Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1793 - 1800)

Kerkgebouwen

Kleine of Gasthuiskerk
Het stadsbestuur besluit in maart 1795 de Kleine of Gasthuiskerk, die gereed gemaakt is om als magazijn te dienen maar waarvan thans geen gebruik meer wordt gemaakt, weer voor de godsdienstoefeningen in orde te brengen. De bedoeling is hier op zondag over acht dagen weer kerkdiensten te houden.

Het orgel uit de zogenaamde ‘kleene kerk’ is enige tijd geleden geplaatst in de voormalige concertzaal, maar kan daar niet langer blijven omdat daarin de Franse troepen zijn  ingekwartierd. Het stadsbestuur bepaalt in augustus 1795 dat het orgel voor rekening van ‘de leden van concert’ weer in de ‘kleene kerk’ zal moeten worden teruggeplaatst en wel in dezelfde staat als waarin het in bruikleen is gegeven.

Het kosterschep van de Kleine kerk komt in augustus 1795 vacant door het overlijden van Leendert van der Weele. Aangesteld wordt Lieven Maartense. Hij is gehouden die post ‘met alle getrouwigheid overeenkomstig zijnen pligt te gedragen’. Hij moet jaarlijks £ 10 Vlaams uitkeren aan Anthonia van Zoom weduwe van Leendert van der Weele.

Grote of Maria Magdalenakerk
In augustus 1795 wordt het orgel in de Grote kerk gereviseerd. De stadsorganist J.M. Heinrichs moet gedurende de tijd dat hij niet op het orgel zal kunnen spelen, op zondag het orgel in de Kleine kerk tijdens de kerkdiensten bespelen.

Het stadsbestuur besluit in januari 1796 om voortaan de zogenaamde regeringsbanken in de Grote en de Kleine kerk te laten bezetten door de leden van de stadsregering en de justitie en de subalterne colleges.
De officieren die gefungeerd hebben als leden van de schutterijen krijgen te horen dat ze geen verder gebruik kunnen maken van de zogenaamde krijgsraadbanken in de Grote kerk. Wel worden de leden van de krijgsraad toegestaan om in de zogenaamde krijgsraadbank hun zitplaatsen te nemen bij de gewone godsdienstoefeningen.

In juni 1796 neemt de organist en klokkenspeler Heinrichs ontslag. De alom bekende kerkorganist Jacob Lootens geeft te kennen genegen te zijn om te solliciteren naar de vacante functie van organist en klokkenist. Het stadsbestuur besluit Lootens nog dezelfde middag van 1 tot 2 uur het carillon te laten bespelen en de volgende dag van 1 tot 2 uur het orgel in de Grote kerk. Met genoegen hoort het stadsbestuur hem spelen en besluit hem aan te stellen tot klokkenist op een traktement van £ 33.6.8 en tot kerkorganist van de Grote kerk op een traktement van £ 41.13.4. Wel wordt bepaald dat de betaling hiervan voortaan niet meer uit de stadskas maar uit de kerkekas moet plaatsvinden.

Op de 12e november 1796 doet zich iets merkwaardigs voor. Verscheidene burgers klagen over het gedrag van de kerkenraad. Het is hen gebleken dat op de aanstaande zondag slechts zal worden gepreekt in de Grote kerk, ‘s middags en ‘s avonds. De Kleine kerk zal geheel en de Grote kerk zal ‘s morgens gesloten zijn. Ze verzoeken maatregelen tot voorkoming van onaangenaamheden en tot handhaving van de openbare godsdienst.
Het stadsbestuur besluit stadsbode Adriaan Boddingius naar de predikant ds. Lotchius te sturen en te vragen of hij ervoor wil zorgen dat op zondagmorgen de gewone kerkdienst wordt waargenomen. De bode komt terug en rapporteert ‘dat de dochter van ds. Lotchius door een bovenraam hem heeft aangeroepen dat haar vader reeds gerust lag te slapen en zij hem niet dorst wakker te maken’. De bode wordt er opnieuw op uitgestuurd. De predikant antwoordt ‘dat het hem leed doet dat de kerk morgen zoveel gesloten is, doch dat hij niet geprepareerd is om morgen voor de middag de predikdienst waar te nemen, temeer daar dit meer aan zijn collega ds. Kaas toekomt dan aan hem’.

De bode wordt er voor de derde maal op uitgezonden om de predikant te herinneren aan de resolutie van 11 januari 1783 waarbij wordt bepaald dat geen kerk mag worden gesloten of godsdienstoefening opgeschort ingeval twee predikanten present zijn. De predikant verklaart onbekend te zijn met deze resolutie. Daarop stuurt het stadsbestuur een delegatie uit haar midden naar ds. Lotchius. Deze verklaart zich daarbij bereid morgen voordemiddag de catechismus te preken ingeval ds. Kaas inplaats van ‘s avonds verkiest ’s middags te preken. Vervolgens wordt ds. Kaas verzocht om inplaats van ‘s avonds zijn voorgenomen preekstof ‘s middags te verhandelen. Het stadsbestuur besluit verder vanwege het grote nadeel dat zowel de kerkinkomsten als de diaconiearmen lijden door het dikwijls sluiten van de kerken of opschorten van de godsdienstoefening de predikanten en de kerkenraad te verbieden te bewilligen in de sluiting van de kerken of opschorting van de godsdienstoefening wanneer twee predikanten present zijn en door geen ziekte verhinderd zijn.

