Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1793 - 1800)

Verenigde Oost-Indische Compagnie

Er zijn gedurende de gehele 18e eeuw geen of nauwelijks bemoeienissen met de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Af en toe komt er een algemene brief van het provinciale bestuur binnen over de V.O.C. Zo ook in augustus 1797.
Op de 19e augustus 1797 ontvangt het stadsbestuur een brief van ‘de Vertegenwoordigers des Volks van Zeeland’ met een daarbij gevoegde Publicatie van de Nationale Vergadering over de wijziging van het Plakkaat van de voormalige Staten van Zeeland van 14 juli 1791. Daarbij wordt bepaald dat het Comité tot de Oost-Indische handel en bezittingen gedurende de tijd van het tegenwoordig lopende octrooi en dus tot de laatste december 1799 alleen zal zijn gekwalificeerd ‘tot het inbrengen van thee’. Geen vreemde thee mag, noch door compagnieën noch door particulieren, in deze landen worden ingebracht. Verder wordt verboden ‘hetzij ledige hetzij anders dan geheel met thee gevulde kisten die gebruikt zijn met het merk van de Oost-Indische Compagnie naar buiten het territoir van deze Republiek te vervoeren’.

Azijnmakerij

In april 1794 geeft Gerard Codde, vanaf 1789 bierbrouwer in ‘het Witte Claverblad’, Beestenmarkt nummer 1, te kennen genegen te zijn een azijnmakerij op te richten. Hij verzoekt vergunning voor veertien jaar, met uitsluiting van alle anderen, ‘voor de te maken azijn in het gros te mogen verkopen mitsgaders het vaatwerk daartoe behorende te laten maken daar het voor de minste prijs te bekomen is, alsmede dan de azijn overal te mogen vervoeren door zijn eigen volk zonder daar arbeidsloon van te betalen’. Het stadsbestuur geeft hem toestemming om een azijnfabriek op te richten om daarin gedurende de tijd van zeven achtereenvolgende jaren met uitsluiting van alle anderen azijn te maken. Hij zal, evenals de wijnverkopers en brouwers, onder dezelfde bepalingen staan en zich daarnaar stipt dienen te reguleren. Hij mag het voor zijn fabriek nodige vaatwerk van elders laten komen. Voor het vervoeren van de azijn gelden dezelfde bepalingen als voor het vervoeren van wijnen en bieren binnen de stad.

Bakkers

In februari 1795 klagen de bakkers over de beperkte voorraad tarwe die in de stad voorhanden is om in de dagelijkse consumptie te voorzien. Het stadsbestuur maakt bekend dat alle kooplieden binnen de stad verplicht zullen zijn om de benodigde tarwe tot consumptie aan de bakkers te leveren voor dertig schellingen de Goesche zak. Ze worden verzocht opgave te doen van de hoeveelheid tarwe die ze in voorraad hebben.

In april 1795 dienen de dekenen van het bakkersgilde uit naam van de gezamenlijke broodbakkers een rekest in. In de Ordonnantie op het gilde is het bakloon voor het tarwebrood, wanneer de bakkers dit kneden en opmaken, gesteld op drie schellingen en acht grooten en als de burgers het brood zelf kneden en opmaken op twee schellingen en vier grooten. Het is de bakkers thans niet langer mogelijk vanwege de duurte van brandhout en gist voor dat loon te bakken. Ze verzoeken daarom een redelijke vermeerdering van het loon. Het stadsbestuur bepaalt daarop dat de bakkers in het vervolg voor bakloon zullen genieten niet meer noch minder wanneer zij het brood zelf kneden en opmaken dan vijf schellingen van de zak meel en wanneer de burgers het brood zelf kneden en opmaken drie schellingen en vier grooten van de zak meel.

In juni 1795 blijkt dat sommige bakkers zich niet houden aan de afspraak om hun tarwe uit de opslag van de graanhandelaren te betrekken maar tegen hogere prijzen van de boeren kopen. Daardoor worden de gemaakte schikkingen met de graanhandelaren geheel vruchteloos gemaakt. Het stadsbestuur overweegt dat de redenen voor de schikking met de graanhandelaren nog steeds gelden. Besloten wordt de bakkers te verbieden tarwe rechtstreeks van de boeren te kopen en alleen tarwe te gebruiken die aan hun voor £ 2 van de kooplieden zal worden geleverd.

Op verzoek van de dekenen van het bakkersgilde uit naam van de gezamenlijke broodbakkers besluit het stadsbestuur in juni 1795 de resolutie van acht dagen geleden, waarbij de broodbakkers verboden is enige tarwe te kopen of voor eigen rekening enige andere tarwe te verbakken dan die hun volgende gemaakte schikkingen met de graankooplieden zal worden geleverd voor £ 2 Vlaams de zak, in zover in te trekken dat het aan de bakkers toegestaan zal zijn tarwe te kopen als een artikel van negotie, doch niet om in hun bakkerijen vooralsnog te verbakken. Dit laatste blijft hen strikt verboden. Tevens besluit het stadsbestuur dat bij de tarwe, die door de bakkers ter molen zal worden gedaan, zal moeten worden gevoegd een briefje van de directeur over de leverantie, Abraham Boon. Deze dient te verklaren dat zodanige tarwe onder zijn opzicht is geleverd ingevolge het eerdergenoemde akkoord. De molenaars wordt verboden voor de bakkers enige andere tarwe hoe ook genaamd dan diegene, waarbij een briefje van Abraham Boon is gevoegd, te malen.

In het najaar van 1795 heerst er ongenoegen bij de broodbakkers in de stad. Over de periode 23 mei tot 26 augustus 1795 hebben ze nog niets uitbetaald gekregen voor de levering van brood aan de Franse troepen binnen de stad. Namens hen bezoeken de broodbakkers Willem Vertregt en Jan Vadden op de 5e oktober de vergadering van het stadsbestuur. Ze betogen dat, als de bakkers geen spoedige betaling ontvangen, ze zullen ophouden nog enige leverantie te doen. In dat geval stellen ze het stadsbestuur verantwoordelijk voor de gevolgen. Het stadsbestuur besluit ‘om in deze dringende nood en ter voorkoming van presumtieve disordres zonder verwijl gebruik te maken van een som van £ 460 die nog voorhanden is uit het fournissement van het goud en zilver en dubbele familiegeld’. Voorwaarde is wel dat de broodbakkers de leverantie aan de Franse troepen voortzetten.

De suikerbakker Jaques Fonderrey, wonende op de Oprel van de Beestenmarkt, beklaagt zich in 1796 over de opstelling van de dekenen van het bakkersgilde. Na onderzoek door het Committee van Onderzoek besluit het stadsbestuur Fonderrey te ordonneren om zich te onthouden van het bakken van suikerbanket of het verkopen van enigerhande goederen als suikerbakker, zolang hij niet in het bakkersgilde is toegelaten.

Bakker Bernardus den Deken krijgt in mei 1796 vergunning om het door hem gekochte huis ‘de Keijser’ in de Keizerstraat nummer 5, waarin voorheen een peperkoekbakkerij was gevestigd, geschikt te maken voor broodbakkerij en daar de broodbakkeraffaire uit te oefenen.

In augustus 1796 komen de bakkers Pieter Engelse en Johan George Eckhart ter vergadering van het stadsbestuur. Ze verklaren namens de gezamenlijke bakkers te zijn afgevaardigd en verzoeken opnieuw om betaling voor de door hen gedane leveranties aan de Franse troepen binnen stad en eiland, die daar in garnizoen liggen. Tegelijk geven ze onomwonden te kennen dat de gezamenlijke bakkers twijfelen of er ook wel voldoende gewerkt wordt aan de incassering van deze penningen. De president geeft te kennen van hun voorstel ‘terstond een point van deliberatie te maken’ en alles aan te wenden om de geenszins ongegronde klachten van de bakkers en andere leveranciers aan de Franse troepen ten spoedigste op te lossen. Het stadsbestuur besluit de president en de secretaris Dominicus, eventueel met assistentie van een rechtsgeleerde, op te dragen zich naar Den Haag te begeven om betaling te verlangen wegens door vele burgers van de stad gedane leveranties aan de Franse troepen. Ze laten zich bijstaan door de procureur Van Zon en later ook door de procureur Wagenaar.
De bakkers krijgen begin 1797 alsnog de toezegging dat de achterstallige en onbetaalde rekeningen voor leveranties aan de Franse troepen worden uitbetaald.
Maar in november 1798 geven Willem Vertregt en Pieter Engelse namens de bakkers het stadsbestuur kennis dat nu al drie jaren door de gezamenlijke broodbakkers is gewacht op betaling van de leverantie van brood aan de Franse troepen in het jaar 1795. Ze verzoeken medewerking van het stadsbestuur dat ten spoedigste aan die betaling wordt voldaan.

De keurmeesters van het brood, Pilaar, Cornelis Vervenne en Jacobus Dominicus, rapporteren dat ze op de 18e augustus 1796 hebben veranderd de prijs in het verkopen van brood en meel binnen de stad. Ze hebben als naar gewoonte de pas van het verkopen van meel en brood verzonden aan de boekhouder van het bakkersgilde Pieter Engelse om deze aan de bakkers rond te zenden. Deze kunnen zich in het verkopen van meel en brood daarnaar reguleren. Tot hun verwondering hebben de pasmeesters van de boekhouder vele klachten over het pas ontvangen.
Na daarover nogmaals gedelibereerd te hebben zijn de pasmeesters ten overvloede andermaal tot de conclusie gekomen dat het pas zo gesteld is ‘dat daaraan zonder gevaar van billijk ongenoegen onder de burgers te veroorzaken kan worden voldaan’. Dit mede in aanmerking genomen de dalende prijs van de granen. Daarom persisteren ze bij hun gemaakte zetting van het brood en meel. Dit hebben ze aan boekhouder Pieter Engelse bekend gemaakt. Tot hun grote verwondering hebben ze vernomen ‘dat de boekhouder heeft goedgevonden de stadsbode mee te delen dat hij nimmer het pas zal aannemen of daarnaar verkopen, veel min doen verkopen door zijn confraters en dat de pasmeesters niet meerder in het oog houden moeten dan in de tegenwoordige duurte voor de noodzakelijkste levensmiddelen te zorgen’.
Het stadsbestuur besluit de stadsbode nogmaals naar boekhouder Engelse te sturen met de opdracht om de pas te respecteren. Bij weigering zal hij zijn winkel moeten sluiten met verbod van verkoop voor zes weken. Engelse verzoekt daarop met het stadsbestuur hierover te kunnen spreken.
Het stadsbestuur besluit de bakkers, die eveneens weigeren het pas te gehoorzamen, te gelasten hun winkels voor zes weken te sluiten zonder iets binnen die tijd te mogen verkopen.

Op dezelfde zaterdag, ’s avonds laat, wordt opnieuw vergaderd.
Enige leden van het bakkersgilde, Johannes Vadden, Johan George Eckhart, Willem Vertregt en Antonie Hartog, komen ter vergadering en verklaren namens hun gildebroeders zeer ontevreden te zijn over de resolutie van het stadsbestuur van hedenmorgen. Ze noemen deze informeel en hun gilde onbevoegd daaraan te gehoorzamen, temeer daar ze van de president Mispelblom hebben gehoord dat de pasmeesters van het brood de pas niet hadden moeten verminderen. De huidige president Egter verklaart daarop dat Mispelblom hierin niet bevoegd was. Dit is een zaak van de raad. De raad en de pasmeesters hebben de taak te zorgen dat de burgerij de onontbeerlijke levensmiddelen niet te hoog moet aankopen.
Bakker Johannes Vadden geraakt hierover buiten zichzelf van woede. Hij zegt dat ‘het gilde de resoluties van het stadsbestuur tot zotheid zal brengen en dat hun gilde wel zo veel recht heeft om over de ganse stadsraad te triumferen en verdere honende uitdrukkingen’.

