Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1793 - 1800)

Openbare orde

Begin februari 1793 ontstaat er onrust door het in omloop zijn van twee revolutionaire geschriften, het ene getiteld ‘De Gemeene Man aan het gemeene Volk van Nederland’ en het andere getiteld ‘Vrijhart aan het Volk van Nederland over de Ware Constitutie’. De voorzittende burgemeester Van der Bilt heeft deze geschriften bij een van de boekverkopers in de stad aangetroffen. Hij heeft de verkoop direct verboden en alle exemplaren opgehaald en onder zijn bewaring genomen. Het stadsbestuur bedankt hem voor zijn attentie.

Er komt in januari 1793 een brief van de Staten van Zeeland met een uitschrijving van een algemene dank-, vast- en bededag tegen woensdag de 13e februari. Op de 6e april stelt het stadsbestuur Gecommitteerde Raden voor om uit hoofde van de gelukkige omwending van zaken de tegenwoordige bedestonden in een dankuur te veranderen. Ook op de 3e mei ontvangt het stadsbestuur een brief van de Staten van Zeeland. De inhoud is dat, niettegenstaande de zorgelijke en gevaarlijke omstandigheden waarin de Republiek zich bevonden heeft doch thans zo gelukkig gered is, de plechtige en openbare bedestonden evenwel hun voortgang zullen hebben tot nader order, doch met die verandering alleen dat deze op de 22e mei en vervolgens om de vier weken zullen worden gehouden.

Ook ontvangt het stadsbestuur in mei een brief van de Staten van Zeeland, waarbij de besturen van de steden van Zeeland verzocht wordt om bij het houden van enige kermis of jaarmarkt gedurende dit lopende jaar, uit hoofde van de tegenwoordige oorlog waarvan het einde en de gevolgen niet te voorzien zijn, geen hoegenaamde ijdelheden in hun steden of jurisdictiën toe te laten.
In maart 1794 schrijven de Staten van Zeeland het vieren van een dank-, vasten- en bededag tegen de 26e maart uit. Deze wordt gepubliceerd. Daarnaast wordt ‘striktelijk geboden ook metterdaad te doen ophouden allerlei handwerk en nering, mitsgaders het tappen, kaatsen, balslaan en diergelijke exercities’.

In juli 1794 leggen de commissarissen, die aangesteld zijn tot het examineren van de attestaties van de zich in de stad ophoudende vreemdelingen, een conceptpublicatie voor met het verzoek deze terstond te publiceren. De publicatie voorziet er in om alle burgers en ingezetenen van de stad te gelasten om de namen van de vreemdelingen, van wat staat of constitutie zij ook zijn, die in hun huizen zijn gelogeerd, exact op te geven aan de presiderende burgemeester binnen 24 uur, op een boete van £ 1 Vlaams. Hiermee wordt akkoord gegaan.

De Goese gedeputeerden ter staatsvergadering krijgen opdracht een voorstel in te dienen om, vanwege het grote getal vreemdelingen dat zich niet alleen in de stad maar in de meeste steden van Zeeland ophoudt, van hen een eed op de constitutie of van getrouwheid aan de magistraten gedurende hun inwoning binnen Zeeland te eisen.
Al spoedig blijkt dat verscheidene verdachte personen zich binnen het eiland ophouden ‘die de goede opgezetenen door een leugenachtig verhaal van hun overkomen ongelukken en rampen veeltijds om den tuin leiden en daardoor deze tot milddadigheid zoeken te bewegen en genoegzaam noodzaken tot het geven van aalmoezen’. Het stadsbestuur besluit de presiderende burgemeester te verzoeken om die van de extra-ordinaire compagnie bij zich te ontbieden om deze op het allernadrukkelijkst te gelasten om alle mogelijke oplettendheid en waakzaamheid aan te wenden om het eiland van zodanige personen te zuiveren. Wanneer het hem voorkomt dat die van de compagnie te zwak zijn om deze orders met hun onderhorige manschappen naar behoren uit te voeren, zullen deze in dat geval met twee personen kunnen worden vermeerderd.

Op 19 juli 1794 geeft Jan Francois van Strien, burger en inwoner, te kennen dat hij enige dagen geleden door het stadsbestuur is verboden brood te verkopen om redenen ‘dat hij zich over de tegenwoordige tijdomstandigheden zou hebben uitgelaten als een onrustig mens die naar de komst van de vijand verlangt en daardoor de omkering van onze gezegende constitutie met vreugde tegemoet ziet’. Hij verklaart hierover met een innig leedwezen en berouw te zijn aangedaan en verzoekt, ook vanwege zijn groot huisgezin, hem van dit verbod te ontheffen. Hij belooft zich voortaan als een stil en braaf burger te gedragen. Het stadsbestuur besluit hem toe te staan zijn winkel open te zetten tot voortzetting van zijn nering in de verwachting dat hij nooit meer gelegenheid zal geven dat men over zijn onrustig gedrag te klagen heeft.
Een week later wordt Adriana de Zwarte vanwege haar slechte gedrag en voortdurend ontuchtig leven de stad en jurisdictie ontzegd. Ze wordt gelast deze binnen twee dagen te verlaten en daar niet in te komen zonder speciale permissie op straffe van zwaarder correctie.

Strenge maatregelen worden in april 1795 genomen om de rust en orde te handhaven. Zeker nu vijf compagnieën van het in de stad liggende bataljon naar het eiland Walcheren zullen worden verscheept. Op de deuren van het Oude Manhuis is geschreven ‘Orange Boven’. Het stadsbestuur gelast dat gewaakt moet worden tegen buitensporigheden. De commandant van de stedelijke garde krijgt opdracht twintig man de wacht te doen betrekken en door de stad te doen patrouilleren en op de rustverstoorders desnoods met scherp te schieten.
Ook worden de regenten van het weeshuis in hun kwaliteit van wijkmeesters gelast om behoorlijk toe te zien dat geen vreemdelingen in de stad tot inwoning worden toegelaten zonder voorzien te zijn van behoorlijke attestaties. Zo ontvangt het stadsbestuur, op de 2e mei,  een brief van het provinciale bestuur met het verzoek aan alle magistraten ‘om aan een zekere W. Bilderdijk binnen de provincie Zeeland geen schuilplaats te verlenen’.

Op de 28e april 1795 wordt op voorschrift van het provinciale bestuur verboden ‘het dragen van orange versierselen, het uitsteken van vlaggen van die kleur, het roepen van ‘Orange Boven’ mitsgaders alle andere tekenen van verkleefdheid aan de vorige constitutie en stadhouderlijk bestuur’.

In mei 1795 stelt de president van het stadsbestuur, Ossewaarde, voor om in verband met de hooglopende markten, enige zorg te dragen voor een redelijke hoeveelheid tarwe tot consumptie zowel van de Franse troepen als van het schamele gedeelte van de burgerij. Hij betoogt dat de stadskas buiten staat is om de penningen voor de inkoop hiervan te verstrekken. Het stadsbestuur besluit met enige van de voornaamste graankopers in overleg te treden en hun, indien mogelijk, te overreden om ieder een zekere hoeveelheid tarwe, onverkocht en in de stad liggend, te houden om deze vervolgens voor een bepaalde prijs aan de bakkers naar behoefte van het benodigde tot consumptie te leveren. Hierop komen enige voorname graankopers uit de stad binnen en nemen plaats. Ze nemen na enig overleg aan om een hoeveelheid tarwe dat in de stad is opgeslagen, onverkocht te houden om aan de bakkers te leveren voor de prijs zoals op aanstaande dinsdag de markt zal zijn.

In mei 1795 wordt een commissie ingesteld tot vordering van de heffing van het ongemunte goud en zilver. De commissie bestaat uit Pieter Ossewaarde, Adolf Ossewaarde, Wilhelmus Christianus de Crane, Dominicus Noël, Cornelis Mispelblom en Jaques Jeneteau. Over het eiland van Zuid-Beveland en Wolphaartsdijk worden aangesteld Cornelis Dominicus, Marinus Gorsse, Pieter van Kleijnputte, Leendert Krekelenberg, J.A. Harinck en Lein Dijkwel. Voor het wegen en toetsen van het goud en zilver worden aangesteld Adriaan Boddingius en Adriaan van den Thoorn.

In juli 1795 komen verscheidene berichten ‘van onrustigheden en aanstaande combusiën op enige dorpen in het eiland binnen’. Het stadsbestuur besluit het provinciaal bestuur te verzoeken om tot voorkoming van te vrezen bewegingen ten spoedigste naar de stad te detacheren 200 man Franse troepen om op het platteland geplaatst te worden op de dorpen daar deze het meest nodig zijn.

Op verzoek van de burgers Johannes Pilaar en Jan Cornelis Crucque besluit het stadsbestuur in augustus 1795 aan ieder van hen brieven van voorschrijving en een verklaring van hun gedrag en sentimenten aan het Committee militair van de Republiek te verstrekken om bij hen te verkrijgen een officiersplaats onder de Armee van de Staat.

Het stadsbestuur besluit in januari 1796 behoorlijk onderzoek te doen naar de personen die stedelijke ambten bedienen en de tegenwoordige orde niet zijn toegedaan. De daartoe ingestelde commissie zal voor het eind van de maand daarover rapporteren. Niettemin wordt bepaald dat alle zodanige ambtenaren die zich in de jaren 1786, 1787 en 1788 aan wandaden en plunderingen hebben schuldig gemaakt, van hun posten zullen worden ontzet.
Er wordt ook een verbod gepubliceerd tegen het plegen van baldadigheden in de zogenaamde wandelkerk, op de straten en marktpleinen en tegen het omver halen en schenden van bomen.

Op de 21e februari 1796 ‘doen zich weer verregaande onaangenaamheden voor die niet weinig vertonen de grootste onenigheid tussen patriotten en patriotten, waartoe aanleiding heeft gegeven de uitvoering van enige sententies ten laste van lieden betreffende de gearresteerde wachtcontributies’. Het stadsbestuur besluit alle tot op heden hier tegen genomen resoluties te annuleren en buiten effect te stellen. Vervolgens wordt op dit punt met unanieme stemmen besloten het plan, als een stuk tot vereniging dienende, goed te keuren. Het plan wordt ter kennis van de ondertekenaars van een zeker aan het stadsbestuur aangeboden ‘rekest tot vereniging’ gebracht. De burgers Mispelblom, Dominicus en Codde worden verzocht verder te gaan met de invordering van de wachtcontributies als naar gewoonte, met uitzondering van hen die bekend staan de tegenwoordige constitutie of regeringsvorm te zijn toegedaan.

Wegens afwezigheid van de maire ontbiedt het stadsbestuur op 14 april 1796 Jan Benjaminse, de dienaar van de justitie. Hij wordt aangezegd en ten sterkste vermaand op alle bedelaars en landlopers nauwkeurig te letten en deze direct de stadspoort uit te brengen ingeval ze geen inwoner van de stad zijn.

Door de droogte is er in april 1796 groot gebrek aan regenwater. Het stadsbestuur verbiedt gedurende de tegenwoordige droogte het schuren van huizen en straten en het wassen van glazen met enig water hoegenaamd.

Op de 23e augustus 1798 komt er een brief van het Intermediair Administratief bestuur van het voormalige gewest Zeeland binnen. Het stadsbestuur wordt verzocht te zorgen dat de rust in de stad bij alle gelegenheden bewaard blijft. Er worden enkele artikelen gegeven om bij waarschuwing de burgerij daartoe aan te manen en om te zorgen dat bij alarm of andere bewegingen wordt gezorgd om verwarring te voorkomen.
Het stadsbestuur ontbiedt voor zijn vergadering de baljuw alsook de commandant van zowel de burgermacht als de militairen in de stad. Deze, verschenen zijnde, nemen op zich om speciaal gedurende de kermis alle oplettendheid aan te wenden tot bewaring van de goede rust en tot voorkoming van verwarring. Ze zullen met het oog daarop gedurende de jaarmarkt met sterke wachten laten patrouilleren.

In april 1799 besluit het stadsbestuur de varkensslagers binnen de stad te verbieden om ergens anders varkens te branden dan alleen bij de zogenaamde Schotteput.

Justitie

In september 1793 treedt de baljuw Boudewijn Verselewel van der Bilt op tegen de gedetineerde Adriana Zegers, oud dertig jaar. Inplaats van zich met verschuldigde naarstigheid en zedelijke plichtsbetrachting met haar kostwinning in veldarbeid en het leuren met zwavelstokken te vergenoegen, heeft ze in het huis van de buren, toen deze niet thuis waren, uit een kast zes hele en twee halve Zeeuwse rijksdaalders genomen. Ook heeft ze te Baarsdorp, toen niemand thuis was, van een rek een gouden naald gestolen. De baljuw eist dat ze aan een paal gebonden strengelijk met roeden zal worden gegeseld en gebannen uit de provincie Zeeland voor 25 jaar. Burgemeesters en schepenen veroordelen haar om op het schavot te worden gebracht om strengelijk te worden gegeseld en verder voor 25 jaar verbannen uit de provincie.

De baljuw Zacharias Maximilliaan Rimmers voert in maart 1795 een geding tegen de 24-jarige Jan Daansen uit Aardenburg. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan snode misdrijven die strekken tot stoornis van de openbare rust en veiligheid. Hij heeft brandbrieven geschreven en die bij o.a. de landbouwer Jan Pijke in de deur gestopt, aangebeld en zich verwijderd met de bedreiging dat de boerderij in brand gestoken zal worden als deze niet op een bepaalde plaats ’s avonds om negen uur twintig Zeeuwse rijksdaalders brengt. De baljuw eist dat hij gebracht zal worden op een schavot en aldaar onder een galg met een strop om de hals aan een paal gebonden met roeden strengelijk gegeseld en met het brandijzer van de stad gebrandmerkt zal  worden. Verder zal hij 25 jaar worden opgesloten in een van de tuchthuizen van de Republiek en verder zijn leven lang gebannen uit de provincies Holland en Zeeland. De leden van het provisioneel College van Justitie veroordelen hem overeenkomstig de eis van de baljuw met dien verstande dat hij slechts 15 jaar zal worden opgenomen in een tuchthuis.
In juni 1795 procedeert de baljuw Rimmers tegen de 45-jarige Antony Enders uit Bergen op Zoom, thans in de stad woonachtig. Niettegenstaande bij publicatie van 23 april  het dragen van Oranje versierselen en het roepen van ‘Orange Boven’ is verboden, heeft hij afgelopen vrijdag de 12e juni des avonds om acht uur, langs de Oprel van de Grote Markt gaande, met luide stem Oranje liedjes gezongen en speciaal geroepen ‘tot spijt van Spanje. Vivat Oranje en Oranje Boven’. Zulke rustverstorende gedragingen kunnen in een land van justitie en politie niet ongestraft worden getolereerd. De baljuw eist dat hij op een schavot voor het Stadhuis zal worden gebracht en daar aan een paal gebonden openlijk met roeden zal worden gegeseld. Daarna zal hij acht jaar worden gebannen uit de provincie. Het provisionele College van Justitie veroordeelt hem om hedenmorgen van elf tot twaalf uur aan de kaak voor het Stadhuis ten toon te worden gesteld met een papier op de borst waarop met grote letters geschreven staat ‘Rustverstoorder’ en voor vijf jaar verbannen uit de provincie Zeeland.

