Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1793 - 1800)

Herstel kaaimuren en legzaten voor de schepen

De stadsdirecteuren rapporteren in mei 1797 over het hoognodige herstel van de kaaimuren ter plaatse van het Rotterdamse beurtveer en het huis ‘de Drie Coningen’ aan de Koningstraat nummer 1 van Zacharias Maximilliaan Rimmers. De kosten bedragen voor materiaal en arbeidsloon £ 720 Vlaams. Ze krijgen opdracht voor het aanbesteden van dit werk.
In juli wijzen de stadsdirecteuren eveneens op de noodzakelijkheid ‘om een zeker einde kaaimuur, liggende tussen de twee nieuw gemaakte einden van de kaaimuur voor de huizen van Z.M. Rimmers en ter plaatse van het Rotterdamse veer, geheel te vernieuwen’. Het stadsbestuur gaat ook hiermee akkoord.

Maar in januari 1800 luiden de stadsdirecteuren opnieuw de noodklok over de slechte toestand waarin een gedeelte van de kaaimuur, nu van de dwarskaai, zich bevindt. Het is noodzakelijk dat tot een spoedig herstel wordt overgegaan. Het stadsbestuur draagt de stadsdirecteuren op een begroting van kosten op te stellen.
Op de 1e februari bieden ze hun rapportage al aan. Ze hebben de noodzakelijke reparatie aan de muur van de dwarskaai geïnspecteerd. De reparatie van de kaaimuur ramen ze op circa £ 500 Vlaams. Pas wanneer de kaaimuur is uitgebroken kunnen ze beoordelen welke omvang het werk heeft en wat de exacte kosten zijn. Het is nu niet te overzien of de muur geheel en al moet worden vernieuwd of dat volstaan kan worden met een gedeelte te repareren, ‘hetwelk, zo ja, geen geringe vermindering in die calculatieve begroting van kosten zou te weeg brengen’. Ze stellen voor om in dat geval de gehele muragie van de stadskaai te doen repareren. Het puin van de te repareren kaaimuur kan dan tot aanvulling van de in de vest bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort te leggen dam worden gebruikt. Het stadsbestuur geeft de stadsdirecteuren fiat voor het uitvoeren van hun voorstel.

In mei 1800 rapporteren de stadsdirecteuren opnieuw over de toestand van de stadskaaimuren en van de legzaten voor de schepen in de stadshaven. Ze krijgen toestemming om met inachtneming van alle mogelijke besparingen de kaaimuren te doen herstellen. Het stadsbestuur verzoekt hen in juli ook voor het afdelven van de zaten voor de schepen, die aan de kaai af- en aankomen, een behoorlijk plan op te stellen en dit met een bestek van aanbesteding aan de vergadering voor te leggen.  
Enkele weken later rapporteren de stadsdirecteuren over hun inspectie en gemaakte raming van kosten. Ze stellen voor, vanwege de hoge kosten, de hoogst noodzakelijke verbetering aan de zaten, op een voor de stadsfinanciën minder gevoelige wijze, te doen. Dit kan door het aanschaffen van een zogenaamde slikpont om daarmee van tijd tot tijd de hoogste platen door arbeiders in stadsdaggeld te laten afnemen en vervoeren. Het stadsbestuur besluit de voor dit doel benodigde pont voor stadsrekening aan te schaffen. In oktober geven de stadsdirecteuren kennis van de aanbesteding van het afnemen van de zaten in de kaai, ‘door hun aan sommige vletters bij de reis gedaan’.

Verlanding vaarwater

Gedurende deze jaren slepen de pogingen om een nieuwe haven door het verlandde vaarwater aan te leggen zich voort.
De ‘gecommitteerden tot de haven’ rapporteren in december 1793 ‘dat ze niet kunnen adviseren om de geprojecteerde haven tegen het aanstaande jaar te doen graven, zo uit hoofde van de moeilijkheid om in de tegenwoordige omstandigheden van tijd gelden voor een redelijk interest te kunnen negotiëren als wel omdat men niet verzekerd is om een genoegzaam garnizoen te zullen behouden, zonder hetwelk er vele redenen zijn om een werk, daar zoveel volk toe geëmploieerd moet worden, niet te ondernemen’.

