Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1793 - 1800)

Algemeen

In 1798 komen er verscheidene maatregelen van hogerhand die van belang zijn voor de kerkgebouwen van de kerkelijke gezindten.
Zo besluit het stadsbestuur op de 17e maart 1798 aan de kerkelijke gemeenten van alle gezindheden het recht toe te kennen om de zaken die op de kerk betrekking hebben te regelen zonder daarover aan het stadsbestuur enige verantwoording verschuldigd te zijn.
Een week later, op de 26e maart, worden de kerkmeesters geautoriseerd de wapenborden die in de kerkgebouwen hangen af te nemen. Ook krijgen de kerkmeesters begin april opdracht de zitplaatsen onder het orgel in de Grote kerk te verhuren.

Nederduitse Hervormde gemeente

Kerkenraad

In deze periode worden bij de jaarlijkse verkiezing van de helft van de kerkenraad (vier ouderlingen en vier diakenen) de volgende ambtsdragers gekozen:

1793 tot ouderlingen Petrus Alexander Boreel de Mauregnault, Marinus van Balen Pzoon, Gerard de Leeuw en Willem de Wolf en tot diakenen Hubertus Harinck Czoon, Daniël Boddingius, Henricus Johannes van ’t Hof en Wilhelmus Oostdijk.
1794 tot ouderlingen burgemeester Cornelis van Citters van Bruelis, Christoffel de Jongh, Marinus Gorsse en Johannes Walraven en tot diakenen Frederik van Nakke, Jan Boddingius, Jacobus de Jongh en Joost Goossen.
1795 tot ouderlingen Zywert Diderik van der Bilt, heer van Cloetinge, Johan Stokmans, Jacob de Hond en Jacob Jasperse en tot diakenen Willem van den Hoek, Nathanaël Visser, Abraham van de Volkeren en Philippus de Wijs.
1796 tot ouderlingen Wilhelmus Oostdijk, Willem de Wolf en Hubertus Harinck en tot diakenen Adriaan de Wolff en Jan Zoetebier.
1797 tot ouderlingen (bij continuatie) Marinus Gorsse en Johannes Walraven en als nieuwe ambtsdragers Antony Kouweliere en Hendrik Verhoef en tot diakenen Nicolaas Vervenne, Johannes Rimmers, Marinus Corbeel en Pieter van Schoten.
1998 tot ouderlingen Johannes Stokmans, Willem de Wolf en Wilhelmus Oostdijk.
Een aantal leden van de kerkenraad weigert in 1797 de eed van trouw aan het huidige bewind af te leggen. Ze moeten daardoor afstand doen van hun ambt. Het collegium qualificatum vindt het hoognodig dat de opengevallen plaatsen van ouderlingen en diakenen worden aangevuld om voor het nog lopende en het eerstvolgende jaar te dienen.

In 1798 treedt ds. Pické op als preses en tegelijk als scriba. De kerkenraadvergaderingen worden soms in vijf regels genotuleerd. Ook in 1799 worden vergaderingen gehouden die uiterst kort worden genotuleerd. Er heersen kennelijk spanningen en verwarring in de kerkelijke gemeente.

Predikanten

Op verzoek van ds. Willem Gerard van der Grijp besluit het stadsbestuur in april 1795 hem een attestatie te geven waaruit blijkt dat de aanwezigheid van zijn zoon Jan van der Grijp, die thans krijgsgevangen in Frankrijk zit, voor het verrichten van familiezaken te Goes ten hoogste nodig is.

Op de 14e april 1795 deelt ds. Johan de Stoppelaar mee dat hij het op hem uitgebrachte beroep door de gemeente van Gorinchem heeft aangenomen. In verband hiermee wordt een vergadering van het collegium qualificatum gehouden. Afgevaardigd worden namens het stadsbestuur de burgers Mispelblom en Dijkwel. De vergadering verklaart ds. De Stoppelaar ‘ongaarne te zien vertrekken’. Hierop neemt ds. De Stoppelaar ‘een zeer teder, aandoenlijk en allervriendelijk afscheid onder hartelijke zegenbeden over de vergadering, hetgeen door de Praesis met toewensching van ’s Heeren Zegen over zijn persoon en dienst beantwoord wiert’. Met het oog op de vacature van ds. De Stoppelaar verzoeken de predikanten Van der Grijp en Lotchius in oktober 1795 om voorlopig de vrijdagavondpredikbeurten op te schorten. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In december 1795 wordt er binnen de kerkenraad omvraag gedaan of iemand iets naders uit te brengen heeft. Door een lid van de vergadering wordt voorgesteld ‘of er niet een collegium qualificatum zou kunnen worden bepaald tot de dadelijke beroeping van een predikant. Waarop door het voorzittende lid der gedeputeerden W. Egter geantwoord is, dat de gedeputeerden gaarne zouden zien dat er hoe eer hoe liever een predikant beroepen wierd, doch dat zij ook gaarne zagen dat er met de kerkenraad en diakenen vooraf over deze en gene predikanten concurrent gesproken wierd om het werk der beroeping gemakkelijk te maken, waartoe bepaald wordt de 28e december’. Er worden nadien twee ‘amicale comparitiën’ gehouden om over het beroepen van een predikant te spreken. In april 1796 komt het collegium qualificatum bijeen in tegenwoordigheid van de afgevaardigden van de Municipaliteit A. van den Thoorn, G. van der Hoek en L. Krekelenberg. Vooraf wordt een brief van de Municipaliteit, getekend door de secretaris Jacobus Dominicus, voorgelezen met de volgende inhoud:

  • de Municipaliteit zal niet kunnen toestemmen ‘in een beroeping van een predikant, dewelke dezelve niet mogt toegedaan zijn. Het moet wel een predikant zijn die de tegenwoordige constitutie is toegedaan’ en
  • wat betreft de betaling door de stad van de kosten van de beroeping is besloten ‘dat de stadsfinanciën niet toelaten in de gantsche betaling te consenteren’.

Op de nominatie worden zestien predikanten geplaatst. Daaruit wordt een zestal verkoren en daaruit een drietal, te weten de predikanten Kerkhoven uit Schoonhoven, Haak Forsborgh uit Den Bosch en Alting uit Werkendam. Met meerderheid van stemmen wordt ds. Haak Forsborgh beroepen. De preses ds. Van der Grijp en ouderling Stokmans brengen geen stem uit. In mei komt er een uitvoerige brief binnen van ds. Haak Forsborgh waarin hij meldt dat hij door de aandrang vanuit zijn gemeente en ambtsbroeders te Den Bosch meent voor het beroep te moeten bedanken.