In juli 1796 is er een geding tegen Jan Hogerwerve, arbeider en lid van de stedelijke garde.
Hij heeft op 3 juli ‘s avonds om negen uur, gewapend met een sabel, Pieter Faber ‘met veel woede aangevallen, op de grond geslagen en boven op den zelve schietende, met veel hevigheid bij de keel gegrepen’. De gerechtsdienaar Gillis de Waard heeft hem bevrijd.
De baljuw eist dat hij aan een paal gebonden strengelijk met roeden gegeseld zal worden en gedurende dertig jaar verbannen uit de provincies Holland, Zeeland en Westfriesland. Het college van schepenen veroordeelt hem om voor dertig jaar te worden verbannen uit de provincie Zeeland.
Ook treedt de baljuw Hendrik Speeleveld in oktober 1796 op tegen de gedetineerde 41-jarige Adriaan van de Woestijne. In november 1795 is hij te Vlissingen van zijn vrouw gescheiden.  Daarna is hij enige tijd als timmermansknecht in dit eiland werkzaam geweest. Enkele dagen geleden is hij binnen de stad komen logeren bij zijn zuster Gola van de Woestijne, wonende ten huize van Hendrik Dekker. Hij heeft zich ‘niet ontzien om aldaar op de 3e september het kabinet van zijn zuster, die enige dagen tevoren naar Wemeldinge was vertrokken, met zijn handen open te breken teneinde zich te verrijken met uit een hoek van hetzelve te nemen een grauwlinnen zakjes met geld en zich ten zelve dage vandaar te verwijderen en naar Walsoorden in het Land van Hulst te begeven’. Hij bleek geen paspoort bij zich te hebben, maar wel 87 rijksdaalders, 8 schellingen en 4 grooten mitsgaders nog 19 stuivers. Deze misdaad behoort tot voorbeeld van anderen te worden gestraft. De baljuw eist dat hij gebracht wordt op een schavot om, aan een paal gebonden, strengelijk ten bloede toe met roeden door de scherprechter te worden gegeseld en voorts gebannen uit de provincie Zeeland voor dertig jaar. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om in het voorportaal van het Stadhuis door een van de stedelijke bedienden van de extra-ordinaire compagnie strengelijk met roeden te worden gegeseld en verder voor dertig jaar te worden verbannen uit de provincie.

In november 1796 treedt de baljuw Hendrik Speeleveld op tegen de 24-jarige Johannes Bernardus Bosset, geboortig uit Hellevoetsluis. In de nacht van 11 september is hij door de stedelijke garde tot verzekering van de rust in bewaring genomen en in de gijzelkamer van het Stadhuis geplaatst. Hij heeft zich ten hoogste verdacht gemaakt zijn huisvrouw Pietronella Verplakke, die op haar verzoek in de gijzelkamer was gelaten en daarna buiten onder het vensterraam van de gijzelkamer dood is gevonden, in die nacht uit het vensterraam ter neer geworpen of gestoten te hebben. De verdachte erkent zijn huisvrouw af en toe te hebben geslagen en mishandeld, maar hij blijft ontkennen zijn vrouw uit het vensterraam te hebben geworpen. Bij huiszoeking wordt een zekere hoeveelheid tabak en koffiebonen gevonden in een roodaarden pot en een Keulse pot. Ook zijn in een blikken trommel gebrande koffiebonen gevonden. Hij wordt daardoor ook van diefstal verdacht. Bovendien is hij in het verleden ook al om andere misdrijven gestraft. De baljuw eist dat hij op een schavot zal worden gebracht en daar aan de scherprechter overgeleverd, aan een paal gebonden, strengelijk met roeden zal worden gegeseld en voor zes jaar in een tuchthuis opgenomen en daarna verbannen uit de provincie Zeeland. President en schepenen veroordelen hem om door een bediende van de extra-ordinaire compagnie in het voorportaal van het Stadhuis strengelijk met roeden ten bloede toe te worden gegeseld en verbannen hem gedurende zijn leven lang buiten de provincie Zeeland.

De baljuw voert in januari 1798 een geding tegen de 43-jarige Jan Albert van Nieuwenhuizen, geboortig van Gent en wonend binnen de stad. Hij wordt verdacht in 1797 in compagnieschap recipissen te hebben gekocht, gesproten uit de heffing van de vier ten honderd van een ieders kapitaal en bezittingen. In juli 1797 zijn de onder hun compagnieschap voorhanden zijnde recipissen verdeeld. De gedetineerde ontving daarvan verscheidene recipissen ten bedrage van £ 150 Vlaams. De baljuw eist dat hij op een schavot zal worden gebracht en, aan de scherprechter overgeleverd, aan een paal gebonden strengelijk ten bloede toe met roeden zal worden gegeseld en gebrandmerkt met het brandmerk van de stad en gedurende tien achtereenvolgende jaren in een tuchthuis geplaatst om met zijn handenarbeid de kost te verdienen en daarna voor zijn leven lang uit Zeeland en Holland verbannen. President en schepenen veroordelen hem overeenkomstig de eis van de baljuw in die zin, dat hij niet in een tuchthuis zal worden opgenomen maar voor zijn leven lang verbannen uit Zeeland en Holland.

In mei 1798 speelt een rechtsgeding tegen de 17-jarige Tannetje Jasperse uit Goes. Ze heeft zich schuldig gemaakt aan verregaande diefstallen in de huizen waar ze als dienstmeid werkte en inwoonde. Zo heeft ze bij schipper Willem Codde een stuk Chits gestolen dat ze in de bank van lening inruilde voor een rijksdaalder. Bij de bleker Jozias Minheer heeft ze een vrouwe hemd uit de was van en toebehorende aan Johannes Koert ontvreemd, evenals een bovenmuts die ze heeft gedragen maar niet weet wie ze toe kwam. Ook bij de bleker Anhonie Lindeman heeft ze verscheidene diefstallen gepleegd zoals een vrouwe hemd, een doek uit de was toebehorende aan Pieter Engelse en een katoenen neteldoekse doek uit de was van Mispelblom, twee bedlakens uit de was van Pieter Zitters in het Sint Adriaanstraatje. Verder heeft ze een zekere Dina van der Maas beschuldigd dat die haar tot stelen zou hebben aangezet. De baljuw eist dat ze op een schavot wordt gebracht en daar aan de scherprechter overgeleverd, door deze aan een paal gebonden strengelijk met roeden zal worden gegeseld en gedurende twee achtereenvolgende jaren opgenomen in een van de tuchthuizen binnen de Republiek om daar met haar handen de kost te verdienen en eindelijk verbannen uit het voormalige gewest Zeeland gedurende tien jaar. President en schepenen veroordelen haar om hedenmorgen van elf tot twaalf aan de kaak voor het Stadhuis met roeden om de hals ten toon te worden gesteld en verbannen haar voor tien jaar uit het voormalige gewest Zeeland.

In november 1798 treedt baljuw Speeleveld op tegen de 21-jarige Jan Boomsluiter uit Goes. Hij heeft vrijwillig, ‘buiten pijn en banden’, bekend ‘zich zoverre te hebben vergeten, dat hij de verregaande stoutheid’ heeft onderstaan de hierna volgende diefstallen op onderscheidene tijden bij Maghelena van den Parel weduwe van Tobias Harthoorn op de hoeve ‘de Hoogte’ onder de stadsjurisdictie te plegen. Hij heeft gestolen twee paar grote mans zilveren gespen. Daarna heeft hij uit dit zelfde huis gestolen een zijden doek zijnde rood gedobbeld met een blauwe rand en een paar vrouwe zilveren schoengespen. Weer enige tijd later is hij door de achterdeur van de schuur van dit huis ingegaan met het oogmerk om te stelen en heeft een paar zilveren vrouwe schoengespen en de kast in de keuken op vijf plaatsen met een ijzeren instrument open gebroken om daar veertien Zeeuwse rijksdaalders uit te stelen en de zilveren haken van een kerkboek. De baljuw eist dat hij op een schavot zal worden gebracht en daar aan de scherprechter overgeleverd om door deze aan een paal gebonden strengelijk met roeden te worden gegeseld en gebrandmerkt met het brandmerk van de stad. Verder wordt hij voor 25 jaren uit het gewest Zeeland verbannen. President en schepenen nemen deze eis over behoudens het brandmerken.

De baljuw Speeleveld voert in juli 1799 een rechtsgeding tegen de 35-jarige Jan Verhoef, geboren binnen de Voorstad te Goes. Hij was arbeider en bedreef enkele koopmanschappen. Hij heeft een aantal inbraken en diefstallen gepleegd, zelfs bij zijn meester die in goed vertrouwen zijn goederen aan hem had toevertrouwd. Ook heeft hij twee tonnekes olij gestolen op de olijmolen ‘de Hoop’ en de olij op de Goessche jaarmarkt verkocht. Ook heeft hij op de molen zes zakken zaad gestolen en appels gestolen uit de boomgaard van Jacobus Almekinders aan het zogenaamde Stoofweitje. Met enige maats heeft hij wijn gestolen uit het pakhuis van wijnkoper F.C. Hubrechtse. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het stelen in het tuin- of zomerhuisje van Jan van Balen van enige poseleinen kommen, kopjes en schotels en een tinnen tabakpot en spiegeltje. Verder heeft hij in andere zomerhuizen ingebroken en gestolen. Ook is hij op een nacht, voorgevende te gaan vissen, ‘s morgens kersen wezen eten in de boomgaard van Nicolaas van der Hagen. Ook heeft hij tersluiks drie ankers jenever uit Middelburg in de stad ingevoerd. De baljuw eist dat hij op een schavot gebracht wordt en daar de scherprechter overgeleverd om door deze met een strop om de hals onder een daar opgerichte galg aan een paal gebonden met roeden tot bloedens toe gegeseld en met het brandteken van de stad gebrandmerkt te worden. Verder zal hij worden opgenomen in een van de tuchthuizen van de Republiek voor 25 jaar en voor zijn overig leven gebannen uit de gewesten van Holland en Zeeland. Hetzelfde vonnis treft zijn medemaat Frans van de Paerl, oud 33 jaar, geboortig uit Ellewoutsdijk, en nog enkele medemaats waaronder ene Pieter Ossewaarde Czoon. Tegen de 26-jarige Pieter Ossewaarde uit Wissekerke, die in een complot dezelfde diefstallen en inbraken heeft gepleegd als Jan Verhoef en Frans van der Paerl, eist de baljuw dezelfde straf. President en schepenen veroordelen ook hem tot geseling en brandmerking aan een paal gebonden op een schavot, 25 jaar tuchthuis en daarna verbanning.

In februari 1800 procedeert de baljuw Speeleveld tegen Roelof van Houten, gewezen landbode van het landrecht, oud 36 jaar en geboortig en wonende binnen Goes. Hij heeft inplaats van zijn post als landbode, waarvoor hij op 12 augustus 1797 is aangesteld, gelijk het hem had betaamd getrouwelijk waar te nemen, integendeel in die betrekking tegen plicht en gedane eed gehandeld, zo door het niet behoorlijk exploiteren van en valselijk relateren op sommige bekomen dagvaardingen en akten, die hij van de procureurs Wagenaar en Soetebier had ontvangen, als door het ontvangen en onder zich houden van penningen en afgeven van kwitanties zelfs ook onder een anders naamtekening. De baljuw eist dat hij op een schavot zal worden gebracht ‘ter plaatse daar men alhier gewoon is criminele executie te doen om aldaar aan de scherprechter overgeleverd en voor de zelve aan een paal gebonden strengelijk ten  bloede met roeden te worden gegeseld, voorts gebrandmerkt met het brandteken van de stad en gedurende de tijd van tien achtereenvolgende jaren geconfineerd in een tuchthuis om aldaar met zijn handenarbeid de kost te winnen en voorts gebannen zijn leven lang gedurende uit de voormalige gewesten van Zeeland en Holland zonder meer in dezelve te mogen wederkomen’. Dit wegens falsificatie en meineed en, naar later gebleken is, huisbraak en diefstal van documenten uit het kantoor van P.J. Egter aan de Beestenmarkt in de avond of nacht van 6/7 april 1799. Ook zijn nog verscheidene inbraken, diefstallen en vervalsingen geconstateerd. Dit geeft aanleiding tot een verzwarende straf. Hij zal op een schavot aan de scherprechter worden overgeleverd en door deze aan een daartoe opgerichte galg met den koorde worden gestraft zodat er de dood op volgt. De schepenen veroordelen hem uiteindelijk om te worden gebracht op een schavot en daar de scherprechter te worden overgeleverd om door dezelve aan een paal gebonden wel strengelijk met roeden ten bloede ter discretie van de rechter gegeseld en met het brandmerk van de stad gebrandmerkt te worden, bannende voorts hem zijn leven lang gedurende uit de limieten van de voormalige gewesten van Zeeland en Holland. Als hij ooit hier in terug komt, zal hij met de dood worden gestraft ofwel met een zodanige andere corporele straf als bij dit gerecht zal worden bevonden te behoren. Zelden in de 18e eeuw worden aan een zaak zoveel woorden gewijd (in het rechterlijke boek circa veertig bladzijden).

In oktober 1800 treedt de baljuw op tegen de 44-jarige Cornelis Goetheer, geboortig te Driewegen en laatst gewoond hebbend onder ’s-Heerenhoek. In plaats van ‘zich met zijn kostwinning als kleermaker te vergenoegen heeft hij de verregaande vrijpostigheid gehad, ten tijde wanneer hij in de kroeg op de kaaij woonde, een hemdrok, welke hem door Adriaan Zuurveld uit Wolfaartsdijk te maken was gebracht, aan een ander te verkopen’. Ook heeft hij het bestaan van de bleekweide een slaapjakje te stelen en dit te verkopen. Ook is hij bij Jan den Herder achter aan de hof over de heining geklommen en heeft uit de hof gestolen een koperen etensketel en een dito putketel die hij heeft verkocht. Dit dient tot afschrik van anderen te worden gestraft. De baljuw eist dat hij acht dagen te water en te brood zal worden gezet, voor vier jaar in een tuchthuis wordt geplaatst en daarna voor tien jaar uit Zeeland wordt gebannen.