Het stadsbestuur is ‘over dergelijke wandrochtelijke uitboezemingen allergevoeligst getroffen. Niet alleen hun eer maar de eer van de ganse Goese burgerij is hierbij betrokken. Ze schrijven de ontboezemingen toe aan de overtollige boosheid van een enkel individueel lid van het bakkersgilde’.
Besloten wordt enige bakkers te ontbieden om van hen te vernemen of ook alle leden deel nemen aan de redewisseling tussen de president Egter en Johannes Vadden c.s.. Daarop verschijnen enige bakkers voor de raad. Deze verklaren hoofd voor hoofd daaraan geen de minste deel te willen nemen, maar dit te laten voor rekening van degenen die dergelijke zaken kunnen goedvinden. Ze verklaren dat ze het brood en meel zullen verkopen volgens het nieuw gestelde pas. Na hun vertrek besluit het stadsbestuur eenparig te persisteren bij het gestelde pas.

De stadsbode komt daarop ter vergadering en verzoekt of Pieter Engelse, Jan George Eckhart en Johannes Vadden ter vergadering mogen komen. Het stadsbestuur verklaart ‘moede te zijn van hen en ten hoogste geindigneerd over de menigvuldige insolentiën haar aangedaan’. Besloten wordt deze avond geen commissie uit het bakkersgilde meer te kunnen afwachten. Niettemin worden ze op het hart gedrukt dat verwacht wordt dat ze de resolutie van het stadsbestuur over de nieuwe pas zullen gehoorzamen.

In maart 1797 krijgt bakker Bernardus den Deken toestemming om in zijn broodbakkerij aan de Keizerstraat nummer 3 ‘een fournuis tot warming van wat benodigd is tot het maken van brood, bezijden zijn oven, te stichten’. In december 1798 verbiedt het stadsbestuur bakker Bernardus den Deken het verkopen van allerhande koekebakkerswaren zolang hij de daartoe staande gilderechten niet heeft betaald.

In 1797 overlijdt de suikerbakker C. de Jongh. Cornelis Harinck verzoekt in juli, nu de stad de gelegenheid ontnomen is suiker- of pasteibakkerswaren te bekomen, de vrijheid de suiker- en pasteibakkerij in zijn koekebakkerij te mogen uitoefenen.

Jan Boddingius (als voogd over Pieter Oversluijs) verzoekt in augustus 1798 in het door hem gekochte huis aan de Lange Kerkstraat nummer 12, dat toebehoorde aan enige burgers voor het houden van sociëteit, een koekebakkerij te mogen stichten. Pieter Oversluijs is voornemens zich binnen de stad te vestigen als vrijmeester in het koekebakkersgilde. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Op verzoek van de broodbakkers besluit het stadsbestuur in januari 1799 de bierbrouwers en boekweitmalers toe te staan om gedurende de tegenwoordige windstilte, waardoor de windkorenmolen niet kan malen, met de molens in hun fabrieken het benodigde meel voor het bakken van brood te malen.
In april 1799 hebben de gezamenlijke broodbakkers nog een ander verzoek. Het is ondertekend door veertien bakkersbazen Willem Vertregt (Koningstraat nummer 2), Johan George Eckhart, Frans van Hall, Bart van Hessel (Sint Jacobstraat nummer 48), Elias Vertregt, Cornelis Briels (Korte Kerkstraat nummer 17), Jacobus Barbier (‘de Blau Schoe’ aan Magdalenastraat nummer 13), Johannes Verdonck, Marinus de Goffau (Lange Kerkstraat nummer 19), Pieter Engelse, Mattheus Corbeel (‘Neptunis’ aan de Grote Kade nummer 2), Cornelis de Goffau, Johannes G. Slimmers (Bierkade nummer 3) en Marinus van den Ende. Het stadsbestuur besluit in zover aan hun verzoek te voldoen dat bij de tegenwoordige vacature van pasmeester van het brood en voortaan altijd zal worden gezorgd dat één van de broodbakkerbazen lid van het college van pasmeesters is.
De pasmeesters worden met nadruk aanbevolen ‘bij voorkomende rijzing of daling der granen, de middelmaat bij het zetten van het pas in het oog te houden en mede in het oog te houden de rijzingen of dalingen van de brandstoffen voor de broodbakker benodigd’.

Ook in 1799 vestigen zich verscheidene bakkers in de stad. In januari verzoekt Frans Susijn om in het huis ‘de Clocke’ op de hoek van de Klokstraat, Lange Vorststraat nummer 89, een broodbakkersoven te stichten en de broodbakkeraffaire uit te oefenen. Hij krijgt hiervoor vergunning en mag een bakoven, fornuis en verder vuurwerk stichten onder toezicht van de opzichter van publieke werken. Ook mag hij daar de negotie in sterke drank als slijter doen.
Bakker Bernardus den Deken geeft in februari 1799 te kennen dat hij tot vermeerdering van zijn bestaan in zijn huis de peperkoekbakkersaffaire wil gaan uitoefenen. Ook Thomas Briels wordt in maart toegelaten als peperkoekbakker en Pieter van Strien in december als broodbakker.
In 1800 vestigen zich nog vier bakkers in de stad. In januari mag Jan Gorsse, in mei Adriaan Verburg, in augustus Daniël Le Fever en in november Cornelis Cornelisse de broodbakkeraffaire als vrijbaas uitoefenen. Le Fever doet dit in de door hem gehuurde bakkerij tussen de Twee Waterpoorten.

Beurtveren

Beurtveren algemeen

Op verzoek van de potschipper Willem Vermeulen, die thans met zijn schip in de stad ligt, besluit het stadsbestuur in juli 1795 hem voor deze reis te ontheffen van de Ordonnantie op de potschippers voorzover het de bepaling betreft dat men niet langer dan drie dagen in lossing mag blijven liggen. Hij krijgt daarom toestemming twee of drie dagen langer dan de in de Ordonnantie genoemde tijd met zijn schip in de stad te verblijven om zijn potten en andere toegestane waren behoorlijk aan de winkels te kunnen  leveren.
Het stadsbestuur verzoekt de stadsdirecteuren in februari 1796 ervoor te zorgen dat als naar gewoonte de schepen, varende van Goes vice versa, door de scheepstimmerman worden geklopt en daarvan rapport te doen.
Pieter Sitters wordt in april 1796 ontslagen als commissaris van de veren op Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Gouda, Dordrecht en Middelburg en als peilmeester van de wijnen en brandewijnen. Het stadsbestuur stelt in deze functie Machiel Gouwenaar aan.
In september 1798 constateert het stadsbestuur dat de commissaris van de veren een dermate gering inkomen heeft, dat hij hierdoor meer benadeeld dan bevoordeeld wordt. Tot nu toe vallen onder hem de beurtveren op Amsterdam, Haarlem, Gouda, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg. Besloten wordt dat voortaan alle veren die van de stad vice versa varen onder zijn hoede zullen vallen, dus ook de beurtveren op Delft, Leiden, Den Haag, Zierikzee, Bergen op Zoom en Veere.

In februari 1797 komen zowel van verscheidene schippers als van enkele kooplieden rekesten bij het stadsbestuur binnen. Deze schippers verzoeken om vermeerdering van de vrachtlonen. Daarentegen beklagen de kooplieden zich over de willekeurige eisen voor vrachtloon van sommige schippers. De beide rekesten worden in handen gesteld van het Verenigd Committee van Financiën en Onderzoek voor advies. Er wordt een commissie van onderzoek ingesteld, bestaande uit de burgers Van der Hoek, Mispelblom, De Broekert en Van Egem.

Er komt in mei 1798 een aanschrijving van het Intermediair administratief bestuur van het voormalige gewest Zeeland met de opdracht ervoor te zorgen dat alle schepen boven de dertig ton, die in de Franse Republiek thuis horen en binnen de haven van de steden en plaatsen van dit gewest zich bevinden, ten spoedigste naar Antwerpen vertrekken. Het stadsbestuur besluit hieraan voor zoveel deze stad aangaat ten spoedigste te voldoen.

Beurtveer op Delft, Leiden, den Haag, Delfshaven en Schiedam

In februari 1800 wordt Jan van Baalen in de plaats van zijn overleden vader zetschipper voor zijn moeder op de veren van Delft, Leiden, den Haag, Delfshaven en Schiedam.

Beurtveer op Gouda

In januari 1794 deelt het stadsbestuur van Gouda mee dat ze de beurtschipper van Gouda op Goes, Cornelis Codde, niet langer als zodanig erkennen. Het stadsbestuur van Goes wordt verzocht eveneens Codde niet langer meer te erkennen. Hiertoe wordt besloten.
Magdalena van Balen weduwe van Engel Hoogelande verzoekt in februari 1797 ontslagen te worden van het beurtveer van de stad op Gouda. Het veer wordt vacant verklaard.

Beurtveer op Middelburg

Het stadsbestuur besluit in juni 1795 de beurtschipper op Middelburg, Adriaan de Besten, ‘die heeft kunnen goedvinden zijn schip te verhuren voor een reis naar Brabant en daardoor zijn veer te laten fluctueren’, daarover ernstig te reprimenderen en hem te gelasten zich daarvan in het vervolg te onthouden.
In april 1796 krijgt schipper Willem Codde een aanstelling als beurtschipper en koopmansbode van Goes op Middelburg. Hij wordt ontslagen van de hem opgelegde contributie als beurtschipper. Dit op voorwaarde dat hij gehouden zal zijn van ieder ontvangstkantoor van ’s lands penningen, dat hij voortaan zal bedienen, jaarlijks een recognitie zal moeten betalen van £ 1.13.4.

Diverse kooplieden binnen de stad klagen in september 1796 over het afvorderen van extra-ordinaire zware vrachtlonen voor het vervoeren van koopwaren door de beurtschippers van Goes op Middelburg vice versa. Dit rekest wordt in handen gesteld van het Committee van Financiën en Onderzoek.

Beurtveer op Rotterdam

Op verzoek van enige schippers bepaalt het stadsbestuur in maart 1795 ‘dat allen, mits ze een schip hebben bekwaam van grootte en kunnende een genoegzame kwantiteit laden, mitsgaders behoorlijk verblijf voor passagiers daarin zijnde, zonder aanzien van poon- of sprietschepen, naar het Rotterdamse veer zullen mogen smakken’.
Overigens is het een jaarlijkse gewoonte op de 15e maart naar het veer van Goes op Rotterdam vice versa te smakken.
In november 1796 heeft Nicolaas (Klaas) Vervenne, de beurtschipper op Rotterdam, vanwege de verkoop van zijn schip bedankt voor het veer. Het stadsbestuur besluit het veer te laten bedienen door het schippersgilde ‘beurtelings’. Naar het veer kan worden gesolliciteerd. Men moet wel voorzien zijn van een behoorlijk vaartuig met een paviljoen voor de passagiers die  van het veer gebruik maken. De nieuwe beurtschipper is M. Goeree.

Beurtveer op Veere

In mei 1793 geeft de beurtschipper van Goes op Veere, Jan Boogaard, te kennen dat hij op 29 januari 1792 op grond van de taxatie door de dekenen van het schippersgilde heeft gekocht de poonschuit van de vorige beurtschipper Cornelis Reijnhout. Hij verzoekt nu van deze koop te worden ontslagen omdat de verkopers in de onmogelijkheid zijn hun schuit weg te leveren in verband met een op het vaartuig liggend verband. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
Cornelis Kroonenburg en Jan Boogaart, beurtschippers van Goes op Veere vice versa, verzoeken in oktober 1796 om ’s winters enkel driemaal per week te mogen varen. Dit wordt in handen gesteld van het Committee van Financiën en Onderzoek.

Beurtveer op Vlissingen

In maart 1799 stelt het stadsbestuur van Vlissingen voor om de Middelburgse beurtschipper ook het veer van Vlissingen te laten bedienen. Antony Springeling wordt met ingang van 1800 beurtschipper van Goes op Vlissingen vice versa.