Op de 9e september 1797 komt de organist en beiaardier van de Grote kerk verontwaardigd in de vergadering van het stadsbestuur. Hij geeft te kennen dat zonder zijn voorkennis het klauwier van het klokkenspel is afgehaald en naar beneden in de wandelkerk gebracht. Hij vraagt of iemand daarvoor orders heeft gegeven, temeer omdat de stadsfabriek hem meedeelde dat dit buiten zijn opdracht is gebeurd. Niettemin beweert de smid Steijn hievoor opdracht van de stadsfabriek te hebben ontvangen. Deze zaak wordt voor onderzoek en advies aan de president overgedragen.

De kerkenraad maakt op 22 november 1797 bezwaar tegen het besluit van het stadsbestuur tot schorsing van de koster. Ze betoogt dat, als het een ongehoorzaamheid betreft tegen de hoogst geconstitueerde macht, het een juridische kwestie is. Maar is het een omissie wat betreft het kosterschap, dan dient de kwestie voorgelegd te worden aan het Collegium Mixtum, die daarover dan een uitspraak kan doen. Het stadsbestuur besluit om haar resolutie van gisteravond ‘ten allersterkste en conform de deswege genomen resoluties te doen effect sorteren en Pieter Engelse alsmede de kerkmeesters ilico voor deze vergadering te ontbieden’. De president Egter houdt de koster voor dat  hij voor zes maanden door de stadsraad is geschorst uit zijn functie van koster van de Grote kerk zonder traktement. Hij moet alle sleutels van de Grote kerk in handen van de president van de kerkmeesters Krekelenberg overbrengen. De kerkmeesters moeten voor deze zes maanden maar een oplossing zoeken voor de post van koster. Daarna bezoeken de koster Pieter Engelse en zijn vrouw Maria van Hamelsveld enkele malen de president om hem te bewegen de stadsraad voor te stellen de schorsing op te heffen. Engelse heeft groot berouw en leedwezen over zijn onbetamelijke gedrag. Hij belooft zich voortaan voor ongehoorzaamheden te zullen wachten.
Ontboden in de vergadering van de raad betuigt hij ook daar zijn berouw en leedwezen. Daarop besluit het stadsbestuur hem zijn wangedrag te vergeven en hem weer als koster aan te stellen.

In 1798 worden in de Grote kerk verscheidene maatregelen getroffen als gevolg van de bevelen van hogere overheden. Zo krijgen de kerkmeesters in maart 1798 opdracht om de wapenborden in de Grote kerk af te nemen. Waren de zitplaatsen onder het orgel in de Grote kerk tot nu toe gereserveerd voor de notabelen van de stad, vanaf april 1798 mogen de kerkmeesters deze verhuren. Ook in mei 1798 komt er een bepaling van het Intermediair bestuur van het voormalige gewest Zeeland over het weren uit de kerken van wapens van de herengestoelten.

In 1800 wordt de Grote kerk voor militaire doeleinden gebruikt. Op verzoek van de kapitein van de compagnie burgerartillerie, Antony Noorthoeve, besluit het stadsbestuur in februari hem toe te staan om in het koor van de Grote kerk ‘zijn compagnie te dresseren en de exercities met het canon, mits dit alleenlijk geschiedt met staande canonnen zonder aldaar met dezelve te mogen avanceren of retireren, en tevens dat door deze exercities enige schadens aan graven of anderszins mocht veroorzaakt worden’.
Ook Jacobus van Kleijnputte, de commandant van de gewapende burgermacht, krijgt in februari 1800 toestemming om in het koor van de Grote kerk het burgerkorps in de wapenhandel te oefenen, dit op voorwaarde dat dit niet de godsdienstoefeningen mag hinderen en geen schade wordt toegebracht aan de graven.

Wandelkerk
In september 1796 klagen de meeste bewoners van de Korte Kerkstraat over het besluit van het stadsbestuur om de doorgang door de zogenaamde wandelkerk af te sluiten. Dit besluit brengt hen veel nadeel toe in hun neringdoende winkels. Ze verzoeken intrekking van dit besluit. De president bespreekt dit met twee kerkmeesters en rapporteert hierover dezelfde avond in een extra-ordinaire bijeenkomst van het stadsbestuur. Besloten wordt dat de wandelkerk op de marktdagen zal geopend dienen te zijn van ‘s morgens zeven uur tot ’s avonds vijf uur en de overige dagen op dezelfde uren gesloten zal blijven. Echter met dien verstande dat door een te maken klinket de passage alle dagen van ‘s morgens zeven uur tot ’s avonds vijf uur zal geopend zijn. De kerkmeesters krijgen opdracht om ervoor te zorgen dat degenen die met de sluiting en de opening van de wandelkerk zijn belast exact aan dit besluit voldoen.

