Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1793 - 1800)

Het stadsbestuur in de jaren 1793 en 1794

De Stadhouder stuurt begin 1793 bericht dat hij akkoord gaat met de verkiezing van P.A. Boreel de Mauregnault tot schepen en van mr. Jan Kien van Citters tot raadslid van de stad.
Bij de jaarlijkse vermaking van een gedeelte van het stadsbestuur in juni worden tot burgemeester gekozen mr. D.C. Keetlaar en tot schepenen Daniël de Meijer, Laurens Jan van de Spiegel, Martinus Slabber, Willem van der Bilt en mr. Jan Kien van Citters. De afgaande burgemeester Van der Bilt van Cloetinge wordt als naar gewoonte pensionaris-honorair van de stad.

In maart 1794 geeft burgemeester mr. Dignus Cornelis Keetlaar te kennen dat hij zich wegens aanhoudende ongesteldheid buiten staat oordeelt om zijn post als regerend burgemeester van de stad naar behoren waar te nemen. Hij meent hiervoor te moeten bedanken. Het stadsbestuur neemt met deelneming kennis van de kritieke omstandigheden waarin burgemeester Keetlaar thans verkeert en besluit hem te benoemen tot pensionaris-honorair. Op de nominatie tot vervulling van de opengevallen burgemeesterplaats worden geplaatst de heren C. van Citters van Bruelis en mr. A.W. van Citters van ’s-Gravenpolder. De Stadhouder benoemt Van Citters van Bruelis. In de door deze benoeming openvallende plaats van schepen benoemt de Stadhouder uit de opgestelde nominatie mr. A. van Citters.

Willem van der Bilt van Cloetinge verzoekt in mei 1794 ontslag als schepen. Uit de door het stadsbestuur opgestelde nominatie benoemt de Stadhouder C.P. Keetlaar.
Bij de jaarlijkse vermaking van een gedeelte van het stadsbestuur in juni 1794 benoemt de Stadhouder uit de ingezonden nominatie tot burgemeester Z.D. van der Bilt van Cloetinge en tot schepenen M.C. van Dorth, A. van Tilburgh, I.C. Buteux en J. Dominicus. De afgaande burgemeester mr. J.A. van Dorth wordt aangesteld tot pensionaris-honorair.

Mr. Jan Kien van Citters geeft in augustus 1794 te kennen dat hij in de plaats van zijn overleden broer tot raad van de stad Middelburg is verkoren. Op sterke aandrang van zijn familie heeft hij besloten die post te aanvaarden. Hij verzoekt daarom ontslag als schepen en raad van de stad, hoewel dit tegen zijn eigen wil is maar gebeurt op sterke aandrang van zijn familie. Het stadsbestuur betreurt zijn vertrek ten zeerste en wenst hem alle goeds toe in Middelburg. Voor de vervulling van zijn vacature worden genomineerd voor schepen P.A. Boreel de Mauregnault en J. Stokmans en voor raad P.D. van Hogendorp en mr. J.G. de Witt Hamer. De Stadhouder benoemt Pieter Damas van Hogendorp tot raad en P.A. Boreel de Mauregnault tot schepen.

In november 1794 overlijdt het lid van de raad en schepen Isaac Cornelis Buteux. Terwijl de doodsklok twee uur lang luidt wordt hij in het koor van de Grote kerk begraven. Voor de vervulling van de vacature plaatst het stadsbestuur op de nominatie voor schepen Johannis Stokmans en mr. A. van Citters en op die voor raad mr. Jan Gerard de Witt Hamer en Nicolaas van der Hagen. Op de laatste dag van het jaar komt bericht dat de Stadhouder benoemt tot schepen Johannis Stokmans en tot raad mr. Jan Gerard de Witt Hamer.

Op de 20e december 1794 ontvangt het stadsbestuur bericht dat oud-burgemeester mr. Dignus Cornelis Keetlaar is overleden. Onder het twee uur durende klokgelui van de grote klok wordt de overleden magistraat in het koor van de Grote kerk begraven. Bijna veertig jaar diende hij het stadsbestuur als raad, schepen en burgemeester. Hij woonde in het grote, monumentale pand ‘’t Gulden Vlies’ aan de Grote Markt nummer 17.