Generaal Dujardin van het Franse garnizoen verzoekt in september 1798 ‘dat door het stadsbestuur zou worden afgepaald rechts en links de droogte die de communicatie op laag water met Wolphaartsdijk toelaat’. Het stadsbestuur antwoordt dat de afpaling van de droogte niet behoort tot de competentie van het stadsbestuur en onder de jurisdictie van de stad niet is begrepen.

Op de 1e december 1798 staat het stadsbestuur opnieuw uitvoerig stil bij de problemen van het vaarwater en de noodzaak van een nieuwe haven ‘teneinde zich onledig te houden ter bewerkstelliging van het nodige om bij behoorlijk adres of anderszins zich te vervoegen daar het zoude behoren, teneinde voor deze stad en burgerij te bekomen de nodige fondsen tot het leggen van een nieuwe haven of verlenging van de tegenwoordige haven, dat telkens afwisselende veranderingen in besturen de werkzaamheden van die commissie in deze van tijd tot tijd zijn vertraagd, ja zelfs geheel en al achterwege gebleven’.

Het stadsbestuur besluit de burger G. Codde te kennen te geven dat het ten hoogste erkentelijk is voor de waakzaamheid van het constitutionele gezelschap. Door de van tijd tot tijd plaats gehad hebbende veranderingen in de hogere en lagere besturen heeft men als het ware nog weinig of niets kunnen werkzaam zijn om aan dit zo belangrijke punt van stedelijke welvaart het nodige toe te brengen.
Tevens wil het stadsbestuur ten volle instemmen met de aanstelling van een commissie en ‘vertrouwt dat met meer bespoediging van de werkzaamheden in deze het niet dan hoogst nuttig konde zijn deze commissie met nog twee leden te vermeerderen’. Hiertoe worden benoemd de leden van het stadsbestuur Jan Soetebier en Nicolaas Vervenne.

Het lid van het stadsbestuur, Nicolaas Vervenne, moet op de 8e juli 1799 voor zijn eigen zaken op reis naar Holland. Het stadsbestuur verzoekt hem in naam van de vergadering zich te vervoegen bij de presidenten van de beide kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam en Uitvoerend Bewind van de Republiek. Aldaar moet hij alle mogelijke pogingen doen tot het bereiken van het zo heilzaam oogmerk voor de burgers tot het bekomen van een nieuwe haven voor de stad.

Op de 13e juli 1799 verschijnen in de vergadering van het stadsbestuur de burgers Gerard Codde en Johannes Vernet. Ze verzoeken te worden ingelicht over de resolutie die door het stadsbestuur aan het Vertegenwoordigend Lichaam van Zeeland is gepresenteerd betreffende het verbeteren of geheel vernieuwen van de stadshaven. Ze krijgen te horen dat dit rekest al in de maand januari is verzonden naar het Vertegenwoordigend Lichaam van het gewest. Hierover is bij het stadsbestuur nog geen nader bericht ingekomen, veel min is enig gunstig besluit bekend gemaakt. Verder verzoeken beide burgers om dit rekest, ter onderkenning door alle belanghebbenden, te mogen leggen op een zodanige plaats als het beste zal worden beoordeeld. Het rekest wordt in handen gesteld van beide burgers.

De leden van het stadsbestuur Vervenne, Van Kleinputte, Dominicus en P.A. Ossewaarde worden gemachtigd om met de inspecteur J. Bosdijk te confereren over de beschikbare kaarten, plannen en verdere stukken met betrekking tot de bedijking van de schorren van Goenje en de Mosselbank.
Secretaris Dominicus legt in december 1799 een geauthentiseerde copie van het contract  tussen de voormalige Gecommitteerde Raden van Zeeland en de respectieve ambachtsheren  van Wolphaartsdijk en Hongersdijk van 17 januari 1793 met betrekking tot de bedijking van de schorren van Goenje en de Mosselbank en daardoor te graven nieuwe haven over. Dit wordt gesteld in handen van de Commissie tot onderzoek van het werk van de nieuwe haven.