De kerkenraad brengt in augustus 1796 opnieuw een beroep uit. Op de nominatie worden twaalf predikanten geplaatst, waaronder opnieuw ds. Forsborgh uit Den Bosch. Hij wordt opnieuw beroepen. Omdat de predikant zich thans te Veere bevindt, besluit een kleine meerderheid van de kerkenraad hem door een comité te laten bezoeken om hem vriendelijk te nodigen tot de aanneming van het beroep. Het heeft echter geen effect. Ds. Forsborgh bedankt opnieuw.

In september 1796 wordt ds. Petrus Pické te Sprang in de Langstraat beroepen tot predikant. Er gebeuren nu merkwaardige dingen. De gedeputeerde namens het stadsbestuur Van den Hoek stelt voor ‘om de beroepingsbrief niet te verzenden als na voorafgaande resumtie’. Uit rondvraag blijkt dat dit eenparig onnodig wordt geoordeeld. Daarop legt gedeputeerde Van den Hoek een schriftelijk protest over. Hij weigert dit echter voor te lezen, waarom de kerkenraad ‘het goedvond ’t zelve op de tafel te laten liggen’. In een korte brief deelt ds. Petrus Pické mee het beroep aan te nemen. In december rapporteert de commissie tot het beroepen van een predikant dat de nieuw beroepen predikant Pické binnen de stad is gearriveerd en zich al heeft geadresseerd aan de president van het stadsbestuur om van zijn aankomst kennis te geven. De commissie zal ds. Pické ‘gaan verwellekomen en in naam van de raad getuigen hun sensibel genoegen over het arrivement van de predikant te dezer plaatse’.
Op 1e kerstdag ’s voormiddags wordt ds. Pické bevestigd door ds. D. Kaas met een Leerrede over Mattheüs 16 : 18 (‘En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen’). De nieuwe predikant vangt ‘s middags zijn openbaar dienstwerk aan met een predikatie over de tekst 2 Korinthe 12 : 14b (‘Want ik zoek niet het uwe, maar u’).

Op de 29e oktober 1796 deelt ds. W.G. van der Grijp vanuit Den Haag mee ‘dat hij eerlang staat op te houden zijn dienst vanwege zijn voortdurende ongesteldheid en onvermogen waar te nemen’. Hij verzoekt voorziening in de waarneming van zijn predikdienst of sluiting van de kerk tijdens zijn preekbeurten tot de tijd dat hij in staat zal zijn de terugreis naar Goes aan te vangen. Het stadsbestuur besluit gedurende de ongesteldheid van de predikant de kerk te sluiten. Niettemin worden de andere predikanten verzocht zoveel mogelijk de preekbeurten van ds. Van der Grijp waar te nemen.

Op de 17e november 1796 verzoekt ds. Lotchius om op zondag de 4e december des avonds de kerk te mogen sluiten omdat er dan maar één predikant present zal zijn. Hiermee gaat het stadsbestuur akkoord. Het stadsbestuur besluit in november 1796, uit hoofde van het verzuim in de godsdienstoefening door het gemis van twee predikanten, ds. Van der Grijp aan te schrijven zo spoedig doenlijk over te komen en zijn dienstwerk te aanvaarden. Half december komt er een brief binnen van ds. Van der Grijp te ’s Hage ‘met kennisgeving van zijn ongesteldheid bij voortduring aan zijn been en onvermogen om te kunnen reizen en zijn predikbeurten waar te nemen, alsmede zijn voornemen om in de Nieuwejaarsclassis voor hem liefdebeurten te verzoeken’.
In juni 1797 vraagt ds. Van der Grijp emeritaat vanwege zijn voortdurende en zelfs toenemende lichaamsongesteldheid. De Classis willigt z’n verzoek in en verleent hem eervol emeritaat.

Voor het eerst in de kerkelijke geschiedenis van Goes vergadert op de 3e november 1797 de ‘Groote Kerkenraad’, bestaande uit predikanten, ouderlingen en diakenen, voor het beroepen van een nieuwe predikant. Er wordt een zestal geformeerd, bestaande uit de predikanten Overdorp te Noordwijk, Beverlo Brouwer te Maasdam, Hugenholtz te Zoetermeer, Schoenmaker te Oosterland, Lotchius te Wouw en Welman te Tholen. In grote meerderheid van stemmen wordt ds. J.L. Overdorp te Noordwijk beroepen. De preses geeft van het beroep kennis aan het stadsbestuur, ‘niet twijfelende of dezelve zal de beroepene de inwoning als burger toestaan indien zijn eerwaarde de beroeping aanneemt’.  Ds. Overloop bedankt echter voor het beroep wegens gewichtige redenen.
In januari 1798 wordt een beroep uitgebracht op ds. L.J. Beverlo Brouwer te ’s Gravenzande.
Deze predikant blijkt nog maar sinds 19 november 1797 in die gemeente werkzaam te zijn. Hij bedankt dan ook voor het beroep.

Op de 23e september 1797 deelt de president het stadsbestuur mee ‘opgewacht te zijn door de burger Dirk Kaas, oudste leraar der Hervormde gemeente en president van de kerkenraad’. Hij informeerde ‘of in het aanstaande te doene beroep van een gereformeerd predikant, vermits het emeritaat van ds. W.G. van der Grijp, vanwege de stad als voorheen zullen worden betaald de beroepings- en andere kosten’. Het stadsbestuur geeft de kerkenraad te kennen dat de financiële omstandigheden van de stad het niet toelaten enige betaling in deze kosten te doen.
Enkele weken later wijst het stadsbestuur de gereformeerde Nederduitse kerkenraad er op dat de verschotten en onkosten, nodig voor de nieuw te beroepen predikant, die in de rekening van de kerkenmiddelen worden verantwoord, behoorlijk valide zullen moeten zijn.

In september 1798 dringt ouderling H. Verhoef per brief sterk aan op het beroepen van een predikant in de openstaande vacature. De preses ds. Pické legt een preadvies aan de vergadering voor. Hij adviseert voorlopig met het beroepen te wachten. Door de nieuwe orde worden er van staatswege geen vergoedingen meer gegeven voor de traktementen van de predikanten. Bovendien hebben de Zeeuwse classis een commissie ingesteld om zich hierover te beraden. Het samenvoegen van kerkelijke gemeenten en predikantsplaatsen moet niet worden uitgesloten. De scriba ds. Lotchius en ouderling Walraven berusten in het preadvies en wijzen het voorstel van ouderling Verhoef van de hand. De broeders Kouweliere en Oostdijk kunnen zich er niet mee verenigen.