De magistraat bestaat aan het eind van het jaar 1794 uit de regerend burgemeesters Cornelis van Citters van Bruelis (wonend in het huis ‘de Valcke’ aan de Grote Markt nummer 11) en mr. Z.D. van der Bilt van Cloetinge (wonend aan de Grote Markt nummer 14) en de raden mr. J.A. van Dorth, mr. A.W. van Citters van ’s-Gravenpolder, Adriaan Ossewaarde, P.A. Boreel de Mauregnault, D. de Meijer, C.P. Keetlaar, L.J. van de Spiegel, M.C. van Dorth, A. van Tilburgh, M. Slabber (wonend in het huis ‘’t Schaeck’ aan de Grote Markt nummer 9), J. Stokmans, mr. A. van Citters, W. van der Bilt, mr. C. van Erlach La Motthe en P.D. van Hogendorp (wonend in het huis ‘Reymerswale’ aan de Grote Markt nummer 28) en de pensionaris-honorair B. Verselewel van der Bilt.

Het veelbewogen jaar 1795 breekt aan

Een zeer bewogen en onrustig jaar voor het stadsbestuur breekt aan. De eerste vergadering in het nieuwe jaar 1795 begint met de woorden: ‘De vergadering, door den Heer Regeerende Burgemeester met een Compliment van congratulatie bij gelegendheid van ’t aangevange Jaar geopend zijnde, is zijn Edele daarvoor bedankt’. Daarna verschijnen volgens jaarlijkse gewoonte voor het stadsbestuur de stadsboden, de conciërge van het stadhuis, de lijkdienaars, de stadsomroeper, de zegelaars van de bieren, de deurwaarders van het landrecht, de keurmeesters van de vis, de korenmeters en die van de extra-ordinaire compagnie. Ze feliciteren de leden van de stadsregering met het aangevangen jaar. Allen worden ze in hun bedieningen herbenoemd. Ook de stadsdrukker, de schoolmeesteressen, de zoutverkopers, de grossiers in sterke dranken, de kroeghouders en de herbergiers mogen alle hun bedieningen voortzetten.

Eind januari wordt het stadsbestuur geconfronteerd met een van de meest bewogen episoden in de geschiedenis van Goes in de 18e eeuw. Alle aandacht gaat uit naar de ernstige oorlogsdreiging van de naderende Franse legers, gevolgd door de inval van de Fransen in ons land en de capitulatie aan het Franse bewind. Deze gebeurtenissen worden beschreven in de volgende paragrafen.  
Op de 9e februari 1795 is het de laatste vergadering van het stadsbestuur in oude samenstelling.

Oorlogsdreiging en capitulatie voor de Fransen

Op de 23e januari 1795 komt het stadsbestuur in spoedzitting bijeen. De voorzittende burgemeester brengt de volgende onheilstijding. In de namiddag is een officier uit het garnizoen van Bergen op Zoom hier gearriveerd met de onaangename tijding dat de commandant van de vesting daar een order heeft ontvangen om deze op de eerste sommatie aan de vijand over te geven en dat de provincie Holland al voor het grootste gedeelte overmeesterd is. Daarna heeft de commandant ‘de goedheid gehad’ om de zich te Bergen bevindende Franse emigranten te waarschuwen voor het gevaar dat hun dreigt en hen toegestaan een goed heenkomen te zoeken. Deze hebben zich terstond met de vlucht gered en zijn thans, ongeveer dertig personen sterk, op Scherpenisse op het eiland Tholen. Ze zijn van plan om zich over Zuid-Beveland zo spoedig mogelijk naar Walcheren te begeven.

Het stadsbestuur besluit, na eerst het mondeling rapport van de officier over deze fatale evenementen gehoord te hebben, de luitenant-kolonel Van Fisbach te verzoeken om morgen een detachement militairen naar Wemeldinge en Yerseke te zenden. Dit met de bedoeling om op de verwachte personen, die vermoedelijk op een van die plaatsen zullen arriveren, een waakzaam oog te houden. Verder wordt nog besloten, ‘tot geruststelling van de goede opgezetenen en tot voorkoming van alle confusie, de heren mr. A.W. van Citters en P.A. Boreel de Mauregnault derwaarts te committeren, aan welkers directie het volkomen overgelaten wordt de nodige bescherming in deze te nemen en om verder zodanige arrangementen omtrent het inkwartieren van deze personen te maken als de omstandigheden zullen vereisen’.

