgsraad en de officieren uit de beide Genootschappen van wapenhandel en de burgerij, als ze dat nodig zullen oordelen, daarover te horen en van hun gevoelen zo spoedig mogelijk rapport te doen.

De ingestelde commissie rapporteert op 6 augustus 1785 over het verzoek van het Exercitie Genootschap ‘De Vrijheid’ tot ‘het in train brengen van de burgerwachten’. Het stadsbestuur besluit dat er vooralsnog geen redenen bestaan om deze last aan de goede burgerij op te leggen, omdat de burgerwachten binnen de stad (ofschoon de drie schutterijen altijd voltallig zijn gehouden) nooit in daadwerkelijke functie zijn geweest dan alleen in tijden van vrees voor vijandelijke invallen. Er wordt bovendien te veel vertrouwen gesteld op de geneigdheid van de goede burgerij voor de publieke rust en orde om voor inwendige beroerten enige vrees te hebben. Besloten wordt de verdere finale afhandeling van het verzoek van het Genootschap aan te houden ‘totdat op een ontwijfelbare wijze zal gebleken zijn of de inclinatie van het Genootschap (hetwelk nog maar een klein gedeelte uitmaakt van de burgerij die in staat is om de wapenen te dragen ) overeenstemt met de inclinatie van de meerderheid van de gehele burgerij’. Tevens besluit het stadsbestuur de burgerij bij publicatie kennis te geven en op te roepen tegen donderdag ieder onder z’n compagnie om in tegenwoordigheid van vier gecommitteerden uit het stadsbestuur kenbaar te maken of zij het noodzakelijk oordelen dat de burgerwachten tot bewaring van de stad weer worden opgericht.

In augustus 1785 komen er protesten tegen de publicatie over de opheffing van de Exercitie Genootschappen. Betoogd wordt dat ‘de Bloem van de Goese Burgerij’ daar deel van uitmaakt. Na rijp beraad besluit het stadsbestuur te blijven bij de eerdere publicatie.
Kennelijk wreekt zich hier het feit dat het stadsbestuur veel te lang oogluikend en met enige bewondering de exercities en de organisatie daarvan heeft toegelaten!
De krijgsraad krijgt opdracht om zo spoedig mogelijk een Plan op te stellen volgens welke de exercities voortaan schuttersgewijze naar het oogmerk van het stadsbestuur kunnen worden ingericht. Ook tegen dit besluit protesteren de regenten P. Ossewaarde en mr. W.C. de Craane. Het stadsbestuur protesteert nu ook tegen de handelwijs van beide heren en verklaart hun overwegingen ‘gansch inregulier’.

Uit naam van de leden van de Krijgsraad rapporteert burgemeester Canisius op 24 september 1785, ingevolge de resolutie van enkele weken geleden, over een Plan tot het in gang brengen van de vrijwillige exercities door de burgers en schutters. Het stadsbestuur besluit naar aanleiding daarvan:

  • ten laste van de stad op te doen een genoegzaam aantal beproefde geweren, sabels, Porte d’Epees en patroontassen, om deze aan de zodanigen die volstrekt onvermogend zijn en liefhebberij in de wapenhandel hebben, onder een recepis ieder aan zijn kapitein, ter leen te verstrekken;
  • dat de zes compagnieën met elkaar manoeuvreren en gecommandeerd worden door de kapitein Marinus Harinck in de functie van als voor deze exercities benoemde kapitein-commandant. Bij zijn afwezigheid zal als luitenantcommandant optreden Johannes Fitzner;
  • dat de Krijgsraad zal aanstellen aan adjudant, zo het mogelijk is lid zijnde van een van de drie schutterijen;
  • dat de sergeanten voortaan mede uit de schutters en korporaals uit de adelborsten zullen verkoren worden;
  • dat de zes tamboers uit de stadskas zullen ontvangen jaarlijks een douceur van 20 Zeeuwse rijksdaalders;
  • Jacob Meclu en Frederik Havenaar aan te stellen als exerceer- of drilmeesters onder het genot van een gulden voor elke reis;
  • aan de exercerende burgerij toe te staan voor hun exercities het veld buiten de Havenpoort, genaamd het Stoofweitje, des zomers en het choor van de Grote kerk des winters;
  • een Reglement vast te stellen op het voorgaande en met de druk gemeen te maken.

