Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1793 - 1800)

Nederduitse scholen

Pieter Elsman biedt zich in mei 1796 aan als schoolhouder. Deze functie is vacant gekomen door het ontslag van Frans Schoonderwalt, schoolmeester van de tweede stadsschool. Het stadsbestuur wil eerst met de kerkenraad overleggen over het gezamenlijk aanstellen van een schoolmeester die tevens voorzanger in de kerk is. De aanstelling van een voorzanger van de Grote Kerk is nodig omdat Frans Schoonderwalt weigert de eed van trouw aan het huidige bewind af te leggen.
In de Haarlemse, Rotterdamse en Middelburgse Couranten komen advertenties voor de vacante schoolmeesterplaats op een traktement van 200 gulden per jaar. Beroepen wordt tot schoolmeester en voorzanger Levinus Alblas uit Sliedrecht. In december neemt het stadsbestuur kennis van een loffelijke attestatie van Alblas van de Municipaliteit van Sliedrecht.

Op verzoek van de schoolmeesters en schoolmeesteressen besluit het stadsbestuur in mei 1797 met meerderheid van stemmen op Pasen en Pinksteren een gehele week vakantie voor de schoolkinderen toe te staan op voorwaarde dat de kinderen dan geen schoolgeld betalen.
De schoolmeester van de eerste stadsschool, K. van Zoom, verzoekt in juli 1799 toestemming om het woonhuis naast de stadsschool, achter het kerkhof bij de Grote kerk, tot voordeel van de stad te verhuren. Hij krijgt hiervoor toestemming mits hij voor de huurpenningen instaat.

Franse school

Het stadsbestuur besluit in september 1795 het traktement en de toelage voor turf van de Franse kostschoolhouder, Jaques Jenoteau, wegens weigering van de eed van trouw aan het huidig bewind in te trekken. Ook hij krijgt de vrijheid zijn school gaande te houden, doch zonder traktement. De stadsdirecteuren krijgen in januari 1798 toestemming om het stadshuis, dat bewoond is door Jenoteau, aan hem op dezelfde voet te verhuren.

Jacomina Susanna Breekpot echtgenote van Louis Arons krijgt in oktober 1795 toestemming om in haar woning ‘Franse school voor jonge dochters’ te houden.

Latijnse school

Er bestaat geen Latijnse school meer in de stad. Het schoolgebouw aan de Beestenmarkt nummer 1 wordt door het stadsbestuur verhuurd.
In juli 1794 verzoeken enige vluchtelingen, voorzien van goede attestaties, om enkele vertrekken van het schoolgebouw van de Latijnse school te mogen huren. Dit verzoek wordt in handen van de stadsdirecteuren gesteld.
In augustus 1797 krijgen de stadsdirecteuren toestemming om tot voordeel van de stad voor de aanstaande jaarmarkt bij voorkomende gelegenheden het gebouw van de Latijnse school te verhuren voor het houden van spelen, vertoningen of iets dergelijks.
Op verzoek van de dokter van de in de stad garnizoen houdende troepen besluit het stadsbestuur in juli 1798 een plaats voor de zieken in de Latijnse school in te ruimen en deze van het nodige brandhout en kaarsen te voorzien. Omdat de Latijnse school al tot inkwartiering van de Franse troepen moet worden gebruikt wordt de huishoudelijke Directie en Raad van Discipline van de gewapende burgermacht in augustus 1798 verzocht om van de door hun en de  stadsdirecteuren gevraagde huur van de Latijnse school af te zien. Ze krijgen voor het verrichten van hun zaken de kamer van het landrecht in het Stadhuisaangeboden, waarmee ze genoegen nemen op voorwaarde dat op deze kamer geen colleges meer zullen vergaderen als alleen de hunne en de weeskamer.

Particuliere schooltjes

In april 1794 verzoeken Marinus de Beste en zijn vrouw Sara Dekker om binnen de stad kinderschool te mogen houden. Dit verzoek wordt op advies van de schoolarchen afgewezen. Maar in september 1794 wordt Sara den Besten-Dekker tot schoolmatres of schoolmeesteres toegelaten.
Pietronella de Klerk uit Veere, geboortig binnen deze stad en echtgenote van Marinus van Poelje, verzoekt in september 1796 om een lees- en breischool binnen de stad te mogen oprichten. Ze overlegt haar akte van aanstelling te Veere. Haar verzoek wordt aangehouden, omdat ze eerst een attestatie van goed gedrag in de gemeente Veere moet overleggen. Ook moet ze een behoorlijke alimentatiebrief tonen om in geval van onvermogen buiten last van de stad en de  diaconie armen te blijven.
Matthijs Weststrate, wonend in de Voorstad, verzoekt in december 1798 om de jeugd te mogen onderwijzen in het lezen, schrijven, cijferen en de landmeetkunde. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter van de hand. Wel wordt in 1799 Antoinette van Huizen toegelaten tot schoolmatresse en om een kinderschool op te richten.