De commissie tot het doen van onderzoek naar het werk van de haven rapporteert in januari 1800 dat door de secretaris van het Committee van Financiën over Zeeland is geïnformeerd ‘dat hij zwarigheid maakt de ter secretarie berustende stukken over het werk van de haven zonder autorisatie van het Committee af te geven’. De stadssecretaris verzoekt daarop het Committee dat hun secretaris tot de afgifte van deze stukken mag worden geautoriseerd.

In februari 1800 ontvangt het stadsbestuur een brief met een extract uit de resolutie van het Departementaal Bestuur van Schelde en Maas, ten geleide van de brief aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam van het Bataafse Volk. Dit wordt gesteld in handen van de commissie tot het onderzoek naar het verrichte over het werk van de haven.

Op 5 april 1800 neemt het stadsbestuur kennis van het antwoord van de Commissie van Financiën in het voormalige gewest Zeeland van de 21e januari op haar missive van de 15e januari. Daarin verzocht het stadsbestuur ‘om uit de papieren van de voormalige Staten van Zeeland af te geven de plans, kaarten, beraming en berekening van kosten, door de stad in 1792 wegens het aanleggen van een nieuwe haven ter vergadering van de Staten overgelegd of dat door enig vertrouwd persoon moge worden gelicht kopieën uit en van deze stukken’. De Commissie weigert dit omdat geen documenten van de vorige bestuurders van het gewest Zeeland daaruit gelicht of afgegeven mogen worden. Niettemin is de Commissie bereid, om zoveel mogelijk aan de intentie van de stad Goes te voldoen, de kopieën ter secretarie van hun vergadering te doen opmaken op kosten van de stad. De Commissie laat het aan het stadsbestuur over om onder opzicht van de secretaris van die vergadering de bedoelde kaart te laten formeren door een zodanig persoon als daartoe door Goes wordt gecommitteerd. Bij deze brief zijn de bedoelde plans, beramingen en berekeningen van kosten uit het jaar 1792 voor het aanleggen van een nieuwe haven ter vergadering van de voormalige Staten overgelegd. P.A. Ossewaarde deelt mee dat de bedoelde kaart door de inspecteur J. Bosdijk wordt vervaardigd en eerstdaags in gereedheid zal zijn.

Ossewaarde brengt op de 17e mei 1800 namens de Commissie tot het werk van de haven rapport uit aan het stadsbestuur. Hij legt een conceptbericht aan het Departementaal Bestuur van Schelde en Maas, gevraagd naar aanleiding van het bericht van G. Codde en een aantal inwoners van de stad en het eiland, voor. Het is een verzoek aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam dat zo spoedig mogelijk een haven van deze stad zal mogen worden gegraven, zoals al bij de vorige Staten van Zeeland is goedgekeurd. Secretaris Dominicus zendt de brief met een kopie van de resolutie daarover van de voormalige Staten van Zeeland van 17 december 1792 en andere relevante stukken aan het Departementaal Bestuur toe.

De president doet op de 5e juli 1800 verslag ‘van het gepasseerde door deze stad van de burger Goedberg, agent van Nationale Economie, op zijn huishoudelijke reis ter bevordering van de algemene welvaart, ingevolge kwalificatie van het Uitvoerend Bewind, door de gehele Republiek te doen’. Ook secretaris Dominicus maakt melding van het met de Agent gehouden gesprek. Het stadsbestuur besluit, op voorstel van de agent de heer Goedberg, kopieën van alle stukken die op het werk van de vernieuwing van de stadshaven en indijking van de daarvoor gelegen schorren betrekking hebben en die bij dit bestuur voorhanden zijn, toe te sturen aan de agent van Nationale Economie. Dit om ingevolge zijn toezegging, ter gelegenheid van de met hem gehouden gesprekken gedaan, daarvan zodanig gebruik te kunnen maken als hij tot bevordering van de algemene welvaart nodig zal achten.