De burgerkapitein M. Boddingius geeft het stadsbestuur op 1 oktober 1785 kennis van enige schikkingen, op een vergadering van officieren gemaakt ten aanzien van de burgerexercities. Elf van de twaalf aanwezige officieren hebben besloten het stadsbestuur te verzoeken ‘dat de officieren in plaats van spontans en degens voortaan zullen mogen gebruiken geweren en sabels met dragons, iedere schutterij naar de couleur van het vaandel, met zilver of wit gemengd’. De elf officieren hebben ook besloten zilveren ringkragen te dragen. Ze verzoeken dat bij hun overlijden of het bekomen van ontslag alle wapens en ornamenten, uitgezonderd de escapes, door de aankomende officier zullen worden overgenomen voor dezelfde prijs, doch zo het een of ander iets mankeerde volgens taxatie van de krijgsraad. En eindelijk dat de kapitein is gecommitteerd om uit naam van de luitenants en vaandrigs van de schutterijen te verzoeken dat deze, evenals de kapiteins, aan de poorten mogen worden vrijgesteld van betaling van poortgeld.
Het stadsbestuur besluit ‘dat, ofschoon het geen redenen vindt waarom de burgerofficieren kosten zouden moeten maken om zich van nieuwe wapens en ornamenten te voorzien op de voet zoals voorgesteld, het wel wil bepalen dat de opvolgers van de officieren, welke genegen mochten zijn die spendues te doen, verplicht zullen zijn de wapens en ornamenten van deze officieren over te nemen voor de prijs als de krijgsraad deze zal waardig schatten’.
Het verzoek om de luitenants en vaandrigs vrij te stellen van poortgeld wordt echter afgewezen.

In het verlengde van het vorige besluit overweegt het stadsbestuur op 9 juli 1787 dat er verscheidene bedenkingen tegen de gewapende personen zijn, die tot het laatste toe leden zijn gebleven van het zogenaamde Exercitie Genootschap ‘de Vrijheid’, welk Genootschap in het begin van dit jaar zich bij toeval heeft opgeheven. De bewapening, ofschoon de personen niet laten blijken enig kwaad oogmerk te hebben, geeft toch een gedurig wantrouwen en ongerustheid bij het grootste deel van de burgerij.
Besloten wordt de geweren, patroontassen en sabels met wat daartoe behoort van de onderstaande personen af te vorderen. Al deze geweren zullen worden gebracht op het Stadhuis, aldaar bewaard en schoongehouden. Elk garnituur zal bij elkaar gehouden moeten worden. Op een briefje zal genoteerd worden wie dit toebehoort, zodat bij voorkomende gelegenheden een ieder het zijne kan worden uitgereikt. De betreffende personen zijn:
Johannis Harinck, Gerbrand Zandijk, Johan Fitzner, Gerrit Donk, Pieter Faber, Leendert Krekelenberg, Adriaan Boddingius, Jan Noorthoeve, Klaas Bosdijk, Jacobus de Wijs, Cornelis Baste, Abraham Abrahamse, Willem Springeling, Adam van den Thoorn, Gerard Rapholm, Jacobus van Kleijnputte, Frederik Zuidweg, Cornelis Pieterse, Jan Vernet, Willem Goeree, Johannis Walrave, Johannis Berger, Isaac Beijaard, Abraham Tappij, Pieter van Kleijnputte, Jacobus Christiaan Zandijk, Klaas Vervenne, Cornelis Steijn, Cornelis Codde, Cornelis Fitsner, Jan van Kogelenberg, Pieter Baden, Adriaan Proos, Adriaan de Wolf, Gerard Codde, Antoni van de Velde, Pieter Engelse, Pieter van den Ende, Cornelis Beijaard, Cornelis Koutsijn, Johannis Baden, Paulus Zuidweg, Jan de Jonge, Marinus van Leeuwen, Marinus Wagenaar, Roelof van Houten, Rainier Hoondert, Fredrik Willem Sterk, Pieter Proos, Georg Rosen, J.A. Weinrich, P. Steutel, Joos de Jonge, Petrus Hartog, Johannis Mulder, Jan Kerk, J. Adriaan Geleeds, P. Berger en Mattheus van der Weide.