Ook in oktober 1800 voert de baljuw een geding tegen de 20-jarige Johanna Vent uit Goes. Ze heeft het bestaan zich te begeven in de winkel van Marinus Wondergem en daar te stelen twee snuifdozen met daarin twee kleine gespjes en een fijne en grove kam. Ze heeft de snuifdoos verkocht aan een Brabantse vrouw. De baljuw eist dat ze acht dagen te water en te brood wordt gezet, voorts voor de tijd van vier jaar in een tuchthuis opgenomen om met haar handenarbeid de kost te verdienen en daarna gebannen uit het voormalige gewest Zeeland voor tien jaar. Ze wordt veroordeeld om gedurende een uur met roeden en met een bord voor haar lijf, waarop met grote letters staat het woord ‘dief’, omhangen voor het Stadhuis aan de kaak te pronk te worden gesteld. Ze wordt verder voor tien jaar verbannen buiten de stad en jurisdictie.

Nasleep plunderingen in 1787

Op de 11e mei 1795 dienen David Koning, Johannes Vernet en Cornelis Barbier, namens de burgers die bijna alle in het jaar 1787 door de plundering van een deel van hun bezittingen zijn beroofd, een verzoekschrift in bij het stadsbestuur. Ze verzoeken de werkelijke plunderaars alsnog ter verantwoording te roepen, zodat deze hun welverdiende straf alsnog zullen ontvangen, en hen een billijke schadevergoeding voor de geleden verliezen te bezorgen. Het stadsbestuur besluit de gedeputeerden ter vergadering van de Provisionele representanten van Zeeland te gelasten daar voor te stellen, dat bij een speciale resolutie wordt vernietigd en ingetrokken het ‘Plakkaat van amnestie’, zoals dit op de 13e augustus 1787 is vastgesteld, en tevens het verbod te laten vervallen dat onderzoek wordt gedaan naar misdaden in de verwarde tijden en bewegingen van 1787 bedreven. Tevens verzoeken ze de colleges van justitie binnen de provincie te gelasten tot het doen van het nodig onderzoek naar de misdrijven van die tijd door de bekende plunderaars ter verantwoording te roepen. Op deze wijze zou ontdekt kunnen worden wie de eerste bewerkers van de rampzalige plundering geweest zijn. Daardoor kunnen degenen die de slachtoffers van de volkswoede zijn geweest alsnog een alleszins billijke schadevergoeding verkrijgen.

Op het door Abraham Staal gedane verzoek besluit het stadsbestuur in juni 1795 hem inzage toe te staan en een kopie of extract uit de notulen van burgemeesters en raden van het jaar 1787 en van de beide berichten, door burgemeesters en raden over de oproerige bewegingen van dat jaar aan de Staten van Zeeland gezonden.

In augustus 1795 onderhoudt het stadsbestuur, vertegenwoordigd door A.W. Egter, D. Noël en de maire Z.M. Rimmers, de ontslagen ijkmeester Jan Vervoort over zijn gedrag in het jaar 1787. Over hem zullen inlichtingen worden ingewonnen over de bewegingen van die tijd.

Het stadsbestuur besluit op 6 februari 1796 de burger A.W. Egter namens de stad aan te stellen in het ‘Committee van Onderzoeking en ontdekking naar de bewerkers en aanstichters, aanvoerders en actuele deelnemers in de plunderingen en geweldenarijen van de jaren 1786, 1787 en 1788’. Op 6 maart wordt de commissie, bestaande uit A.W. Egter, J.J. Korbelijn en J. Kroes, de vrijheid gegeven om voor hun gebruik te nemen de Vierschaar of een van de kamers van het Stadhuis ‘om te horen degenen die zij mochten justineren nodig te hebben tot het ontdekken van de bewerkers, begunstigers, aanvoerders en actuele deelnemers in de plunderingen in de jaren 1786, 1787 en 1788’.

Op de 2e september 1797 besluit het stadsbestuur, op voorstel van de president Johannes Pilaar, binnen een nader te bepalen tijd de leden van het Nassaugilde van de bierdragers en het Sint Jansgilde van de arbeiders, die op de ‘Lijst der Plunderinge en geweldenarijen ten jare 1786, 1787 en 1788  binnen de stad zijn voorgevallen’ zijn vermeld, voor de vergadering te dagvaarden. Onderzocht zal worden of ze zich van die blaam behoorlijk kunnen zuiveren.
Maar veertien dagen later wordt besloten, in afwijking van het vorige besluit, een Nadere Personele Commissie te benoemen, bestaande uit de burgers Egter, Van de Vaarde, Vervenne en De Broekert, met de opdracht om ten spoedigste nader rapport hierover aan de vergadering te overleggen.
Op de 10e oktober sturen de Vertegenwoordigers van het Zeeuwse Volk een extract uit hun besluit van 15 september. Deze houdt in uitstel voor degenen die op de Alfabetische Naamlijst als bewerkers, begunstigers, aanvoerders en actieve deelnemers van en aan de geweldenarijen van de jaren 1786, 1787 en 1788 zijn geplaatst, voor nog drie maanden om zich van de hun opgelegde blaam te zuiveren en verder om na verloop van die tijd nader te besluiten.

Het stadsbestuur besluit op de 27e april 1799, na lezing van een ingekomen brief van de gepensioneerde kapitein Jones, ‘voor de puye van het Stadhuis voor te hangen en een ieder uit te nodigen die iets nadeligs betrekkelijk de plunderingen van den jaare 1787 op desselfs destijds gehouden gedrag weet in te brengen, zich binnen gemelde tijd schriftelijk bekend te maken’.

Baljuw

Op de 9e augustus 1794 vraagt de baljuw van de stad, Boudewijn Verselewel van der Bilt, ontslag. Het stadsbestuur spreekt uit ‘liever te hebben gezien dat deze heer te persuaderen was geweest om dit ambt nog langer te blijven bekleden tot genoegen van het stadsbestuur’. Desgevraagd bewilligt de voorzittende burgemeester Cornelis van Citters van Bruelis erin de baljuwage voorlopig waar te nemen.

In juli 1795 worden de leden van het stadsbestuur Noël, Van den Hoek en Kuijper aangewezen om met Z.M. Rimmers als Maire, belast met de waarneming van de baljuwage van de stad, te spreken over de manier van waarneming van zijn baljuwage. Het gesprek gaat zowel over de voordelen daarvan als de kosten daarop vallende en over het aandeel dat de stad in beide opzichten daarin zal participeren. Ze komen met de maire overeen dat de baljuwage van de stad door hem in zijn kwaliteit van maire zal worden waargenomen voor eigen rekening. De stad zal niet in de voordelen daarvan participeren en evenmin gehouden zijn enig aandeel bij te dragen in de kosten die daarop vallen.

Op voorstel van voorzitter Noël besluit het stadsbestuur in augustus 1795 de Maire Rimmers, en bij zijn afwezigheid E.H. Piepersberg, om bij voorkomende verzoeken van de Fransen om wagens mitsgaders inkwartiering van passerende militairen daarin te voorzien. De reden is dat hij nogal eens genoodzaakt is zich voor zijn affaires naar buiten de stad te begeven.

De nieuwe baljuw Rimmers bekommert zich kennelijk om de uniformen van de beide gerechtsdienaars, de zogenaamde ’s Heeren dienaars. Het stadsbestuur besluit namelijk in juni 1796 ‘de dienaars van de justitie voortaan te kleden met een donkerblauwe lakense rok dito kamizool en broek, alle met knopen van het zelve couleur, grijze kousen, een driekantige hoed met een zwarte cocarde en op de linkerschouder een witte kokarde, voorzien met het stadswapen op een zwarte grond, met franjes en koorden van drie couleuren rood, wit en blauw, en ieder een egale hartsvanger, die ten alle tijde het eigendom van de stad zal blijven en overgaan van de ene op de andere’. De fungerende baljuw wordt gemachtigd ‘deze kleding en gevolgen te effectueren ten spoedigste’. Ook worden voor stadsrekening voor de dienaars van de justitie blauwe jassen gemaakt overeenkomstig de stalen die door kleermaker C. Steijn zijn gepresenteerd.

Op de 9e maart 1797 bespreekt het stadsbestuur in een daarvoor belegde vergadering de rekeningen van de baljuw Hendrik Speeleveld. De bedoeling is om te proberen de gerezen zwarigheden over de betaling daarvan uit de weg te ruimen.
Voor de vergadering verschijnen Jacobus van Kleijnputte en Cornelis van Zoom, gecommitteerden van het college van geconstitueerden. Dit college heeft zich tot het stadsbestuur gewend met rekeningen die door de baljuw zijn ingediend voor gedetineerde en terecht gestelde personen. Het college van schepenen heeft de rekeningen onderzocht en een aantal posten afgevoerd. Daardoor zijn deze aanzienlijk verminderd. Geroyeerd zijn namelijk alle posten waarop de baljuw geen speciale autorisatie had verkregen.
Het stadsbestuur verzoekt de geconstitueerden alle stukken die op deze zaak betrekking hebben en het bericht van het college van schepenen te overleggen. Verder wordt besloten, alvorens de rekeningen voor betaling te fiatteren, met geconstitueerden te overleggen. Het stadsbestuur wil voor de gevolgen niet aansprakelijk zijn. De gecommitteerden beloven aan het verzoek van het stadsbestuur te voldoen.

Een week later doen weer andere burgers hun beklag. Op de 18e maart maken Meytak, Van de Velde en anderen hun verontwaardiging kenbaar over de willekeurige handelwijze van de baljuw. Deze heeft hen door zijn dienaars van de justitie het laten staan van wagens op de straat voor hun woningen op dinsdagen of andere tijden verboden. Dit is regelrecht in strijd met de eerder verleende vrijheid en voorrechten aan de bewoners van de Nieuwstraat. Uit onderzoek van de voorheen daarover genomen besluiten blijkt dat bij publicatie van 1 november 1768 aan de bewoners van de Nieuwstraat, evenals aan degenen die buiten de Oostpoort wonen, vrijheid is gegeven om aldaar wagens, nadat deze zijn gelost, te plaatsen op dinsdagen en andere tijden. De baljuw wordt voor de vergadering ontboden om hem daarover te horen.
Hierop komt bericht dat door de baljuw Speeleveld volgens getuigen ‘de allerhatelijkste uitdrukkingen tegen de stadsraad zijn gebezigd’. Het stadsbestuur vindt dit ‘ongeoorloofd voor diegenen die met ’s volks vertrouwen vereerd zijn geworden en uit dien hoofde de belangen van de stad en burgerij op zich hebben genomen’. Uiteindelijk wordt, na herhaalde woordenwisseling met de commissie van geconstitueerden, besloten geconstitueerden te verzoeken van de baljuw opheldering over zulke honende uitdrukkingen aan de raad te geven.

Kennelijk zijn er in augustus 1797 ter gelegenheid van de jaarmarkt enkele zaken anders gelopen dan het stadsbestuur wenst. Achtereenvolgens worden de gerechtsboden, de baljuw en daarna de kapitein van de stedelijke garde gehoord. De stadsboden wordt gevraagd naar de reden waarom ze niet zorgen present te zijn als het stadsbestuur vergadert. Binnen gekomen verklaren ze niet te zijn uitgenodigd. Na onderzoek bij de bode van de week blijkt dit waar te zijn. Het is de gewoonte dat de dienaars van de baljuw doorgaans worden uitgenodigd om aanwezig te zijn bij raadsvergaderingen. De reden van hun absentie ligt kennelijk in een conflict tussen raadslid De Broekert en de baljuw. De president verklaart dat deze extra-ordinaire vergadering is belegd op verzoek van het raadslid De Broekert. Deze heeft hem gisteren verzekerd ‘dermate door de baljuw te zijn geinjureerd dat hij zo lang deswegens geen behoorlijke satisfactie aan hem wierd gegeven, hij in de onmogelijkheid is langer ter dezer vergadering zijn post als raad te blijven continueren’. Hierop wordt De Broekert verzocht opening van zaken te geven.

Raadslid De Broekert laat zich vervolgens ‘in substantie uit dat op gisteren bij gelegenheid dat in zeker Spil of vertoning van een Vries boertje, lang 27 duimen, op deze jaarmarkt te zien zijnde, wilde gaan, door de mr. van de Tent was gezegd, op zijn vraag hoe of het ging met de kermis, dat het wel zoude gaan, waren er zo veel lieden niet vrijgesteld. Waarop door hem was geantwoord dat er bij de raad was besloten dat niemand, wie het ook zoude zijn, in het zien van enige vertoning hoegenaamd zoude vrijgesteld worden. Dat hij Broekert daarop de baljuw was tegen gekomen op de Vlasmarkt, die hem had gezegd: ‘Hoor Monsieur Broekert, wat heb jij te zeggen over mijn handeling omtrent den vent van ’t Spul en jij steekt je telkens in mijne zaaken, ik zal je wel vinden’. Waarop De Broekert verklaart dat hij enkel had gezegd dat bij de raad is besloten dat niemand zal zijn vrijgesteld. Waarop door de baljuw verscheidene injurieuze uitdrukkingen hem zijn aangedaan.
Besloten wordt de baljuw dadelijk voor de raad te ontbieden en hem voor de raad ‘te declareren dat de raad, gehoord hebbende de klachten van haar medelid Jacobus de Broekert, niet heeft kunnen nalaten zich die zaak als de hare aan te trekken en de eclatantste satisfactie deswegens van hem baljuw te requireren’. Dit wordt door de baljuw beantwoord met te zeggen dat ‘hij niet zoude nalaten zich zelve gelijk recht van satisfactie over den hoon door hem baljuw de burger Broekert aangedaan, te verzorgen. Met declaratie verder voornemens te zijn de burger Broekert deswegens bij eerste gelegenheid voor de rechtbank dezer stad te dagvaarden en voorts tegen denzelve zodanige actie te institueren als bevinden zal te behoren en tevens dat hij baljuw het liet aan de vrije intentie van de raad en van de burger Broekert om te hemwaarts zodanige satisfactie over zijn handeling te obtineren als naar rechte verkrijgbaar en nodig zullen oordelen’.

