Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1793 - 1800)

Oorlogsdreiging

Op de 25e februari 1794 sturen Gecommitteerde Raden van Zeeland het stadsbestuur bericht over de voorbereidingen die in de Franse havens langs de Noordzee in het Kanaal en vooral in Duinkerken worden gemaakt voor een expeditie ter zee met lichte vaartuigen. Volgens informatie is het oogmerk een landing, stroperij en plundering in het Land van Cadzand en Walcheren. Ze verzoeken het stadsbestuur twee compagnieën van het garnizoen binnen de stad met bagage af te zenden naar Vlissingen om daar garnizoen te houden. Het stadsbestuur wijst Gecommitteerde Raden op het grote bezwaar om in deze tijdsomstandigheden het kleine garnizoen binnen de stad en het eiland nog meer te verzwakken. Het is niet zeker of dit, dan wel een ander gedeelte van de provincie, bij een onverhoopte aanval van de vijand zal worden aangevallen. De brief wordt per expresse naar Gecommitteerde Raden gezonden.

Ook in juli 1794 is er sprake van oorlogsdreiging. De voorzittende burgemeester geeft op de 5e juli in overweging ‘of het in deze omstandigheden van tijden niet noodzakelijk is, daar er dagelijks een aanmerkelijk getal personen binnen de stad arriveert voorgevende vluchtelingen te zijn, enige heren uit de raad te committeren die zouden behoren te worden gemachtigd om zodanige vreemdelingen voor het stadsbestuur te laten dagvaarden om vervolgens nauwkeurig acht te geven op hun attestaties, navraag te doen naar hun families, middelen van bestaan, beroep, hantering en dergelijke, met macht om de zodanigen die verdacht voorkomen of die tot last van de armen zouden raken, dadelijk uit de stad te removeren’. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord en stelt daartoe aan de heren C. van Citters van Bruelis, mr. J.A. van Dorth, Adolf Ossewaarde en P.A. Boreel de Mauregnault.

Op deze zelfde 5e juli geven Gecommitteerde Raden van Zeeland kennis van verscheidene ongunstige legerberichten uit Brabant en Vlaanderen. De vijand heeft in weinige dagen aanmerkelijke vorderingen in West-Vlaanderen gemaakt, zowel door het innemen van Yperen als door verder door te dringen tot Brugge en in de omtrek van Gent en tot op de grenzen van Staats-Vlaanderen. De vesting van Charleroi is ingenomen. Hieruit kunnen fatale gevolgen voor de Republiek resulteren. Een aanval op de Republiek moet niet worden uitgesloten. Ze verzoeken het stadsbestuur op de 7e juli gedeputeerden met mandaat af te zenden naar het Hof van Zeeland ‘om zonder uitstel te delibereren over zulke gewichtige poincten’. Tot het waarnemen van deze gewichtige vergadering vaardigt het stadsbestuur alle leden af die genegenheid hebben om derwaarts te gaan.

Op de 8e juli geeft de voorzittende burgemeester kennis ‘van enige oproerige gesprekken die er afgelopen maandag binnen de stad hebben plaats gehad, welke meest gerouleerd hebben over het naderen van den vijand, gepaard met een verlangen naar denzelven en met uiterlijke tekenen van blijdschap vergezeld over de alsdan aanstaande omkering onzer gezegende constitutie, aan welke oproerige gesprekken zig voornamentlijk zouden hebben schuldig gemaakt de personen van Frans van Strijen en Antoine Lubin, blijkens de mondelinge informaties van verscheidene geloofwaardige getuigen. Dat het ook weinig gescheeld had of enige burgers, daarbij tegenwoordig, vervoerd door een billijke verontwaardiging, hadden de onvoorzichtigheid gehad die woelzieke en naar verandering hakende personen ten lijve te gaan en dus hunne vrijheidsleer duur te doen betalen. Waarvan mogelijk het gevolg zoude geweest zijn, dat de gansche stad in opschudding geraakt was. Dat diergelijke oproerige gesprekken zaken waren, waar de regering zich ten hoogste aan gelegen behoorde te leggen, temeer daar hun edelachtbaren altijd cordaat getoond hebben zodanige verfoeilijke sentimenten met vigeur te keer te gaan en tegen de fauteurs van dezelve ten strengsten te procederen. Dat hij derhalve de vrijheid nam om aan het stadsbestuur te proponeren en wat hem betrof te adviseren om de persoon van Frans van Strijen terstond door een stadsbode te laten aanzeggen om zijn bakkerij gedurende zes weken te sluiten en inmiddels aan niemand hoegenaamd enig brood of ander gebak te mogen verkopen. En dat betrekkelijk de persoon van Antoine Lubin nog geen volledige informaties genoeg waren ingekomen om het stadsbestuur te adviseren om deze op een zelfde voet te corrigeren’.
Het stadsbestuur verenigt zich volledig met het advies van de burgemeester. Wel zal het verbod om brood te verkopen om bepaalde redenen tot wederopzegging zijn, zonder een vaste tijd daartoe vast te leggen en onverminderd nochtans zodanige maatregelen als de baljuw uit kracht van ’s lands plakkaten tegen zulke verstoorders van de publieke rust zal nemen. Lubin zal voor de burgemeester worden ontboden om hem te reprimenderen.