Garnizoen

De commanderende officier van het garnizoen dient in januari 1785 bij de burgemeesters enige klachten in over de moeilijkheden die hij ondervindt door baldadigheden van sommige burgers, inzonderheid bij het oefenen van militaire discipline. Het stadsbestuur besluit dit bij publicatie te verbieden. Daarbij zullen de burgers en ingezetenen tevens ‘in gepaste termen worden vermaand en opgewekt om in deze tegenwoordige tijdsomstandigheden zich zoveel mogelijk tranquil en gerust te houden in afwachting wat het stadsbestuur tot algemeen welzijn en veiligheid der gemeente zal resolveren en in het werk stellen’.

Op de 21e mei 1785 neemt het stadsbestuur kennis van een aan Gecommitteerde Raden van Zeeland gepresenteerd rekwest van de luitenant-kolonel J. Macalester, commandant van het 2e bataljon van generaal-majoor Houston dat tegenwoordig binnen de stad garnizoen houdt. Hierin geeft hij kennis ‘dat alzo enige weinige van zijn zieke manschappen kunnen worden gelogeerd in het Gasthuis, hij genoodzaakt is geweest om als een hospitaal te gebruiken een vertrek van het zogenaamde oude manhuis’. Hij heeft daarbij over het hoofd gezien de resolutie van de Staten van de 8e mei 1782, op grond waarvan ‘geen gasthuiskosten van ‘s lands wege worden gevalideerd, tenzij de commanderende officier, indien de zieken niet in de stedelijke gasthuizen kunnen worden gebracht, door hun edelmogenden tot het oprichten van een hospitaal is geautoriseerd’. De luitenant-kolonel verzoekt hem deze omissie te vergeven en tevens om betaling van de drie stuivers per dag die van ’s landswege voor iedere zieke soldaat wegens gasthuiskosten wordt betaald. Tevens verzoekt hij toestemming om een of meer vertrekken van het Oude Manhuis als hospitaal te gebruiken. Dit rekest stellen Gecommitteerde Raden in handen van het stadsbestuur om dit te onderzoeken. Het stadsbestuur geeft als oordeel ‘dat die van het garnizoen alle moeite tevergeefs hebben aangewend om een bekwame plaats tot een hospitaal te bekomen’.
In juli wordt Gecommitteerde Raden verzocht om het benodigde kruit te laten afzenden voor de exercitie en afvuring van een bataljon infanterie dat in de stad en het eiland garnizoen houdt.

Het blijkt in juli 1785 dat de militairen die bij de boeren in de Reigersbergse polder en te Crabbendijke zijn ingekwartierd allerlei onregelmatigheden plegen. De officier beweert echter dat de discipline vrij goed bewaard wordt. Hij stelt niettemin voor een kazerne te bouwen. Het stadsbestuur besluit de manschappen, gedurende de tijd dat de onderhandelingen in Parijs duren, terug te trekken in de stad. Met de eigenaar van het Oude Manhuis aan de Zusterstraat en de kwartiermeester van het bataljon zal worden onderhandeld over het logement van de meerdere manschappen die nu binnen de stad zullen komen, dit om de eigenaar voor de kosten die hij zal moeten maken enige verzekering van teruggaaf te geven. Desnoods wil het stadsbestuur garanderen dat van stadswege die kosten aan de eigenaar van het Oude Manhuis binnen twintig weken zullen worden voldaan.
Gecommitteerde Raden wordt opgegeven dat tegenwoordig 63 manschappen met een kapitein en enige onderofficieren en twee tamboers bij de opgezetenen ten plattelande zijn ingekwartierd en in de stad kunnen worden geborgen.