Het stadsbestuur besluit, nadat de baljuw zich verwijderd heeft, hem andermaal te ontbieden en te ordonneren dat hij ‘ditmaal en zonder consequenties voor het vervolg geen regard zal hebben te nemen op de publicatie van 24 september 1796 belangende het tappen des nachts gedurende de tegenwoordige jaarmarkt en overzulks geen beletsels te doen, dat door enige kroegiers of herbergiers na elf of twaalf uur wordt getapt of op enig instrument gespeeld, ter bevordering van een gepaste vrolijkheid, als zijnde de publicatie alleenlijk geschikt om te dienen buiten de gewone jaarmarkttijden’.

De baljuw, voor de raad verschenen zijnde, zegt toe deze resolutie te gehoorzamen ‘alsmede dat op aanstaande zondag aan de vetrekkende kooplieden zal worden toegestaan de gansche nagt door te laden kramen en goederen, alsmede de gansche zondag, buiten de ordinaire godsdienstoefeningen, met welk declaratoir de raad heeft genoegen genomen’.

Schutterijen

In 1794 bestaat het bestuur van de schutterij van ‘de Handboog’ uit Willem van der Bilt, hoofdman, en mr. C. van Erlach La Motthe, Nicolaas van der Hagen en mr. J.G. de Witt Hamer, dekenen. Het bestuur van de schutterij van ‘de Voetboog’ bestaat uit mr. J.A. van Dorth, hoofdman, en L.J. van de Spiegel, J. Amijs en Chr. Bootsgezel, dekenen.
Tot hoofdman van de schutterij van ‘de edele Busse’ wordt verkoren A. van Tilburgh en tot dekenen C. van Citters van Bruelis, J.W. de Jongh en F. van Baalen.

Na de regeringswisseling in februari 1795 komen de functies van hoofdman en dekenen van de drie schutterijen alle vacant. Het stadsbestuur besluit met de vervulling te wachten tot aanstaande Tweede Paasdag wanneer de verandering van hoofdman en dekenen gewoonlijk geschiedt. Daarop worden op de 1e april 1795 benoemd tot hoofdman van de Busse Adolf Ossewaarde en tot dekenen Pieter Ossewaarde, Jacobus W. de Jongh en Frans van Baalen. Tot hoofdman van de voetboog wordt benoemd Leijn Dijkwel en tot dekenen Leendert Krekelenberg, Theodorus Cornelis Huibregtse en Adriaan Boddingius. En tot hoofdman van de handboog Jacobus Louwaart en tot dekenen Jean Pierre Ceré, Johannes van Huisen en Gerard de Leeuw.

Nadere gegevens over de gebouwen van de schutterijen zijn vermeld onder ‘Openbare voorzieningen’.

Extra-ordinaire compagnie

Begin januari 1793 spreekt het stadsbestuur zich lovend uit over de inzet van de extra-ordinaire compagnie op Zuid-Beveland. Ze hebben bij uitstek er alles aan gedaan om de rust en veiligheid in het eiland te bevorderen. Het stadsbestuur besluit als blijk van haar genoegen aan de manschappen van de compagnie, hoofd voor hoofd, een beloning te geven, te weten aan de gewone manschappen drie Zeeuwse rijksdaalders en aan de extra-ordinaire manschappen één Zeeuwse rijksdaalder. Ook eind mei 1793 ontvangen alle manschappen van de extra-ordinaire compagnie, vanwege door hen gedurende deze tijdsomstandigheden buitengewoon gedane diensten, een douceur van zes Zeeuwse rijksdaalders.

De gecommitteerden van het eiland, W. de Fouw en C. Dominicus, verschijnen op 11 augustus 1795 in de vergadering van het stadsbestuur. Op hun voorstel en na overleg met de Maire besluit het stadsbestuur Gillis de Waard te ontslaan als luitenant van de extra-ordinaire compagnie, ook genoemd de roode roede. In die functie wordt aangesteld Cornelis Jobse van der Maas, een van de roode roeden. In de daardoor open gevallen plaats worden voorlopig aangesteld drie roode roeden tot meerdere beveiliging van het eiland en vanwege de menigte vreemd volk dat zich thans op het eiland bevindt. Aangesteld worden Thomas de Wolf, Henricus Kerkhoff en Arij Steutel.

De bedienden van de extra-ordinaire compagnie moeten in 1796 de eed van trouw aan het nieuwe bewind afleggen. Jacob Laurens weigert dit. Hij wordt door de president van het stadsbestuur Egter ‘ten sterkste gereprimendeerd en terstond uit de vergaderzaal weggezonden’. De functie wordt andermaal vacant verklaard.

De baljuw Speeleveld betoogt in september 1798 dat de extra-ordinaire compagnie wat betreft gevallen van fraude in de gemene middelen onmiddellijk ter beschikking van de baljuw staat. Omdat de compagnie slechts bestaat uit een luitenant en drie manschappen en dat getal niet toereikend is om tegen de vele fraudes binnen het eiland te waken stelt hij voor het aantal te verhogen van vier naar zes personen. Het stadsbestuur stemt hiermee in. Wel wordt overwogen dat het middel van ‘s lands wachten zodanig is verminderd dat het onmogelijk is hieruit de betaling van zes personen te doen. Het Interim administratief bestuur van Zeeland wordt daarom een voorstel gedaan tot verkrijging van de nodige fondsen.

Op voorstel van de gecommitteerden van het eiland besluit het stadsbestuur in augustus 1800 toe te staan dat de zogenoemde ‘roode roedes’ van de extra-ordinaire compagnie op kosten van het middel van ’s lands wachten ieder van een behoorlijk schietgeweer worden voorzien.

De luitenant en bedienden van de extra-ordinaire compagnie binnen het eiland dienen in november 1800 een verzoek bij de Commissie tot de administratie van de financiën over het voormalige gewest Zeeland in om de baljuw te gelasten aan hen af te geven een zodanige verklaring als bij het 9e artikel van hun Instructie wordt vereist tot het bekomen van hun jaarlijkse toelagen. In december komt er van de Commissie een aanschrijving om binnen twee weken een regeling te treffen met de baljuw om alle geschillen over de wijze van aanstelling van de zogenaamde ‘roode roeden’ binnen het eiland te vereffenen en voor de toekomst te voorkomen.

Garnizoen

Het stadsbestuur bespreekt in januari 1793 het rapport van de 31e december 1792, waarbij geadviseerd wordt om in overeenstemming met de brief van Hun Hoogmogenden de compagnie artilleristen niet te verminderen maar voorlopig in verband met de tijdsomstandigheden te houden op haar huidige sterkte van 153 manschappen. De gedeputeerden naar de statenvergadering krijgen mandaat om zich daarmee akkoord te verklaren in de verwachting dat er een toereikend aantal artilleristen in de provincie beschikbaar zal zijn.
Op de 19e januari arriveert het tweede bataljon van het regiment van generaal-majoor Baron van Monster in de stad. Nadat het binnen gemarcheerd is wordt het bataljon als naar gewoonte voor het Stadhuis in de eed genomen.

In februari 1793 beklagen de commandanten van beide corpsen die in de stad garnizoen houden zich een en andermaal over de volgens hen bezwarende wijze waarop de militie hier ingekwartierd ligt. Het tarief voor de inkwartiering bedraagt voor twee man per week twaalf stuivers als ze op één bed en tien stuivers als ze op één matras slapen. Dit tarief is temeer bezwarend vanwege de duurte van de levensmiddelen en vooral omdat er tegenwoordig geen werkpassen of verloven worden gegeven.
Het stadsbestuur besluit dat de betaling voor de inkwartiering en voor de fournituren van bedden of matrassen met toebehoren zal moeten blijven op de oude voet zoals deze tot heden gold. Indien daarover enige achterstalligheid in de betaling mocht bestaan, dan dient deze richting te worden voldaan. Verder zal aan iedere garnizoen houdende onderofficier en tamboer wekelijks bij wijze van serviesgeld worden betaald twee stuivers.

In februari 1793 krijgt kolonel Fisbach toestemming ‘de trom tot werving en completering van het garnizoen te doen roeren en op een convenabele plaats met kennis van de regerende burgemeesters ten zelve einde in een kroeg de viool te laten spelen mits niet later als tot tien uur des avonds’.
De gedeputeerden tot de defensie van het eiland leggen in maart 1793 een plan over tot het oprichten van een korps artilleristen uit de inwoners van de stad om in het eiland te kunnen worden ingezet. Het stadsbestuur stelt dit plan in handen van secretaris Van Citters om dit te presenteren aan Gecommitteerde Raden van Zeeland met verzoek het stadsbestuur in staat te stellen tot vinding van de daaraan verbonden kosten.

Luitenant-kolonel commandant Fisbach van het 2e bataljon van Monster, dat gedeeltelijk binnen de stad garnizoen houdt, verzoekt in april 1793 ontslag van de aan het stadsbestuur gedane eed. De reden hiervan is dat hij geordonneerd is volgens patent van Zijne Doorluchtige Hoogheid om met zes compagnieën van het bataljon zich naar Veere in te schepen. Ook de overblijvende compagnie grenadiers heeft patent verkregen om zich naar Bergen op Zoom te begeven. Het stadsbestuur besluit de commandant met zijn onderhorige manschappen te ontslaan uit de eed en betuigt daarbij haar waardering voor de loffelijke en voorbeeldige discipline die door de manschappen gedurende hun verblijf binnen de stad is gehouden.
Op verzoek van de commandant van het garnizoen verzoekt het stadsbestuur in mei 1793 Gecommitteerde Raden van Zeeland het benodigde kruit tot afvuring voor vier compagnieën, die binnen de stad garnizoen houden, toe te zenden.

De commandant van het garnizoen geeft het stadsbestuur in december 1793 te kennen dat er onder de officieren van zijn corps enigen zijn die genegenheid hebben tegen de eerstkomende verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid op de 8e maart een vuurwerk te vervaardigen. Als ze hiervoor toestemming krijgen willen ze het vuurwerk op de Grote Markt afsteken. Ze verzoeken hiervoor van enig kruit te worden voorzien. Het stadsbestuur besluit de stadsfabriek Metzger te gelasten hen het benodigde kruit ter hand te stellen en toezicht te houden dat door het ontsteken van het vuurwerk geen ongelukken kunnen gebeuren.

Ook in mei 1794 besluit het stadsbestuur, op verzoek van de commandant van het garnizoen binnen de stad, Gecommitteerde Raden van Zeeland te verzoeken het benodigde kruit voor de afvuring van twee en een halve compagnie te willen afzenden.

De voorzittende burgemeester geeft op de 3e januari 1795 het stadsbestuur te kennen dat enige officieren van het regiment van generaal-majoor Van Nijvenheim, dat binnen het eiland is gekantonneerd op repartitie van de provincie Holland staande, zich deze week aan zijn huis hebben vervoegd. Ze gaven hun verlegenheid te kennen dat ze thans in de onmogelijkheid zijn om aan hun manschappen de gewone betaling te bezorgen, terwijl de wissels die hun uit Holland tot betaling van soldij zijn overgezonden, binnen onze provincie niet geaccepteerd worden uit vrees dat deze niet in specie voldaan kunnen worden. Daartoe hebben ze geen genoegzame verzekering durven geven. Ze verzoeken enige penningen onder garantie van het stadsbestuur te mogen opnemen tot voldoening van de verschuldigde lening aan hun volk. Het stadsbestuur besluit uit overweging van de billijkheid van het verzoek het regiment-van Nijvenheim te machtigen om enige penningen bij particulieren op te nemen onder garantie van het stadsbestuur, mits deze de som van £ 500 Vlaams niet te boven gaan.

In januari 1795 constateert het stadsbestuur dat bij de herbergiers, kroegiers en bakkers sinds enige tijd enige militairen zijn ingekwartierd. Het blijkt dat daarbij niet de prijs is bepaald die de soldaat wekelijks daarvoor zal moeten betalen. Besloten wordt deze burgers één schelling per man per week toe te kennen. De militairen zijn verplicht deze vergoeding prompt te voldoen.

Het Uitvoerend Departement van de provinciale Raad van Zeeland vraagt het stadsbestuur in maart 1797 of in het magazijn van de stad enig kruit of andere ammunitie bij de ontruiming van de stad door het nationaal garnizoen is achtergelaten. Als dat zo is moet dit aan de commies-stapelier J. Bijleveld te Veere worden gezonden.

Op de 7e mei 1798 komt er een kennisgeving van de Franse generaal Dujardin dat hier in de stad in garnizoen zullen komen 500 à 600 man Franse troepen. De generaal gelast om er voor te zorgen dat de nodige lokalen in gereedheid worden gebracht tot berging van deze troepen.
Het stadsbestuur besluit, vanwege de geringe bergplaatsen voor zo’n aantal troepen, een commissie uit de raad, bestaande uit Pieter de Winter en Johannes Pilaar met de stadsbode Adriaan Cornelisse, te formeren. De commissie moet naar generaal Hosta te Middelburg gaan om bij hem indien enigszins mogelijk te bewerken dat zo’n aantal troepen niet in deze stad in garnizoen kan worden ingebracht. Ook moet de commissie zorgen voor de noodzakelijke levensbehoeften die de troepen tot hun gebruik nodig zullen hebben en die niet in de stad voorhanden zijn.

Teruggekomen van hun missie rapporteert de commissie dat ze, niettegenstaande alle aangewende vlijt, zowel bij de Franse generaal Osten als bij het Uitvoerend bewind van het Intermediair Bestuur, er niet in hebben kunnen slagen om de stad van de inkwartiering van zovele troepen te ontslaan. Ze hebben daarom zoveel mogelijk voorzien in de ontbrekende noodwendigheden. In overleg met de kwartiermeester generaal Gradman hebben ze 150 matrassen, 150 dekens en 300 lakens gehuurd. Deze fournituren zullen morgen in de stad arriveren en in de stadsschuur worden opgeslagen.
Vanwege het gebrek aan de benodigde kribben voor de Franse militairen die hier in garnizoen komen, krijgen de meester timmerlieden binnen de stad opdracht om 72 kribben te maken. Deze zijn dadelijk aanbesteed voor tien gulden per stuk. Vooralsnog zullen ze volstrekt geen andere werken van stadswege opgedragen krijgen om hen in de gelegenheid te stellen de kribben met alle spoed in gereedheid te brengen. De burgers worden bij publicatie opgeroepen om, wanneer ze kribben hebben, deze aan de stad te verkopen.