In maart 1800 besluit het stadsbestuur de Franse commandant te verzoeken om de nodige orders te stellen dat bij gelegenheid van de godsdienst of op andere tijden door de troepen, die in de stad in garnizoen liggen, geen onbehoorlijkheden in de wandelkerk worden gepleegd.

Oude manhuis

In november 1794 blijkt dat vanwege het grote aantal zieken onder het garnizoen het Oude manhuis, dat anders als hospitaal voor de zieken dienst doet, door bekrompenheid van plaats en gebrek aan legging thans niet voldoende ruimte biedt om de zieken daarin te bergen en hen naar behoren te verzorgen. Het stadsbestuur draagt de burgemeesters en de stadsdirecteuren op om naar een geschikte plaats voor de zieken van het garnizoen om te zien.
In december besluit het stadsbestuur de 45 militairen, die morgen uit de Reigersbergsche Polder verwacht worden om in de stad voorlopig garnizoen te houden, bij de bakkers, kroeghouders en herbergiers onder te brengen tot nader order. Door het grote aantal zieken is er geen voldoende plaats voor hen in het Oude manhuis.

Begin mei 1795 staat het Oude manhuis door het vertrek van de militairen leeg. Het stadsbestuur machtigt de stadsdirecteuren voor het manhuis ‘alle zulke arrangementen met overleg van de mede geïnteresseerden te maken als ze tot het meeste voordeel van de stad zullen vinden te behoren’.

Sociëteithuis

Het stadsbestuur geeft de leden van de sociëteit aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat nummer 12 in maart 1795 opdracht het uithangbord voor het volkssociëteithuis, waarop de woorden ‘Groote Sociëteit’ staan, in te trekken en hen te verbieden enig uithangbord voor deze sociëteit te hangen.
Kennelijk is hieraan geen gevolg gegeven of het bord is later weer teruggebracht. Want in maart 1798 wordt de leden van de sociëteit gelast het uithangbord voor het sociëteithuis met de woorden ‘Groote Sociëteit’ in te trekken en hen verboden enig uithangbord voor deze sociëteit te hangen.

Eind april 1795 verschijnen Cornelis Vervenne, Cornelis Pieterse en Cornelis Barbier in de vergadering van het stadsbestuur. Ze zijn afgevaardigd door de volkssociëteit en verzoeken Gerrit Donck, die gisteravond als lid van de sociëteit zijn ontslag heeft genomen, te ontslaan als weesmeester van de stad. Het stadsbestuur deelt hen mee ‘dat de vergadering wel begrijpt dat dit een zaak is geheel buiten het departement van de volkssociëteit’. Ze nemen aan ‘dat de sociëteit slechts in drift en overhaasting heeft gehandeld’. De redenen van het verzoek zijn echter in geen geval valide en het stadsbestuur wil hier dan ook niet op ingaan.

Op de 3e maart 1798 besluit het stadsbestuur, naar aanleiding van het rapport van D. Koning en P. de Winter als gecommitteerden uit de vergadering ter administratie van de gesloten sociëteit in de Lange Kerkstraat, deze commissie te machtigen om alle charters en papieren van de sociëteit met alle nauwkeurigheid te onderzoeken.

Stadssmidse

Op advies van de stadsdirecteuren besluit het stadsbestuur in december 1797 hen te machtigen om op de meest geschikte plaats in de stadsschuur een stadssmidse te laten maken. Deze kan gebruikt worden om daarin al het ijzerwerk te smeden dat voor de stad nodig zal zijn. De directeuren worden verder gemachtigd om een deskundige smidsknecht in de stadssmidse te plaatsen. Deze kan dan tegelijk belast worden met het opwinden van de stadsklokken en het nodige aan de klokken te verrichten. Tot stadssmid in de stadsschuur wordt aangesteld Hendrik Banse.

Pesthuis

Het zogenaamde pesthuis, ook lazeriehuis genoemd, staat op het tweede bolwerk aan de wal ten oosten van de oude haven, die eertijds een Linie van Communicatie was tussen de stad en de Oosterschans. Het is een tamelijk lang gebouw met verscheidene vertrekken, meest van hout getimmerd. Waarschijnlijk is het in de 17e eeuw, toen de pest in de stad woedde, gesticht. Het doet thans nog dienst voor de berging van stadsmaterialen.

De stadsdirecteuren wijzen in januari 1793 op de slechte staat waarin het pesthuis zich bevindt en op het geringe nut dat de stad daarvan heeft. Ze stellen voor om dit gebouw af te breken. Het stadsbestuur stelt hen in de gelegenheid een zodanig gebouw te kopen dat tot berging van de stadsmaterialen het meest geschikt is.
Volgens de stadsrekening is het in 1793 afgebroken.