Op 16 september 1785 bespreekt burgemeester Canisius met majoor Bredt, die het detachement in de Reigersbergse Polder zal gaan commanderen, voor zijn vertrek over enige zaken. De majoor zou graag voor het overzenden van ‘spoedige tijdingen’ voorzien worden van enige weinige manschappen lichte troepen.
Het stadsbestuur verzoekt daarop de Erfstadhouder, de Prins van Oranje, om uit de naast bijgelegenste plaats een klein detachement naar dit eiland af te zenden en bij die gelegenheid te bepalen, dat, indien de oorlog onverhoopt mocht voortgaan en de vijand onkosten zal maken door het winnen van enige frontierplaatsen, dit eiland op een officieuze wijze van troepen mag worden voorzien.
Op oudejaarsdag 1785 constateert het stadsbestuur dat het detachement al uit de Reigersbergse Polder teruggekeerd had moeten zijn. Echter door de ingevallen vorst kunnen er geen schepen bij de Reigersbergse Polder komen om het geschut af te halen. Het garnizoen zit daar in barre omstandigheden. Besloten wordt een wagen met kolen daar heen te sturen.

Gecommitteerde Raden van Zeeland geven op 14 januari 1786 kennis dat ze de provinciaal attaché kapitein Mackenzie hebben verzocht om met zijn onderhorig detachement, zodra ‘s lands ammunitie in de Reigersbergse Polder zal zijn afgehaald, binnen Goes te marcheren en aldaar garnizoen te houden tot nader order.
In mei 1786 verzoekt het stadsbestuur Gecommitteerde Raden te laten afkomen het benodigde kruid tot ‘afviering van het bataljon binnen deze stad garnizoen houdende’.

Op 15 juli 1786 wordt uit naam van de exercerende leden van de burgerij het verzoek gedaan om op de Grote Markt in plaats van op de Beestenmarkt ‘te vergaderen’. Dit verzoek wordt afgewezen ‘zoals ’t leijd’, met de verklaring dat verzoeken van dergelijke aard in het vervolg via de Burgerkrijgsraad aan het stadsbestuur moeten worden gericht.

Burgemeester Van Dorth deelt het stadsbestuur op 1 september 1786 mee dat de commanderende officier hem kennis heeft gegeven ‘orders gekregen te hebben van de Staten van Holland, zijn betaalsheren, om zich marsvaardig te houden en geen order tot het veranderen van garnizoen te pareren’. De burgemeester heeft hem onder het oog gebracht dat hij gehouden is aan de eed aan Gecommitteeerde Raden en het stadsbestuur gedaan. Hiervan wordt aan de Raadpensionaris kennis gegeven.