Stadssecretaris Jacob Dominicus krijgt op de 2e juni 1798 opdracht om naar de commandant van de Franse troepen die in de stad in garnizoen liggen te gaan om bij hem te informeren ‘of er grond van waarheid is voor de lopende geruchten alsof er geen meerdere troepen in de stad zullen ter garnizoenhouding komen en zo ja, als dan te verzoeken in naam van de vergadering om de soldaten die bij de burgerij zijn ingekwartierd, zo spoedig mogelijk in de kazernes te doen gaan’. Teruggekomen rapporteert de secretaris ‘dat de commandant geen de minste tijding hiervan had en dus de deswegens lopende geruchten van alle grond van waarheid waren ontbloot’.
De volgende dag komt het stadsbestuur in extra-ordinaire zitting bijeen om middelen te beramen en te delibereren over de inkwartiering van de troepen die hebben geweigerd om in de beschikbare kazerne te gaan. Maar ook om te beraadslagen of het niet wenselijk is een commissie uit de vergadering af te vaardigen naar de Franse generaal Osten te Middelburg om hem de handelwijze van de commandant van de Franse troepen in de stad bekend te maken.
Maar, staande de vergadering, verschijnt de kwartiermeester in de stad J.A. Lubin en rapporteert dat er al voor twee compagnieën founitures en verdere benodigdheden voor handen zijn. Ook deelt hij mee betrouwbare informatie te hebben dat de compagnie grenadiers, die gisteren in de stad is gearriveerd, hedenmiddag om vier uur in de kazernes zullen worden gebracht. Het stadsbestuur besluit daarop een commissie te formeren om de president van het Intermediair bestuur van Zeeland te bezoeken om te spreken over de moeilijkheden waarin het stadsbestuur zich geplaatst ziet ten opzichte van de inkwartiering van de troepen. Bij hun bezoek aan generaal Hosta verklaart deze in de onmogelijkheid te zijn om aan het verzoek tegemoet te komen. Wel gelast hij dat het stadsbestuur de kazerne behoorlijk dient te voorzien van al hetgeen vereist wordt. Hij zei toe zorg te dragen dat de commandant de troepen in de kazerne onderbrengt.

Op de 26e augustus 1798 komt het stadsbestuur in extra zitting bijeen voor het beramen van maatregelen met het oog op de aankomst van 400 man Franse troepen tot aflossing van de Bataafse troepen die hier in garnizoen liggen. Besloten wordt de stadsdirecteuren op te dragen om zonder verwijl te zorgen dat de nodige arrangementen worden gemaakt voor de inkwartiering en verdere benodigdheden. De volgende dag komt bericht binnen van de adjudant van generaal Dujardin, commandant van de Franse en Bataafse troepen in Zeeland, met het verzoek om te zorgen dat ten spoedigste de nodige lokalen in gereedheid worden gebracht voor het gevolg van de generaal en 400 manschappen en 50 jagers te paard met hun officieren. De stadsdirecteuren krijgen opdracht alles in behoorlijke staat te brengen. Op de 28e augustus besluit het stadsbestuur de zolder van het koetshuis achter het huis van mr. L.P. van de Spiegel alsook de keuken van het huis voor de inkwartiering van een compagnie Fransen in gereedheid te brengen.

Generaal Dujardin, de commandant van de Franse en Bataafse troepen in de voormalige gewesten Zeeland en Brabant, geeft op de 15e september 1798 kennis van zijn besluit om binnen de stad Goes zijn hoofdkwartier te blijven houden om de noodzakelijke bewegingen van de troepen zelf te kunnen bestieren. Verder betuigt hij zijn vriendschap en geeft de verzekering dat het zijn vaste voornemen is om personen en eigendommen in de stad te zullen beschermen. Het stadsbestuur neemt met genoegen kennis van deze brief.

De president rapporteert nog dat het meubilair van de stad, dat voorheen gediend heeft voor het logement van de gedeputeerden naar de statenvergadering, op zijn last gedeeltelijk is gegeven tot gebruik van generaal Dujardin. De meubels zijn overgebracht naar het huis van de voormalige burgemeester Arnoldus van Tilburg, Wijngaardstraat nummer 3. Cornelis Barbier, opzichter over stads publieke werken krijgt opdracht om in het huis van Van Tilburg, dat voor de generaal gaat dienen tegen betaling van een gebruikelijke huur, een behoorlijke kachel te plaatsen om vuur te stoken en de schoorsteen in het voorsalet tegen alle gevaren van brand te beveiligen en deze speciaal met leien te doen beleggen.

In de vergadering van het stadsbestuur van de 6e oktober 1798 wordt geconstateerd dat de burgers van alle inkwartiering zo lang mogelijk dienen te blijven bevrijd. Maar onlangs zijn de ingezetenen door het stadsbestuur daarmee bezwaard. Een aantal burgers verzoekt om zover de omstandigheden het enigszins gedogen van het effect van de eerdere resolutie te doen genieten. Het stadsbestuur besluit de vroegere resolutie in te trekken vanwege de schijnbare onmogelijkheid om aan dit verzoek te kunnen voldoen. Enkele weken later, op de 25e oktober, deelt de president het stadsbestuur mee vernomen te hebben dat eerstdaags een aantal troepen staat te arriveren binnen de stad. Hij heeft met de kwartiermeester Gradman besproken dat de stad met niet meer dan 3, 4 of ten hoogste 500 soldaten bezwaard kan worden.

De president geeft het stadsbestuur in april 1799 te kennen dat op de aanhoudende aanzoeken van de commanderende officier van de Franse troepen binnen de stad om voor rekening van de stad een behoorlijk lokaal ter plaatsing van zijn bureau, evenals dit in Zierikzee en andere steden van dit gewest plaats vindt. Als niet aan dit verzoek wordt voldaan, staat het in zijn macht om nòg enige compagnieën Franse troepen bij het tegenwoordige garnizoen te ontbieden. De president stelt voor, omdat de stad vooralsnog niet voorzien is van de nodige lokalen tot kazernering van meer troepen, om twee kamers voor stadsrekening in het huis van de stadssecretaris Dominicus, staande aan de westzijde van de Grote Markt nummer 15, in gebruik te nemen. De commanderende officier kan daar zijn bureau dan laten plaatsen. De president heeft dit met de secretaris opgenomen. Deze heeft daarin bewilligd op voorwaarde dat hem daarvoor een behoorlijke vergoeding wordt toegekend. Besloten wordt dit voorstel te accorderen.

Op de 9e april 1800 komt het stadsbestuur in extra-ordinaire zitting bijeen om te delibereren over een voorstel van de generaal Dujardin van de divisie. Hij wil zijn kwartiergeneraal binnen de stad etablisseren en verzoekt de nodige ruimte voor huisvesting van de generaal, voor diens adjudant en voor de Etat majoor-generaal en diens gevolg aan te wijzen. Ook verzoekt hij om ruimte voor de stalling van 34 paarden.
Het stadsbestuur besluit om deze officieren de grote moeilijkheid, zo niet volstrekte onmogelijkheid, te kennen te geven om de gevorderde lokalen binnen de stad te vinden.  Verder worden het lid van het stadsbestuur Marinus Gorsse en secretaris Dominicus aangewezen om zich naar Wemeldinge te begeven en de Municipaliteit aldaar kennis te geven van de vordering van de generaal en om het gebouw, dat thans door de ambachtsvrouwe van Wemeldinge wordt gebruikt, te inspecteren. Tevens moeten ze proberen nog meer kamers aldaar en op de door de weduwe van Gillis Houtekamer bewoonde hofstede te bekomen.
Na inspectie kan tot overeenstemming worden gekomen. Dit verblijf zal dienen tot onderkomen van generaal Dujardin en voor zijn secretaris en adjudant.

Op de 24e mei 1800 komt er een brief van de burger Eckhart, waarbij hij meedeelt het commando over de stad te hebben aanvaard en vooralsnog zijn logement heeft genomen ter plaatse waar de gewezen commandant Mazure heeft gelogeerd.

Franse troepen

De overheersing van de Fransen zet een stempel op het dagelijkse leven in de stad.
In februari 1795 neemt het stadsbestuur een aantal maatregelen voor het in garnizoen nemen van Franse troepen binnen de stad en het eiland. Marinus Carstanje wordt verzocht dagelijks fourage te leveren voor de twee paarden van de Franse commandant.
Het stadsbestuur stelt de statenvergadering voor om de nog voor handen zijnde gelden van het middel van de 50e penning voor de stad en het eiland voorlopig te gebruiken voor de betaling van levensmiddelen en alle andere levensbehoeften voor de Franse troepen binnen de stad en het eiland. De verscheidene wachten van de Franse troepen binnen de stad gebruiken een grote hoeveelheid brandstoffen. Het voor handen zijnde is niet genoeg om daaraan enige tijd te voldoen. De gecommitteerden voor de stadsfinanciën krijgen machtiging om zodra mogelijk nog een hoeveelheid hout aan te kopen.
Het stadsbestuur vaardigt de burgers Dominicus en Noël af om de Franse commandant Masson te verzoeken orders te geven om zoveel mogelijk zuinigheid met de brandstof voor de wachten te betrachten en de brandstoffen bij de stadsfabriek af te halen. Verder wordt besloten voor de paarden van de Franse wacht een voorraad haver, hooi en stroo aan te kopen en de haver in het zogenaamde ‘Roode Pakhuis’ en het hooi en stroo in ’s lands schuur op te slaan.
Generaal Lamaire schrijft uit zijn hoofdkwartier te Bergen op Zoom dat hij 4000 paarden heeft die hij in het geheel niet van voer kan voorzien. Hij verzoekt de stad Goes deze paarden gedurende vijf dagen van haver te voorzien. Het stadsbestuur besluit 800 zakken haver uit een voor de kaai liggend schip voor een Zierikzeese koopman in te vorderen en te betalen uit de gelden van de 50e penning.

In maart 1795 krijgen de Goese gedeputeerden opdracht ter kennis van het provinciale bestuur te brengen dat ‘het regiment van den generaal van Nijvenheim, thans in dit eiland garnizoen houdend, zich bij aanhoudendheid aan willekeurige en slechte gedragingen, geheel strijdig met de thans algemene en erkende gevoelens van vrijheid en gelijkheid, schuldig maakt en nog steeds zijne verknogtheid aan de Cabaal van Willem den Vijfden doet zien’. Het provinciale bestuur wordt verzocht zorg te dragen dat het gedrag van de officieren van het regiment wordt onderzocht.
Ook in maart 1795 wordt op verzoek van de Franse commandant Masson besloten aan alle kroeghouders en drankverkopers te verbieden om ‘s avonds na acht uur aan Franse volontairs drank te verkopen of deze na die tijd in hun huizen toe te laten om daar te drinken, dit onder verbeurte van een boete van vijftig gulden tot voordeel van stadsfinanciën.

De slachters die de leverantie van vlees aan de Franse troepen hebben, betogen eind maart 1795 dat ze niet langer met die leverantie voor de aanbestede prijs kunnen voortgaan. De reden is dat de landlieden hun vee te zeer op prijs houden en dit niet af willen staan voor de normale prijs. Het stadsbestuur besluit om bij aanplakbiljet op alle dorpen in het eiland de landlieden aan te manen om het vee dat zij kunnen missen, al is het zelfs dat het hun moeilijk valt dit voor een redelijke prijs af te staan, aan de commissie tot inkoop daarvan te leveren. Het is noodzakelijk om dit te hebben omdat, indien daaraan niet wordt voldaan, het stadsbestuur in de onvermijdelijke nooddwang zou worden gebracht om het vee in rekwisitie te stellen en voor de getaxeerde prijs te betalen. Men wil dus nog eerst de zachtere weg van vrijwillige inkoop beproeven. Daartoe worden gecommitteerd de burgers Theodorus Cornelis Huibregtse, Jan Boddingius en Jaques Mussche, die de benodigde beesten zullen aankopen en deze vervolgens door de slachter voor het ordinaire slachtloon zullen laten slachten.

Commandant Van Fischbach legt in april 1795, op aanschrijving van het Committee van het  Algemeen Bondgenootschap van de Republiek, zijn commandantschap neer en geeft dit over aan kapitein Blanck. Hij krijgt opdracht aan zijn manschappen bevel te geven om zich stil en bedaard te gedragen en zich ’s avonds om acht uur in hun kazernes te begeven.

Op de 3e juni 1795 geeft de president Ossewaarde het stadsbestuur kennis dat gisteravond een adjudant van een zeker bataljon Franse troepen, liggende te Tholen, bij hem geweest is. Het bataljon wil van Tholen naar Middelburg trekken en in de aanstaande nacht in Goes bivakkeren. Het stadsbestuur wordt verzocht voor hun inkwartiering zorg te dragen.
Een ijlbode gaat naar Middelburg naar generaal Bonneaut om te pleiten voor intrekking van dit bevel en om de troepen rechtstreeks naar Walcheren te laten gaan. Maar voordat deze bode is teruggekeerd zijn er al toebereidselen gemaakt voor de inkwartiering. Het stadsbestuur besluit het Oude Manhuis en de Franse kerk aan de Zusterstraat ten spoedigste zoveel mogelijk geschikt te maken om daarin het grootste gedeelte van de troepen onder te brengen. Degenen die niet in het Manhuis en de Franse kerk gelegerd kunnen worden zullen bij de burgerij worden ondergebracht. Nog deze zelfde dag komt er van de generaal bericht dat hij wegens gebrek aan schepen geen mogelijkheid ziet de troepen rechtstreeks van Tholen naar Walcheren te laten gaan.

De voorzitter van het stadsbestuur Ossewaarde deelt op de 8e juni 1795 mee dat door het vertrek van de Franse troepen de stad en het eiland geheel van militairen zijn ontbloot. Hij stelt voor om, uit voorzorg en om alle bewegingen die soms zouden kunnen voorvallen te voorkomen, de Franse commandant te Middelburg per brief te verzoeken een detachement van zijn troepen naar Goes en het eiland Zuid-Beveland te zenden om daar te blijven tot er weer een vast garnizoen zal zijn gearriveerd. Het stadsbestuur overweegt dat tot op heden zich niet de minste tekenen van oproerige bewegingen opdoen en besluit vooralsnog zo’n verzoek aan de commandant te Middelburg niet te doen.
Tevens wordt besloten op het eerste teken dat enige oproerige bewegingen staan voor te vallen, terstond per expresse daarvan aan de commandant kennis te geven en hem uit naam van het stadsbestuur te verzoeken ten spoedigste een detachement naar Goes te zenden tot wering van de ongeregeldheden die onverhoopt plaats mochten grijpen.