Slot Oostende

In 1793 koopt Pieter Rijk het Slot Oostende. Hij verzoekt het stadsbestuur in het Slot te mogen verkopen genever, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat als winkelier of slijter. Zijn verzoek wordt echter afgewezen.
Rijk verzoekt in maart 1794 opnieuw in het door hem vorig jaar gekochte ‘woonhuis genaamd het Slot Oostende’ te mogen verkopen genever, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat als winkelier of slijter. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter nogmaals af.

Gebouwen van de schutterijen

Het stadsbestuur besluit op de 26e februari 1798 de drie schutterijen, ‘de Handboog’, ‘de Voetboog’ en ‘de Busse’, te ontbinden.   
Enkele dagen later, op de 3e maart 1798, wordt de president van het stadsbestuur door een commissie uit de schutterij van ‘de Kruisboog’ opgewacht. De commissie deelt hem mee dat ze besloten hebben het gebouw van hun schutterij, gelegen aan de Wijngaardstraat tegenover de Sint Adriaanstraat, te verkopen en het pand als herberg te koop aan te bieden.
Twee weken later, op de 17e maart, wordt de president ook opgewacht door de hoofdmannen en dekenen van de gewezen schutterijen van ‘de Handboog’ en ‘de Voetboog’. Ze geven kennis dat hun confrérieën op de 2e en 5e maart zijn ontbonden en dat gedeputeerden uit de drie gewezen schutterijen gemeenschappelijk hebben besloten de eigendommen van de gewezen schutterijen ten spoedigste te verkopen.
Ook op de 19e mei 1798 komt een verzoek van de gecommitteerden van de onderscheidene schutterijen op tafel bij het stadsbestuur. Ze verzoeken toestemming om de gebouwen van de schutterijen te verkopen als publieke herbergen. Een commissie uit het stadsbestuur, bestaande uit de burgers Van Kleijnputte, Soetebier en Dominicus, buigt zich over dit rekest.

Generaal Dujardin nodigt het stadsbestuur in september 1798 uit om de twee schuttershoven in handen van de chef de brigade Mercier, commandant van de eilanden Zuid- en Noord -Beveland, te stellen. Het 3e bataljon heeft deze al in bezit genomen. Het stadsbestuur antwoordt dat het, omdat dit particuliere eigendommen zijn, de eigenaren daarvan zal oproepen om hun intenties te vernemen.

Het stadsbestuur machtigt op de 6e oktober 1798 raadslid Jan Soetebier en secretaris Jacobus Dominicus om namens hen met de gewezen schutters van de drie ontbonden schutterijen te overleggen. Van degenen die zich genegen tonen om alsnog van hun recht en aandeel, die ze op een van de drie schutterijen hebben, vrijwillig ten gunste van de stad afstand te doen, zal de stad de afstandverklaring accepteren. Het kan echter ook zijn dat de gewezen schutters voor hun afstand het voorrecht eisen om in het vervolg van inkwartiering van Franse troepen te worden vrijgesteld. In dat geval zal de gewezen schutters vrijheid worden toegekend als het gaat om passerende Franse militairen. Deze uitsluiting zal bij inmars van troepen geheel en al ophouden. Evenwel zal in alle gevallen de betoonde bereidwilligheid van degenen die hun recht en aandeel in de schutterijen vrijwillig hebben afgestaan bij een dergelijke inmars niet uit het oog worden verloren.

Op de 19e mei 1799 verschijnen in de vergadering van het stadsbestuur Jaques Jenoteau, Jan de Fouw en mr. Jan Gerard de Witt Hamer als gemachtigden van de leden van de voormalige schutterij ‘de Handboog’. Met hen wordt overlegd over de wijze waarop het gebouw en het hof van de voormalige schutterij ‘de Handboog’ aan de stad voor gebruik en kazernering zal worden afgestaan. Overeengekomen wordt dat het gebouw aan de stad voor gebruik en kazernering van troepen gedurende de oorlog wordt afgestaan. Het gebouw zal op kosten van de stad in de vereiste staat worden gebracht en onderhouden om als kazerne te dienen.

Begraafplaats

Uit naam van de kerkmeesters doet mr. A.W. van Citters van ’s-Gravenpolder op 17 januari 1795 verslag van het onderzoek naar een nieuwe begraafplaats. Gezocht is ‘naar een convenabele plaats daar men zonder prejuditie van iemand de doden behoorlijk ter aarde zou kunnen bestellen, vermits geen genoegzame ruimte ter begraving op het kerkhof meer overig is’. De kerkmeesters hebben verscheidene plaatsen geïnspecteerd. Ze kunnen zich geen betere noch geschiktere plaats voorstellen dan het Ravelijn (de Groene Jager) achter de Brouwersgang.
Vóór 1702 stond op dit ravelijn een oliemolen. Nadat deze omwaaide is het ravelijn in het begin van de 18e eeuw door het stadsbestuur van Goes op erfpacht uitgegeven. Dit onder de speciale voorwaarde dat de stad het recht behoudt om het weer in gebruik te nemen, hetzij tot het herplaatsen van een molen of voor andere doeleinden van openbaar nut. Deze voorwaarde is nadien bij het verkopen van het ravelijn aan David de Klerk ook nadrukkelijk meegenomen. Het verkopen van dit perceel kan daarom niet de minste moeilijkheid veroorzaken. De tegenwoordige eigenaar zal zich moeten getroosten met een behoorlijke schadeloosstelling. Alle onkosten die daarmee verband houden en ook die van het geschikt maken van het ravelijn tot begraafplaats zullen uit de kerkmiddelen worden gedragen. Het stadsbestuur oordeelt deze plaats zeer geschikt voor begraafplaats en besluit deze daarvoor geschikt te maken. De kerkmeesters zullen de directie daarover houden en verder maatregelen nemen tot het overnemen van de gebouwen zoals zij nodig en dienstig achten.