Brouwerijen en destilleerderijen

In juli 1793 geeft Adriaan Spijk, wonend aan de Beestenmarkt nummer 9, te kennen ‘dat hij sedert enige tijd heeft uitgeoefend het destilleren van genever, brandewijn, anijs en andere sterke dranken alsmede het maken van cider van appelen’. Zijn verzoek is om met een seclusief octrooi te worden begunstigd. Het stadsbestuur besluit hem gunstig toe te staan het recht om alleen en met uitsluiting van alle anderen binnen de stad en jurisdictie genever, brandewijn, anijs en andere sterke dranken evenals cider van appelen te destilleren voor een periode van veertien jaar. In september wordt ook gunstig beschikt op het verzoek van Spijk om hem vrijstelling van ’s lands imposten te verlenen op de brandstoffen die hij voor zijn destilleerderij nodig heeft.
Adriaan en Gerrit Spijk krijgen in augustus 1794 vergunning ‘om een zodanige hoeveelheid appels als tot gaande houding van zijn fabriek benodigd is, zelf te mogen bewerken zonder daarvan aan die van het Sint Jansgilde voor de arbeiders enig arbeidsloon te moeten betalen’.

De bierbrouwers Gerard Codde van ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt nummer 1, Jacobus de Jongh van ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat nummer 31 en Dignus Boutens van ‘de Fortuyn’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat verzoeken het stadsbestuur in november 1797 om ontheffing van de belasting van 25 gulden per jaar voor het ijken van het vaatwerk dat in hun brouwerijen wordt gebruikt. Het stadsbestuur besluit het ijkloon te verminderen van 25 naar 12 gulden.

Op verzoek van de broodbakkers besluit het stadsbestuur in januari 1799 alle bierbrouwers en boekweitmalers toe te staan om gedurende de tegenwoordige windstilte, waardoor de windkorenmolen niet kan malen, met hun molens in hun fabrieken het benodigde meel voor het bakken van brood te malen.

In mei 1799 blijkt Willem van Citters de bierbrouwerij in de brouwerij ‘de Fortuyn’ uit te oefenen zonder dat hij de eed als poorter van de stad heeft afgelegd. De stadsbode komt hem aanzeggen dat hij verplicht is om binnen acht dagen zich te laten beëdigen vervoegen voor het stadsbestuur.

Coffyhuizen, herbergen en kroegen

Algemeen

De baljuw van de stad H. Speleveld legt begin augustus 1796 een vertrouwelijk rapport aan het stadsbestuur voor inhoudende ‘fiat insentio’. Na deliberatie hierover besluit het stadsbestuur dat voortaan gedurende de godsdienst op zondagen niet zal mogen worden getapt, hetzij in coffyhuizen, sociëteiten, herbergen, kroegen of winkels binnen de stad of jurisdictie, van ‘s morgens 7 uur tot voordemiddag 11 uur en van 1 tot 4 uur nademiddag. Vreemdelingen en doortrekkende personen worden hiervan uitgesloten alsook diegenen die de vrijheid hebben verkregen open tafel en logement te houden, dit alles op een boete van f 25. Aanstaande zaterdag zal hiervan het volk worden kennis gegeven.

Het stadsbestuur besluit op de 10e maart 1800, bij renovatie van vorige publicaties, te verbieden het tappen en zetten van gelagen op zondagen. Vreemdelingen en reizende personen zijn hiervan uitgezonderd. Er wordt een Publicatie vastgesteld over het verbod van tappen en zetten van gelagen op zondagen in logementen, herbergen, kroegen en koffyhuizen en andere volksgezelschappen.

Op de 20e september 1800 dient de herbergier van ‘de Westschans’ bij het Hoofd, Jan Rottier, een rekest in. Hij verzoekt om tegen het aanstaande voorjaar in zijn huis een komedie te mogen oprichten. Hij biedt aan ‘om telken reize als gespeeld zal worden te betalen twee gulden tot voordeel van de gereformeerde armen en een gulden tot voordeel van de Roomsche armen’. Hij wordt verwezen naar de Agent van nationale opvoeding van de Republiek.

Coffyhuizen

De koffiehuishouders verzoeken in augustus 1793 vergunning om gedurende de aanstaande jaarmarkt wijn te mogen schenken. Het verzoek van J.F. Langguth, koffiehuishouder in ‘het Royale Coffyhuis’ op de Grote Markt, wordt ingewilligd, dat van I. Stam, koffiehuishouder aan de Turfkade nummer 13, wordt om redenen afgewezen. Voor de 8e maart 1794 krijgen de beide koffiehuishouders, Langguth en Stam, toestemming om in hun koffiehuizen wijn te schenken.
In januari 1795 krijgt Johannes Le Frou vergunning coffyhuis te houden in het pand Turfkade nummer 13. In januari 1796 wordt het verzoek van Langguth om in zijn koffiehuis aan de Grote Markt wijn te tappen en gelagen te zetten opnieuw afgewezen.

In december 1796 krijgen de koffiehuishouders J.L. Langguth en Jan Le Frou toestemming om in hun koffiehuizen sterke drank uit te schenken op dezelfde voet als de herbergiers.
Ook in 1799 krijgt J.L. Langguth vergunning om voor consumptie in zijn koffyhuis wijn aan burgers en vreemdelingen te schenken en te verkopen. Ook Frans Schoonderwalt, de gewezen schoolmeester, mag in 1799 in zijn coffyhuis aan de westzijde van de Grote Markt nummer 15 (de latere korenbeurs) herberg en logement houden. Hij krijgt vergunning om daar aan ingezetenen en vreemdelingen uit te schenken wijnen, sterke dranken en koffy, mitsgaders daar te verkopen. In 1800 krijgt Lieven van Loo vergunning om in het door hem bewoonde huis aan de Turfkade nummer 15 op te richten een ‘Coffy- en Wijnhuis’.

Herbergen en logementen

Deze jaren zijn er vele mutaties in de herbergen en tapperijen.
Zo krijgt Anthoni Heijkam in 1795 vergunning om in de herberg ‘de Prince’ aan de Nieuwstraat nummer 14 de tappersnering als herbergier te doen. Gerrit Spijk geeft in 1796 te kennen dat hij de schutterij van de edele Busse, aan de Wijngaardstraat tegenover de Sint Adriaanstraat, heeft gehuurd om de tappersnering als herbergier te doen. Sinds onheugelijke tijden is daar herberg gehouden. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord op voorwaarde dat Spijk afstand doet van zijn destijds verkregen vergunning om als grossier binnen de stad sterke drank te verkopen.
Jan de Joode krijgt in april 1796 vergunning om als herbergier de tappersnering uit te oefenen in de herberg ‘de Nationale Kolfbaan’ (voorheen ‘de Prince’) aan de Nieuwstraat nummer 14.
In mei 1796 mag Jacobus Verburg de tappersnering als herbergier uitoefenen in de schutterij van de Handboog aan de verlengde Kreukelmarkt. Francois Henricus Meijer krijgt toestemming om in het door hem bewoonde huis in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat de tappersnering als kroegier te beginnen en daar logement te houden en gelagen te zetten.

Frans Schoonderwalt, de gewezen schoolmeester van de tweede stadsschool, heeft in juli 1799 het voornemen om in zijn aangekochte huis aan de westzijde van de Grote Markt nummer 15 herberg en logement te houden. Hij krijgt hiervoor toestemming. Ook Christiaan Dinghtong krijgt in oktober 1799 vergunning om in de herberg ‘de Groote Zoutkeete’ op de Grote Markt nummer 1 logement te houden, te tappen en gelagen te zetten. Ook mag hij daar een biljarttafel plaatsen en zich generen met het schenken van coffy en andere dranken.
Ook Bastiaan van Dalen verzoekt in november 1799 om in het logement ‘de Gouden Appel’ zich te mogen generen met het houden van logement, het zetten van gelagen en het tappen van bier en sterke drank. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Jan Rottier vraagt in december 1799 om in de schuur achter zijn huis en herberg in ‘de Westerschans’ aan het havenhoofd op zondagen komedie te laten spelen. Het stadsbestuur staat dit niet toe en gelast de baljuw de nodige voorzorgen te nemen ‘dat aldaar alle onbehoorlijkheden op zondagen en speciaal het spelen van komedies of andere vertoningen worden geweerd’. In oktober 1799 besluit het stadsbestuur Nicolaas Weyland in zijn herberg ‘de Gouden Zwaan’ en Frans Schoonderwalt in ‘het Nieuwe Logement van Rotterdam’ ‘op het aldaar geplaatste biljart vrijelijk te mogen laten spelen, alles in dier voege zoals het zelve aan de coffyhuishouders binnen de stad is geaccordeerd’.
Frans Benjaminse krijgt in april 1800 vergunning om in het door hem gehuurde huis op de hoek van de Papegaaystraat de herbergiersaffaire en het logement houden uit te oefenen en daar uit te hangen een bord ‘de Stad Amsterdam’. Frans Verdonk’s weduwe, wonende op ‘Boomstee’ in de Voorstad, mag in mei 1800 aldaar als herbergierster gelagen zetten en wijn schenken.

Kroegen

In deze jaren zijn er de volgende mutaties in de kroegen.
Francois Verdonck krijgt in 1793 vergunning om na het voltrekken van zijn huwelijk met Johanna Acda, weduwe van Francois de Wijn, kroeghoudster in de kroeg ‘Bommestee’ in de Voorstad, de kroeghoudersnering daar voort te zetten. Pieter van Waarde mag in 1794 in het door hem gekochte pand ‘de Meermin’ op de Grote kade nummer 32 de tappersnering, die lange jaren in dat huis is uitgeoefend, voort te zetten. Ook in 1794 krijgt Cornelis Schrijver vergunning om in de kroeg ‘de Laatste Stuiver’ op het einde van de Voorstad, waarin de kroeghoudersnering lange jaren is uitgeoefend, als kroeghouder brandewijn, genever, bier en andere gedestilleerde wateren uit te schenken en te verkopen. En Pieter Nieuwmaare mag in het door hem gehuurde huis ‘de Drie Kroonen’ aan de westzijde van de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat nummer 26 de kroeghoudersnering doen.

In april 1795 krijgen Jacob Aljes Weeldinga vergunning om kroeg te houden in het pand ‘Engelenburg’ bij de Oostpoort en Falentijn Flam in ‘de Appel’ in het Manhuisstraatje.
Francis Meulemans krijgt in oktober 1795 vergunning om de kroeghoudersnering te doen in het huis ‘de Bonte Koe’ aan de noordzijde van de Beestenmarkt. Jan Oversluijs mag in oktober 1795 de kroeghoudersnering doen in het huis ‘de Laatste Stuiver’ in de Voorstad.
In 1796 mag Cornelis Bosdijk de kroeghoudersnering uitoefenen in zijn aangekochte huis en kroeg ‘de Salm’ aan de Blauwe Steen nummer 1. Tevens krijgt hij toestemming om daar ‘aan kopers en verkopers van Friese turf en onderhandelaars in het aannemen van houtvrachten’ wijn te schenken. Ook Cornelis Kosten mag kroeg houden in het huis ‘de Drie Kroonen’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, Cornelis Schrijver in de kroeg ‘de Blauwe Steen’ en Joris Hoogerwerf in het huis ‘de Appel’.