In mei 1800 geeft de predikant ds. Petrus Pické het stadsbestuur kennis van zijn beroep naar de gemeente van Doeveren en Genderen onder de Classis van Gorinchem. Hij neemt dit beroep aan.
Ook ds. D. Kaas zal weldra afscheid van de gemeente nemen. Hij is nu tachtig jaar en preekt nog elke zondag in de Grote kerk en de Kleine kerk. Hij krijgt met ingang van 1802 eervol emeritaat. Dirk Kaas werd geboren te Rotterdam in 1722. Hij diende de gemeente van Goes veertig jaar, van 1762 tot 1802. Hij is overleden in 1806.

Krankenbezoekers, voorzangers en kosters

De koster van de Grote kerk Jacobus Pieterse, de krankenbezoeker C. Dekker en de tweede voorzanger F. Schoonderwalt weigeren de eed van trouw aan het nieuwe bewind af te leggen. De krankenbezoeker en de voorzanger worden verzocht hun post te blijven waarnemen tot dat hierin is voorzien. In de plaats van koster Pieterse wordt Pieter Engelse verkoren. Overigens wordt ook de schoonvader van Pieterse, de vorige koster Teunis van Uye, wegens weigering van de eed vervallen verklaard ‘van het aanmerkelijk douceur’ dat hem bij de verkiezing van zijn schoonzoon werd toegekend. Ook Maria Zoetebier wordt vervallen verklaard van het douceur, verbonden aan de assistentie van de koster. In haar plaats wordt verkoren Martina Slover.
Maar de benoeming van de nieuwe koster heeft nog een nasleep. In november 1797 wordt Engelse op het stadhuis ontboden. Daar krijgt hij te horen dat hij voor zes maanden uit zijn functie is geschorst. Naar de reden van het ontslag moet hij gissen. De kerkenraad neemt hier met de uiterste bevreemding kennis van. Het stadsbestuur wordt bericht dat, indien Engelse iets mocht misdaan hebben als burger, de kerkenraad hier niet overgaat. Maar als er iets op hem aan te merken mocht zijn in verband met zijn functie van koster, behoort dit niet tot de bevoegdheid van het stadsbestuur maar van de kerkenraad. Ze beschouwt het optreden van het stadsbestuur als willekeurig, informeel en beledigend voor de kerkenraad. De kerkenraad brengt deze zaak onder de aandacht van de Representanten van het Volk van Zeeland.
Vervolgens komt de president Egter aan het huis van ds. Kaas en deelt hem mee dat koster Engelse hem in zijn waardigheid van president van het stadsbestuur heeft beledigd. Hij heeft daarover echter voor de raad excuus aangeboden, zodat de schorsing is opgeheven.

Ook de krankenbezoeker en catechiseermeester Cornelis Dekker wordt wegens weigering van de eed van trouw aan het huidige bewind van zijn functie vervallen verklaard. Het wordt hem in november 1796 verboden ‘om voortaan enige catechisaties of onderwijs aan zijn huis voor de jeugd te houden of zich in enige manieren als catechiseermeester in de Goddelijke Waarheden alhier te doen gebruiken’. Een zekere Paulus Provoost solliciteert. Hij is in 1790 door de kerkenraad van Middelburg toegelaten om anderen in de gronden van de Christelijke godsdienst te onderwijzen. Hij heeft aldaar blijk gegeven van zijn kundigheid. Ook in Cruiningen en Ter Neuzen was hij catechiseermeester. De preses zal hem ondervragen over hetgeen in het bezoeken van kranken kan voorkomen. Dit onderzoek verloopt gunstig, zodat Provoost met algemene stemmen tot krankenbezoeker wordt aangesteld.
Tot vervulling van de tweede schoolmeesters- en voorzangersplaats dient zich als sollicitant aan Levinus Alblas, thans ondermeester te Sliedrecht. Deze jongeling is door ds. Kaas nauwkeurig geëxamineerd in het lezen, schrijven, cijferen en zingen. Hij geeft hierin zo een volkomen genoegen, dat hij eenparig wordt beroepen.

De krankenbezoeker Provoost komt op 6 juli 1799 op de kerkenraadvergadering. Hij verzoekt de kerkenraad er voor te zorgen dat hem het krankenbezoekerstraktement nu spoedig ter hand wordt gesteld. Al negen maanden is hij hiervan verstoken. De kerkenraad machtigt de moderators om met de gecommitteerden tot de kerkelijke zaken over dit verzoek in conferentie te treden.

Algemene gang van zaken in de kerk
Burgemeester van der Bilt deelt het stadsbestuur op 28 februari 1793 mee dat hij gistermiddag een uitschrijving van een bedestond heeft ontvangen. Hij heeft terstond ds. Kaas kennis gegeven dat op aanstaande vrijdagavond de eerste bedestond dient te worden gehouden. Daar ds. Kaas is vrijgesteld van de gewone vrijdagse avondbeurt, heeft hij hem de vrijheid gelaten om op woensdagavond de kerk te sluiten en inplaats daarvan vrijdag op zijn beurt de bedestond waar te nemen. Ds. Kaas heeft hem hedenmorgen laten weten dat ds. Lotchius de bedestond zal verrichten, mits hij dan volgende week van de vrijdagavondbeurt vrijgesteld zal zijn. Het stadsbestuur besluit ds. Kaas aan te zeggen dat het stadsbestuur begeert dat zowel vrijdagavond voor de bedestond en acht dagen daarna voor de gewone avondgodsdienst behoorlijk zal worden gezorgd. Het wordt aan de burgemeester over gelaten, als ds. Lotchius verzoekt op vrijdag de 8e maart de kerk te sluiten, daarin naar bevind van zaken te handelen.