Stadswallen, poorten en havendijken

Stadswallen
Dingenis Corstanje verzoekt het stadsbestuur in januari 1796 om op de stadswal koeien te mogen laten weiden tegen £ 10 Vlaams per jaar. Hij krijgt hiervoor toestemming op de speciale voorwaarde dat hij op zon- en feestdagen ‘niet zal vermogen enige koeien op de stadswallen te laten weiden, dat hij door een door hem aan te stellen persoon zal moeten zorgen dat de koeien niet op het wandelpad lopen en dat hij even min enige mest van deze koeien op het wandelpad zal mogen laten leggen’. De koeien mogen alleen overdag en geenszins bij avond of nacht op de stadswal weiden.

Op de 17e december 1796 hebben de heren De Broekert en Van Eeghem de 266 bomen op de stadswal, staande van de Ganzepoort tot aan het Lyndraaiershuisje, alsook tussen de twee waterpoorten, getaxeerd op een bedrag van £ 388.6.8. Het stadsbestuur besluit de bomen bij publieke verkoop te verkopen.

De stadsdirecteuren krijgen in juli 1799 opdracht om de dijk aan de Oostpoort te doen bestraten. In augustus 1800 stellen ze voor om de borstwering aan de wal achter de Lange Vorststraat te doen afnemen. Het stadsbestuur besluit hier vooralsnog niet in te treden.

Stadspoorten
Het stadsbestuur gaat er in juli 1795 mee akkoord dat de leden van de sociëteit ‘Tot algemeen welzijn’, op de avonden waarop de sociëteit vergadert, en de leden van de stedelijke garde, op de tijden als ze in functie moeten zijn voor hun exercities of wacht, vrij en zonder enige betaling door de stadspoorten kunnen passeren tot de tijd van sluiting van de poorten. Buiten deze tijden moeten ze, net als de burgers, het gewone poortgeld betalen.
Tevens wordt bepaald dat de inwoners van de Voorstad, die ’s avonds in of uit de Ganzepoort gaan, kunnen volstaan met betaling van een halve stuiver en na tien uur met betaling van één stuiver voor poortgeld. Het stadsbestuur stelt in 1796 een Reglement op het openen en sluiten van de stadspoorten vast.

In juli 1799 krijgt de poortier van de Hoofdpoort, Cornelis Adriaanse, op zijn verzoek vrijstelling van het betalen van de jaarlijkse huur van het huisje bij deze poort, sinds het door de Franse troepen als een wachthuis wordt gebruikt.

De poortier van de Bleekveldse poort weigert in januari 1800 ’s nachts de poort te openen voor de stadsvroedmeester die bij een vrouw in de zoutketen is geroepen. Dit kan in zulke situaties en bij brand grote gevolgen hebben. Het stadsbestuur besluit de president te autoriseren daarover met de Franse commandant te spreken en er op te staan dat in het vervolg door de commandant wordt gezorgd dat geen problemen worden gemaakt bij het openen van de stadspoorten in tijden van noodzakelijkheid.

Havendijken
In oktober 1796 krijgt de president van het stadsbestuur bezoek van de advocaat mr. J.G. de Witt Hamer, daartoe gemachtigd door de trekkers op de trekdijk van de stad naar het Goese Diep, Dingenis Corstanje en Pieter Gouw. Hij geeft te kennen geïnformeerd te zijn dat, niettegenstaande de door de stadsdirecteuren onderhands gedane verpachting van de trek- en havendijk aan Corstanje, het stadsbestuur besloten heeft deze verpachting te annuleren en bij biljetten het volk bekend te maken. De advocaat verzoekt opschorting van deze publieke verpachting. Hij verzoekt tot een schikking met Corstanje en Gouw te komen om zo mogelijk verderfelijke procedures te vermijden. Het stadsbestuur vindt het voorstel van De Witt Hamer zeer billijk. Besloten wordt de stadsdirecteuren te machtigen de publieke verpachting van de trek- en havendijk en de schuur, woning en gevolgen weliswaar te doen, maar dit onder het maken van de nodige contracten met Corstanje tot mei 1797.