Giljaam Chevalier krijgt in 1796 toestemming zijn kroeg ‘de Walendans’ aan het einde van de Nieuwstraat te renoveren. Hij zal de zijmuur van zijn huis vernieuwen en die recht op de lijn trekken waardoor deze een breedte van 8 à 10 duimen op de stadswal zal uitspringen.
Jacobus Lanci geeft in juli 1796 te kennen dat hij van Karel Bruchetto heeft gehuurd de kroeg ‘de Koninck van Pruissen’ in de Sint Adriaanstraat nummer 1. Hij krijgt vergunning om daar de tappersnering uit te oefenen. Eveneens krijgt Johan Kelder vergunning om in de kroeg ‘de Drie Morianen’ de kroeghoudersnering voort te zetten. Herman Metzelaar krijgt vergunning om in de kroeg ‘de Blaauwe Steen’ de kroeghoudersnering uit te oefenen.
Jan Babtist Schrijver mag in 1798 in de door hem gekochte kroeg ‘de Bonte Koe’ aan de Beestenmarkt nummer 4 de kroegiersnering doen. Dit mag ook Adriaan Doeijenburg doen in de kroeg ‘de Koninck van Pruysen’ aan het Sint Adriaanstraatje nummer 1. In 1799 krijgen Cornelis Molhoek vergunning als kroeghouder in de ‘de Drie Morianen’, Jan van Waarde in ‘het Groene Wout’ buiten de Oostpoort, Adriaan Groenendijk in ‘Engelenburg’ en Frans Bakker bij het zogenaamde plein aan de Ganzepoort.
Het stadsbestuur staat in april 1799 Johannes Kerkhoff en Hubertus Kooman niet toe ‘sooptjes aan de toog te schenken’. In 1800 krijgt Johannes Andries Huisseling permissie om in de door hem aangekochte kroeg ‘het Appelhuis’ aan de Grote Kade nummer 34 de kroegiersnering uit te oefenen.

Slijterijen

Gommert van Coeveringe krijgt in maart 1794 vergunning om in het door hem gekochte woonhuis aan de oostzijde van de Vlasmarkt nummer 18, in de plaats van Johanna Schuiling weduwe van Marinus van Velsen, alle soorten van gedestilleerde wateren als grossier te verkopen.
Jacobus Ponse mag in augustus 1794 in zijn huis aan de oostzijde van de Sint Jacobstraat sterke dranken bij de kleine maat, als winkelier of slijter, verkopen. Ook Jan Schrijver mag omstreeks deze tijd in het door hem gekochte huis van Antoni de Broekert aan de oostzijde van de Korte Kerkstraat de sterke dranknegotie doen als winkelier of slijter.
In april 1795 krijgt Cornelis Mispelblom vergunning om de grossiersnering in sterke dranken te doen.
In 1796 krijgen vergunning voor de slijterij of de negotie in sterke dranken Johanna van Kleijnputte, Willem Weitman in het huis ‘den Bonten Hond’, Antonie Heijkam om onder andere winkelwaren te verkopen allerhande gedestilleerde wateren bij de kleine maat als slijter. In 1798 krijgt Bartolomeus Knieriem toestemming om in het door hem gekochte huis van Jan Babtist Schrijver aan de oostzijde van de Korte Kerkstraat nummer 12 onder andere winkelwaren te verkopen waaronder allerhande soorten van gedestilleerde wateren bij de kleine maat als slijter. In 1799 krijgen Jacobus Dom, Jan Valentijn en Pieter Blankert vergunning om zich te generen met het verkopen van allerhande sterke dranken als slijter.
Cornelis van de Volkeren mag in 1800 in het door hem gekochte huis van Willem Oostdijk de grossiersaffaire in sterke drank te doen.

Glazenmakers

In maart 1794 geven de glazenmakers P. Louwaart, G. de Jonge en W. Musse te kennen dat een zekere Carel Bruchetto zich niet ontziet om openlijk glazenmakerwerk ten dienste van de burgerij te doen tot aanmerkelijk nadeel van hen. Dit onder voorwendsel dat hij dit werk verricht tot profijt en voor rekening van de weduwe van de vroegere glazenmaker Antoni de Ridder. Ze verzoeken te verbieden dat roomsgezinden, tenzij hun ouders burgers en inwoners van de stad zijn geweest, in dit gilde worden toegelaten, zoals ook voor de hoefsmeden is bepaald. Het stadsbestuur besluit dit verzoek van de hand te wijzen.

Graanhandel

Het stadsbestuur beraadslaagt op de 8e mei 1795 over ‘de hooglopende markten’ en de wenselijkheid enige zorg te dragen voor een redelijke hoeveelheid tarwe voor de consumptie zowel van de Franse troepen als van het schamele gedeelte van de burgerij. De stadskas is buiten staat om de benodigde penningen voor de inkoop hiervan te verstrekken. Besloten wordt met enige van de voornaamste graankopers te overleggen en hun, indien mogelijk, ‘te engageren om ieder een zekere hoeveelheid tarwe, onverkocht en in deze stad liggende, te houden om deze vervolgens voor een bepaalde prijs aan de bakkers na advenante van het benodigde tot consumptie te leveren’. Hierop komen enige graankopers binnen en nemen plaats. Na enig overleg nemen deze aan om een gedeelte van de tarwe die in de stad is opgeslagen onverkocht te houden om aan de bakkers te leveren voor de prijs zoals op aanstaande dinsdag de markt zal zijn.

Deze graankooplieden en nog enige anderen wijzen op de 11e mei 1795 een deputatie uit hun midden aan, bestaande uit Nicolaas van der Hagen, Cornelis Vervenne, Cornelis Barbier en Gerard de Leeuw. Ze verschijnen in de vergadering van het stadsbestuur. Men hen wordt een akkoord gesloten over de prijs waarvoor ze de tarwe zullen leveren. Deze is bepaald op twee ponden Vlaams de zak. Ze leggen een lijst over van degenen die aangenomen hebben tarwe op deze basis te leveren. De verdere directie en schikkingen over de leverantie wordt overgelaten aan diegenen onder hen die leden van het stadsbestuur zijn.

De graanhandelaar Jan Le Cointre van ‘de Muysevreugd’ aan de Opril Grote Markt 10 (hij heeft zijn graanpakhuis aan de Wijngaardstraat nummer 35) geeft op 6 juni 1795 te kennen voorheen een uitgestrekte handel in graan gedreven te hebben. Door een onvoorzien toeval en daarop gevolgde achtervolging door enige crediteuren is hij buiten staat geraakt om al zijn schulden te voldoen. Daarop is hij destijds uit de stad verbannen. Hij verzoekt nu omstandig hem van die ban te ontslaan. Het stadsbestuur adviseert het provinciale bestuur hem voor zes maanden toestemming te geven zich in de stad op te houden om zijn administratie tot helderheid te brengen, ‘opdat zijn boedel niet langer onafgedaan en hangende blijft, maar tot voordeel van de crediteuren geheel tot liquiditeit zal kunnen worden gebracht’.

Op de 4e januari 1800 verschijnt er een Publicatie van het Uitvoerend bewind waarbij de uitvoer van tarwe, rogge, gerst, haver, boekweit en alle soorten erwten en bonen naar buiten de Republiek wordt verboden. Ook op de 4e maart 1800 komt er een brief van het Departementaal bestuur over voortzetting van het verbod van de uitvoer van tarwe, rogge, gerst, haver, boekweit, spelt, erwten, bonen, gemalen of ongemalen, gebroken of ongebroken, gebakken of ongebakken van de 30e november 1798.

Volgens jaarlijkse gewoonte worden elk jaar de koren- en zoutmaten in het bijzijn van de leden van het stadsbestuur in het voorportaal van het Stadhuis gemeten en daarna geijkt.

Hoedenmakers

De hoedenmakerbaas Johannes Heijnen krijgt in oktober 1793 vergunning voor het zetten van de nodige fornuizen voor zijn hoedenfabriek in het door hem van Jacobus Lodewijk Geleedst gekochte woonhuis ‘de Gouden Roose’ aan de Klokstraat nummer 13.
In maart 1799 krijgt de hoedenmaker Johannes Machielse Pzoon toestemming om zich in het door hem gekochte huis ‘de Verloren Schapen’ aan de Ganzepoortstraat nummer 11, te generen met het fabriceren van hoeden en met het verkopen van onderscheidene soorten van koopmanschappen die voorheen onder het kramersgilde behoorden.

Kaarsenmakers

In 1795 verzoekt Cornelis Vette om een partij kaarsen te mogen opkopen tot gebruik van de diaconie van Bergen op Zoom. Hij krijgt hiervoor geen toestemming.
In maart 1800 krijgt de kaarsenmaker Pieter Verhoeff op zijn verzoek toestemming om zijn kaarsenmakerij en roetsmelterij aan de Lange Vorststraat nummer 7, aangeduid als ‘een kaarsenmakerij bij de kleine kerk’, te verplaatsen achter zijn tegenwoordige huis in de Korte Vorststraat. En in mei 1800 mag kaarsenmaker Laurens de Hond in zijn pakhuis in de Korte Vorststraat, staande achter zijn woning in het Papegaaystraatje, een kaarsenmakerij oprichten en de daarvoor benodigde vuurmachines laten aanbrengen.

Leerlooiers

De meester schoenmaker en winkelier Adriaan Groenendijk verzoekt in januari 1800 vergunning om achter zijn woning in de Ganzepoortstraat een looierij of leertouwerij te stichten en op zijn erf de nodige kuipen en instrumenten te plaatsen. Vijftien burgers uit de Ganzepoortstraat en de Klokstraat dringen er bij het stadsbestuur op aan het verzoek af te wijzen. Het stadsbestuur besluit daarop afwijzend, maar laat Groenendijk wel de vrijheid om een geschiktere plaats voor het oprichten van een looierij, als hij die kan bemachtigen, voor te stellen.
Aan het einde van het jaar 1800 dient Abel van Kogelenberg een verzoek in om op de erve van twee woningen in de Korte Nieuwstraat een leerlooierij en ploterij op te richten. De aanwonende Jozias de Quant en andere burgers en inwoners protesteren tegen het voornemen van Van Kogelenberg om daar een leerlooierij en ploterij te vestigen. Het stadsbestuur besluit het verzoek af te wijzen.

Markten

Grote of Korenmarkt

Het stadsbestuur besluit in maart 1795 de resolutie, waarbij is bepaald dat de kooplieden op dinsdagen op de graanmarkt niet zullen mogen kopen vóór 11 uur, tot welk tijdstip alleen de bakkers en burgers voor hun consumptie graan mogen kopen, in te trekken en buiten effect te stellen. Dit zal aanstaande dinsdag door de stadsomroeper op de markt worden omgeroepen en bekend gemaakt.
Van andere orde is het besluit van het stadsbestuur van de 20e maart 1798, waarbij dadelijk een stadsbode wordt gezonden naar de op de markt staande kramers, ‘die zich met dobbelspelen zijn bezig houdende’. Ze worden gelast het spelen met dobbelstenen, noch op marktdagen noch op enige andere dagen in de week, te staken.

Vismarkt

In november 1793 krijgen Neeltje de Leeuw weduwe van Frederik Hoogelande, pachteres van de hier inkomende vis, en Adriaan Bosdijk, als waarnemer van deze pacht, toestemming voor de voortzetting van de pacht voor vijf jaar.

Jaarmarkt

Er is in deze jaren heel wat te doen over de jaarlijkse jaarmarkt of kermis in augustus.
Bij het stadsbestuur komt er in juni 1793 een brief binnen van onderscheidene kooplieden uit Rotterdam en elders. Ze verzoeken de Goese jaarmarkt zodanig te verschikken dat deze niet, zoals nu dikwijls gebeurt, tegelijkertijd met de Rotterdamse jaarmarkt valt, zodat hen ook voldoende tijd wordt overgelaten om zich met hun koopwaren naar de Zierikzeese jaarmarkt te begeven. De regerende en oud-burgemeesters onderzoeken in alle naarstigheid het verzoek. Naar aanleiding van hun onderzoek geven ze het volgende, interessante rapport:

  • volgens het Privilege van Jacoba van Beijeren van de 7e augustus 1417 is de Goese Jaarmarkt gesteld te beginnen op de 8e dag voor Maria Hemelvaart ofwel de 15e augustus en zal acht dagen duren na Maria Hemelvaart of Onze Lieve Vrouwedag assumptie (opneming) en de eerste Toondag zal altijd wezen op Onze Lieve Vrouwe avond;
  • vervolgens heeft Philips de Goede op 12 februari 1441 daarin deze verandering gemaakt, dat de eerste Toondag zal zijn op maandag na Onze Lieve Vrouwedag assumptie en de Jaarmarkt zal duren tot zondag daarna en dus omtrent acht dagen vroeger als tegenwoordig;
  • bij resolutie van burgemeesters en schepenen, met toestemming van notabelen uit de burgerij, van de 19e juli 1581 is de Goese Jaarmarkt op de tegenwoordige voet gebracht, omdat de oogst van het zaad en andere granen merendeels op de vorige tijd niet wel was ingezameld, wat tot merkelijk nadeel van de Jaarmarkt was.