Op de 24e januari verzoekt stadssecretaris Van Citters het stadsbestuur om het aantal gedeputeerden naar de staatsvergadering met nog enige heren te vermeerderen gedurende deze kritieke tijdsomstandigheden. Het stadsbestuur besluit daartoe speciaal af te vaardigen de heren C. van Citters van Bruelis, mr. A.W. van Citters van ’s-Gravenpolder, P.A. Boreel de Mauregnault en A. van Tilburgh.

Op de 28e januari besluit het stadsbestuur, op voorstel van de voorzittende burgemeester, ‘vanwege de ongelukkige situatie waarin ons dierbaar Vaderland zich bevindt en speciaal deze provincie, aangezien deze door de Franse Generaal Michaud reeds tot de overgave gesommeerd is, dat op deze sommatie het  antwoord van de Staten van Zeeland zonder uitstel verwacht wordt’. Besloten wordt om op staande voet naar Middelburg af te vaardigen de regenten mr. A.W. van Citters van ‘s-Gravenpolder, P.A. Boreel de Mauregnault en C.P. Keetlaar ‘om met de aldaar zich bevindende gedeputeerden alles aan te wenden wat mogelijk is tot behoud van onze lieve Vaderland’. Deze afgevaardigden worden, voorzien van een uitvoerige lastbrief, opgedragen om hierover met de overige leden van staat te handelen. Ze worden gemachtigd om in de statenvergadering kennis te geven van de resolutie van het stadsbestuur om voorlopig de penningen van het laatste kwartaal van de 50e penning maar voor een gedeelte af te geven en de resterende te gebruiken tot betaling van de troepen binnen het eiland. De volgende dag deelt stadssecretaris Van Citters schriftelijk mee wat tijdens de statenvergadering is voorgevallen.

Op de 31e januari wordt de situatie zeer dreigend. De gouverneur van Bergen op Zoom, generaal-majoor Van der Duin, deelt mee ‘dat de vesting aan de Fransen bij capitulatie staat overgegeven te worden’. Het stadsbestuur besluit het regiment Van Nijvenheim, dat binnen het eiland is gelegerd, onder garantie van de stad ‘een Heere Maand, eindigend de 11e februari, voor te schieten’. De daarvoor nodige penningen zullen vooralsnog uit het laatste kwartaal van de 50e penning gevonden worden in afwachting van de resolutie die daarover door hun edelmogenden, de Staten van Zeeland, zal worden genomen.

Op deze 31e januari 1795, ’s namiddags om half vijf uur, komt het stadsbestuur in extra-ordinaire vergadering bijeen. Aanwezig zijn de regerende burgemeesters C. van Citters van Bruelis en Z.D. van der Bilt van Cloetinge, de oud-burgemeesters mr. J.A. van Dorth en mr. A.W. van Citters van ’s-Gravenpolder, en de raden A. Ossewaarde, D. de Meijer, C.P. Keetlaar, L.J. van de Spiegel, M.C. van Dorth, A. van Tilburgh, M. Slabber, J. Stokmans, W. van der Bilt, mr. C. van Erlach La Motthe en Mr. J.G. de Witt Hamer.
Stadssecretaris mr. A.W. van Citters rapporteert wat op de statenvergadering te Middelburg is voorgevallen, onder andere over de gedane sommatie van de Franse generaal Michaud. Ter deliberatie gebracht zijnde, oordelen de leden van staat dit punt nog staande de vergadering in een besogne te moeten laten examineren. Dit besogne is meteen gehouden en daarbij zijn de commanderende officieren te water en te land gehoord. Het is hen voorgekomen ‘dat het ondoenlijk is om deze provincie met enig succes te defenderen’. De adviezen van de officieren gaan ook daarheen. De heren hebben zich daarom in de noodzakelijkheid bevonden om hun edelmogenden eenparig te adviseren ‘dat er geen ander middel meer overig blijft dan te zien om op voordelige condities met de Franse generaal op de best mogelijke wijze te capituleren’.

