Aanvulling? Meld het hier.
<<

Cultuur (1793 - 1800)

Stadsbibliotheek

In november 1794 krijgt de stad van mr. J. Kien van Citters, schepen en raad van Middelburg, enkele boeken ten geschenke zoals het Groot Placcaat- en Charterboek van Friesland, bestaande uit vijf delen in folio, van de Baron thoe Zwartschenberg en Hohenlandsberg, evenals een register op genoemde resoluties en plakkaten, bestaande in twee delen in kwarto. Kien van Citters betuigt ‘dat hij niet dan met het grootste leedwezen tegen zijn intentie en onverwacht had moeten besluiten zijn ontslag als regent te verzoeken. Een stap waartoe hij niet dan zeer ongaarne zich gedrongen had gevonden, uit hoofde van de genoegens welke hij gedurende zijn verblijf alhier slechts korte tijd heeft genoten’. Uit erkentenis vanwege zijn vorige betrekking op de stad Goes heeft hij deze boeken tot een geschenk voor de stadsbibliotheek bestemd. Het stadsbestuur bedankt hem voor dit fraaie present.

De presiderende voorzitter van het stadsbestuur legt in januari 1796 in de vergadering van het stadsbestuur over het 3e stuk van ‘de Historie van het verbond en de smeekschriften der Nederlandse Edelen ter verkrijging van de vrijheid in de godsdienst en de burgerstaat over 1565 tot 1567, door de auteur ten geschenke aan de stad overgegeven aan de gedeputeerde ter vergadering van de provinciale representanten van het volk W. Oostdijk’. Het stadsbestuur aanvaardt dit boekwerk als schenking voor de stadsbibliotheek.
In september 1796 deelt de president mee te zijn opgewacht door (de oude) Pieter Ossewaarde. Deze stelde hem ter hand een present voor de stad, zijnde een vervolg op het 4e stuk van het verbond en de smeekschriften der Nederlandse Edelen, door de auteur van dat werk, J.W. te Water, historieschrijver van Zeeland, aan de stad geschonken. Besloten wordt ook dit boekwerk te plaatsen ‘in de Stads Boekenkast’.

Goesche Courant

De heer J.P. Convenent, redacteur van een zeker nieuwspapier met de naam ‘de Avondbode’, geeft in december 1794 te kennen dat hij genegen is dit nieuwspapier tegen het aanstaande jaar onder de naam van ‘Goessche Courant’ uit te geven. Voor deze gunst wil hij de stad een jaarlijkse recognitie betalen van 200 gulden. Het stadsbestuur besluit hem  toe te staan een ‘Goessche Courant’ te schrijven en uit te geven gedurende de tijd van drie jaar. Jaarlijks zal hij aan de stad een bedrag van 200 gulden moeten betalen met ingang van 1795. De secretarissen krijgen opdracht een instructie te maken voor het schrijven en uitgeven van een ‘Goessche Courant’.

Convenent geeft begin januari 1795 kennis dat het stadsbestuur van Middelburg de drukker J. Koene voorlopig het drukken en uitgeven van de Goesche Courant heeft verboden. Hij verzoekt de protectie van het stadsbestuur in deze opdat het drukken en uitgeven van de courant binnen Middelburg hem spoedig zal vrijstaan.
Er komt bovendien een brief van het stadsbestuur van Middelburg van de 23e januari, waarbij wordt kennisgegeven van haar besluit om het schrijven en uitgeven van de Goesche Courant binnen de stad gedurende twee maanden te verbieden om uiterst ongefundeerde redenen. Het stadsbestuur besluit terug te schrijven dat het besluit van Middelburg in strijd is met de fatsoensregels tussen de Zeeuwse steden. Het is een belediging voor de stad. Goes is zeer ontstemd over het besluit en verzoekt het direct in te trekken.

Daarop komt weer een reactie van het stadsbestuur van Middelburg. Het Middelburgse stadsbestuur blijft bij haar genomen besluit over het verbod tot het in Middelburg drukken en uitgeven van de Goesche Courant. In een antwoordbrief worden de door Middelburg veroorzaakte problemen weerlegd en gevraagd te proberen de goede sfeer tussen beide steden niet langer te vertroebelen. Er zijn wel belangrijker zaken op dit ogenblik om ons druk over te maken. De drukker en uitgever zal onder nauwlettend toezicht van het stadsbestuur van Goes worden gesteld. Verzocht wordt iemand namens Middelburg af te vaardigen om samen met de secretaris van Goes, mr. A.W. van Citters, ‘het subsisterend geschil met gemene bewilliging te termineren’.