Ze zijn van mening dat tegenwoordig meestentijds de oogst van zaad en tarwe vroeger is ingezameld en de Jaarmarkt zoals die tegenwoordig wordt gehouden meest altijd benadeeld wordt door de jaarmarkten of kermissen van Rotterdam en Zierikzee. Ze zijn van mening dat de Jaarmarkten door een dergelijke verschikking florissanter zullen zijn en tot groter voordeel van de burgerij. Het stadsbestuur besluit dat voortaan de Jaarmarkt overeenkomstig het privilege van Philips de Goede van 12 februari 1441 zal beginnen op dinsdag vóór de 24e augustus en als gevolg daarvan op zaterdag acht dagen tevoren als naar gewoonte zal worden ingeluid.

Het stadsbestuur besluit in juni 1793 op de aanstaande Jaarmarkt ‘generhande spellen, kwakzalvers, bedelaars en dergelijke toe te laten’. Verder wordt de verdere directie van de Jaarmarkt overgelaten aan de presiderende burgemeester. Ook in juli 1794 worden de gedeputeerden ter staatsvergadering, op voorstel van de voorzittende burgemeester, verzocht voor te stellen ‘om uit aanmerking van de critique omstandigheden, waarin ons dierbaar Vaderland zig bevindt, dit jaar de gewone Jaarmarkt op te schorten’. Na verkregen toestemming van Gecommitteerde Raden wordt op de 26e juli besloten in de Hollandsche Couranten en in de Middelburgse Courant te adverteren dat de gewone Jaarmarkt binnen de stad Goes dit jaar geen plaats zal hebben. ’s Heeren dienaars verzoeken om, aangezien er dit jaar binnen de stad geen kermis gehouden zal worden, evenwel hun gewone fooi te mogen genieten die voor het inluiden daarvan altijd betaald werd. Dit verzoek wordt afgewezen.

Vanwege de tijdsomstandigheden besluit het stadsbestuur op 19 mei 1795 geen jaarmarkt of kermis te houden. Niettegenstaande dat verzoeken enige Joodse kooplieden in augustus of ze hun goederen gedurende twee of drie dagen in de aanstaande week publiek op de markt mogen verkopen. Het stadsbestuur gaat hier niet op in. Ook wordt enige dagen later het verzoek van een zeker Joods koopman in porselein om zijn waren langs de huizen te mogen omleuren van de hand gewezen.

In juli 1796 besluit het stadsbestuur bij meerderheid van stemmen dat dit jaar de jaarmarkt zal worden gehouden onder de volgende bepalingen:

  • de jaarmarkt zal beginnen op 14 augustus en eindigen op 27 augustus;
  • op de jaarmarkt zullen niet worden toegelaten enige leurders, bedelaars, rijfelaars of draayborden;
  • ook zal niet worden toegestaan om ter verkoop in te brengen enig schrijnwerkers-, hoedenmakers- of schoenmakerswerk dat buiten de provincie is gefabriceerd.

De baljuw H. Speleveld stelt in augustus 1796 voor een publicatie af te kondigen waarbij wordt verboden ‘om gedurende de jaarmarkt bij nacht over straat te lopen en Oranjeliedjes te zingen’. Dit wordt ‘om redenen’ voor kennisgeving aangenomen. De president zal hiervan aan de baljuw kennisgeven en ‘hem lauderen wegens zijn activiteit en hem tevens verzoeken daarmee te willen continueren’.

Als naar gewoonte verbiedt het stadsbestuur in juli 1797 het inkomen van bedelaars, rijfelaars, draaiborden en dergelijke op de jaarmarkt, evenals het inbrengen en verkopen van enig Langstraat's schoenmakerswerk of buitenlands gefabriceerde hoeden.
Ook met het oog op de aanstaande jaarmarkt stelt de president in augustus de noodzakelijkheid voor om tegen de aanstaande jaarmarkt te bepalen in hoever en door wie vertoningen zullen worden toegelaten. Het stadsbestuur besluit de president te autoriseren allerhande vertoningen, die gewoonlijk op vrije jaarmarkten worden gehouden, toe te laten en het betalen van de recognities te regelen. De marktkooplieden worden verzocht zich van tenten te voorzien of zich te wenden tot de stadsdirecteuren om de thans leeg staande Latijnse school te gebruiken.
De poortiers worden gelast om gedurende de tegenwoordige jaarmarkt de poorten voor bekende burgers en landlieden de ganse nacht door te openen tegen betaling van het gewone poortgeld.

Op verzoek van de burger Dupuis besluit het stadsbestuur op 28 augustus 1797 hem toe te staan ‘nog deze avond zijn gewone vertoningen in de tent, op de Vlasmarkt staande, voor degenen die zijn kunst willen zien, zoals in de afgelopen kermisweek door hem is verzocht, te vertonen’. Het blijft niettemin een ieder koopman verboden zijn kraam tot verdere verkoop te openen en zijn koopwaren op te veilen.

In mei 1798 komt er een verbod binnen ‘om op kermissen ten toon te stellen afbeeldingen van de guillotine alsmede dat op dezelve niet worden ten toon gehangen of verkocht zo min als in de winkels van boekdrukkers of boekverkopers het portret van de Engelse admiraal Duncan’.

In juli 1798 besluit het stadsbestuur dat de gewone jaarmarkt in de stad dit jaar ook zal plaats hebben en beginnen op de 18e augustus en eindigen op de 1e september, ‘zullende als naar gewoonte op dezelve niet worden gepermitteerd kwakzalvers, draaiborden, rijfelaars of bedelaars’. Wel wordt besloten tot afschaffing van het aloude gebruik van ‘het inluiden van de Jaarmarkt alsmede het intrompetten van dezelve’. Ook wordt bepaald, ‘tot voorkoming van alle altroepenatie, deze jaarmarkt geen spellen te permitteren alsmede niet later te tappen in herbergen, kroegen of wat dies meer zij als tot twaalf uur des nachts’. De baljuw krijgt de opdracht de overtreders ‘dadelijk te calangeren zonder enige inschikkelijkheid of verdrag’. Toch krijgt Jean Nicola du Puij toestemming om gedurende de publieke jaarmarkt in een bij hem op te zetten tent op de Vlasmarkt zijn voorgenomen vertoningen te geven. Ook krijgt een zekere Coenraad Bendeling permissie om gedurende de tegenwoordige jaarmarkt zijn balsem en kruiden voor zere spenen van koeien, kneuzingen en drukkingen van paarden te verkopen.

Het stadsbestuur besluit in juli 1800 op de aanstaande Jaarmarkt, die begint op 16 augustus en eindigt op 30 augustus, niet toe te laten en te verbieden het stellen van draaiborden, dobbelspelen, rijfelaars en dergelijke.
Voor deze Jaarmarkt dient zich aan een zekere ’s Gravenzande, directeur van een gezelschap Nederduitse toneelspelers. Hij wil gedurende de aanstaande jaarmarkt en enige weken daarna in een daartoe door hem te huren lokaal toneelstukken vertonen. Het stadsbestuur machtigt de president om de daartoe nodige permissie te verlenen.

Zuivelmarkt

Op de 5e mei 1798 besluit het stadsbestuur ‘tot instandhouding van de Suyvelmarkt in deze stad, de daarop gestelde publicatie te renoveren en van enige te nauwe bepalingen te ontheffen’.

Meekrapnering

Op de 1e oktober 1800 ontstaat er brand in de meestoof ‘de Zon’. Jacob Kakebeeke, de boekhouder van deze meekrapstoof, richt zich namens de portionarissen in de getroffen stoof tot het stadsbestuur met het verzoek het afgebrande gedeelte van de stoof weer te mogen opbouwen. Het stadsbestuur besluit:

  • de portionarissen bij continuatie vrijdom van de stadswaag te verlenen voor 21 jaar;
  • hen toe te staan om het nieuw te stichten stamphuis op te bouwen tegen de stoof en daarvoor te mogen innemen dat gedeelte van stadsgrond dat tussen de stoof en het afgebrande stamphuis ligt, waar tegen door hen het onbebouwd blijvende gedeelte van de door hun bezeten grond zal worden ingeruimd.

Molens

Algemeen

De burgemeester legt als overdeken van het bakkersgilde het stadsbestuur in januari 1795 een plan voor waarnaar de boekweitmalers, de molenaars van de waterkorenmolen en de windkorenmolen en de bakkers zich dienen te reguleren wanneer door langdurige windstilte of zware vorst de water- en windkorenmolens geen voldoende hoeveelheid meel tot consumptie voor de stad kunnen leveren. Enkele bepalingen zijn de volgende:

  • ingeval de watermolen en de windmolen door enige ongelegenheid buiten staat zijn de burgerij van genoegzaam meel te voorzien, zijn de twee boekweitmalers verplicht daarin de behulpzame hand te bieden;
  • de boekweitmalers zullen daarvoor genieten tien stuivers per zak;
  • in deze gevallen zullen de molenaars van de watermolen en de windkorenmolen de directie hebben over het malen van het graan en ook al het daartoe nodige werk moeten verrichten;
  • de bakkers zijn verplicht tien stuivers per zak te betalen;
  • de bakkers worden daarin weer tegemoet gekomen door het pas op het brood met een duit te verhogen.

Het stadsbestuur besluit in juni 1795 buiten werking te stellen de resolutie van 11 augustus 1787, waarbij aan de molenaars toegestaan wordt ook mouwer of stuifmeel aan de burgers te verkopen. Bepaald wordt dat de molenaars zich stipt zullen moeten houden aan het 15e artikel van de Ordonnantie op het bakkersgilde van de 1e april 1775 en als gevolg daarvan het meel alleen aan de bakkers zullen mogen verkopen.

David de Klerk krijgt in maart 1798 toestemming om weer voor 21 jaren het Ravelijn (de Groene Jager) achter de brouwerij ‘het Witte Klaverblad’ voor £ 4 per jaar te erfpachten. Het stadsbestuur behoudt zich echter het recht voor om, als zich een geïnteresseerde opdoet, aan iemand plaats te vergunnen voor de bouw van een molen of anderszins en dan het gehele ravelijn of een gedeelte daarvan naar zich toe te trekken.

Korenmolens

De stadsdirecteuren inspecteren in november 1797 de windkorenmolen van de stad ‘de Vijf Gebroeders’, aan de noordzijde van de stad op het Bastion. Dit is de molen die al in de 15e, 16e en 17e eeuw bekend stond als de noordmolen, de oudste molen van de stad.
Bij de inspectie wordt de molen in een zo deplorabele staat bevonden dat deze zonder zeer hoge kosten niet kan worden gerepareerd en in een behoorlijke staat gebracht. Ze stellen voor de molen te verkopen op erfpacht.
In januari 1798 krijgen de stadsdirecteuren opdracht om te zorgen dat goed bekend wordt gemaakt dat de windkorenmolen te koop wordt aangeboden op een jaarlijkse erfpacht tot voordeel van de stad en de waterkorenmolen, zoals voorheen, voor zeven achtereenvolgende jaren wordt verpacht. In februari rapporteren de stadsdirecteuren over de verkoop van de windkorenmolen op erfpacht en de verpachting van de stadswaterkorenmolen. Het stadsbestuur besluit de windkorenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ op een jaarlijkse cijns van £ 25 voor erfpacht te verkopen aan Pieter Remijn. Later, in 1823, zal molenaar Remijn de houten molen vervangen door een nieuw te bouwen stenen molen.
De molenaar van de windkorenmolen wordt in januari 1800 verboden om met zijn molen op zondag te malen zonder toestemming van de president van het stadsbestuur en voorkennis van de baljuw.