In januari 1794 doet de boekhouder Jan Boddingius rekening en verantwoording van de diaconie en van het legaat van Juffrouw C. Nagtegaal. Beide rekeningen worden wel bevonden en door de tegenwoordige leden uit de kerkenraad voor akkoord ondertekend.
De kerkenraad besluit in 1794 dat de ouderlingen van de wijk, waaruit de predikant lidmaten aanneemt, gehouden zullen zijn daar altijd bij te assisteren of te zorgen dat er iemand in hun plaats is.
Ook worden er nogal eens lidmaten aangenomen. De notulering is dan meestal van de volgende strekking: ‘Tusschen twee gebeden zijn door ds. Kaas enige personen, bevorens opgegeven, na afgelegde belijdenis tot Ledematen der Gemeente aangenomen, welker namen in het Boek der Leden zijn aangetekend en zullen van de Predikstoel der Gemeente bekend gemaakt worden’.

In april 1796 verleent het stadsbestuur vergunning aan Jean Maret en Jaques Matthij om gedurende twee dagen binnen de stad, geassisteerd door een stadsbode, rond te gaan ‘voor het inzamelen van aalmoezen tot lossing van zodanige christenen die zuchten onder de slavernij der Turken’.

Verscheidene burgers klagen op de 12e november 1796 over het gedrag van de kerkenraad. Het is hen gebleken dat morgen, zondag, alleen zal worden gepreekt in de Grote kerk in de namiddag en de avond. De Kleine kerk zal geheel en de Grote kerk ‘s morgens gesloten zijn. Deze burgers verzoeken voorziening tot voorkoming van onaangenaamheden en tot handhaving van de openbare godsdienst. Het stadsbestuur stuurt de stadsbode Adriaan Boddingius naar de predikant ds. Lotchius om te vragen of hij wil zorgen dat morgen ‘s voormiddags de gewone preekdienst wordt waargenomen. Na terugkomst rapporteert bode Boddingius ‘dat de dochter van ds. Lotchius door een bovenraam hem heeft aangeroepen dat haar vader reeds gerust lag te slapen en zij hem niet dorst wakker te maken’. De bode wordt er andermaal op uitgestuurd. De predikant antwoordt ‘dat het hem leed doet dat de kerk morgen zoveel gesloten is, doch dat hij niet geprepareerd is om morgen voor de middag de predikdienst waar te nemen, temeer daar dit meer aan zijn collega ds. Kaas toekomt dan aan hem’. De bode wordt er voor de derde maal op uitgezonden om de predikant te herinneren aan de resolutie van 11 januari 1783 waarbij is bepaald dat geen kerk mag worden gesloten of godsdienstoefening gesurcheerd ingeval twee predikanten present zijn. De predikant verklaart onbekend te zijn met deze resolutie.
Dan wordt er een delegatie uit het stadsbestuur naar ds. Lotchius afgevaardigd om met hem te spreken. De predikant verklaart zich daarbij bereid morgen voordemiddag de catechismus te preken ingeval ds. Kaas inplaats van ‘s avonds verkiest ‘s nademiddags te preken. Daarop wordt ds. Kaas verzocht om inplaats van ‘s avonds zijn voorgenomen stof ‘s nademiddags te verhandelen.

Het stadsbestuur besluit verder, ‘vanwege het grote nadeel dat de kerkinkomsten zowel als de diaconiearmen komen te lijden door het dikwijls sluiten van de kerken of surchering van de godsdienstoefening, de predikanten benevens de kerkenraad te verbieden te consenteren in de sluiting van de kerken of surchering van de godsdienstoefening wanneer twee predikanten present zijn en door geen ziekte verhinderd zijn’.

In 1797 wordt een telling gehouden van het aantal lidmaten van de Nederduitse gemeente. Hieruit blijkt dat de gemeente 3140 zielen telt, waaronder 1000 à 1100 lidmaten.
De vier predikanten genieten alleen hun jaarwedden. Ze hebben geen emolumenten of pastorieën. Hun traktement bedraagt £ 100 + £ 30 voor huishuur + £ 25 als ze getrouwd zijn + classicaal geld £ 8.6.8, samen £ 163.6.8.
Er zijn in de gemeente twee voorlezers en voorzangers, die afwisselend in beide kerken dienst doen, twee organisten, twee kosters, een krankenbezoeker tevens catechiseermeester, een gardiaan en een orgeltrapper.

In de kerkenraadsvergadering van de 8e februari 1798 stelt de scriba ds. Pické voor, dat, ‘dewijl het openlijk dragen van mantel en bef nu verboden is en ook het luiden van de klokken zoude ophouden bij de aanvang van de openbare godsdienst, of de vergadering niet zoude kunnen goedvinden om tot gemak der predikanten bij kerkmeesters te verzoeken dat op de best mogelijke wijze gezorgd werde dat in de Kleine kerk een zeker verblijf werde verordend, binnen ’t welk de predikant, die prediken moet, zich van het gewone Ordeteken voorzien kan’. En wat betreft het luiden van de klokken stelt de scriba voor om de president van het stadsbestuur te verzoeken het bij de stadsraad daar heen te leiden dat voortaan op zondag zowel als op werkdagen, de klok van de Kleine kerk geluid wordt ’s morgens om acht uur en ’s middags om twaalf uur. Als argument dient dat, ‘zulks tot gemak van de in- en opgezetenen die verre van de Grote kerk wonen, door dit middel nog enige berekening omtrent de tijd, tot de openbare godsdienst bestemd, zouden kunnen maken’. De kerkenraad stemt hier mee in. De president van het college van kerkmeesters neemt op zich dit met het stadsbestuur te bespreken. Wat betreft het luiden van de klokken deelt de president van de stadsraad mee dat, vanwege de scheiding van kerk en staat, het verzoek van de kerkenraad geen punt van deliberatie kan uitmaken.

Het stadsbestuur schrijft de kerkenraad in oktober 1798 een brief waarin wordt verzocht geen militairen in ondertrouw aan te nemen zonder dat deze vooraf  hebben getoond een schriftelijk bewijs van toestemming van de Raad van Administratie van het bataljon waartoe ze behoren.

Een groot aantal lidmaten staat, soms lange tijd, onder censuur. Zo zijn er in september 1798 wel 21 censuurgevallen.