Orgelconcert in Grote kerk

Op de 9e september 1797 stelt de president van het stadsbestuur een verzoek van een zekere W.G. Hauff, organist en klokkenist van de Grote kerk te Nijmegen, aan de orde, namelijk ‘om een zeer uitmuntend orgelconcert, gedeeltelijk ten profijte van de armen, op het orgel van de Grote kerk op dinsdag de 12e september, ‘s avonds van 4 tot 6 uur, te geven’. Het stadsbestuur gaat hier graag mee akkoord.

Inventaris Goese statenkamer in Abdij te Middelburg

Het provinciaal bestuur stuurt in juli 1796 een missive ‘belangende deze Stads meubilair, berustende in de Abdij van Middelburg’. Overeenkomstig het daarbij gedaan verzoek besluit het stadsbestuur om voorlopig en zonder voorkennis van de provinciale raad niet over dit meubilair te beschikken.

Op de 14e mei 1798 ontvangt het stadsbestuur bericht ‘dat is gemortificeerd het Logement  van de gedeputeerden van de steden Zierikzee, Goes en Tholen in het gebouw, staande in de rondte van de Abdij, en de post van conciërge van dat gebouw met last om het gebouw voor het eind van de maand geheel te ontruimen’.  De meubelen moeten zo spoedig mogelijk uit het logement gehaald worden. Besloten wordt dit te doen en verder ‘om aldaar over te nemen  en te lichten zodanige papieren en resoluties als welke deze stad regarderen en op enige plaats te Middelburg mochten berustende zijn’.

Het stadsbestuur besluit in augustus 1798 de goederen die voorheen gebruikt zijn door de gedeputeerden ter staatsvergadering te Middelburg, bestaande uit bedden met toebehoren, ledikanten, tafels, stoelen en wat dies meer zij, tot voordeel van de stadskas publiek te verkopen. En verder wordt secretaris Dominicus verzocht om namens de vergadering het provinciaal bestuur aan te schrijven over een zekere staande lezenaar op de kamer van de voormalige Goese gedeputeerde ter staatsvergadering. Het Goese stadsbestuur wil deze lezenaar naar Goes over laten brengen, ‘vermits wij in het zekere menen, schoon niet op de inventaris gevonden, dezelve de stad is toekomende’.

Volkssociëteit

De leden van de sociëteit in de Lange Kerkstraat nummer 12 worden op de 18e maart 1795 geordonneerd het uithangbord, voor het sociëteithuis hangende, waarop staan de woorden ‘Groote Sociëteit’, in te trekken en hen te verbieden enig uithangbord voor deze sociëteit te hangen.

Op de 30e april 1795 verschijnen de burgers Cornelis Vervenne, Cornelis Pieterse en Cornelis Barbier ter vergadering van het stadsbestuur. Ze zijn afgevaardigd door de Volkssociëteit en verzoeken de burger Gerrit Donck, die gisteravond als lid van de sociëteit zijn ontslag heeft genomen, te ontslaan als weesmeester van de stad. Het stadsbestuur besluit hen mee te delen ‘dat de vergadering wel begrijpt dat dit een zaak is geheel buiten het departement van de volkssociëteit’. Ze nemen aan ‘dat die sociëteit slechts in drift en overhaasting heeft gehandeld’. De redenen van het verzoek zijn echter in geen geval valide en het stadsbestuur wil hier dan ook niet op ingaan.

De voorzitter geeft het stadsbestuur op 13 juni 1795 kennis dat door een deputatie uit de directie van de Volkssociëteit verzocht is een vergadering van het stadsbestuur te beleggen om de burger Abraham Staal, geassisteerd met de leden van de directie van de sociëteit, gelegenheid te geven om daar te verschijnen en een commissie af te leggen. Staal is voormalig Leraar van de Doopsgezinde Christenen binnen de stad. Hij heeft de commissie gevraagd dit uit te stellen tot de eerstvolgende ordinaire dag van bijeenkomst van het stadsbestuur. Daarin nam de directie genoegen. Het stadsbestuur besluit de directie in deze vergadering toe te laten. Na plaats genomen te hebben heeft Staal, ‘na in een gepaste aanspraak zijn genoegen betoond te hebben over de eer welke hij genoot van zich aan het hoofd ener zo plechtige deputatie te zien gesteld en zich zelf geluk te hebben gewenst met het verschijnen op een tijdstip waarnaar hij reeds sedert 8 jaren had verlangd’.  
Hij deelt mee dat hij voor zichzelf en als gemunieerd zijnde met een procuratie van zijn schoonmoeder Maria Levendale, weduwe de Jongh, zich heeft gewend tot J.A. van Dorth, in het jaar 1787 president burgemeester, en aan hem verzocht heeft alle de gewezen regenten, in de maanden januari en februari 1787 uitgemaakt hebbende de raad van de stad, teneinde met hun over sommige belangrijke zaken in conferentie te treden. Nadat Van Dorth enige tegenwerpingen gemaakt had over zijn bevoegdheid tot het doen van die convocatie, heeft deze echter beloofd aan het verzoek te zullen voldoen. Dit heeft hij ook dadelijk en wel afgelopen dinsdag gedaan. Volgens zijn rapport hebben alle de gewezen leden gedeclareerd dat ze geen lust hadden om met de burger Staal in onderhandeling te komen. Daardoor zien ze zich genoodzaakt een andere weg in te slaan en hebben ze zich gewend tot de Volkssociëteit. Deze heeft ermee ingestemd hem in zijn oogmerk te ondersteunen. Namens de Volkssociëteit biedt hij een geschrift aan.