Waterkorenmolen

Een commissie uit de bakkers, de molenaar van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade nummer 43 en de collecteur van het gemaal geven het stadsbestuur in januari 1799 te kennen ‘dat door de langdurige ijsgang de waterkorenmolen buiten werking is om te kunnen malen tot geen gering nadeel van de molenaar en tot groot ongerief van de Goese burgerij, waarbij de genoemde leden hebben gevoegd dat de windkorenmolen door de bomen, staande tussen de twee poorten van de stad, bijna geheel en al wordt belet om uit het noorden en noordoosten te kunnen malen, welk een en ander in deze langdurige winter tot merkelijk nadeel is’.
Het stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren op te dragen de bomen van de stad, staande tussen de twee waterpoorten, ten spoedigste tot het meeste voordeel van de stad bij partijtjes publiek te verkopen. Deze plaatsen mogen worden herplant.

In maart 1799 krijgen de stadsdirecteuren toestemming ‘de importante schade aan de stads waterkorenmolen, veroorzaakt als gevolg van de ijsgang alsmede door de vorige verwaarlozing, tot de minste kosten van de stad te doen repareren, gelijk mede de schade aan de sluis onder de Molendijk’. De opzichter van stads publieke werken wordt opgedragen onverwijld te zorgen dat de stads waterkorenmolen zodanig van haar bekomen schade door de laatste ijsgang wordt gerepareerd, dat met de molen kan worden gemalen zodat de burgerij behoorlijk van het nodige meel kan worden voorzien.

Er zijn in 1799 vele klachten van de molenaar van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade en de havenmeester over sommige schippers. Deze leggen hun schepen in de zogenaamde sluisput van de watermolen. Daardoor wordt de molen verhinderd om te malen en het moolwater behoorlijk te lozen. Het stadsbestuur gelast de havenmeester om, op straffe van vijf schellingen Vlaams voor de schipper die in overtreding is, niet te gedogen of toe te laten dat de schippers hun schepen in de zogenaamde visput of voor het stortebedde van de watermolen leggen. De stadsbode moet bij de schippers rond gaan en hen uit naam van het stadsbestuur aanzeggen dat ze zich moeten onthouden om met hun schepen in de sluisput voor de watermolen te gaan liggen. Ook de havenmeester krijgt opdracht hiertegen te waken.
In januari 1800 verzoekt het stadsbestuur de stadsdirecteuren zorg te dragen dat de molenaar van de watermolen zoveel als enigszins doenlijk is met zijn molen te malen.

Boekweitmolens

In april 1794 sturen de Staten van Zeeland het stadsbestuur hun besluit toe, waarbij de boekweitmaalder te Cloetinge gelast wordt zich voortaan te regelen naar het pas of de zetting welke binnen de stad op de grutten en het boekweitmeel bereids is gesteld of van tijd tot tijd zal gesteld worden.
Het stadsbestuur stelt in juli 1798 vast dat de pasmeesters van het brood bij het zetten van de passen voortaan zoveel mogelijk gecombineerd dienen te handelen met de boekweitmaalders zowel uit de stad als die te Cloetinge.
Marinus Serlé krijgt in januari 1799 op zijn verzoek toestemming om in zijn huis en boekweitmaaldersaffaire te verkopen tarwemeel en bloem van tarwemeel, op deze speciale voorwaarde dat hij verplicht blijft al zijn tarwe op een van de korenmolens binnen de stad te laten malen.
De stadsdirecteuren rapporteren in januari 1800 aan het stadsbestuur dat ze door de stadsrentmeester zijn geïnformeerd dat de boekweitmalers Jan Zoutendam en Marinus Serlé weigeren hun stedelijke recognitie, verschuldigd over de jaren 1797, 1798 en 1799, te betalen.
In december 1800 vraagt de stadsrentmeester het stadsbestuur hoe hij zich moet gedragen ten opzichte van de burgers Jan Soutendam en Marinus Serlee die in gebreke blijven om de gewone jaarlijkse recognitie als boekweitmalers te voldoen. De rentmeester wordt gelast tegen die burgers te procederen om zo de betaling af te dwingen.

Oliemolens

In deze periode zijn er twee berichten over de oliemolens in de stad.
Pieter van Kleijnputte verzoekt, als boekhouder van de sociëteit van de oliemolens, het stadsbestuur in september 1795 twee wissels ter grootte van £ 1000 ten laste van de stad en tot voordeel van de sociëteit, die deze maand zullen vervallen, af te betalen. Het gaat hier om de oliemolen ‘de Hoop’ op de zogenaamde Catteberg op de Westwal, waar lijnolie uit lijnzaad wordt geperst.  
Het stadsbestuur draagt in juli 1799 de ontvanger van het kaaigeld op alle vaartuigen zonder onderscheid die aan de oliemolens komen om oly-, lijn- of raapkoeken te laden, vrij te stellen van het betalen van het extra kaaigeld.

Houtzaagmolen

In september 1796 verzoekt de weduwe van de overleden houtzaagmolenaar Marinus Harinck, Geertrui Boutens, om een aantal bepalingen voor de uitoefening van het houtzagerijbedrijf. De houtzaagmolen ‘de Eendracht’ staat onder aan de noordwal (het Bastion) op de plaats van het latere Molenplein.
Na uitvoerig onderzoek besluit het stadsbestuur tot het volgende:

  • de stadsrentmeester krijgt opdracht uit de opbrengst van de huisschatting af te geven de som van 2229.9 gulden tot voldoening van de rekeningen die de weduwe over het jaar 1794 nog tegoed heeft van de stad;
  • haar verzoek om vrijstelling van kaaigeld voor gezaagde houtwaren van aan te nemen werken wordt afgewezen;
  • haar verzoek om vrijstelling van het onderhoud van het bruggetje en sluisje buiten de Hoofdpoort wordt in zover ingewilligd dat ze voortaan vrij zal zijn van het maken en repareren van het bovenste plat of brug; niettemin blijft voor haar rekening het repareren van het sluisje en de beschoeiing;
  • haar verzoek om ontheven te worden van de jaarlijkse contributie voor het leggen en lossen van hout voor haar houttuin en de vermindering van pachtpenningen voor de zoute vest wordt geweigerd.

Op de 23e augustus 1800 komt er een verzoek bij het stadsbestuur binnen van Geertrui Boutens, weduwe van Marinus Harinck, eigenaresse van de houtzaagmolen. Ze verzoekt ontheven te worden van de last die aan de eigenaar van deze molen bij resolutie van 30 mei 1767 is opgelegd. Dit houdt in dat de leverantie van alle materialen, nodig voor het onderhoud van de dam, de brug en het spui, gelegen even buiten de Hoofdpoort, voortaan alleen voor stadsrekening zal geschieden tenzij daarvoor een zodanig andere regeling kan worden getroffen die tot opbeuring van hun kwijnende fabriek zal strekken.
Na ontvangst van het advies van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur op de 4e oktober 1800 de daarover gemaakte overeenkomst goed te keuren en vast te stellen dat voortaan de dam, de brug en het spui alleen voor stadsrekening zullen worden onderhouden zonder dat de eigenaar van de houtzaagmolen daarvoor enige leverantie van materialen zal moeten doen. Daarentegen zal de houtzaagmolenaar, zolang hij daarvan ten behoeve van het doorhalen van hout of anderszins enig gebruik maakt, gehouden zijn tot voordeel van de stad te betalen een jaarlijkse recognitie van twee ponden Vlaams.

Oude kleerkopersnering en lorrenhandel

Ook in deze jaren houden verscheidene burgers zich bezig met de oude kleerkopersnering of de oud ijzer- en voddenhandel. In mei 1794 besluit het stadsbestuur op grond van het afwijzende advies van het kramersgilde het verzoek van Antoni de Olieslager om oude kleren en wat verder tot de oude kleerkopersnering behoort te verkopen, van de hand te wijzen. Wel krijgt Willem van den Bergh in september 1794 vergunning voor het inkopen en verkopen van oud ijzer, koper, lood en oude vodden. Antoni de Olieslager krijgt wel in maart 1795 vergunning om de oude kleerkopersnering te doen.

In april 1795 worden de oude kleerkopers en oud ijzerkopers binnen de stad door een stadsbode aangezegd om van alle goederen die hun te koop worden aangeboden en waarvan zij enigszins vermoeden dat deze mogelijk gestolen zijn, aangifte te doen aan die van de justitie om daarnaar de nodige recherche te kunnen doen om zoveel mogelijk dergelijke misdaden te ontdekken.

Machiel Taine verzoekt in juli 1795 om naast zijn toegestane negotie van oud ijzer een spijkerfabriek te mogen oprichten en het oude door hem ingekocht ijzer in het vuur te mogen herstellen. Na ingewonnen advies van de dekenen van het smedengilde worden zijn verzoeken van de hand gewezen. In 1796 krijgt Laurens van Flierenburg toestemming om binnen de stad de oude kleerkopersaffaire uit te oefenen.

Slagers

De slagers, die voor de leverantie van vlees voor de Franse troepen zorgen, betogen in april 1795 dat ze niet langer dan deze maand met die leverantie voor de aanbestede prijs kunnen voortgaan. De reden hiervan is dat de landlieden hun vee te zeer op prijs houden en het niet willen afstaan voor de gewone prijs. Het stadsbestuur besluit om op alle dorpen in het eiland de landlieden aan te manen om hun vee dat ze kunnen missen, al is het zelfs dat het hun moeilijk valt dit voor een redelijke prijs af te staan, aan de commissie tot inkoop daarvan te leveren. Het is noodzakelijk om dit vlees te hebben omdat men, indien daaraan niet wordt voldaan, in de onvermijdelijke nooddwang zal worden gebracht om het vee te vorderen en volgens taxatie te betalen. Men wil dus nog eerst de zachtere weg van vrijwillige inkoop beproeven. In de commissie tot inkoop worden aangewezen de burgers Theodorus Cornelis Huibregtse, Jan Boddingius en Jacques Mussche. Zij zullen de benodigde beesten aankopen en deze vervolgens door de slachter voor het ordinaire slachtloon laten slachten.

Christoffel van Aart, Jan Boddingius en A. Bootsgezel geven in februari 1797 te kennen vernomen te hebben dat slager Abel van Kogelenberg het woonhuis van J.H. Verschoor aan de Lange Kerkstraat nummer 6 heeft gekocht. Hij is voornemens om daar slagerswinkel te houden. Ook wil hij daar tot gerief van de landlieden op de marktdagen op de stoep van dat huis braden en koken. Daardoor zullen zij en anderen die in hun buurt wonen door de rook en andere inconveniënten hun deuren en winkels moeten sluiten. Het stadsbestuur besluit bij meerderheid goed te vinden Van Kogelenberg permissie te verlenen voor het uitoefenen van de slagters- of vleeshouwersnering in zijn aangekochte woonhuis en tot het slachten van rundvee en schapen aldaar, ‘mits het bloed van deze beesten opgevangen wordt in een put of in een ander daartoe dienend vat of kuip binnenshuis of ander uit- of afval van de door hem of zijn bediende te slachten beesten enigszins te ontcieren of onrein te maken’.
Van Kogelenberg zal vrijheid hebben vlees te zieden en te braden voor landlieden op marktdagen, mits dit geschiedt binnenshuis en zonder daardoor zijn neringdoende of andere buren enigszins te belemmeren.