Namens de weduwe van mr. J.A. van Dorth doet Johannes Nederveen rekening van de kerk en kerkengoederen. Hieruit blijkt een goed slot van £ 595.14.8. Dit zal worden afgegeven aan de nieuw aangestelde ontvanger Willem van den Hoek. Ter vergadering verschijnt Willem Canisius met de mededeling dat de weduwe Van Dorth in de onmogelijkheid verkeert het goede slot te betalen. Omdat Canisius zich destijds borg gesteld heeft, wordt hij aansprakelijk gesteld voor de betaling. Deze kwestie wordt in handen gesteld van een procureur. Van den Hoek trekt daaruit kennelijk zijn consequenties. Hij verzoekt ontslag als ontvanger van de kerkengoederen. Het stadsbestuur voert in februari 1799 correspondentie met de kerkmeesters van de Grote kerk over het invorderen van het goede slot van de rekening van de overleden kerkrentmeester mr. J.A. van Dorth. Het saldo ten bedrage van £ 159.5.1 dient door de erven nog te worden terugbetaald.

De Classis Zuid-Beveland schrijft begin maart 1800 een dank- en bededag voor. De kerkenraad verzoekt de stadsraad dat ‘deze Biddag zoveel mogelijk met de oude en gewone solemniteit mocht gecelebreerd worden’. Ds. Lotchius en ouderling Kouweliere brengen dit verzoek over bij de stadsraad. Deze besluit ‘om dadelijk vorige publicaties over de heiliging van de sabbath te renoveren en aldus ook de biddag hierdoor te solemniseren’.

In juli 1800 komt er een brief binnen van ds. Vriesekolk, de scriba van de classis Zuid-Beveland. De brief behelst een verzoek om in het notulenboek in te schrijven een resolutie van 4 juli van de Classis ‘volgens welke Hendrik Loene, wegens zijn Demarches in betrekking tot de gemeente van Cats, het oefenen verboden en de gemeenschap van het Heilig Avondmaal wordt ontzegd’. Onder dit besluit is de hele pagina open gelaten.

Traktementen van predikanten en kerkelijke beambten
Er is veel te doen over de traktementen voor de vier predikanten van de gemeente.
In de kerkenraadvergadering van de 16e oktober 1798 wordt een gedrukte brief van de Classis Zuid-Beveland, ondertekend door de gecommitteerden namens de Classis ds. Kaas en ds.  Lotchius, opgelezen. Sommige ouderlingen oordelen het voor zich nodig een nadere overweging over de inhoud van deze brief te kunnen maken. Besloten wordt de deliberaties veertien dagen uit te stellen. De gedrukte brief is in het notulenboek opgenomen.
In de kerkenraadvergadering van de 30e oktober 1798 adviseert de meerderheid van de ouderlingen de gedrukte brief in hun handen te stellen om daarmee te handelen zoals zij zullen goedvinden. Ze zijn namelijk van oordeel dat zij als ouderlingen de gemeente vertegenwoordigen. Twee ouderlingen zijn het hiermee niet eens en zijn van oordeel dat de brief aan de kerkenraad is geadresseerd. Predikanten en ouderlingen dienen hierover derhalve gemeenschappelijk te handelen.

Op de 17e november 1798 wordt een buitengewone vergadering van de kerkenraad gehouden. Aanwezig zijn de predikanten Pické (preses), Kaas (scriba) en Lotchius en de ouderlingen Stokmans, Walraven, Kouweliere, de Wolf en Oostdijk. De laatstgenoemde drie ouderlingen blijven er bij dat de brief, buitenom de predikanten, in handen gesteld dient te worden van de ouderlingen. Deze dienen daarover te beslissen. De predikanten betwisten dit. Ds. Kaas notuleert: ‘En wie bragt zich ooit zo een mislijk denkbeeld voor den Geest, dat tot de vergadering van den kerkenraad geen Predikanten behooren!!!’. De kerkenraad besluit, ‘teneinde niet langer door nutteloze deliberatiën zich te laten ophouden’, dat:

  • de brief, door gecommitteerden van de Zuid-Bevelandse Classis aan de kerkenraad gezonden, op de rustdag 25 november van de predikstoel de gemeente bekend wordt gemaakt, voorgelezen en de belangrijke inhoud daarvan zal worden aanbevolen;
  • ter zelver tijd door de predikant, die gemelde lectuur verricht heeft, zal worden aangekondigd een oproeping van de gemeente tegen donderdag, die wezen zal de 29e dezer, ‘s middags ten 2 uur in de Grote kerk, waartoe genodigd worden alle de ledematen der Hervormde gemeente, zowel vrouwelijke als mannelijke, teneinde een commissie aan te wijzen om de inhoud van de bewuste brief ten uitvoer te brengen;
  • gedurende de drie voorafgaande dagen de brief ter inzage gelegd zal worden in de consistorie van de Grote kerk;
  • omdat wellicht de vergadering niet bereid zal zijn tot benoeming van een commissie, heeft de kerkenraad goedgevonden bij voorbaat een achttal personen te nomineren en deze de gemeente voor te dragen. Genomineerd worden ouderling Johannes Stokmans, ouderling Johannes Walraven, ouderling Marinus Gorsse, ouderling Wilhelmus Oostdijk, lidmaat Leijn Dijkwel, lidmaat Gerardus Peeman, lidmaat Jan Zoetebier en lidmaat Gerard de Leeuw.

Op de 29e november stelt ds. Pické ‘van de predikstoel de te saam gevloeiden uit de gemeente’ het achttal genomineerden voor. Alle aanwezigen keuren het met stilzwijgen goed. Ook verschijnt er niemand in de consistoriekamer om anderen tot de bewuste commissie te benoemen. De genomineerde Gerard de Leeuw weigert volstrekt de commissie te aanvaarden. De kerkenraad besluit geen ander in zijn plaats te laten verkiezen.

In december 1798 legt de president Dijkwel het stadsbestuur het verzoek voor van commissarissen uit de leden van het Gereformeerd kerkgenootschap, benoemd tot het instellen van een toereikend fonds waaruit de predikanten voortaan kunnen worden gesalarieerd. Tevens stelt hij voor om de thans nog fungerende kerkmeesters en de rentmeester van de kerkelijke middelen, als zijnde niet door de commissie aangesteld, van hun posten te ontslaan en de rentmeester te gelasten rekening van zijn administratie over te leggen met alle boeken, charters, papieren en gelden. Het stadsbestuur besluit echter het voorstel van de president niet te accorderen. Het verzoekt hem de commissarissen te verzoeken een schriftelijke voordracht van het voorgestelde te doen.