Aanleg dam in vest bij Oostpoort

Op 6 mei 1796 besluit het stadsbestuur ‘de houten brug van de Oostpoort (vermits dezelve zonder eminente kosten niet is te repareren om in zijn behoorlijke staat te brengen) af te breken en de palen en andere houtwaren die voor de te repareren kaaimuren kunnen dienen te gebruiken’. De stadsdirecteuren krijgen machtiging om door de stadsvest, in de plaats van de houten brug aan de Oostpoort, aan te brengen een aarden dam. Het puin dat van de te repareren kaaimuren mocht overschieten dient naar de plaats van de aan te leggen aarden dam te worden gebracht.

Het stadsbestuur beraadt zich in juli 1796 over de aanleg van een aarden dam door de stadsvest. Hier wordt meer voor gevoeld dan voor de zo hoognodige reparatie van de houten brug bij de Oostpoort. De stadsdirecteuren krijgen opdracht een deugdelijk plan aan de vergadering voor te leggen en daarbij alle mogelijke besparingen in acht te nemen. Begin augustus leggen de stadsdirecteuren een plan betreffende de brug aan de Oostpoort voor. Het is ondertekend door C. Barbier. Ze stellen daarin voor de hoogstnodige reparatie aan de brug te doen. Tevens geven ze hun plan en kostenbegroting in overweging als het stadsbestuur zou voelen voor een aarden dam in de plaats van de brug. Als het een aarden dam wordt dient daarin wel een opening gemaakt te worden door een kleinere brug. De kosten worden begroot op slechts £ 100 Vlaams. Het plan wordt in handen gesteld van het Comité van onderzoek.

In mei 1797 besluit het stadsbestuur ‘de houten brug van de Oostpoort (vermits dezelve zonder eminente kosten niet is te repareren en in behoorlijke staat te brengen) af te breken en de palen en andere houtwaren tot intogen als anderszins aan de te repareren kaaimuren  kunnende dienen te emploieren’. De directeuren krijgen hiervoor opdracht. Tevens krijgen ze machtiging om door de stadsvest, in de plaats van de houten brug voor de Oostpoort, een aarden dam te doen aanleggen. Hiervoor kunnen ze gebruik maken van het puin dat van de kaaimuur zal overschieten. Dit kan voorlopig getransporteerd worden naar de vest ter plaatse van de Oostpoort. Over de voltooiing van de dam zal nader en finaal worden besloten.
In augustus daarop krijgen de stadsdirecteuren opdracht om tot het meeste voordeel van de stadsfinanciën te besteden of in gewoon daggeld te laten uitvoeren het in orde brengen van de aarden dam door de stads zoete vest bij de Oostpoort. De aanleg moet gebeuren op de plaats van de voormalige houten brug aan de Oostpoort. Al op de 6e september rapporteren de stadsdirecteuren dat door hen is aanbesteed het leggen van een aarden dam door de stads zoete vest op de plaats van de voormalige houten brug aan de Oostpoort en dat voor een som van £ 41.10.- op conditie dat het werk de 15e oktober klaar moet zijn.

Herstel houten brug buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort

De stadsdirecteuren rapporteren in januari 1800 over de slechte toestand waarin de houten brug buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort zich bevindt. Het is noodzakelijk dat tot een spoedige reparatie wordt overgegaan. Het stadsbestuur draagt de stadsdirecteuren op een begroting van kosten op te stellen. Op de 1e februari bieden ze hun rapportage al aan. Ze adviseren in de plaats van de brug een aarden dam aan te leggen. De kosten van het afbreken van de brug voor de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort zullen niet bijzonder hoog zijn. Het puin van de te repareren kaaimuur kan tot de aanvulling van de dam worden gebruikt. Het aarden werk kan worden aanbesteed op voorwaarde dat de aannemer de aarde van de kruin van de stadswal, aan en bij het werk, kan afnemen. Dit wordt door hen begroot op £ 100. Het stadsbestuur besluit een en ander toe te vertrouwen aan de stadsdirecteuren met verzoek alle mogelijke kostenbeheersing in het oog te houden.

Stadsvesten

Verscheidene burgers verlangen in juli 1796 om voor een redelijke prijs in de stads zoete veste met kruisnetten vanaf de kant te mogen vissen. Er wordt nagegaan in hoever de vest buiten pacht is en of deze van veel of weinig vis is voorzien.

In februari 1797 schrijft het Committee van Financiën van de stad Zierikzee met erkentelijkheid het volgende: ‘Daar deze stad meermalen gunstig is vereerd geworden met enige zwanen met de intentie om dezelve in stadsgrachten aldaar te brengen in de hoop dat dezelve zwanen aldaar evenals in de stadsvesten van Goes mochten voorttelen’. Het stadsbestuur verzoekt als tegenprestatie ‘om tot voortzetting van de palingteelt in hun vesten aan hun mocht worden toegezonden een partijtje jonge Schouwse paling’.

De stadsdirecteuren krijgen in juli 1797 opdracht de gehele stads zoete vest publiek of onderhands te verpachten voor drie jaar. De pachter krijgt de vrijheid aan niet meer dan 19 particulieren toe te staan in de vest te vissen met kruisnetten zonder dat door de pachter of iemand anders enig hoegenaamd ander viswant zal mogen worden gebruikt.