In november 1797 verzoeken verscheidene vleeshouwers en varkensslagers om aanpassing van de Ordonnantie op het vleeshouwers- en varkensslagersgilde. Het stadsbestuur besluit te bepalen dat:

  • geen vrijbazen van het vleeshouwersgilde voortaan knechts op hun naam of voor hun rekening varkens mogen laten slachten dan door degenen die bij hen inwonen en kost en slaapstede genieten ten tijde van de twee gewone slachtmaanden, te weten november en december;
  • geen die zich als leerknaap heeft laten aantekenen zal kunnen worden aangemerkt zijn leerjaren te hebben volbracht als degene die zich onafgebroken zonder extract in deze affaires heeft gefrequenteerd twee jaren bij de baas waarbij hij is aangetekend het slachten heeft gedaan en bijgewoond;
  • niemand zal tot het doen van een proef, hetzij als vleeshouwer of varkensslager, toegelaten worden dan degenen die behoorlijk kunnen aantonen dat zij hier of elders twee leerjaren hebben gedaan, onverminderd dat diegene die tegenwoordig het varkensslachten in de stad een lange tijd heeft uitgeoefend, hetzij voor hen zelf of voor een vrijbaas.

In december 1798 worden ‘de slachters van het rundvee aangezegd en gelast om zich voortaan zorgvuldig te wachten afval dat zij uit het rundvee halen te werpen of te doen werpen op enige plaatsen binnen de stad dan alleen in de daartoe gedestineerde stadsmestput buiten de Koepoort’.

In 1799 worden Pieter Zeegers en Jozias Sloover toegelaten om de slachtersaffaire als vrijbaas uit te oefenen. De varkensslager Engel Sloover krijgt in 1800 vergunning om ook de koeieslagerij uit te oefenen in het pand ‘den Swarten Hoed’, Lange Kerkstraat nummer 20.

Smederijen

De kopersmid Johannes Berger krijgt in februari 1793 vergunning om in zijn huis aan de westzijde van de Korte Kerkstraat nummer 9 een smidse te plaatsen voor zijn koperslageraffaire.
Ook Johan van Hees krijgt in mei 1796 vergunning om een koperslagerij op te richten in het door hem bewoonde huis. En in juli 1798 mag Johannes Verwest Janzoon in het door hem gekochte huis aan de Opril van de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat een smidse oprichten. Hij krijgt echter geen toestemming om ook een travaille voor zijn huis op te stellen.

Er vestigen zich in 1799 twee goud- en zilversmeden in de stad. Thomas Snoep Czoon wordt toegelaten om binnen de stad de goud- en zilversmidaffaire als vrijmeester uit te oefenen in het pand Grote Markt nummer 19. In dit pand, naast de herberg ‘de Gouden Leeuw’ op nummer 21, was het grootste gedeelte van de 18e eeuw een goud- en zilversmederij gevestigd. Ook Marcus Does krijgt vergunning om de goud- en zilversmidaffaire te doen in het pand ‘de Vergulde Pellecaen’ aan de Lange Kerkstraat nummer 33.
Adriaan Schipper krijgt in januari 1800 vergunning om in de door hem aangekochte smidswinkel, in vroegere eeuwen aangeduid als ‘een caetsbane op ’t Cloosterhof’, in de  Nieuwstraat nummer 16 de smederij als vrijbaas uit te oefenen. Ook in 1800 krijgt Johannes de Jonge Gzoon vergunning om als koper- en blikslager en tinnegieter op te treden.

Op de 16e augustus 1800 verschijnen de goud- en zilversmeden ter vergadering van het stadsbestuur om ingeschreven te worden in het Register ingevolge de publicatie van de 21e juli 1800. Er wordt een nominatie opgesteld uit de werkmeesters voor de verkiezing van keurmeesters. Hierop staan de namen van de goud- en zilversmeden Jan Boddingius, Adriaan van den Thoorn en Cornelis Beijaard.

Stijfselmakerijen

In mei 1796 dient Jodocus van Baren een verzoek in om een stijfselfabriek op te mogen richten achter de bakkerij ‘het Wittebroodskind’ van de weduwe Van Hessel aan de Sint Jacobstraat nummer 48 of op een zodanige geschikte plaats binnen de stad als hij daartoe kan verwerven. Het stadsbestuur staat hier positief tegenover.

Naar aanleiding van het rapport van de Commissie van Onderzoek besluit het stadsbestuur in juni 1796 de in september 1792 afgegeven vergunningen aan Josephus Pinar afzonderlijk en aan Francois Macon, Adrianus Spijk en Anthoni Ballieu in compagnie tot het continueren van hun stijfselfabrieken voor de tijd van veertien jaren met uitsluiting van alle anderen in te trekken en buiten effect te stellen. Tevens wordt besloten Jodocus van Baren toe te staan om binnen de stad op een geschikte plaats een fabriek voor het maken van stijfsel te stichten. Op advies van de stadsdirecteuren wordt daarvoor aangewezen een plaats in de Korte Nieuwstraat (de latere Pyntorenstraat).

In december 1797 verzoekt ook Gerardus Codde toestemming om in zijn brouwerij ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt nummer 1 een stijfselfabriek te mogen oprichten om daarmee stijfsel te fabriceren en te verkopen. Ook verzoekt hij vrijheid om het graan dat hij voor deze stijfselfabriek nodig heeft met zijn moutmolen te mogen breken. Na ingewonnen advies van het Verenigd Committee gaat het stadsbestuur met het eerste verzoek akkoord. Het tweede verzoek, om het graan met zijn moutmolen te breken, wordt echter afgewezen.

Tabaknering

De tabaknering is gedurende deze jaren volop in bloei.
Jan van Balen krijgt in april 1793 vergunning voor het plaatsen van een vuur- of droogast voor het drogen en bereiden van tabak voor het uitoefenen van zijn tabaknering. Ook Johannes Clement mag in mei 1793 een vuur- of droogast zetten voor het drogen en bereiden van de voor zijn negotie benodigde tabak. In april 1795 vraagt Clement om zijn droogast voor het bereiden van tabak uit zijn pakhuis in de Lange Vorststraat naar zijn woonhuis in die straat te mogen verplaatsen. Daarmee wordt akkoord gegaan.
In 1796 krijgt Jacobus Johannes Pieterse vergunning voor het stichten van een vuurmachine of eest om tabak te drogen. Ook Jan van Kogelenberg mag in zijn beneden achterhuis aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat nummer 6 een eest plaatsen ‘om door middel van vuurstoking tabak te drogen’.

In oktober 1797 komt een rekest bij het stadsbestuur binnen van een groot aantal tabakverkopers binnen de stad ‘inhoudende Fiat Insertio’. Het stadsbestuur wijst dit verzoek van de hand.
Cornelis Vervenne en andere tabakverkopers dienen in oktober 1798 een verzoek in om, in navolging van zoveel andere steden van dit gewest, tot voorkoming van onaangenaamheden en procedures tussen de tabakkervers en de pachter van de belasting op de tabak twee beëdigde refactiemeesters (beëdigde ambtenaren) aan te stellen over de refactie op de tabak. Hiertoe worden aangesteld Frederik van Nakke en Adriaan Bosdijk.

Johannes Clement mag in april 1799 in zijn aangekochte huis aan de Ganzepoortstraat nummer 10 tot bevordering van zijn negotie en tabakkerverij een droogast met het daartoe benodigde vuurwerk plaatsen. Ook Gijsbert Ossewaarde (z’n vader Pieter Ossewaarde vraagt het voor hem aan) mag in juni 1799 in zijn woonhuis een droogeest plaatsen om daarop tabak te drogen.

Verhuur van paarden en rijtuigen

Abraham Groenendijk, Frans de Wijn, Jan Zandijk en Jan van Kogelenberg krijgen in 1793 tot wederopzegging vergunning voor het verhuren van rijtuigen, mits dat ieder voor zijn huis een uithangbord plaatst. Ook Cornelis Schrijver mag in 1794 rijtuigen en paarden verhuren, mits een uithangbord uithangende. Ook Elias Vertregt krijgt in 1796 vergunning om rijtuigen en paarden te verhuren. Hij moet voor zijn woning het bordje uithangen zoals bepaald bij resolutie van 8 maart 1766. Johannes Vadden krijgt eveneens in 1796 vergunning om te allen tijde als huurkoetsier van de stad te rijden met passagiers. Hetzelfde wordt toegestaan aan Bastiaan van Hoecke.

In 1796 besluit het stadsbestuur voortaan geen toestemming te verlenen voor het verhuren van rijtuigen en paarden binnen de stad tenzij de aanvrager bereid is een jaarlijkse recognitie tot voordeel van de stadsfinanciën te betalen.

Wijnnering

Wijnkooplieden

In 1796 wordt Jacobus Dominicus toegelaten als vrij wijnkoper. Ook krijgt hij vergunning om in de plaats van Willem van der Hoek als grossier in sterke drank op te treden. In 1797 krijgt Jan Gorsse toestemming om zich vrij wijnkoper in het door hem aangekochte huis van Jacobus Dominicus in de stad te vestigen. Ook Cornelis Vervenne mag in maart 1798 als vrij wijnkoper de wijnkoperij uitoefenen. Dominicus Noël mag dit doen vanaf 1799.

De wijnkooplieden dreigen in november 1797 in hun rechten te worden gekort.
Als mogelijkheid tot het verbeteren van de stedelijke financiën wordt in de wijkvergadering van de stemgerechtigde burgers voorgesteld binnen de stad wijnkelders in werking te brengen. Dit zou echter strijden tegen het hierover gekochte recht door de wijnkopers Leendert Krekelenberg, Johannes Stokmans en J.C. Huybregtse. Ze verzoeken hierin zodanig te voorzien dat ze niet in hun verkregen recht worden verkort.
De daartoe ingestelde adviescommissie ziet zich na rijpe overweging genoodzaakt het stadsbestuur, als handhavende iedere burger in zijn rechtmatig recht, te adviseren om het in werking brengen van stadswijnkelders af te wijzen. De wijnkopers Stokmans, Huybregtse en Krekelenberg zouden daardoor al te zeer in hun verkregen rechten worden verkort.

Grossiers in wijnen

Verscheidene personen krijgen deze jaren vergunning om op te treden als grossier in sterke dranken. Het zijn Willem van der Hoek in 1796 en Jacobus Willem de Jongh in 1796 (in de plaats van Gerrit Spijk). Jacobus Willem de Jongh krijgt in maart 1797 toestemming om ten gunste van Anthonie Burggraaf afstand te doen van zijn grossierderij in sterke drank.
Ook Jan Gorsse mag in september 1797 optreden als grossier in sterke dranken en gedestilleerde wateren. In 1799 krijgt de weduwe van Pieter Rijck toestemming om als grossierster in sterke drank op te treden, evenals Dominicus Noël die ook als vrij wijnkoper mag optreden.

Winkeliers

Verscheidene winkeliers beklagen zich er in oktober 1793 over ‘dat vele baatzuchtige lieden, in weerwil van de onderscheidene plakkaten van provincie en stad van november 1705 tegen de leurders en ommelopers gearresteerd, en ter merkelijke detrimente (tot nadeel) van hen, zich niet ontzien om, hetzij in persoon hetzij door andere daartoe gebruikt en beloond wordende personen, allerlei manufacturen en consumptiegoederen ten plattelande en aan de huizen binnen te de stad om te leuren en te verkopen’. Het stadsbestuur besluit daarop om bij publicatie ‘het ommeleuren en uitventen van welk soort van winkelgoederen het ook wezen moge, uitgenomen gist, langs de straten en wegen binnen het eiland te verbieden’.
Enkele personen uiten daarop in november hun bezwaren tegen het besluit van het stadsbestuur over het omleuren en uitventen van goederen langs de huizen. Dit is voor het stadsbestuur aanleiding hiervan ook nog uit te zonderen allerhande soorten van vis en zwavelstokken.

Zeepnering

Vele inwoners, vooral kleine winkeliers, leggen zich ook in deze jaren toe op het verkopen van harde en zachte zeep, onder meer George Rosee, Ary de Haas, Mattheus Meeuwsen, Marinus Goeree, Catharina Vadden, Jacob Welle en Johannes Eckhart.