Het geschrift behelst een verzoek om een van de vertrouwste stadsboden te gelasten om namens het stadsbestuur zich te vervoegen ten huize van J.C. van Dorth en de andere magistraatleden uit januari en februari 1787 en hen te gelasten dat zij zich op aanstaande dinsdag moeten vervoegen op het stadhuis om in het bijzijn van drie leden uit de Municipaliteit en drie leden uit de sociëteit met Abraham Staal, die zal verschijnen met twee onzijdige getuigen, in conferentie te treden en hen aan te horen over zekere belangrijke zaken hem, zijn schoonmoeder en vele andere brave burgers van de stad betreffende.
Het geschrift is mede ondertekend door de bij de burgersociëteit thans aangestelde comités ter directie. Het wordt ondertekend namens het comité van Waakzaamheid door K. van Zoom, F. Zuidweg en C. Hoondert, door het comité van Financiën door Willem de Wolf, Pieter Engelse en Pieter de Winter, door het comité van Rapporten door Jacob Boutense en Willem Oostdijk en door het comité van Correspondentie door D. Koning en J.C. Crucque.

Het stadsbestuur bespreekt het verzoek daarop in besloten zitting en komt tot de conclusie dat ‘deze zaak niet het departement van deze vergadering is maar rechtstreeks behoort aan het College van Justitie van de stad te worden voorgelegd’. De commissie hoort het besluit aan en neemt hier, ongetwijfeld met tegenzin, kennis van, na van het besluit een extract verzocht te hebben.

Ook in juni 1795 doet de Volkssociëteit van zich spreken. Op het door de burger Pieter de Winter uit naam van de Volkssociëteit gedane verzoek besluit het stadsbestuur Abraham Staal, voormalig leraar van de Doopsgezinden in de stad, toe te staan om op morgenavond in de Grote Kerk te prediken.

De sociëteit ‘Tot algemeen welzijn’ dient op 18 juli 1795 een verzoek in dat de leden van de sociëteit en van de stedelijke garde, die buiten de stadspoorten wonen, vrijgesteld mogen worden van betaling van poortgeld. Het verzoek is of ze onverhinderd op alle tijden door de poorten mogen passeren op vertoning van hun diploma als leden van de sociëteit of garde. Het stadsbestuur gaat er mee akkoord dat deze leden op de avonden waarop de sociëteit vergadert en wat betreft de leden van de garde op de tijd als ze in functie moeten zijn, hetzij bij exercitie, optrekken op de wacht of anderszins, vrij en zonder enige betaling door de stadspoorten mogen passeren tot de tijd van de finale sluiting daarvan. Buiten deze tijden moeten ze net als de burgers het gewone poortgeld betalen.

In augustus 1795 verzoekt de Volkssociëteit om enige banken, die aan de stad toebehoren en in de concertkamer gestaan hebben, te mogen gebruiken. Het stadsbestuur wijst dit van de hand.

Op de 3e maart 1798 hoort het stadsbestuur het rapport van D. Koning en P. de Winter als gecommitteerden uit de vergadering voor de administratie van de gesloten sociëteit in de Lange Kerkstraat. Besloten wordt deze commissie te machtigen om alle charters en papieren van de sociëteit met alle nauwkeurigheid te onderzoeken. Ingevolge het voorschrift van hogerhand besluit het stadsbestuur op de 26e juli 1798 de sociëteit te ontbinden en te veranderen in een Constitutioneel Gezelschap.

Stadsstempel

Het stadsbestuur constateert in augustus 1797 dat er zich thans een bekwaam stempelsnijder binnen de stad bevindt. De in gebruik zijnde gewone stadszegels zijn thans in strijd met de tegenwoordige orde van zaken. Besloten wordt het oude stadszegel te laten veranderen en daarvoor de stempelsnijder opdracht te geven. Er zal enkel ‘een gans op een groen veld’ in het schild worden gegraveerd om voortaan met deze signatuur de voorkomende stukken te bezegelen. De kosten zijn vier Zeeuwse rijksdaalders.