Begin januari 1799 wordt er een fonds ingesteld tot betaling van de traktementen van de predikanten van de gemeente evenals voor de verdere bedienden die tot de dienst van de kerk nodig zijn. Toch wendt Paulus Provoost, de ziekentrooster, zich in februari 1799 tot het stadsbestuur. Hij betoogt ‘dat hij door het gemis van zijn gewoon traktement van den lande voor het grootste gedeelte van zijn gering bestaan is gepriveerd’ en verzoekt tot voorkoming van zijn totale ondergang enige spoedige voorziening. Het stadsbestuur besluit de regenten van het weeshuis te machtigen om Provoost uit het inkomen van het huis toe te leggen een jaarlijks traktement van 100 gulden. Wel moet hij dan de weeskinderen die in het weeshuis gealimenteerd worden, ‘tenminste driemaal per week instrueren en in de Goddelijke waarheden onderwijzen of wel zodanig anders ten nutte stichten als regenten van het weeshuis in tijd en wijle nodig en dienstig zullen oordelen’.  
Maar op de 7e september schrijft Paulus Provoost, de krankenbezoeker, dat hij vanaf oktober 1798 geen traktement meer heeft ontvangen en daardoor in de grootste armoede is gedompeld. Tot bekoming van onderstand heeft hij zich een en andermaal gewend tot de kerkenraad en de leden van de commissie. De drie predikanten hebben hem verzekerd dat hij in zijn post moest continueren en dat hij over de betaling niet ongerust hoeft te zijn. Hij krijgt thans echter tot antwoord: ‘wij kunnen uw niet helpen’. Hij verzoekt de vrijheid om met een bus te mogen rondgaan om daaruit het geheel of gedeelte te vinden van zijn geoorloofde traktement. Het stadsbestuur besluit echter dit verzoek te weigeren. Niettemin, als hij met een besloten of open bus tot inzameling van liefdegaven in deze stad en eiland wil rondgaan, ‘dit bestuur zulks zoude aanzien zonder hetzelve te verhinderen’.

Op de 5e januari 1799 geven de voorzangers Cornelis van Zoom en Levinus Anthoni Alblas, de koster van de Grote kerk Pieter Engelse en de krankenbezoeker Paulus Provoost het stadsbestuur de onaangename omstandigheden te kennen waarin ze zich bevinden. De rentmeester van de geestelijke goederen heeft hen namelijk bericht dat hij, volgens een hem gedane aanschrijving, hun gewone traktementen niet langer dan tot eind september van het afgelopen jaar mag betalen. Ze leggen een kopie van een extract uit het Register der Resoluties van het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalige gewest Zeeland van de 16e november 1798 over. De kerkenraad besluit dat de predikanten Kaas en Lotchius met ‘de commissie van 7’ zullen bespreken hoe hier uit gekomen kan worden. De commissie kan er echter niet uit komen. Op de 9e februari 1799 rapporteert de commissie dat drie leden, namelijk Leijn Dijkwel, Marinus Gorsse en Wilhelmus Oostdijk, ‘bij hun verklaarde sentimenten blijven volharden en derhalve van de meerderheid blijven verschillen’. Ze onttrekken zich daarom aan hun last en bedanken als lid. De overgeblevenen blijven in hun post volharden.

Contacten met andere kerken
In maart 1797 komt er een brief bij de kerkenraad binnen van de Remonstrantse Broederschap. De brief bedoelt ‘een zogenaamde broederlijke vereniging, waartoe zij de tegenwoordige tijdsomstandigheden meer dan immer geschikt rekenen’. Uit de omvraag blijkt dat alle leden uit volle overtuiging het voorstel van de Remonstranten verwerpen en de brief slechts voor notificatie willen aannemen.

Verhouding met het stadsbestuur
Op de 5e juni 1796 stuurt het stadsbestuur een brief naar de kerkenraad van de Nederduitse Hervormde gemeente met de volgende inhoud:
Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Medeburgers!
Vermits de burgers J. de Hond, Z.D. van der Bilt, J. Jasperse, A. van der Volkeren en P. de Wijs de eed van trouw aan de tegenwoordige orde van zaken, bij resolutie van de 23 mei 1796 door de vertegenwoordigers des Volks van Zeeland gearresteerd, hebben geweigerd en waardoor dezelve ingevolge deze resolutie van hun posten als leden van de kerkenraad zijn verlaten, zo heeft de Municipaliteit der Stad Goes noodzakelijk gevonden zulks ter kennis van ulieden te brengen, gelijk zij doet door dezen, teneinde alle mogelijke disorde voor te komen en opdraagt ulieden zig conform meergenoemde resolutie zouden kunnen reguleren.
Heil en Broederschap. Uw medebroeder C. Mispelblom.

De kerkenraad staat op de 31e december 1796 stil bij een belangrijke brief van de ‘Vertegenwoordigers des Volks van Zeeland’, getekend op de 5e december 1796 door F. Ermerins. De brief behelst het besluit dat voortaan zowel in het beroepen van predikanten als bij het vermaken van kerkenraden en het aanstellen van voorzangers geen invloed van enige politieke overheid of regering meer zal plaats hebben. Mitsdien zullen geen gedeputeerden van enige colleges van regering van steden of plaatsen of van enig ambachtsheer meer worden toegelaten.

In maart 1797 bespreekt het stadsbestuur de resolutie van de Vertegenwoordigers van het volk van Zeeland van 14 februari op de brief van de ‘Commissie uit de Nationale vergadering tot de afscheiding der kerk van de staat van de 10e januari’. Het gaat daarbij vooral om de bezoldiging van de predikanten. De stukken worden in handen gegeven van een commissie, bestaande uit de heren Egter, Mispelblom en secretaris Dominicus.

Er komt op de 29e mei 1797 een brief binnen van ‘de Vierschaar der Stad Goes’. Daarbij wordt gelast zorg te dragen dat geen Nederlandse militair in ondertrouw wordt opgenomen  noch vervolgens in de echt verbonden dan de zodanigen, die zullen zijn voorzien van een schriftelijk consent van de Raad van Administratie van het Bataljon of Corps waaronder zij behoren.

Op de 31e maart 1798 ontvangt de kerkenraad een brief van het stadsbestuur met de mededeling dat de zaken van kerk en stadsbestuur voortaan strikt gescheiden zullen zijn. Alle zaken de kerk aangaande zal het kerkbestuur voortaan zelf moeten regelen zoals de begeving van kerkelijke ambten en het uitbrengen van een beroep.
Enkele weken later wijst het stadsbestuur er op, tot voorkoming van misverstanden, dat weliswaar een scheiding van kerk en staat is ingevoerd, ‘maar dat de dirigering van zaken zal moeten blijven op de oude voet tot zolang de Constitutie door de Constituerende Vergadering zal zijn gewijzigd’.