Zoutnering

Zoutnering

Het stadsbestuur verzoekt op de 6e januari 1798 de stadssecretaris Jacob Dominicus om binnen acht dagen de vergadering te dienen van advies over de wijze waarop de zoutzieders kunnen worden verplicht om naar evenredigheid van de grossiers in zout tot voordeel van de stedelijke financiën enige recognitie te betalen. Ook moet hij adviseren over de wijze waarop het thans fluctuerende panneluidengilde door bekwame personen zal kunnen worden hersteld en in werking gebracht.
In juli 1799 draagt het stadsbestuur de ontvanger van het kaaigeld, Cornelis Bosdijk, op alle vaartuigen zonder onderscheid die aan de zoutketen komen om zout te laden of aan de oliemolens om oly-, lijn- of raapkoeken te laden, vrij te laten van het betalen van het extra kaaigeld.

De dekenen van de zoutpannering reageren in januari 1799 op het rekest van de zoutgrossiers. Deze beklagen zich dat die van de zoutpannering een mindere hoeveelheid zout verkopen dan met één vat tegelijk en voor de aflevering daarvan geen beëdigde zoutmeters gebruiken. Dit strekt tot aanmerkelijk nadeel van de zoutgrossiers. Vooral daar ze in het jaar 1797 van het toenmalige stadsbestuur hun aanstelling hebben verkregen onder betaling van een recognitie van twintig Zeeuwse rijksdaalders. Ze willen graag de redenen weten waarom het stadsbestuur in 1797 de zoutgrossiers op genoemde recognitie hebben gesteld en de panneluiden daarvan vrijgelaten. Het stadsbestuur stelt deze kwestie ter afwikkeling in handen van de raadsleden Vervenne en Dominicus.

Zoutketen

In mei 1796 verzoekt Izak de Broekert toestemming om een zoutkeet met twee zoutpannen aan de haven van de stad te mogen afbreken. Deze keet is in groot verval geraakt. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Wel is De Broekert verplicht de kaai die tot deze zoutkeet behoort in een behoorlijke staat te onderhouden en binnen één jaar op de grond van de zoutkeet een behoorlijk woonhuis te stichten. Niettemin blijft De Broekert gehouden, ingeval iemand genegen mocht zijn op deze grond een nieuwe zoutkeet met een of twee zoutpannen te stichten, dit gebouw en de daarbij behorende erve af te staan tegen een zodanige taxatieprijs als door het stadsbestuur wordt bepaald.
Ook Pieter Goeree en Anthony de Olyslager geven in maart 1797 te kennen van Dignus Boutens een zoutkeet aan de oostzijde van de haven te hebben gekocht. Ze verzoeken deze zoutkeet te mogen afbreken. Het stadsbestuur gaat ook hiermee akkoord. Ze zijn verplicht de vrijkomende grond met een of twee woonhuizen te bebouwen. Als iemand bereid is daar opnieuw een zoutkeet te bouwen, zullen ze afstand van dit recht moeten doen.
Adriaan Zoutewelle krijgt op zijn verzoek in augustus 1798 toestemming om in de zoutkeet van Cornelis Zoutewelle de oude aan de oostzijde van de haven (volgens het huizenkohier: oost Jacobus de Jongh Wzn; west de haven; noord stadsgrond en zuid Izak de Broekert, Jacobus de Jong Wzn en Jacobus Benjaminse) zodanige veranderingen en verbeteringen te maken als hij tot behoorlijke inwoning voor hem en zijn huisgezin dienstig en nodig zal oordelen.
Anthony de Olyslager en de weduwe van Pieter Goeree krijgen in januari 1800 toestemming om een zeker huis en erve, door hen in 1797 gesticht op de plaats waar de (laatste) zoutkeet van Dignus Boutens heeft gestaan, publiek te verkopen.

Grossiers in zout

Het Verenigd Committee van Financiën en Onderzoek rapporteert in oktober 1797 over de wijze waarop binnen de stad een onbepaald aantal geprivilegieerde zoutbakken zou kunnen worden geïntroduceerd. Na grondig onderzoek van de zaak adviseert het Committee het stadsbestuur voorlopig aan een onbepaald aantal burgers toe te staan op een jaarlijkse recognitie van vijftig gulden tot voordeel van de stad zoutbakken aan te leggen. Ze mogen het zout met geen mindere kwantiteit verkopen aan de kleine winkeliers of zogenaamde slijters.
Gelijk daarop verzoekt Jacobus Dominicus om in zijn aangekochte huis van L. van Thooren een zoutbak te stichten om daar zout in het gros te verkopen. Gehoord het gunstige bericht van het Committee van Financiën en Onderzoek besluit het stadsbestuur Dominicus toe te staan om een zoutbak te stichten om zout als grossier te verkopen.
Ook Nicolaas Vervenne krijgt vergunning om een zoutbak aan te leggen om zout als grossier te verkopen. Het verzoek van Cornelis Zitters om een zoutbak te stichten en zout als grossier te verkopen wordt echter afgewezen.

Ook Jan Boddingius is genegen zich te generen met het verkopen van wit geraffineerd zout als grossier en wil een zoutbak stichten. Het stadsbestuur staat hem toe een zoutbak te stichten en wit geraffineerd zout als grossier te verkopen. Ook Marinus Serly krijgt toestemming om in zijn huis een zoutbak te stichten en zout als grossier met de grote maat te verkopen.
De grossiers in zout worden gelast geen zout uit hun pakhuizen te laten gaan dan alleen als het met de gewone zoutmaat is gemeten, evenals het aan de zoutketen nog gebruikt wordt. Tevens wordt de grossiers in zout aangezegd om voorlopig met de stads ordinaire maat zout af te leveren tot nader order. De grossiers in zout krijgen toestemming het zout te verkopen bij de stadsmaat. Ook Ferdinand Zuydweg, Jacobus de Broekert en Hermanus Staal krijgen een aanstelling van het stadsbestuur als grossiers in zout.

In november 1797 adviseert het Verenigd Committee van Financiën en Onderzoek het stadsbestuur over de te stichten zoutbakken. Het is het Committee gebleken dat door de pachter Westveer c.s. geheel niet is voldaan aan de belofte om, ingeval het stadsbestuur bepaalt dat binnen de stad zoutbakken kunnen worden gesticht en grossiers in wit geraffineerd zout worden toegelaten, zij dan zullen zorgen dat door de keetbazen of zoutzieders direct van de zoutketen geen zout minder bij een zoutvat zal worden afgeleverd. Al deze voorstellen zijn door hen destijds gezegd te zijn gegrond op de plakkaten bij onderscheidene gelegenheden door de Staten van Zeeland vastgesteld.
Het Committee adviseert dat elke grossier in wit geraffineerd zout een recognitie dient te betalen van vijftig gulden. Omdat enige van de verzoekers om admissie voor het stichten van zoutbakken of het verkopen van wit geraffineerd zout als grossiers schijnen te weigeren om hun attest te accepteren, dienen alle verzoekers in deze te worden kennis gegeven van de resoluties van het stadsbestuur. Hen dient te worden afgevraagd of ze op die grond al of niet bij hun gedane verzoeken persisteren.
Het stadsbestuur besluit alle geadviseerde bepalingen vast te stellen. De vergadering conformeert zich volledig aan het rapport van het Verenigd Committee van Financiën en Onderzoek.

 

 

 

Overige bedrijvigheid

In 1793 krijgt Machiel Faine vergunning om als schoorsteenveger binnen de stad en de omliggende jurisdictie op te treden.
Cornelis Geeuws, voorzien van een deugdelijk paspoort van de gouverneur van Bergen op Zoom, arriveert in januari 1795 in de stad. Hij heeft bij zich een ‘Groote 200 pond gist’ en vraagt toestemming tot verkoop daarvan. Het stadsbestuur zegt hem aan dat hij deze partij gist eerst moet aanbieden aan de gistverkopers binnen de stad tegen een gangbare prijs en, als deze daaraan geen behoefte hebben, mag hij de gist publiek verkopen.
In 1796 wil Jan van Kogelenberg op een zekere plaats binnen de stad een roetsmelterij oprichten. Op advies van de stadsdirecteuren wordt dit afgewezen.

Timmermansbaas Johannes Pilaar beklaagt zich in november 1796 over de handelwijze van de timmerlieden die tevens stoeldraaier zijn binnen de stad door het van buiten inbrengen van schrijnwerkergoed zelfs van buiten de provincie. Het stadsbestuur verleent toestemming dat de Goese timmerlieden ook schrijnwerkergoed mogen maken en verkopen. Tevens verkrijgt Pilaar vergunning voor het verkopen van borstelwerk, witwerkerwerk en gemeen schrijnwerkerwerk.
In september 1797 komt er een verzoek bij het stadsbestuur binnen van een zekere Willem Opperman om binnen de stad bezems te mogen maken en verkopen met verbod van invoer van bezems van buiten de stad.
In april 1798 staat het stadsbestuur het toe om met schoenen en muilen te leuren op het platteland en in de stad.

Verscheidene burgers krijgen in 1799 vergunning voor de uitoefening van bepaalde neigingen. Het zijn Antony d’Olyslager voor de verkoop van in- en uitlandse biezen, stoelen, schoenen, muilen en hoeden, zowel binnen als buiten de Republiek vervaardigd; Jan Soutendam voor de verkoop van tarwemeel en bloem, dat op een van de stadskorenmolens is gemalen; Wilhelmus

Rijnardus voor de verkoop van alle soorten van parfums en zwavelstokken; Marinus Gorsse voor de uitoefening van het glazenmaken; David Berthoud’s weduwe voor de verkoop van borstels en

witwerkerwerk; Adriaan Pals uit de Voorstad voor
de verkoop van alle soorten borstels en witwerkerwerk; Hermanus Mulder voor de verkoop van spek en vlees, gedroogde en gezouten vis, mitsgaders schoenen en muilen en Jacobus Dom voor de verkoop van ijzer, koper, tin, lood, spek, vleesch, schoenen en muilen.

Francois Oversluis krijgt in maart 1799 toestemming voor het boekbinden en het verkopen van boeken en papier. Ook krijgt Adriaan Harinck vergunning om binnen de stad de maljeniersaffaire en het verkopen van alle soorten van gemaakt en ongemaakt ijzerwerk bij de hand te nemen. Hij is voornemens om zich eveneens met het verkopen van raap- en lijnolie te generen. Willem Verspuy krijgt toestemming

om zich als kleermaker in de stad te vestigen en Johannes Berger ‘om de negotie van schoenen en muilen alsmede het tinnegieten te gaan uitoefenen in zijn huizinge ter vermeerdering van zijn bestaan’. Thomas Briels wordt toegelaten als schoenmaker. Jan den Herder krijgt in april 1799 vergunning in zijn neringdoende winkel zout, azijn en zeep te verkopen als slijter. Pieter Nieuwmare wordt toegelaten als glazenmaker.

Abraham Moorhoff krijgt in februari 1800 vergunning om als timmermansbaas binnen de stad te werken. In december van dit jaar mag Maria Limbertus een borstelwinkel houden en oude klederen, meubelen en ijzer kopen en verkopen. Ook Pieter van Loo mag in december het schoenmakersambacht uitoefenen. Jozias van de Velde, wonende in de Voorstad, krijgt in augustus vergunning om een borstelwinkel op te zetten, evenals Arnoldus Hoff.
In oktober krijgt Anna Maria Walraven toestemming een winkel van tin en andere goederen op te richten. Willem van Nakke mag een winkel van tin en andere goederen gaan drijven en Cornelis

van Zoom een winkel van koper en tinwerk en andere goederen. G. Boulboule krijgt toestemming om zich als horlogemaker binnen de stad te vestigen. Bartel Knieriem mag binnen de stad aan de huizen rond gaan om te raseren (scheren). Arnoldus Ross

krijgt vergunning om het lootgieters- en schaliedekkerswerk binnen de stad uit te oefenen.