Op de 31e maart 1787 schrijven Gecommitteerde Raden dat ze een brief van de Stadhouder hebben ontvangen met kennisgeving dat Zijne Hoogheid aan het tweede bataljon van Generaal majoor Houston, thans in garnizoen liggende binnen de stad, patent heeft afgegeven om te vertrekken naar Sluis in Vlaanderen om vervangen te worden door het eerste bataljon van Generaal majoor Van Brakel uit Sluis. Gecommitteerde Raden hebben besloten om, wanneer de patenten van Zijne Hoogheid tot vervanging van de twee bataljons zouden zijn overgebracht, daarop het vereiste provinciaal patent en attaché te verlenen. Ze hebben daartoe orders gegeven tot het pressen van de daarvoor benodigde schepen. Echter, op dezelfde dag hebben ze een brief ontvangen van de Heren van Vlissingen met het dringend verzoek ‘het garnizoen binnen Goes te laten blijven tot de Staten daarover gesproken en beslist zullen hebben en totdat finaal geresolveerd is over de stand van zaken over een te doen onderzoek naar de aanstokers, daders en uitvoerders van het gewelddadig oproer, hetgeen onlangs binnen Goes en het eiland van Zuid-Beveland heeft plaats gehad en zolang het vertrek van het garnizoen uit Goes op te schorten’. Gecommitteerde Raden hebben geoordeeld aan het verzoek van Vlissingen te moeten voldoen. Ze hebben daarom besloten hun resolutie buiten effect te stellen tot ze het oordeel van de Staten hebben vernomen.
Op de 14e april 1787 besluit het stadsbestuur Gecommitteerde Raden te berichten dat ze met grote verwondering hebben kennis genomen van het besluit om gehoor te geven aan de brief van Vlissingen. Waarom bemoeit Vlissingen zich met de zaken binnen Goes? Het stadsbestuur heeft ‘geen bijzondere redenen om voor of tegen het veranderen van het garnizoen geporteerd te zijn’ en wil graag gehoor geven aan het verleende patent door Zijne Hoogheid als kapitein-generaal. En wat betreft het oproer binnen Goes, waar Vlissingen zich bezorgd over maakt, het stadsbestuur ‘is zeer wel in staat om hierover zelf zich met Gecommitteerde Raden te verstaan’.
Op voorstel van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur op 9 april 1787 hen te machtigen ‘om ten minste bezwaar van de stad aan de hoofdwacht een ordentelijk en geschikt vertrek voor een officierswacht te laten maken teneinde aldaar ten allen tijde een officier van het piket zijn verblijf kan houden’.

Op de 4e maart 1788 komt bericht van Gecommitteerde Raden binnen dat patent is verleend voor een detachement van drie compagnieën uit het garnizoen binnen Goes met de nodige officieren en onderofficieren om zich op het eerste verzoek van de Gouverneur van Bergen op Zoom naar die stad te begeven tot versterking van het garnizoen daar. De reden hiervan is dat een detachement uit Bergen op Zoom naar Zierikzee is gezonden tot stuiting van de ongeregeldheden in het eiland Schouwen. Gecommitteerde Raden verzoeken het stadsbestuur van Goes dit detachement te willen laten uittrekken. Goes stemt in met de uitmars van drie compagnieën uit deze stad naar Bergen op Zoom. Bij deze gelegenheid verzoekt het stadsbestuur om het nodige kruit tot het doen van saluutschoten evenals dit in andere steden is geschied.

In februari 1789 betoogt Johan Christiaan Gunderam, medisch doctor en chirurgijnmajoor onder het 2e bataljon van de generaal-majoor Baron van Nijvenheim, dat in garnizoen binnen de stad ligt, dat hij gedurende zijn verblijf binnen Goes van verscheidene personen aanzoek heeft gekregen om over hen te praktiseren, doch dit heeft hij altijd zoveel mogelijk gemenageerd. Hij draagt voor het geval omtrent ds. Bevier, die hij aan zijn beenbreuk heeft behandeld en genezen, waarover hij door de dekenen van het chirurgijngilde werd gecalangeerd, doch waarvan het stadsbestuur besloot dit te verbieden. Hij verzoekt om, teneinde in het vervolg van alle onaangenaamheden bevrijd te zijn, hem te vergunnen gedurende zijn verblijf binnen de stad te mogen praktiseren. Besloten wordt hem toe te staan om, zolang hij in zijn tegenwoordige kwaliteit hier zal moeten verblijven, in extra-ordinaire gevallen als medisch doctor en chirurgijn te praktiseren, mits hij daaromtrent met alle discretie te werk gaat.

In mei 1790 verzoekt het stadsbestuur Gecommitteerde Raden het benodigde kruit toe te zenden tot afvuring voor de vijf compagnieën militie die binnen de stad garnizoen houden. Dit gebeurt ook in mei 1791 waarbij verzocht wordt het benodigde kruit af te zenden voor de exercitie en afvuring van vier compagnieën infanterie die binnen de stad garnizoen houden.