Diaconie
Op de 12e maart 1798 verschijnt een commissie uit de diaconie in de vergadering van de kerkenraad. Er doet zich een groot probleem voor ten aanzien van de diaconiekas. De regenten van het weeshuis vorderen namelijk voldoening van die penningen die de diaconie aan het weeshuis verschuldigd is. Zonder deze voldoening weigeren ze de rekening van de boekhouder van de diaconie goed te keuren. Er wordt een bespreking belegd tussen deputaties van de diaconie, de regenten van het weeshuis, de kerkenraad en de stadsraad. Namens de kerkenraad worden afgevaardigd ds. D. Kaas en ouderling J. Walraven. Namens de stadsraad worden afgevaardigd L. Dijkwel en J. van Kleinputte.

In juni 1799 bestaan er nog steeds ernstige meningsverschillen tussen de diaconie en de regenten van het weeshuis. Het weeshuis eist de schuld van de diaconie bij het weeshuis op. De diaconie zit echter met een armlastige armenkas. De kerkenraad schuift het probleem van zich af en verwijst hen òf naar de ‘commissie van 5’ of naar de stadsraad. En ook deze ondernemen geen actie.
De diakenen Vervenne en Soetebier komen ter vergadering van de kerkenraad en beklagen zich niet alleen over het vertragen van de werking van de benoemde commissie en over de hoognoodzakelijke minnelijke vereffening van de vordering van het arm- en weeshuis op de diaconie. Eenparig besluit de kerkenraad de diakenen te adviseren om zich bij rekest te adresseren aan de stadsraad (!).
In oktober 1799 leggen de diakenen de kerkenraad een conceptrekest wat betreft de nood en behoeften van de diaconie voor. Ze verzoeken toestemming om een bedrag van 500 à 600 ponden Vlaams te mogen lenen, dit ter aflossing van de 400 ponden Vlaams die ze in de jaren 1797 en 1798 hebben opgenomen en die thans door de crediteuren worden opgeëist. Dit geldt ook voor de gelden die de diakenen uit hun privé beurzen hebben voorgeschoten en waarvan ze restitutie verlangen. De kerkenraad verenigt zich met dit rekest.
Halverwege november verschijnt een commissie uit de diaconie in de kerkenraadvergadering.  De behoeften van de diaconie hebben hen aangespoord bij het stadsbestuur vrijheid te vragen voor een driemaandelijkse collecte aan de huizen, zoals ook voor het weeshuis en de roomse armen gebeurt. De kerkenraad gaat hiermee akkoord. Bij elke driemaandelijkse collecte, die van de preekstoel zal worden aangekondigd, zullen twee ouderlingen assisteren.
In november 1799 gaat het stadsbestuur akkoord met het doen van een driemaandelijkse collecte door de diaconie van de gereformeerde gemeente voor hun armen in verband met de dringende nood en het gemis van contante penningen bij de diaconie.

Op de 8e augustus 1800 wordt op verzoek van de diakenen een buitengewone kerkenraadvergadering belegd voor het beramen van middelen tot voorziening in de deplorabele staat van de diaconiekas. De broeders diakenen wordt verzocht ‘binnen te staan'.
Overwogen wordt dat ernst gemaakt moet worden met de vernietiging van de conventie tussen het weeshuis en de diaconie en dat in de dadelijke nood en tot in staat stelling van de  diakenen om hun functies te blijven waarnemen beproefd moet worden om een kapitaal van 200 ponden Vlaams, in mindering van een kapitaal van 350 ponden Vlaams, gevestigd op de stad, op te zeggen. De gemeente zal opgewekt worden door vermeerdering van haar liefdegaven naar elks vermogen dadelijk te voorzien om te voorkomen dat de diakenen zich niet genoodzaakt zien, hoe ongaarne ook, voor hun posten te bedanken.
Maar op de 16e augustus komt bericht dat het stadsbestuur zich buiten staat ziet aan de vordering van de diaconie te voldoen. Uit het notulenbezoek blijkt niet hoe het verdere verloop is.

Op de 13e december 1800 wordt een contract van alimentatie van wezen tussen de diaconie van de Hervormde gemeente en de regenten van het arm- en weeshuis tot wederzijds genoegen gesloten voor de tijd van vier jaar. Ook wordt een conceptconventie tussen de diaconie en de regenten van het weeshuis gesloten. De kerkenraad bekrachtigt beide stukken met haar goedkeuring.

Waalse gemeente

De koster van de Franse kerk verzoekt in oktober 1795 om, volgens gewoonte, voor de kerk van stadswege te mogen ontvangen vijf kwart lasten turf en twee steenkaarsen. Het stadsbestuur besluit deze toelagen, die tot nu toe aan de Franse kerk werden toegestaan, vanaf nu in te trekken en te beëindigen.

Rooms-katholieke gemeente

De armmeesters van de rooms-katholieke gemeente wijzen het stadsbestuur in september 1793 op het grote aantal kinderen dat ze verplicht zijn van levensonderhoud te voorzien. Ze zijn buiten staat deze kinderen een behoorlijke opvoeding te geven. Hun verzoek is om deze kinderen buitenslands te mogen besteden. Daar kan hun opvoeding met minder kosten en met meer vrucht voor de opvoeding geschieden. Het stadsbestuur gaat akkoord met het verzoek van de armmeesters. Wel zijn deze verplicht zorg te dragen dat er jaarlijks een behoorlijk certificaat wordt gegeven van de plaats waar de buitenslands gealimenteerde kinderen zich ophouden.

De burgers Engelse en Oostdijk rapporteren in april 1796 ingevolge hun commissie dat ze met pastoor Heijdendaal hebben gesproken ‘over de menigvuldige vreemdelingen van de Roomse religie, die zich binnen de stad begeven enkel en alleen om zich, ingeval ze enige mankementen hebben, daar te vervoegen om assistentie en alimentatie bij de Roomse stadsarmen uit hoofde men deze in het land niet verkiest te ondersteunen’. Pastoor Heydendaal verklaarde zich verplicht te voelen aan personen die binnen de stad worden toegelaten, te contribueren. Hij verzocht het stadsbestuur daarover gepaste maatregelen te nemen. Het stadsbestuur verzoekt de baljuw op het binnen de stad zich ophouden of ter neerzetten van vreemdelingen nauwkeurig te letten.