Tegelijk zijn de conceptartikelen van de capitulatie besproken. De Staten besloten zodra mogelijk een commissie naar het hoofdkwartier van de Franse generaal te Breskens te zenden. Voor deze commissie worden aangewezen de heren Huissen van Cattendijke, lid van Gecommitteerde Raden, mr. A van Doorn, burgemeester van Vlissingen, en mr. J.H. Schorer, pensionaris van Middelburg. Het stadsbestuur besluit het door hun gedeputeerden verrichte goed te keuren en secretaris Van Citters te bedanken voor zijn rapport, dit in afwachting van het effect van het oordeel van de commissie naar Breskens.

Op de 6e februari doen de gedeputeerden verslag van wat op de statenvergadering is voorgevallen. De commissie heeft gerapporteerd over de onderhandelingen met de Franse generaal te Breskens. Na rijp beraad hebben de Staten van Zeeland zich akkoord verklaard met de artikelen van overgave. De gevolgen zijn zeer snel merkbaar!
Op de 7e februari bespreekt het stadsbestuur een petitie van de Raad van State betreffende ‘de tien miljoen gulden tot approvisonering van het Franse leger’.

Al zeer snel blijkt dat enkele vooraanstaande ingezetenen heulen met het Franse bewind.
Op de 9e februari 1795 geeft de voorzittende burgemeester kennis van het verzoek van de heren Pieter Ossewaarde, mr. Z.M. Rimmers, Jacobus Dominicus en Cornelis Mispelblom, ten zijnen huize gedaan uit naam van de leden van een in het jaar 1787 ontbonden Genootschap van Wapenhandel, ‘tenderende om de geweren weder te mogen hebben die hun in dat jaar zijn ontnomen, gelijk mede een vaandel en twee koperen trommels’. Het stadsbestuur besluit de leden van dit bestaan hebbend genootschap hun geweren zodra mogelijk terug te geven evenals het gevorderde vaandel en twee koperen trommels.

En dan komt op de 9e februari 1795 een Publicatie binnen van de Staten van Zeeland over de capitulatie die is gesloten met de Franse generaal Michaud op de 3e februari. Deze wordt terstond gepubliceerd.
Ook neemt het stadsbestuur kennis van een brief van de Staten van Zeeland van de 5e februari. De brief behelst het besluit tot het intrekken en doen ophouden van de opgerichte landwachten binnen het eiland en de seinmeesters langs de zeekusten en de daar geplaatste batterijen.

Een nieuw stadsbestuur vanaf 19 februari 1795

Het nieuwe notulenboek van het stadsbestuur begint op 19 februari 1795 met grote sierletters op de volgende wijze:

Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap
Dag van Revolutie Binnen de Stad Goes
Donderdag den 19 Februarij 1795
’t eerste Jaar der Bataafsche Vrijheid

Het vervolgt met de volgende weergave van de omwenteling in het stadsbestuur.
Nadat op den 17e dezer maand door een aanzienlijk aantal burgers uit de Volkssociëteit alhier was benoemd een comité revolutionair en daarin aangesteld de burgers Gerrit Donk, Klaas Bosdijk, Adriaan Boddingius, Cornelis Hoondert en Pieter Adriaan Ossewaarde, heeft dat comité zijne vergaderingen en deliberaties gehouden en op hedenmorgen ten acht uur met trommelslag onder escorte van enige vrijwillige gewapende burgers door de ganse stad laten aflezen de volgende bekendmaking:
'Ingevolge de sommatie en proclamatie van den Fransche burger Michaud, aan de heren Staten van Zeeland gedaan en de daaruit geproflueerde capitulatie door de heren Staten met voornoemde generaal aangegaan, is aan een ieder burger, dewijl de Souvereiniteit in den boezem der burgerij berust, gepermitteerd desselfs representanten te kiezen. Zo wordt uit dien hoofde een ieder burger, die zich nimmer heeft schuldig gemaakt aan enige misdrijven, plunderingen en verdere wandaden, verzocht hedenmorgen om tien uur te compareren in de Grote kerk om aldaar tot welzijn dezer stad te helpen delibereren.
Welke bekendmaking door de gehele stad op alle hoeken der straten in goede ordre geschied zijnde, is uit kracht van dezelve de burgerij tegen 10 uur in de Grote Kerk, die op het verzoek door het Committee Revolutionair aan de burgemeester Van Citters van Bruelis gedaan, te dien einde was geopend, bijeen vergaderd. En heeft na een weinig toevens de burger Willem Geeraard van der Grijp, welke daartoe door het Committee Revolutionair was verzocht, ten predikstoele opgeklommen zijnde, eene alleszins treffende en op de aard der zaak bijzonder toepasselijke aanspraak gedaan.'