Er komt een in mei 1791 een rekest binnen van de kapitein en commanderende officier van de vier compagnieën van het tweede bataljon van Zijn Doorluchtige Hoogheid’s Regiment ‘Orange Stad en Landen’ en ‘Orange Drenthe’, garnizoen houdend binnen de stad. Hij schrijft uitvoerig dat hij met zijn onderhebbende manschappen order heeft om zich eerstdaags naar Deventer te embarkeren. Voor het transport van de zieken en de bagage heeft hij een schip nodig. Hij geeft voor dat er in de stad geen schip van genoegzame grootte is om al de goederen en manschappen te kunnen laden. Vanwege de dubbele onkosten als andere inconveniënten zou hij zich niet graag genoodzaakt zien twee kleine schepen te moeten aannemen. Het is hem intussen mogelijk om een vreemd schip van genoegzame grootte en geschiktheid tegen een matige prijs te bekomen. Het stadsbestuur overweegt dat het enerzijds de plicht heeft om het garnizoen op behoorlijke wijze alle faciliteiten te verstrekken bij hun aankomst en vertrek. Maar aan de andere kant kan het zich niet voorstellen dat de schepen die van deze stad varen niet geschikt zouden zijn om een reis als deze te volvoeren. Ook moet de verdienste van het schippersgilde niet uit het oog worden verloren. Besloten wordt dan ook het schippersgilde te verplichten voor het transport van de bagage en de zieken van de vier compagnieën, die hier garnizoen houden, naar Deventer een schip te verzorgen voor f 160. Hiervoor moet zo mogelijk het grootste schip of schepen die buiten lading liggen worden gekozen. Het verzoek van de commandant wordt dus afgewezen.

Op 4 juni 1791 komt bericht bij het stadsbestuur binnen over de patenten voor vier compagnieën infanterie van het regiment van Plettenbergh om hier garnizoen te houden en de tegenwoordige vier compagnieën, die te Goes liggen, af te lossen. Besloten wordt daar in te berusten. Bij hun aankomst zullen de compagnieën worden beëdigd.

Burgerlijke stand

Opmerkelijk is dat gedurende deze acht jaren slechts zeven personen in het koor of de preekkerk worden begraven. Op het kerkhof worden veelal kinderen, weduwen, van de armen bedeelden, in het gasthuis verpleegden en eenvoudige burgers begraven.

In 1785 worden begraven in het koor of de preekkerk Pieter de Windt en een kind van burgemeester mr. Anthonie Ossewaarde. In de nederkerk worden tien personen begraven waaronder de weduwe van notaris Frederik Roeteringh geboren Amijs, Zacharias Coenraets, Jacob de Leeuw en de Waalse predikant Otto Henry de la Broe, Marinus Harinck. Op het kerkhof worden zeer veel kinderen begraven. Ook dertien soldaten van het garnizoen en vijf soldatenkinderen.

In 1786 worden begraven veertien personen in de nederkerk begraven waaronder Johan de Jongh, de baljuw van de stad mr. Nicolaas Eversdijk, Willem Gorsse en Jan Cats. Buiten de stad worden begraven burgemeester mr. Willem van der Bilt van Cloetinge. Hij wordt in de kerk van Cloetinge begraven terwijl de doodsklok twee uren luidt. Mevrouw P.A. Boreel de Mauregnault geboren Franke wordt te Veere begraven. Ook voor haar luidt de doodsklok twee uur. Op het kerkhof worden o.a. drie soldaten van het garnizoen begraven.

In 1787 worden in de nederkerk begraven Francois de Keijser (twee uur luidt de doodsklok) en Hubertus Harinck. Op het kerkhof worden veel kinderen, weduwen, verpleegden uit het gasthuis en bedeelden van de armen begraven, evenals 2 soldaten van het garnizoen.