Eind juli 1794 zijn de Fransen tot ver in Staats-Vlaanderen opgerukt. Op de 28e juli brengt de voorzittende burgemeester in een extra-ordinaire vergadering van het stadsbestuur ter kennis van het stadsbestuur hoe de vijand zich gister namiddag van het grootste gedeelte van het Land van Cadzand heeft meester gemaakt, na de linie van defensie daar op verscheidene plaatsen geforceerd te hebben. Deze invasie zal het eiland Zuid-Beveland, als er geen spoedige maatregelen tot dekking daarvan genomen worden, aan het uiterste gevaar bloot stellen. Weliswaar is bekend dat de vijand in die kwartieren thans van voldoende vaartuigen ontbloot is om iets met succes te ondernemen. Toch leert de voorzichtigheid dat men zijn vijand niet te gering moet achten. Hij is van oordeel dat alle mogelijke maatregelen in het werk gesteld moeten worden tot afwering van een onverhoopte aanval, tot geruststelling van onze goede ingezetenen en opgezetenen en om te tonen dat het het stadsbestuur waarlijk ernst is om alles wat in haar vermogen is op te zetten tot verdediging van ons dierbaar eiland. Hij weet niet beters te adviseren dan het onmiddellijk introduceren van de landwachten onder Borssele en Ellewoutsdijk. Hij heeft aan Gecommitteerde Raden kennis gegeven van de ongelukkige situatie en de bijna weerloze toestand waarin het eiland Zuid-Beveland zich bevindt met het verzoek om onverwijlde hulp. Het stadsbestuur besluit direct een of twee deputaten naar Middelburg te zenden om zich aldaar te vervoegen bij de leden van het provinciaal bestuur ‘om de weerloze toestand van ons eiland met levendige verwen af te schilderen met het allernadrukkelijkst verzoek dat er direct orders gegeven worden om provisioneel enige gewapende schepen op de hoogte van Borssele of de Staart te laten stationeren en ook om enige troepen herwaarts te zenden tot dekking van de meest geëxponeerde plaatsen’. De voorzittende burgemeester Van Citters van Bruelis en de heer Canisius nemen deze commissie op zich. De heer Van Tilburgh zal er voor zorgen dat de boeren van Ellewoutsdijk en Driewegen nog hedenavond op de wacht zullen trekken. De heer A. de Jongh, een van de gecommitteerden van het eiland, zal dergelijke maatregelen ook nog hedenavond te Borssele in het werk stellen.

Op de 29e juli rapporteren de gedeputeerden vanuit Middelburg over hun overleg op de 28e met Gecommitteerde Raden. Ze zijn uitvoerig geïnformeerd over de inval in het Land van Cadzand. Prins Frederik van Oranje wordt door een deputatie bezocht om alle invloed aan te wenden om, indien het Frontier van Vlaanderen niet houdbaar blijkt, onverwijlde hulp tot verdediging van onze provincie af te zenden en verder om te zien naar bondgenoten.

De dag daarop brengen de gedeputeerden mondeling een somber verslag uit aan het stadsbestuur: ‘Tot hun leedwezen hebben ze vernomen dat de tegenwoordige navale macht van Zeeland niet toereikend genoeg is om veel secours bij te zetten, zolang het dagelijks verwacht wordende eskader uit Lissabon niet gearriveerd is. Niettemin is door de Schout bij Nacht Sprengler alle verzekering gegeven dat er heden of morgen op de hoogte van Ellewoutsdijk een schip zal komen liggen en dat er gedurende de nacht enige gewapende, wel bemande sloepen langs de bedreigde kusten heen en weer zullen kruisen. En verder is hun tot hun leedwezen gebleken dat er weinig genegenheid is om aan het billijke verzoek te voldoen, terwijl men niets heeft kunnen obtineren dan twee veldstukjes met de nodige ammunitie en enige kanonniers. Voor het tegenwoordige zal men zich moeten vergenoegen om over de twee compagnieën die hier garnizoen houden te disponeren naar welgevallen’. Het stadsbestuur besluit, na overleg met de commanderende officier, om de manschappen die tegen morgen order hebben om uit te marcheren naar Borssele en Ellewoutsdijk, te detacheren, te weten naar Borssele veertig man met de veldstukjes en naar Ellewoutsdijk twintig man.