Na het eindigen van welke dien burger afgeklommen zijnde, heeft de burger Gerrit Donck uit naam van het Comité gedaan de volgende voorstelling:
'De burgers Gerrit Donck, Klaas Bosdijk, Adriaan Boddingius, Cornelis Hoondert en Pieter Adriaan Ossewaarde, door een aanzienlijk getal hunner medeburgers benoemd tot leden van een Comité Revolutionair, geven aan de thans hier vergaderde burgers in overweging dat ingevolge de Proclamatie van wegen het Fransche volk aan het Bataafsche volk gedaan en de daarop gevolgde capitulatie, tussen den Fransche Generaal Michaud en de Staten van Zeeland gesloten, hetzelve Bataafsche volk in wiens boezem de soevereiniteit berust, gerechtigd is om zich representanten te kiezen.
Of derhalve deze vergaderde burgerij, gebruik makende van dat recht, niet behoort te verklaren dat de tegenwoordige regering als zijnde niet door de burgerij benoemd, het vertrouwen derzelve ook niet bezit en van hunne posten worde verlaten.
Wij stellen dus voor dat een deputatie, bestaande uit twee leden van dit Committee, aan de president-burgemeester worde afgezonden om denzelven uit naam der hier vergaderde burgerij te declareren dat de tegenwoordige Wet en Raad, als hebbende het vertrouwen der burgerij verloren, van hunne posten zijn ontzet, dat hij burgemeester verzocht wordt hiervan aan zijn medeleden kennis te geven en zorg te dragen dat alle de stukken en papieren, de regering betreffende, aan de te benoemen vertegenwoordigers van het volk volgen.'

Hierop is gevraagd of iemand van de burgers zich tegen het afzenden van deze deputatie verklaart. Niemand verzet zich hier tegen, maar algemeen wordt door het opsteken van de handen de toestemming te kennen gegeven. Tot de deputatie worden benoemd Klaas Bosdijk en Cornelis Hoondert. Ze begeven zich terstond naar het huis van Cornelis van Citters van Bruelis en geven hem mondeling en bij geschrifte het volgende bericht over:
‘Wij zijn door de thans in de Grote Kerk dezer stad vergaderde burgerij gecommitteerd om aan u kennis te geven dat dezelve gebruik makende van de soevereiniteit bij hun berustende, verklaard heeft dat de tegenwoordige wet en raad dezer stad als het vertrouwen des volks niet bezittende, van hun posten zijn verlaten. Wij verzoeken u hiervan aan de leden van de Wet en Raad kennis te geven en zorg te dragen dat alle de stukken en papieren de regering betreffende aan de te benoemen volksrepresentanten zullen volgen’.
Van Citters antwoordt hun dat hij terstond zal doen vergaderen de Raad en daarvan kennis zal geven. Bosdijk en Hoondert keren terug in de volksvergadering en brengen verslag uit van hun afgelegde commissie.
Na enige tijd verbeiden verschijnt in de vergadering Laurens Jan van de Spiegel, die uit naam van de raad mondeling kennis geeft dat zij, leden van de vorige regering, verklaren hun ontslag aan te nemen en hun posten ‘in de schoot der burgerij neder te leggen’.