Begin juli 1795 komen er verscheidene berichten ‘van onrustigheden en aanstaande combustiën op enige dorpen in het eiland’ binnen. Het stadsbestuur verzoekt het provinciale bestuur om tot voorkoming van te vrezen bewegingen ten spoedigste 200 man Franse troepen naar Zuid-Beveland te detacheren om op het platteland geplaatst te worden op de dorpen waar deze het meest nodig zijn.

De Franse commandant van het garnizoen in de stad, Michon, krijgt eind 1795 orders om met zijn compagnie naar Veere te vertrekken. Het stadsbestuur besluit voor de overtocht twee schepen te pressen. Verder krijgt de vertrekkende commandant een attestatie van goed gedrag van hemzelf en van zijn compagnie gedurende de tijd dat hij in de stad garnizoen heeft gehouden.

De Maire Z.M. Rimmers krijgt in augustus 1795 mandaat om bij voorkomende verzoeken van de Fransen om wagens en inkwartiering van passerende militairen daarin te voorzien. Verder wordt nog besloten de Franse officieren, die tot heden in sommige herbergen zijn ondergebracht, bij enige burgers te billetteren.
Het stadsbestuur besluit op 15 augustus 1795 zodanige personen, die huizen in de stad hebben maar thans op hun buitenplaatsen wonen en hun huizen sluiten, te doen aanzeggen dat zij in geval van inkwartiering ervoor zullen moeten zorgen dat hun huizen voor dat doel open zijn of de bij hun ingekwartierden elders anders door hun geplaatst worden.

Op het dringende verzoek van de gedeputeerden van het bondgenootschap besluit het stadsbestuur op de 23e augustus 1795 het beheer en de verzorging van de levensmiddelen, het voer voor de paarden en verdere benodigdheden voor de in dienst van de Republiek staande Franse troepen, die thans in de stad en het eiland garnizoen houden, over te nemen. Ook wordt gesproken over de kazernes binnen de stad. Dit is een aan de stad toebehorend pand aan de Beestenmarkt nummer 3 dat voorheen als Latijnse school dienst deed. Hiervoor geldt een huur van 500 gulden per jaar. Verder betreft het het voormalige Oude Manhuis, dat voor de helft aan de stad en de helft aan de weduwe van Johannes de Koning toebehoort. De gedeputeerden gaan dit met enkele leden van het stadsbestuur bezien.
Het stadsbestuur besluit in september 1795 een vrijwillige inschrijving onder de burgerij te openen om daaruit enige gratificaties of verversingen te verstrekken aan de Franse troepen die in de stad in garnizoen liggen. Dit gebaar dient tot beloning van de Fransen voor ‘de menigvuldige diensten door dezelve ter bewaring van de rust in de laatste bewegingen alhier gedaan’.

In september 1797 geven de stadsdirecteuren te kennen opgewacht te zijn door een zekere Voorman, die zegt ’s landsfabriek in Zeeland te zijn en belast is met de beoordeling van de kazernes binnen de steden en dorpen van de provincie. Ze hebben met hem de Hoofdwacht op de Beurs binnen de stad geïnspecteerd. Daarbij bleek dat de reparatie van dat gebouw hoogst noodzakelijk is. Ze hebben daarom aan Voorman een kostenopzet overhandigd. Als de kosten voor rekening van de provincie worden uitgevoerd willen ze over het werk een behoorlijk toezicht kunnen houden. Het tot kazerne dienende gebouw zal altijd de wezenlijke eigendom van de stad blijven.

De president rapporteert op de 26e mei 1798 aan het stadsbestuur dat door de commandant van de Franse troepen, Merlin, in de stad zijn gevorderd de sleutels van de stadspoorten. Deze zijn door de president ook dadelijk afgegeven. Het stadsbestuur keurt dit goed.
Op de 21e juli 1798 komt er een brief van de adjudant-generaal van de Franse troepen binnen met de kennisgeving dat de al vertrokken Franse troepen zullen worden vervangen door drie compagnieën van de Eerste Halve Brigade Bataafse troepen. Het stadsbestuur neemt dit voor kennisgeving aan. De kwartiermeester J.A. Lubin wordt gelast om te zorgen dat het zogenaamde Oude Manhuis in gereedheid wordt gebracht voor het inkwartieren van deze compagnieën Bataafse troepen.

Ter gelegenheid van de 7e verjaardag van de vestiging van de Franse Republiek besluit het stadsbestuur in september 1798 met de Franse troepen en met de gewapende burgers ‘dat feest met militaire evolutiën en viering te celebreren’. De vergadering wordt verzocht dat feest met hun tegenwoordigheid te willen vereren.
Ook in januari 1799 komt er een brief van de commanderende officier van de Franse troepen, Merlin, over het houden van het jaarfeest door de Franse troepen ter gelegenheid van de aanneming van de Franse Constitutie op heden. Op zijn verzoek besluit het stadsbestuur bij de viering van dit feest te assisteren.

Voor de inkwartiering van Franse troepen worden in april 1799 enige noodzakelijke schikkingen beraamd om bij voorkomende gelegenheden bij verdere inmars van Franse troepen zoveel mogelijk te zorgen dat de burgerij van de zo lastige inkwartiering bevrijd blijft. Maar ook om ingeval van noodzakelijke inkwartiering steeds een voldoende aantal getekende biljetten gereed te hebben waarbij alle burgers, zonder onderscheid, beurtelings met de inkwartiering worden belast. Verder besluit het stadsbestuur om andermaal de nodige pogingen in het werk te stellen om meer lokalen tot kazernes gereed te hebben. Daarvoor zal opnieuw met de eigenaren van de voormalige schutterijen onderhandeld worden om zo mogelijk tot minnelijke schikkingen te komen.  
De inkwartiering levert soms klachten van burgers op, zoals begin mei van de advocaat mr. J.G. de Witt Hamer over de behandeling door de commanderende officier Merlin over de inkwartiering van een Franse officier in zijn huis.
Begin mei wordt de stadsdirecteuren opgedragen om, tot ontlasting van de burgerij van de dagelijkse inkwartiering van Franse passanten, op de voordeligste wijze voor de stadskas het huis van Cornelis Vervenne, eigendom van Hendrik de Waard, aan de westzijde van de Wijngaardstraat nummer 9 in eigendom te verwerven. Het gelukt om tot overeenstemming over de aankoop te komen voor 800 gulden. Het huis wordt ingericht tot kazerne voor de Franse jagers en doortrekkende Franse passanten. Cornelis Jasser wordt, tegen het genot van vrije inwoning, in het aangekochte huis, als opzichter van deze kazerne aangesteld. Hij is verplicht de gekazerneerde en gelogeerde passanten van het nodige water en bij gelegenheid van brood en boter te voorzien.

De commandant van het eiland verzoekt in mei 1799 hem de nodige weiden voor de paarden van Franse jagers beschikbaar te stellen. Het stadsbestuur besluit daarvoor te bestemmen het zogenaamde Stoofweitje, liggende aan de stadssingel, en de tegenwoordige pachter Jan Rottier van zijn daarvoor met de stadsdirecteuren gemaakt pachtcontract te ontslaan.

Op de 18e mei 1799 komt de commandant van de Franse troepen, die binnen de stad garnizoen houden, in de vergadering van het stadsbestuur. Hij geeft te kennen dat tegen de eerstkomende maand in de stad staan te arriveren twee compagnieën Franse troepen. Kort daarop zullen nog eens 200 à 300 rekruten volgen. Hij dringt er op aan de nodige lokalen in gereedheid te brengen ‘zodat hij niet genoodzaakt is te billetteren’. Hij krijgt als antwoord dat het stadsbestuur voor voldoende lokalen zal zorgen.
De stadsdirecteuren rapporteren dat ze geïnspecteerd hebben het woonhuis ‘de Blauwe Hand’ aan de Lange Vorststraat nummer 50, bewoond door de weduwe van J. Baden en eigendom van W.C. de Crane, om dit voor rekening van de stad aan te kopen en geschikt te maken tot kazerne voor de Franse troepen. Ze hebben dit huis in een zodanige staat bevonden dat het zonder grote kosten kan worden gebruikt. Besloten wordt het huis aan te kopen voor kazerne.

In juni 1799 besluit het stadsbestuur op voorstel van de opzichter van stadswerken, Cornelis Barbier, de stads- en kerkregenbakken alleen te openen om daaruit water af te geven ‘s morgens van 6 tot 7 uur en ‘s namiddags van 4 tot 5 uur. Hiervan wordt de Franse commandant kennis gegeven.

Op de 21e juni 1799 rapporteert de president het stadsbestuur over meer binnen de stad te arriveren Frans garnizoen. Het blijkt dat deze dag al een compagnie grenadiers in het dorp Cloetinge is aangekomen met de bedoeling daar nog acht dagen te blijven.
Besloten wordt, tot voorkoming van billettering van deze troepen bij de burgers, de Franse kerk aan de Zusterstraat te doen bezolderen en geschikt te maken tot kazerne voor een gehele compagnie. De begane grond van de Franse kerk wordt al geruime tijd tot kazerne gebruikt.
Ook wordt, op verzoek van de kwartiermeester Langguth, voor de berging van de fournitures de benedenste zolder van het graanpakhuis van de weduwe van Jacobus van Kleijnputte aan de Wijngaardstraat nummer 35 gehuurd voor £ -.17.8 per maand.

Eind augustus doet de officier van de Franse troepen opnieuw van zich horen. Hij vordert 24 goede trekpaarden. Deze moeten opgetuigd zijn voor het transport van de Franse artillerie. Ook heeft hij twee overdekte wagens, elk bespannen met twee paarden, nodig voor het vervoeren van de oorlogsammunitie. Eveneens zijn zes paarden, opgezadeld en getoomd, nodig voor het gaan en komen van koeriers. Deze paarden en wagens moeten zich morgenochtend om vier uur op het exercitieveld bij de meestoof ‘de Liefde’ bevinden.
En op de 16e november 1799 rapporteert de president het stadsbestuur dat hij informatie heeft ontvangen dat twee compagnieën Franse troepen in de stad binnen staan te marcheren. De commandant van deze compagnieën heeft hem een order van generaal Osten uit Walcheren getoond. Daaruit blijkt dat de commandant het huis van Arnoldus van Tilburg aan de Wijngaardstraat nummer 3 ter beschikking moet worden gesteld. Dit huis is, zo de generaal schrijft, voorheen voor generaal Dujardin en laatst door de adjoint Merlin voor gebruik gehuurd. Het stadsbestuur antwoordt hem vooralsnog in de onmogelijkheid te verkeren aan dit verzoek te voldoen.
Het komt vanzelf tot een oplossing, want halverwege december komt bericht dat de commanderende officier van de Franse troepen in zijn tegenwoordige logement in het koffiehuis van J.L. Langguth aan de Grote Markt nummer 22 blijft. Hem zijn de nodige meubels, ledikanten, bedden en beddengoed van stadswege ter beschikking gesteld.

Op de 2e januari 1800, ‘het zesde jaar der Bataafsche Vrijheid’, belegt de president een extra-ordinaire vergadering naar aanleiding van de ontvangst van een brief van de Franse commandant Muray. De brief bevat andermaal instructies tot het leveren van 600 pond brood voor het korvetschip ‘La Citoyenne’, liggende in het haventje van Hansweert. Het stadsbestuur besluit ook ditmaal de leverantie van het verzochte brood te accorderen. Bakker Pieter Engelse neemt op zich het brood ten dienste van de equipage van het korvetschip ‘La Citoyenne’ te leveren voor 38 duiten.

Op de 22e februari 1800 verschijnt er een brief van het Departementaal bestuur over Zeeland over de verregaande onbehoorlijkheden waaraan de commanderende officieren van de Franse kanonneerboten, in de nabijheid van Vlissingen gestationeerd, zich schuldig maken. Ze veroorloven zich zelfs om de met granen geladen vaartuigen uit het eiland Zuid-Beveland, bestemd voor Rotterdam, als vijandelijk eigendom te nemen en naar Antwerpen op te brengen. Gelast wordt, indien ingezetenen van de stad zich over deze handelwijze beklagen, ze deze met valide bewijsstukken ten spoedigste moeten inzenden. Dit wordt voor kennisgeving aangenomen.

In april 1800 verzoekt de Franse commandant Masurie om de nodige stalling voor zijn paarden. Hierin wordt direct voorzien.
Van de ‘Commissaire de geurre’, Le Fevre te Bergen op Zoom, komt in mei 1800 bericht dat het detachement dragonders te paard, dat in de stad in garnizoen ligt, staat verwisseld te worden door een ander detachement. Ook geeft de president het stadsbestuur in mei kennis dat op zijn order vijf schepen voor het transport van de bagage van enige compagnieën van het derde bataljon van de 90½ brigade Franse troepen zijn geprest.

Landwacht

Gecommitteerde Raden van Zeeland machtigen het stadsbestuur en de vier gecommitteerden van het eiland Zuid-Beveland in januari 1793 tot het in werking brengen van de landwacht in een gedeelte van het eiland en op zodanige wijze als door hen onderling het beste zal worden geoordeeld. Het stadsbestuur besluit de regerende burgemeesters, A. Ossewaarde, C. van Citters van Bruelis, P.A. Boreel de Mauregnault en A. van Tilburg en de twee secretarissen, samen met de vier gecommitteerden van het eiland, de directie daarover toe te vertrouwen.
In februari wordt de landwacht voor het eiland georganiseerd. Voor verscheidene dorpen worden officieren aangesteld. De gedeputeerden zullen met de gecommitteerden van het eiland, zodra ze dit nodig oordelen, in het overige gedeelte van het eiland de landwacht eveneens en op dezelfde voet introduceren. De landwacht zal gebruik maken van de snaphanen die zich op het stadhuis bevinden voor de behoeftigen.
Gecommitteerde Raden geven het stadsbestuur toestemming tot het doen vervaardigen en stellen van de nodige wachthuizen tot het houden van de landwachten met wat daarbij wordt vereist voor rekening van het land.

Er is begin 1795 zeer veel te doen over de verdediging van het eiland tegen de gevreesde inval van de Fransen. Maar in april geven de gecommitteerden voor de defensie van het eiland het stadsbestuur in overweging in de statenvergadering voor te stellen om de landwacht op het eiland op te schorten. Dit vanwege de gunstige verandering van de publieke omstandigheden.