Straten, plantsoenen en openbare ruimte

In 1794 is al sprake van een openbaar toilet. Het stadsbestuur machtigt de stadsdirecteuren ‘op bekwame plaatsen te doen stellen een meerder aantal van publieke gemakken, teneinde voor te komen dat de wallen der stad niet langer door allerlei onvoegelijkheden worden ontcierd’.
De Centrale Opperbestiering te Brussel wordt in mei 1795 toestemming gevraagd om een schip blauwe steen en een schip witte straatsteen voor de reparatie van de straten in het eiland te laten komen.

In juli 1795 wordt aanbesteed het wieden van de markten. Dit werd voorheen door de regenten van het weeshuis voor £ 7 per jaar aangenomen, maar deze zien hier thans van af. Van de aanbesteding zal een biljet aan de graanbeurs worden aangeplakt. Ook in april 1796 wordt het wieden van de drie marktpleinen in de zomer aanbesteed. Het gaat om de Grote Markt (het gebied binnen de bomen tot aan het Stadhuis), de Vlasmarkt (binnen de bomen) en de Beestenmarkt (buiten de bomen tot aan de goten). Aanbesteed wordt ook om deze marktpleinen te begieten met zout water of pekel uit de zoutketen ingeval dat voor een redelijke prijs te bekomen is, ‘teneinde de stad voor die jaarlijkse onkosten van wieden zo veel mogelijk te bevrijden’.

De turftonders worden in oktober 1795 gelast om voortaan op de wal en niet op de turfschepen te tonnen, ‘teneinde de tondes te beter kunnen geschieden en de ingezetenen hun gerechtigheid verkrijgen’.
Dokter J.A. Schültz krijgt in april 1796 toestemming om over de grond van de stad, liggende van de dijk bij de sluis van de zogenaamde achterhaven tot aan de erve achter zijn huis, te passeren met zijn paard alsmede het gedeelte van de stadswal van de kleine kaai tot aan de sluis.
Het stadsbestuur verbiedt in 1797 tot wederopzeggen het schuren van huizen, stoepen en straten en het wassen van glazen op een boete van £ 3 Vlaams.
De stadsdirecteuren rapporteren in september 1798 dat door hen is aanbesteed het uitdiepen van de Karnemelkseput en de Bijstermansput.

Het stadsbestuur besluit in oktober 1797 ‘de plantagiën, slagtbaar zijnde, aankomende de stad, door deskundigen te doen opmaken en taxeren om dezelve op de voordeligste manier publiek te verkopen’. De daarvan te genieten penningen zullen worden gebruikt enkel en alleen tot vermindering van stedelijke schulden. In november worden op de stadswallen de olmenbomen van de Ganzepoort tot aan de schuur van M. Gorsse gekapt, evenals de bomen staande tussen de twee waterpoorten, samen 251 bomen. De bomen staande aan de stadswallen, te beginnen bij de opril bij de Kleine kerk aan de Gasthuisstraat tot aan de Ganzepoort, worden op de meest voordelige wijze tot voordeel van de stedelijke kas publiek verkocht in een of twee partijen.
De stadsdirecteuren krijgen in januari 1799 opdracht om alle bomen, staande op de Grote Markt, de Vlasmarkt en de Beestenmarkt, publiek te verkopen. Ook de bomen tussen de twee poorten zijn gekapt en brengen op £ 54.4.-. De stadsdirecteuren krijgen toestemming om ook de stadsbomen op het zogenaamde kleine Stoofweitje achter de boomkwekerij van Lodewijk Tak en de bomen die op het zogenaamde paardenkerkhof bij de Schotteput staan op dezelfde wijze te verkopen. De verkoop van de olmenbomen, staande aan de stadswal van het zomerhuis achter het huis van hoedenmaker Pieter Machielse tot aan de Ganzepoort, brengt een bedrag op van £ 215.13.

Namens het college van schepenen rapporteert secretaris Dominicus in januari 1800 over de veel plaats hebbende ongeregeldheden in het werpen van vuilnis op de stadswallen, markten, straten en pleinen. Het stadsbestuur besluit de plakkaten, die voorheen daar tegen zijn vastgesteld, te vernieuwen.
Secretaris Dominicus legt daarop een conceptpublicatie voor tegen het werpen van drek en andere vuilnis op de straten, markten, pleinen en wallen en tegen het schenden en beroven van bomen en houtgewassen. Het stadsbestuur stelt deze publicatie vast.
Ook klaagt Jacobus Bosman, wonende op de Kleine Kade, in februari 1800 over (zo hij voorgeeft) het menigvuldig rijden met wagens over deze kaai. De stadsdirecteuren krijgen opdracht tegen het overtollig en onnodig rijden over deze kaai maatregelen te nemen.

Schuitvlot

Op advies van de stadsfabriek besluit het stadsbestuur in juli 1795 publiek aan te besteden het uitdiepen en delven van een kanaal van het houten bruggetje tot aan de stenen beer buiten de Hoofdpoort door de slikken in het zogenaamde schuitvlot. Daarvan zal door het uitgeven van biljetten aankondiging worden gedaan. De stadsfabriek wordt verzocht een bestek op te maken. De stadsdirecteuren krijgen in juli 1797 toestemming om de uit het schuitvlot gedolven aarde tot het meeste voordeel van de stad te verkopen.