Op de 3e augustus 1794 komt er bericht van de Raadpensionaris van Zeeland ‘van de apparente evacuatie van Staats-Vlaanderen’. Hij verzoekt alle thans in de stad aanwezige schippers te pressen om zich ten spoedigste naar Walsoorden te begeven. Het stadsbestuur heeft intussen al orders gegeven. Er is een groot aantal schepen hedenmorgen met het vroegtij vertrokken; de anderen zullen deze middag volgen.
Vanaf nu komen er vrijwel dagelijks berichten binnen over de inval van de Fransen en de verdedigingsmaatregelen voor het eiland. Het notulenboek geeft als het ware een dagelijks verslag van de ontwikkelingen. Vooral de brief van J.H. van Kinsbergen van de 5e augustus 1794, die woordelijk in het notulenboek is opgenomen, is interessant. Daaruit blijkt dat Gecommitteerde Raden van Zeeland in allerijl hals over kop de volgende noodmaatregelen nemen om de kennelijk sterk verwaarloosde defensie te versterken:

  • In het eiland Zuid-Beveland worden drie batterijen aangelegd, een te Ellewoutsdijk van zes stukken van twaalf pond, een te Baarland van zes stukken van twaalf pond en een te Waarde van zes stukken van twaalf pond. Majoor Sloet krijgt opdracht om zonder uitstel zich derwaarts te begeven, het aardewerk van de batterijen te doen opwerpen en bedingen te doen vervaardigen om deze geheel in orde te brengen en de gesteldheid van de wachthuizen op te nemen. Daarna zal worden voorzien in de verzorging van het vereiste geschut en ammunitie. Hiervoor worden aan majoor Sloet ter assistentie toegevoegd de luitenant Wolters, die in garnizoen te Veere ligt, en de stadsfabriek Metzger van Goes.
  • Zodra er nog enige veldstukken te bekomen zijn zullen er tot versterking van de batterijen nog acht stukken derwaarts worden gezonden en daartussen geplaatst.
  • Tot vermeerdering van het aantal schepen, speciaal van lichte vaartuigen, zal de Fiscaal Steengracht vanwege de Heren van de Admiraliteit worden verzocht om zo snel als doenlijk is te vernemen of er vier van de grootste vishoekers uit Ostende, die in het dok te Vlissingen liggen, kunnen worden ingehuurd evenals nog twee kofschepen of andere bekwame vaartuigen.
  • Het College ter Admiraliteit wordt gemachtigd om zonder uitstel te laten bouwen en equiperen zes kanonneerboten volgens de malle daarvan in de voorleden winter geprojecteerd of onder zodanige veranderingen als met overleg van de commanderende officieren nuttig en nodig bevonden wordt.
  • Het College ter Admiraliteit wordt verzocht om, indien de gelegenheid zich opdoet om nog meer tot defensie geschikte vaartuigen te bekomen, daarvan terstond kennis te geven,  terwijl voor het overige de komst van het eskader van J.B.N. Metvill en hulp van Engelse schepen moet worden afgewacht.
  • De luitenant-admiraal Van Kinsbergen wordt verzocht het schip ‘Gelderland’ nog voorlopig en zo lang dit door een daarmee overeenkomende force niet kan worden geremplaceerd, bij Bath te laten liggen en de macht daar niet te verzwakken of verminderen uit aanmerking van die zeer aangelegen post.
  • Het gebrek van artilleristen en van zogenaamde handlangers tot het bedienen van de batterijen is groot en geeft stof tot voortdurende klachten. Daarom zal het stadsbestuur van Goes worden aangeschreven om op te geven of er naar aanleiding van een project, vorig jaar ontworpen, manschappen te bekomen zijn, genegen om als handlangers de batterijen in Zuid-Beveland te bedienen of gewapend dienst te doen.
  • Ook wordt het stadsbestuur van Goes verzocht uit te zien naar bekwame personen om als seinmeesters in Zuid-Beveland dienst te doen, te weten twee bij ieder van de daargestelde seinpalen.

Op de 9e augustus 1794 schrijven de Staten van Zeeland een bijzondere bededag uit tegen zondag de 10e augustus. Dit wordt terstond gepubliceerd. Op dezelfde dag komt er een verbod van Gecommitteerde Raden aan alle schippers en schuitevoerders van en naar de steden en plaatsen buiten Zeeland om enige passagiers onderweg uit te zetten.
Het blijkt dat dagelijks vele vreemdelingen binnen het eiland arriveren, die zich met kleine vaartuigen voor het grootste gedeelte in de haventjes op het platteland aan wal te zetten onder voorgeven van vluchteling te zijn. Het stadsbestuur besluit Gecommitteerde Raden hiervan kennis te geven. De vrees bestaat dat er soms onder hen zich verdachte personen kunnen ophouden. Het stadsbestuur legt de vraag voor hoe het zich dient te gedragen bij het overvoeren van passagiers voornamelijk uit Brabant en Vlaanderen. Er komt daarop bericht van Gecommitteerde Raden dat alleen diegenen mogen worden toegelaten die een deugdelijk paspoort hebben. Hebben ze dit niet, dan dienen ze dadelijk terug te keren.