Stedelijke garde

Nadat de stad en het eiland is bezet door de Fransen betogen de stadsdirecteuren en de officieren van het Genootschap tot wapenhandel op de 10e maart 1795 dat het tot handhaving van de rust en veiligheid ten hoogste nodig is dat er een behoorlijk gewapende burgerwacht bestaat. Het stadsbestuur verklaart het voor wettig dat de destijds opgeheven burgerwacht weer wordt opgericht en wel onder de naam van ‘gewapende gardes’. Er zullen twee compagnieën worden gevormd, ieder van 100 man, en een compagnie van 44 artilleristen. Ze zullen de beschikking hebben over twee veldstukken en zich in het bedienen van het canon beoefenen. Ook mogen ze hun eigen officieren en directeuren verkiezen. Alleen aan de directeuren van de gardes zullen de sleutels van de stadskruittoren worden gegeven, die, zolang de Franse troepen hier zijn, onder de Franse commandant berusten. De directeuren zullen dan toezicht hebben over de wapenen en ammunitie van de stad en aan allen de vereiste scherpe patronen en kardoezen afgeven. Tegelijk wordt nog een reeks andere maatregelen voor de stedelijke gardes en de brandweer getroffen.
Voor de gardes zal tot exercitieplaats worden toegewezen het Stoofweitje buiten de Hoofdpoort.

Antony Noordhoeve, Adriaan van den Thoorn, Willem Goeree, Cornelis Pieterse en Cornelis Steijn, de door de leden van de burgergarde aangestelde officieren van de artillerie, geven op 21 april 1795 te kennen dat zij zichzelf graag in die posten zouden bekwamen. Omdat er geen canonstukken die tot dat gebruik geschikt zijn binnen de stad voorhanden zijn, verzoeken ze twee veldstukjes drie ponders uit het fort te Bath naar hier te laten transporteren. Het stadsbestuur besluit deze burgers toe te staan om in overleg en na verkregen autorisatie van de Franse commandant die twee veldstukjes naar de stad te laten brengen om zich zelf daarmee in de behandeling van het canon te oefenen en bekwaam te maken.

Op de 10e juni 1795 komen Jacobus van Kleijnputte junior en Gerrit Kodde, officieren van de stedelijke garde, ter vergadering van het stadsbestuur. Ze geven uit naam van de garde te kennen dat deze sinds het vertrek van de Franse troepen ook overdag de wacht betrekt en dus alles wat in haar vermogen is aanwendt tot bewaring van de rust en goede orde in de stad. Ze zijn ook bereid om dit zolang mogelijk te continueren. Doch tot enig soulagement daarvoor verzoeken ze dat de leden van de garde, indien weer troepen binnen de stad garnizoen komen houden, van inkwartiering bevrijd mogen blijven, alsook dat aan de geheel onvermogenden onder hen enige redelijke vergoeding voor hun verlet wordt toegekend.

Het stadsbestuur besluit hen, onder het betuigen van het genoegen van de vergadering voor de welmenende pogingen van de stedelijke garde tot bewaring van de rust en goede orde, te antwoorden dat, indien geen extra-ordinair groot aantal troepen binnen de stad komt garnizoen houden, de leden van de garde van inkwartiering zullen worden vrijgesteld. Dat betekent niet dat zij hiermee in het geheel en in alle gevallen van die last worden ontslagen. Als het aantal van de hier komende troepen buitengewoon groot zal zijn of dat deze onverwacht en op een ongelegen tijd mochten arriveren en wanneer de vereiste orde in het billetteren niet in acht kan worden genomen, in die gevallen en ook anders niet zullen de leden van de garde eveneens met billettering worden belast. Verder wordt beide officieren verzocht een naamlijst van alle leden van de garde aan de vergadering voor te leggen en ook de namen van die personen onder de garde die zij oordelen dat enige vergoeding behoren te worden toegekend voor hun verlet in het overdag op de wacht trekken gedurende de afwezigheid van de Franse troepen.

In juli 1795 stelt een commissie uit de burgerkrijgsraad, bestaande uit de commandant en twee kapiteins van de stedelijke garde, het stadsbestuur voor een wachtgeld in te voeren voor het instandhouden van de garde. Er wordt een commissie ingesteld om een en ander nader met de krijgsraad te overleggen. Het rapport van deze commissie is aanleiding voor het stadsbestuur om te besluiten ten spoedigste over te gaan tot het herzien van de conceptlijsten van het wachtgeld die door de krijgsraad aan het stadsbestuur zijn overgelegd en daarmee op aanstaande woensdag een begin te maken. De nachtwacht zal vooralsnog niet worden afgeschaft. Eerst zal bezien worden of de introductie van het wachtgeld enige meerdere toeloop tot de garde zal teweeg brengen.

Het blijkt in augustus 1795 dat vele leden van de stedelijke garde zich tegen het tekenen van het declaratoir zoals vermeld in de Publicatie van de 8e opposeren en een nog groter aantal hieraan een verkeerde uitleg geven. Het stadsbestuur besluit met enige leden van de krijgsraad te overleggen en een nadere interpretatie daarvan te geven. De burgerkrijgsraad geeft te kennen ‘het met geen onverschillige ogen te kunnen aanzien dat slechts enkele burgers inbreuk maken op de soevereiniteit van de burgerij van de stad om de wettigheid van haar representanten enigszins in twijfel te trekken’. Ze bieden aan voor de pui van het stadhuis te verschijnen en aan de stadsregering de eed van trouw af te leggen. Daarbij zullen ze het stadsbestuur erkennen als wettelijke stedelijke overheid. Het stadsbestuur besluit hiertoe.
De stedelijke garde verschijnt daarop voor de pui van het Stadhuis, waarna de voorzitter van het stadsbestuur Egter hen toespreekt. Hierna leggen de leden van de garde de eed van trouw af.

De commandant van de stedelijke garde Gerrit Codde verschijnt op de 27e augustus 1795 ter vergadering van het stadsbestuur. Hij deelt mee dat de meeste leden van hen eist dat de tekenaars van het bewuste adres zullen worden gearresteerd. Het stadsbestuur besluit zich bij de garde, nog op de Grote Markt staande, te vervoegen en deze nogmaals aan te manen om zich bedaard te gedragen en van dit voornemen af te zien.

Op de 2e september 1795 delibereert het stadsbestuur naar aanleiding van het verzoek van de gecommitteerden om terstond een publicatie te doen tot bekendmaking van de voorlopige aanstelling van de Municipaliteit en tot uitnodiging aan een ieder om zijn bezwaren of overwegingen die ze over het in de stad gebeurde mochten hebben, aan de gedeputeerden te komen opgeven. Dit verzoek wordt geaccordeerd en ‘na klokgeklep als naar gewoonte’ wordt de publicatie bij monde van de burger Bijleveld gedaan.

Op de 12e oktober 1795 komt een delegatie uit de burgerkrijgsraad en enige gedeputeerden uit een groot deel van de burgerij in de vergadering van het stadsbestuur. Ze verzoeken om hun wapens terug te mogen hebben. Als reden geven ze op ‘de bespeuring van een al te grote misnoegdheid onder de leden van de stedelijke garde deswegens, waardoor soms grote verwarring zou kunnen geboren worden en vooral een grote verflauwing in de wapenhandel en het doen van burgerwachten nu of in het vervolg’. Vooral in geval van brand kunnen grote onheilen ontstaan als de garde bij zulke onverhoopte gebeurtenissen niet in de wapens kan komen. Het stadsbestuur geeft hen te kennen dat alles zal worden aangewend wat mogelijk is om de stedelijke garde weer in werking te brengen en ook de volkssociëteit te openen. Hiermee neemt de commissie genoegen.

Op de 25e juni 1796 besluit het stadsbestuur de klapperwacht binnen de stad voorlopig op te schorten en de stedelijke garde waakzaamheid aan te bevelen. De commandant van de stedelijke garde, Jacobus van Kleijnputte, wordt verzocht om van deze resolutie aan de officieren en verdere manschappen van de garde kennis te geven. In alle gevallen moet er voor worden gezorgd dat ’s nachts de nodige schildwachten bij de stadspoorten worden gesteld. Er moeten behoorlijke rondes en patrouilles worden gelopen. Verder moet vooral ‘s nachts de nodige waakzaamheid worden nageleefd.
Ook wordt besloten, door de voorlopige opschorting van de nachtwacht, de klapperlieden gedurende hun non-activiteit toe te kennen de helft van hun gewone traktement en hen daarom op halve soldij te stellen. Het gaat om de voormalige klapperlieden Jacobus Sonius, Jan Duinkerke, Cornelis Krombouw, Karel Verplakke, Cornelis de Braber, Antonie Krombouw, Hubertus Visser, Marinus van de Linde, Jan Hollestelle, Pieter de Munk en Frans Crombouw. Wanneer een van hen met enige en betere bedieningen mocht worden begunstigd of zich aan enigerlei wandaden schuldig maakt, zal de betaling van de andere helft dadelijk ophouden.

De commandant van de stedelijke garde, Jacob van Kleijnputte, komt op 3 juli 1796 met de officier J.C. Cruque in de vergadering van het stadsbestuur. Ze geven te kennen niet in staat te zijn te voldoen aan het verzoek van het stadsbestuur om schildwachten aan de stadspoorten te stellen zo lang er niet meer manschappen in de garde zijn. Het stadsbestuur besluit ‘dat zij alle uur van de nacht aan de pooorten zullen laten roepen of er ook iemand is die binnen moet wezen en dit door de wachtdoende burgers, teneinde alzo in het gebrek aan voldoende manschappen voor schildwacht ’s nachts tegemoet te komen en tevens om degenen die ’s nachts noodzakelijk naar binnen moeten daartoe gelegenheid te geven’.

In september 1796 krijgt de commandant van de stedelijke garde op zijn verzoek toestemming om de kolen voor de garde te mogen leggen in de ruimte van de gewezen klapperwacht.  
Ook komen de officieren van de stedelijke garde, D. Koning en J.L. Langguth, in december 1796 ter vergadering van het stadsbestuur en verzoeken een instructie voor de leden van de garde vast te stellen. Dit om te kunnen weten hoe te handelen ingeval bij nacht een hoge vloed voorkomt. Het stadsbestuur stelt deze vast.

In augustus 1797 besluit het stadsbestuur de kapitein van de stedelijke garde, Gerard Codde, te ontbieden en de reden te vragen waarom kort geleden een dubbele wacht was geordonneerd en zonder voorkennis van de stadsraad de wacht gedurende de jaarmarkt niet is verdubbeld. Codde deelt mee dat dit is gebeurd omdat op de jaarmarkt of kermis geen voldoende manschappen ter wacht verschijnen. Bovendien vond hij het niet nodig de wacht te verdubbelen omdat alles wel en rustig toeging.
De president brengt de kapitein onder het oog dat dit in elk geval strijdig is met het Reglement op het stedelijke bestuur. Bij het stadsbestuur bestond het vermoeden dat deze handeling soms is geschied op last van iemand die daartoe geen recht of gezag had. Kennelijk doelt het stadsbestuur op de baljuw. Daarop getuigt kapitein Codde dat het door hem gemelde de enige reden is geweest en dat daarover geen orders of verzoek van iemand, hoe ook genaamd, aan hem zijn gedaan. Hij zal er voor zorgen dat voortaan zonder kennis van de president van de stadsraad geen extra of verdubbelde wachten worden ingesteld.

De Commissie ter directie van de gewapende burgermacht in Zeeland stuurt op 12 oktober 1797 een kennisgeving van de aankomst van de commissie binnen de stad. Deze heeft het oogmerk om met de organisatie van de gewapende burgerij een aanvang te maken. Ze verzoekt het stadsbestuur twee leden af te vaardigen en ervoor te zorgen dat een gelijk aantal leden uit de krijgsraad van de gewapende burgerij wordt benoemd. De vier gecommitteerden dienen op de 13e oktober om tien uur aanwezig te zijn in hun logement ‘de Voetboog’ om de conferentie daarover aan te vangen. Het stadsbestuur besluit als commissieleden namens de raad af te vaardigen burgemeester P.J. Egter en J. de Broekert, geassisteerd door de stadssecretaris Dominicus. Tevens zorgt het stadsbestuur er voor dat door de krijgsraad twee leden wordt benoemd. De benoemde commissie zal namens het stadsbestuur de gecommitteerden gaan verwelkomen.

Op de 30e oktober 1797 wordt de gewapende burgermacht georganiseerd. De nog dienstdoende stedelijke garde wordt verzocht zich op maandag de 30e oktober om half twaalf op de Grote Markt met geweer en wapenen te laten vinden ‘om de rechtmatige dankbetuigingen voor hun trouw aan de stad en burgerij bewezen te ontvangen en van de eed als stedelijke garde te worden ontslagen’. Verder worden alle burgers die geen lid van de gewapende burgermacht zijn ernstig aangemaand om hun wapens vóór maandag de 30e oktober voor half twaalf op het stadhuis te brengen. Als commissarissen tot taxatie en betaling van de over te brengen wapens worden benoemd Joseph van Eghem en Cornelis van de Velde en de adjunct-secretaris, geassisteerd door een geweermaker en een zadelmaker.

Om half twaalf verschijnt in de vergadering van het stadsbestuur een commissie uit de stedelijke garde, namelijk de burgers C. Steijn en J.L. Langguth. Ze geven te kennen dat de gewapende garde zich al op de Grote Markt bevindt. De raad begeeft zich naar de Markt en ontslaat de garde uit de eed. Deze beantwoordt dit met gepresenteerde geweren en slaande trom en veldmuziek. De president van het stadsbestuur bedankt de leden van de garde plechtig voor hun getrouwe diensten aan de stad, haar bestuurders en burgerij bewezen. Ze worden plechtig uit de eed van de gewapende stedelijke garde ontslagen. Dit wordt door de commandant Jacobus van Kleijnputte ‘toepasselijk en liefderijk’ beantwoord.

Gewapende burgerij

Jacobus van Kleijnputte wordt tot commandant over de georganiseerde gewapende burgermacht binnen de stad benoemd. Een commissie tot concipiëring van een Reglement op de stedelijke burgerwapendienst overlegt een conceptreglement en adviseert dit aan de gewapende burgers voor te leggen en te laten beoordelen alvorens dit vast te stellen. Tegen de volgende maandagavond om vijf uur worden alle gewapende burgers opgeroepen in de Grote Kerk om het conceptreglement door te nemen.