In 1788 worden zestien personen in de nederkerk begraven onder wie Cornelis van der Heijde, Helena Sophia Burger weduwe van de predikant De Lange, de vrouw van Marinus van Balen, Cornelis Boutens, de krankenbezoeker Adriaan Does, Adriaan Step, de vrouw van Jan de Puyt geboren Beijselaar en Jan Beijselaar. Op het kerkhof worden begraven o.a. Daniël Buijs, Jacobus Meerman, Hendrik van Sprang, Pieter Blondeel, Jan Kousemaker, Jacobus Kodde, Frederik van Loo en Philip du Moulin.

In 1789 worden achttien personen in de nederkerk begraven onder wie de vrouw van Laurens Boeren, Jan de Fouw, Jan Zeevaart, de vrouw van Willem de Jongh geboren Huijsman, Cornelis Baster, Catharina Henrieta de Crane-van Tilburg, Philip Hertog, Samuel Vertregt, majoor F. Ebbinge, monseigneur Pieter de Jongh, de emerituspredikant Canisius, de postmeester Thomas Bakers en Cornelia van de Visse echtgenote van Adriaan van den Thoorn. Op het kerkhof worden o.a. begraven Adriaan Gandolf, Harman Bos, Leendert van Leeuwen, de weduwe van Cornelis Meerman, de vrouw van Gillis de Waart, de vrouw van Guiljaam Capello, de vrouw van Dignus Bal, de weduwe van Gommert Klap, de weduwe van Abraham van Klinken, de vrouw van monseigneur Huijsman, dominee Jacobus van Hattum, Marinus Reinhout, Christiaan Poover en Jacobus van de Velde.

In 1790 worden in het koor of de preekkerk begraven Digman van der Steenhoven. In de nederkerk worden elf personen begraven onder wie Catharina Goosen weduwe Bosgans, Cornelia van den Oever, de vrouw van Cornelis Huybregtse, Judith van Wijngen weduwe van Ary Krekelenberg, Maria de Jager, de vrouw van doctor Visser, Maria Verschuil weduwe Dijkwel, Maria Keetlaar echtgenote van de baljuw Van der Bilt (twee uur luidt de doodsklok) en Gerbrand Zandijk. Op het kerkhof worden begraven o.a. Janis Reijnhout, Maria Boeren weduwe La Roes, Pieter La Roes, Gijsbregt Gandolf, Jacobus Ramondt, Jacobus Hoondert, Pieter Schipper, Pieter Steutel en Pieter van Strien.

In 1791 worden in het koor of de preekkerk begraven Johan Christiaan Papenhove, Mattheus Ossewaarde, burgemeester Anthoni Ossewaarde en Tannetje de Windt.
In de nederkerk worden elf personen begraven onder wie Maria Romberg, Catharina de Keijser weduwe Kouwens, M.H. Burger, Maria Coomans vrouwe van Wemeldinge (de doodsklok luidt twee uur), Maria van Hamersveld echtgenote van Nicolaas Bosdijk, de weduwe van Jan Zeevaart en Cornelia Schouwenaar weduwe Verbeke. Op het kerkhof worden o.a. begraven Machiel van den Berge, Pieter van Antwerpen, Frans de Wijn, Jacobus Dekker, de weduwe van J.A. Weijnrich geboren Overdorp, de vrouw van Pieter van Schooten, Anthoni de Munck en Claas Duyvenwaarde.

In 1792 worden zeventien personen in de nederkerk begraven onder wie Anna Stokmans weduwe Step, Nicolaas Vervenne, Maria Johanna van Citters geboren Verschuijl, Cornelis de Jager, Willem Beijaart, de vrouw van Leendert Krekelenberg, Laurens Boeren, Marcus Boddingius, Anthoni de Ridder, de vrouw van Jan Barbier, Willem Aarnout van Citters zoon van de heer Cornelis van Citters van Bruelis, Jan Hendrik Eversdijk (de doodsklok luidt twee uur), Cornelis Fitzner en Jacobus Joël. Op het kerkhof worden o.a. begraven Jacob Barbier, Evert van Nakke, Johanna Liefbroer weduwe van Pieter Steutel, de vrouw van Pieter Wagenaar, de weduwe van Joos Felius en Philip de Kok.