Stoofweiden en exercitieveld

De stadsdirecteuren krijgen in juli 1795 toestemming om tot het meeste voordeel van de stad te verpachten ‘de stadsstoofweijen’, op voorwaarde echter dat de stedelijke garde ten allen tijde zijn exercities op een van de weiden, naar keuze van de commandant, zal mogen houden.
Begin 1798 gaat het zogenaamde ‘Stoofweitje’ als exercitieveld dienen. De commissie voor het in orde brengen van het exercitieveld bestaat uit de leden van het stadsbestuur, de burgers Koning, Pilaar en De Winter.
De commandant van de gewapende burgermacht, Jacobus van Kleijnputte, verzoekt om de rijweg van de meekrapstoven aan de Hoofddijk over het exercitieveld te doen ophouden en een andere rijweg over de dijk aan te leggen. Het stadsbestuur besluit overeenkomstig het verzoek van de commandant.

Stads koren-, zout- en appelmaten

Volgens jaarlijkse gewoonte worden de koren- , zout- en appelmaten in aanwezigheid van het stadsbestuur op het voorportaal van het Stadhuis gemeten en geijkt. Na het ijken begint het stadsbestuur dan met haar vergadering.

In november 1796 verzoeken enige lieden die zich generen met het huren van boomgaarden en het kopen van fruit met de tonne, tot wering van alle disputen en hindernissen in die negotie, een nieuwe appelmaat te laten maken. Het stadsbestuur besluit daarop voor de stad te laten maken een nieuwe tonne of zogenaamde appelmaat met een ijzeren kruis daarover, inhoudende 7 maten ½ spint en 1½ spinten. Alle tonnen, die voor die negotie worden gebruikt binnen de stad, zullen naar die maat moeten worden gemaakt. Ze moeten worden geijkt naar de grootte van de nieuwe ton of appelmaat.

Posterij

In januari 1794 wordt de commies van de posterij, Johannes de Koninck, voor het stadsbestuur ontboden. Hij krijgt een ernstige berisping en wordt gelast zich in alle opzichten stipt te gedragen overeenkomstig de vastgestelde ordonnantie op het rekenen van de briefporten. Voortaan dient hij, evenals de andere stadsbedienden, op Drie Koningenavond verlenging van zijn bediening te vragen.

De postmeester De Koninck, commies van het postkantoor over de stad en het eiland, verzoekt in januari 1795 om verlenging van z’n aanstelling voor een jaar. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Kennelijk verloopt het toch niet tot volle tevredenheid. Want per 1 februari 1796 wordt F.W. Sterk aangesteld tot ‘commies der posterijen’. De vorige postmeester De Koninck weigert aan Sterk ‘de nodige onderrichting niet alleen te geven, maar zelfs de posterijen langer waar te nemen’. De postmeester-generaal Lejeune te Steenbergen wordt gevraagd of hij iemand weet die deskundig is om de nieuwe postmeester Sterk te onderrichten.
In mei 1799 bericht de postmeester F.W. Sterk, dat hij tot borgen voor zijn administratie wegens het Nationaal Postcomptoir stelt de burgers Johannes Vernet en Willem van der Bilt.

Huizen

Ook gedurende deze jaren laten verscheidene vermogende burgers stal- en koetshuizen of zomerhuizen bouwen bij hun huizen. Zo krijgt de hoedenmakerbaas Pieter Machielse in april 1803 vergunning voor het zetten van een zomerhuis ‘op het eind van de stenen trap op de wal tussen de Oostpoort en de Ganzepoort’. Ook de baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt mag in december 1793 een zomerhuis bouwen tegen de stadswal (Westwal) achter de tuin van zijn huis aan de Nieuwstraat nummer 2 (naast de brouwerij ‘het Witte Claverblad’).

In maart 1794 koopt Lieven van Loo een woonhuis en erf aan de Turfkade nummer 5 met het pakhuis aan de westzijde van het Ossenhoofdstraatje nummer 15. Dit onder voorwaarde dat hij van het stadsbestuur vergunning krijgt om als grossier in sterke dranken en gedestilleerde wateren op te treden.

De stadsdirecteuren krijgen in juli 1796 opdracht behoorlijk toezicht te houden op het maken van vaste zonneblinden aan de publieke straten en marktpleinen. Wanneer ze dit constateren moeten ze de werkzaamheden direct laten stoppen. Als het werk al mocht zijn verricht, dient hiervan aan de stadsraad kennis te worden gegeven.

Jozias Risseeuw krijgt in maart 1799 vergunning om in de stadsgang, het zogenaamde ‘Zevenhoekslopje’, achter de erve van zijn woning '’t Hoofken’ aan de Opril Grote Markt nummer 8, af te breken een oude scheidmuur en in de plaats daarvan te laten stellen een houten schuur.