De bijeenkomst gaat echter niet door omdat de koster van de Grote kerk pertinent weigert de preekkerk te openen, niettegenstaande dit hem uit naam van het stadsbestuur wordt gelast. Daarop heeft de president, om niet meer opschudding te veroorzaken in een zo talrijk bijeenvergaderde menigte, de opgeroepen leden van de georganiseerde burgermacht verzocht om zich te vervoegen op het Stadhuis. Daarop begeeft de commissie zich met de vergaderde burgers naar het Stadhuis. Deze verzoeken daarop meer tijd van inziening en examinatie van het conceptreglement. Het concept zal de eerstvolgende zestien nachten ter visie worden gegeven aan de wachthebbende burgers. In de tussentijd staat het een ieder vrij opmerkingen schriftelijk in te dienen. In december 1797 stelt het stadsbestuur, na afweging van de ingekomen opmerkingen uit de leden van de burgermacht, het Reglement vast.

Koster Pieter Engelse wordt echter vanwege zijn weigering om de Grote kerk te openen voor zes maanden geschorst van zijn post met inhouding van zijn traktement. De kerkenraad maakt echter bezwaar tegen deze resolutie van het stadsbestuur van de 21e november 1797 tot schorsing van de koster. Ze betoogt ‘dat, als het een ongehoorzaamheid is tegen de hoogst geconstitueerde macht, dan is het een juridische kwestie. Maar is het een omissie qua koster, dan moest dezelve opgegeven worden aan het Collegium Mixtum dat alsdan zou kunnen jugeren’.
Het stadsbestuur besluit echter ‘om de resolutie van gisteravond nopens gezegde zaak ten aller sterkste en conform de deswege genomen resoluties te doen effect sorteren en Pieter Engelse alsmede de kerkmeesters ilico voor deze vergadering te ontbieden’. President P.J. Egter houdt de koster voor dat hij voor zes maanden door het stadsbestuur is geschorst van zijn functie van koster van de Grote kerk zonder traktement. Hij moet alle sleutels van de Grote kerk in handen van de president van de kerkmeesters, Krekelenberg, overbrengen. De kerkmeesters moeten voor deze zes maanden zelf in de post van koster voorzien. Maar op de 29e november bezoeken Pieter Engelse en zijn vrouw Maria van Hamelsveld de president enkele malen om hem te bewegen de stadsraad voor te stellen de schorsing op te heffen. Engelse ‘heeft groot berouw en leedwezen over zijn onbetamelijke gedrag’. Hij belooft zich voortaan voor ongehoorzaamheden te zullen wachten. Nadat Engelse in de raadsvergadering is ontboden en daar deemoedig ook zijn berouw en leed betuigt, besluit het stadsbestuur hem zijn wangedrag te vergeven en hem weer als koster aan te stellen.

Vanaf december 1797 vindt de wapenhandel ook op zondagen plaats tussen de godsdienstoefeningen en niet gedurende de kerkdiensten. De oefening behoeft daardoor niet te worden verzuimd. Deze zullen pas een aanvang mogen nemen een kwartier na beëindiging van de kerkdiensten en afgelopen zijn een kwartier vóór de volgende godsdienstoefening.

Op de 30e december 1797 beraadt het stadsbestuur zich over de klapperwacht. De rustende nachtwachten zijn tegenwoordig van geen het minste nut meer voor de stad. Overwogen wordt het hun half toegekende traktement in te trekken. Dit wordt voor advies in handen gesteld van het Verenigd Committee.

Ook in 1799 komt het gewapende burgercorps ter sprake. De officieren verzoeken in januari 1799 om voor de 140 manschappen die tot het corps behoren voor rekening van de stad te mogen distribueren een wittebrood en een kwart pond kaas per hoofd en vier vaten bier. Het stadsbestuur verleent hiervoor toestemming.

De president roept het stadsbestuur op 5 februari 1800 in extra-ordinaire zitting bijeen naar aanleiding van het verzoek van de luitenant-kolonel van de artillerie P.J. Serlé. Deze heeft hem zijn verlangen te kennen gegeven dat het stadsbestuur medewerking zal verlenen bij het ontslaan uit de dienst van de gewapende burgermacht en tevens bij de organisatie en installatie van de nieuw geregistreerde burgers tot het enige gewapende burgercorps binnen de stad. Het stadsbestuur is hiertoe graag bereid.

Het nieuwe gewapende burgercorps in 1800

De zogenaamde kiezers verkiezen bij de compagnie fuseliers: tot kapiteins Jacobus van Kleijnputte en Gerardus Codde; tot eerste luitenants Cornelis Beijaard en Jan Minnaard; tot tweede luitenants Johannes Pilaar en David Koning. Deze twee compagnieën behoren tot het tweede bataljon van de 8e halve brigade gewapende burgermacht onder commando van de luitenant-kolonel Johannes Fitzner te Zierikzee.
Bij de tweede divisie van de tweede compagnie van de artillerie in het departement Schelde en Maas zijn verkoren: tot tweede kapitein van de compagnie, samengesteld uit Zierikzee, Goes en Breda: Antoni Noordhoek en tot tweede luitenant Johannes Kocken.
Het commando over de gewapende burgermacht binnen de stad en het eiland wordt opgedragen aan de kapitein Jacobus van Kleijnputte. Tenslotte deelt de president mee dat hij morgen om elf uur de burgermacht uit de eed en dienst zal ontslaan. Daarna zal om drie uur ’s middags het nieuw georganiseerde gedeelte van de gewapende burgermacht beëdigd en geïnstalleerd worden.

In mei 1800 komen er klachten binnen over het ’s nachts niet behoorlijk bezoeken van de stadspoorten door de burgerwacht. Verzocht wordt daarin ten dienste van de buitenlieden te voorzien. Het stadsbestuur besluit de commandant van de plaatselijke burgerwacht op te dragen om voortaan met alle nauwkeurigheid te zorgen dat door de burgermacht wachten worden gesteld. Alle poorten moeten minstens elk uur van de nacht worden bezocht. Door de wachtdoende burgers moet, hetzij door aanroepen of anderszins, behoorlijk worden onderzocht of er iemand buiten de poorten is die om gewichtige redenen genoodzaakt is om binnen te komen. Ze moeten tevens in zulke gevallen het nodige tot inlating of uitlating verzorgen.

Op voorstel van de commandant van de gewapende burgermacht Jacobus van Kleijnputte besluit het stadsbestuur in september 1800 om met ingang van 1 oktober de benodigde brandstof voor de burgermachtwachten van stadswege aan te schaffen. De stadsdirecteuren wordt verzocht hiervoor de nodige zorg te dragen.
In oktober 1800 inspecteren namens de leden van het stadsbestuur Dijkwel en Van de Velde de gewapende burgerwacht. Naar aanleiding daarvan stellen ze voor om de burgermacht te verplaatsen naar de hal onder het Stadhuis en dat lokaal daartoe in te richten en geschikt te maken.

Op de 15e november 1800 komt ter kennis van het stadsbestuur ‘de verregaande negligentie der wachtdoende burgers in het doen van patrouilles bij nacht en het gaan op gezette tijden naar de poorten, waardoor voor de stad en haar ingezetenen niet anders dan gevaarlijke gevolgen te wachten zijn en voor de inwoners van de Voorstad en andere voorkomende gelegenheden veel ongerief vooruit te zien is’. Verder is vernomen ‘dat op de wacht ten stadhuize zelf ongeregeldheden worden bedreven die zeer tot schade van stadsgoederen en tot ontsiering van dat gebouw verstrekken’. Besloten wordt de commanderende officier van de gewapende burgermacht ‘op het serieuste te exhorteren van de vereiste orders te stellen, dat door het doen van patrouilles en het gaan op vastgestelde tijden naar de stadspoorten aan het oogmerk der inrichting van de burgermachtwacht wordt voldaan, mitsgaders dat door het houden van behoorlijke orde op de wacht zelve, ongeregeldheden worden voorgekomen, die niet anders dan tot schade van de stad en tot oneer van de wachtdoende burgers kunnen strekken’.

Door het provinciale bestuur wordt onderzoek gedaan naar het wapenbezit in de steden. De commandant van de burgermacht Van Kleijnputte doet opgave van het aantal geweren dat zich in de stad bevindt. Aan de hand daarvan wordt het Departementaal bestuur meegedeeld dat er in de stad 220 geweren van onderscheiden kaliber worden gevonden, die thans niet meer door de gewapende burgermacht worden gebruikt.

De president van het stadsbestuur overlegt in november 1800 met de commandant van de gewapende burgermacht. Het gaat over het sinds enige tijd bij de raad in overweging gekomen plan tot het doen ophouden van de burgermachtwacht en het weer herstellen van de nachtwacht (klapwakers). De meerderheid van het stadsbestuur voelt  vooralsnog niet voor dit plan. Wel wordt onderkend dat de kosten van de burgermacht op den duur niet meer uit de stadskas kunnen worden betaald.
Het stadsbestuur geeft het Uitvoerend Bewind van de Republiek de noodzaak van voortzetting van de nachtwachten tot het onderhouden van de militaire correspondentie te kennen en het onvermogen voor de stadsfinanciën om deze last te blijven dragen. Verzocht wordt om de stad een schadevergoeding hiervoor te verlenen of anders het stadsbestuur toe te staan een contributie te heffen onder de burgers die geen wacht doen, voldoende om de kosten te dekken.
Er komt echter op de 18e december een brief van het Uitvoerend Bewind waarbij dit verzoek wordt geweigerd met de opdracht om de nachtwacht dadelijk te doen ophouden.
Het stadsbestuur besluit de brief ter kennis te brengen van de commandant van de gewapende burgermacht, doch deze niettemin te verzoeken de nachtwachten tot zo lang daarin op een andere wijze zal zijn voorzien te handhaven.
Verder neemt het stadsbestuur in overweging dat met het ophouden van de burgermachtwachten op het spoedigste andere maatregelen voor het bewaken van de stad bij nacht dienen te worden getroffen. Besloten wordt acht klapperlieden aan te stellen voor een jaarlijks traktement van 75 gulden ieder, zonder vuur, licht of andere emolumenten te genieten.

Brandweer

Op de 1e april 1795 worden tot brandmeester in de schutterij van de Busse aangesteld in de plaats van Cornelis Dupersy de burger Henricus Johannes van ’t Hof en tot brandmeester in de schutterij van de Handboog in de plaats van Jacobus Louwaart de burger Jan Harinck.
Tot generale brandmeester aan de grote stadsbrandspuit bij het kerkhof wordt aangesteld Johannes van Huizen en tot ordinaire brandmeesters aan deze spuit de burgers Johannes Harinck en Pieter van Ottegem.
Tot generale brandmeester aan de keetspuit bij de meestoof ‘de Zon’ wordt aangesteld Rokus de Kok en tot ordinaire brandmeesters Johannes Walrave en Jacobus de Hond.
Tot generale brandmeester aan de nieuwe brandspuit bij de Oostpoort wordt aangesteld Marinus Gorsse en tot ordinaire brandmeesters Henricus Johannis van ’t Hof en Cornelis Benjaminse.

Het stadsbestuur bepaalt in juni 1795 dat de stokmans uit de schutterijen in het vervolg niet meer bij de brandspuiten hoeven te assisteren. Ze zullen worden vervangen door leden van de stedelijke garde. Deze zullen ook, in de plaats van de stokmans, bij het proberen van de brandspuiten de nodige assistentie verlenen.
Tegelijk wordt in de plaats van de overleden Johannes van Huizen tot generale brandmeester aan de grote stadsbrandspuit bij het kerkhof aangesteld Johannes Harinck Czoon. In diens plaats van ordinaire brandmeester komt Pieter Proos Gijsbregtzoon.
Tevens wordt besloten om andere personen aan te stellen aan de brandspuiten in de plaats van degenen die thans bij de stedelijke garde dienen.

In 1796 wordt tot generale brandmeester aan de keetspuit in de plaats van de ontslagen Rokus de Kok aangesteld Johannes Walraven. In de plaats van Walraven als ordinaire brandmeester aan de keetspuit komt Cornelis Barbier. In de plaats van H.J. van ’t Hoff als ordinaire brandmeester aan de nieuwe stadspuit komt Adriaan de Wolff.

De generale brandmeesters van de drie brandspuiten krijgen in 1797 een onderscheidingsteken. Deze bestaat uit een stok van vijf voeten lang voorzien van het stadswapen. Op deze stok wordt geschilderd met vergulde letters ‘Generale brandmeester’. De brandmeesters krijgen machtiging om alle koperen brandpenningen, die aan de vorige stokmans die bij de brandspuiten assisteerden ter hand gesteld waren, op te doen halen en de stokmans te bedanken voor hun verrichte diensten.
Ook krijgen de generale brandmeesters van de stadsbrandspuiten in 1797 vrijstelling van betaling van poortgeld.

In november 1797 verschijnen gedeputeerden namens het college van brandmeesters in de vergadering van het stadsbestuur. Het zijn Jan Walraven en Jozias Goosen. Ze verzoeken toestemming dat de brandspuit, die nu achter de Zonstoof staat, wordt verplaatst naar het plein van de oliemolen buiten het Slikpoortje. De reden is dat nu bij het ontstaan van brand in het winterseizoen door de slechte weg geen behoorlijk gebruik van de keetspuit kan worden gemaakt. Ook verzoeken ze de ‘Ordonnantie op de brand’ in zover te wijzigen dat bij ontstane brand altijd de gewone premie zal worden betaald voor de present zijnde brandspuiten, ongeacht of deze al of niet werkzaam zijn geweest. Tevens vragen ze om de zoutketen ook onder de verplichting te brengen om bij het ontstaan van brand daar iets aan bij te dragen.
Tenslotte verzoeken ze om enige nieuwe brandladders te doen vervaardigen. De huidige ladders zijn onbruikbaar geraakt door ouderdom en door inwatering omdat ze niet behoorlijk opgeslagen kunnen worden. De nieuw aan te schaffen brandladders kunnen een plaats krijgen in de stadschuur en hallen. Ook bij Walraven kunnen er wel geplaatst worden in zijn houtschuur.
Het stadsbestuur besluit het tweede verzoek toe te staan. Wat betreft het eerste en het derde verzoek, dit wordt voor advies in handen gesteld van stadsdirecteuren om daarover behoorlijke arrangementen te maken. Van nu af aan zal door de zoutzieders twaalf stuivers voor iedere keet moeten worden betaald bij ontstane brand in de stad of jurisdictie.

Het college van brandmeesters verzoekt in juni 1800 enkele oude en gebrekkige lieden aan de brandspuiten te vervangen door geschikte en vigilante personen. Het stadsbestuur laat lijsten maken van de brandweerlieden.