Op hun verzoek verschijnt op de 24e juni 1797 een commissie uit de arm- en kerkmeesters van de Roomse gemeente voor het stadsbestuur. De commissie doet bij monde van de burger D. Noël verscheidene voorstellen tot handhaving van de gelijkheid in rechten tussen de rooms-katholieke en de gereformeerde gezindheden. Nadat de commissie zich heeft terug getrokken delibereert en besluit het stadsbestuur hierover. De commissie komt daarna weer binnen. De president deelt haar mee dat de onderscheidene voorstellen van zodanige importantie aan de raad zijn voorgekomen, dat daarover nadere bespreking noodzakelijk is. Hij verzoekt daarover een schriftelijk adres aan de raad te doen. Het stadsbestuur zal daarover dan een ‘poinct van deliberatie’ maken.
Op de 6e september 1797 deelt de president het stadsbestuur mee opgewacht te zijn door een commissie van kerkmeesters van de Roomse gemeente. Ze deelden hem mee dat door hun committenten is besloten om op eerstkomende maandag een publieke collecte voor hun armen te doen. Het stadsbestuur wil hiervoor geen toestemming geven.
Maar op de 11e september blijkt dat de rooms-katholieke kerkmeesters de collecte voor hun armen aan het doen zijn, niettegenstaande hun bij een gister afgegeven extract van de resolutie van deze vergadering was gelast om voorlopig geen collecte binnen de stad te doen. De president vraagt de vergadering hoe verder in deze zaak gehandeld moet worden. Moet de collecte alsnog voorlopig worden verboden?
Het stadsbestuur besluit voor ditmaal de handeling van de kerkmeesters door de vingers te zien. Wel wordt de president opgedragen om bij een volgende gelegenheid de kerkmeesters uit naam van de raad te kennen te geven ‘desselfs gevoeligheid over de handeling deswegens door kerkmeesters gehouden, vooral daar zij niet hadden kunnen goedvinden aan de vriendelijke adhortatie van deze vergadering te voldoen door provisioneel en hangende de deliberaties over hun adres een publieke collecte te doen’.

In september 1797 ontvangt het stadsbestuur een brief van de Vertegenwoordigers des Volks van Zeeland met het verzoek alle roomsgezinden binnen de provincie vrij te laten om hun huwelijken in het vervolg enkel in de Roomse kerk in te zegenen zonder vooraf verplicht te zijn deze gerechtelijk te laten aantekenen of voltrekken. Dit alles nochtans onder de volgende bepalingen:

  • de kerkenraad is verplicht uit hun midden een commissie te benoemen van tenminste twee leden benevens de pastoor, voor welke commissie men zich in de ondertrouw zal moeten laten opnemen en die bij het solemnele huwelijk zullen moeten assisteren;
  • er zullen speciale trouwboeken moeten worden aangelegd waarop gecommitteerden bijzonder toezicht zullen moeten houden;
  • geen huwelijk zal worden aangetekend of gecelebreerd elders dan ter plaatse waar de bruid woont noch ook voltrokken worden voordat de geboden drie achtereenvolgende zondagen bij de openbare godsdienstoefening aan de gemeente zullen zijn afgekondigd.

De kerkenraad van de rooms-katholieke gemeente schrijft het stadsbestuur daarop dat ze op grond van de resolutie van het stadsbestuur benoemd hebben om te assisteren bij de aantekening en celebrering van huwelijken voor de roomse pastoor de burgers Dominicus, Noël en Verduin en bij hun afwezigheid de burgers Pouwelijn en De Haan.

In februari 1799 worden de stedelijke en plaatselijke besturen binnen het voormalige gewest Zeeland aangeschreven en gelast ‘om in hun gemeente dadelijk onderzoek te doen of zich daarin ook bevinden enige beurzen of fundatiën toekomende aan die van de Roomsch catholieke godsdienst, ingericht tot het goedmaken van de kosten voor het studeren van een of meer jonge lieden deze godsdienst toegedaan’.

De president geeft het stadsbestuur in juni 1799 kennis dat bij hem bericht is ingekomen ‘dat de vergadering, op gister door de leden van de Roomse gemeente in hun kerkgebouw gehouden, uit hoofde van ongeregeldheden van enige leden van dat kerkgenootschap vruchteloos was gescheiden’. Er is ook een schriftelijk bericht van enige leden van het Roomse kerkgenootschap (zich noemend wettig aangestelde kerk- en armmeesters van de Roomsche gemeente) over enige kwestieuze zaken die tussen de leden van het kerkgenootschap bestaan. Het stadsbestuur neemt deze berichten voor kennisgeving aan. Niettemin wordt de president verzocht ‘dezelve lieden serieuselijk te recommanderen zich voor alle rustverstorende bewegingen in hun kerkgenootschap te waken en desnoods, wanneer ze die onverhoopt niet kunnen tegengaan, de plaatselijke rechter onverwijld daarvan kennis te geven’.
Namens de armenbezorgers van de Roomsche armen verzoekt Henricus de Haan in januari 1800 om een extra-ordinaire collecte aan de huizen binnen de stad te mogen doen. Het stadsbestuur weigert dit.

Lutherse gemeente

In april 1796 krijgt Johan Filips Stenius vergunning om binnen de stad met een bus rond te gaan tot inzameling van liefdegaven voor de stichting van een Lutherse kerk in Veere.

Johan George Eckhart (in 1782 gekomen van het Duitse Leinfeld), Johan Lodewijk Langguth en F.W. Sterk, alle belijders van de Lutherse godsdienst, dienen op de 30e december 1797 een rekest in. Ze vragen de gunst van de regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis om Machiel Schog en zijn vrouw Maria Smoeker vanwege hun hoge jaren, lichaamsgebreken en gebrek aan bestaansmiddelen, te alimenteren in het gasthuis. Dit verzoek wordt in handen gesteld van de regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis om van advies te dienen.
Naar aanleiding van het advies van de regenten besluit het stadsbestuur hun verzoek van de hand te wijzen. Verder worden de regenten van het arm- en weeshuis gelast geen personen te alimenteren die de provinciale verklaring hebben geweigerd.

Het stadsbestuur besluit in mei 1798 op verzoek de Lutherse gemeente hen toe te staan om voor hun armen een publieke collecte te houden.