De burger Gerrit Donck, ‘ten predikstoel opgeklommen zijnde’, legt de volgende verklaring af:
‘De vorige regering, hunne demissie aangenomen hebbende en tot ambteloze burgers zijnde teruggekeerd, wordt uit naam van het Committee op het allervriendelijkst verzocht hunne personen en familiën als dien van andere burgers aan te merken en in die betrekking te blijven beminnen. Doch thans de eerste stap gedaan zijnde is het nodig, teneinde de stad geen ogenblik in een staat van regeringloosheid verkere, terstond over te gaan tot het kiezen van vertegenwoordigers die de van hun posten vervallen verklaarde regering zullen vervangen. Wij stellen derhalve voor, alles provisioneel en wel totdat een algemene nationale bepaling omtrent het verkiezen van representanten zal zijn vastgesteld, om tot leden der Municipaliteit of stadsregering welke de raad zal vervangen, aan te stellen de volgende dertien burgers:

Tot maire of voorzitter Pieter Ossewaarde Pzoon
Wilhelmus Christianus de Crane
Cornelis Dominicus
Adolf Ossewaarde
Johan Jacob Leydekker de Bruin
Jan Geraard de Witt Hamer
Dominicus Noël
Cornelis Mispelblom
Pieter van Kleijnputte
Marinus Gorsse
Leendert Krekelenberg
Johannes Adrianus Harinck
Geerhardus Peeman.

En tot leden van een College van Justitie, hetwelk de Wet zal vervangen, worden aangesteld de volgende zeven burgers:
Zacharias Maximilliaan Rimmers
Martinus Slabber
Abraham Jacobus Verkouteren
Mattheus Melchior van Tilburg de Crane
Jacobus Dominicus
Bernardus Pieter van Kerkwijk
Jean Pierre Ceré.

Gevraagd wordt of enige burger, in de Grote kerk aanwezig, hier aanmerkingen op heeft. Niemand heeft aanmerkingen. Integendeel! Door de vergaderde menigte wordt met het opsteken van de handen de goedkeuring van het volk algemeen te kennen gegeven. Vervolgens worden de voorgestelde burgers representanten ontboden om zich naar de kerk te begeven in de tuin. Ze verschijnen, behalve de burgers Leydekker de Bruin, De Witt Hamer, Peeman, Rimmers, Van Tilburg de Crane en Van Kerkwijk, van welke De Witt Hamer en Peeman aan de burgers die afgegaan zijn om hun af te halen verklaren voor de hun opgedragen posten te bedanken. Enige dagen later verklaren Van Tilburg de Crane, Van Kerkwijk en Leydekker de Bruin de post te aanvaarden.
De spreker, Gerrit Donck, vraagt hen daarop: ‘Provisionele burgers representanten, zijt gijlieden bereid de u door het volk opgedragen posten te aanvaarden en de daartoe vereiste eed af te leggen?’. Waarop door allen ‘ja’ geantwoord wordt met uitzondering van Adolf Ossewaarde, die verzoekt zijn beraad tot heden nademiddag vier uur te mogen nemen. De anderen verklaren: ‘Wij beloven en zweren dat wij deze posten overeenkomstig den aard derzelve getrouwelijk zullen waarnemen. Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig’.
Enige dagen later treedt ook Ossewaarde toe.

Vervolgens ‘is de spreker afgeklommen van de predikstoel en zijn de aangestelde vertegenwoordigers onder het gejuich der menigte geluk gewenst, terwijl dezelve verzeld van het Committee Revolutionair zig terstond uit de kerk hebben begeven en door dat Committee geleid zijn tot op het Stadhuis, om aldaar zitting te nemen en hunne deliberatiën te beginnen’.

Eerste vergadering van de nieuwe magistraat

Op donderdagmiddag de 19e februari komen de nieuwe magistraatpersonen en de leden van het College van Justitie in het Stadhuis bijeen. De president Pieter Ossewaarde opent de vergadering en houdt een toespraak die begint op de volgende wijze:
‘Thans, mijne medeburgers, is het tijdstip daar, dat onze kluisters verbroken, dat wij van alle slavernij waaronder een stadhouderlijke en aristocratische overheersing ons gebracht hadde, verlost zijn en dat wij vrij kunnen ademhalen. Met deze langgewenste omwenteling wens ik u en alle brave vaderlanders driewerf geluk en eeuwige dank zij den God der Vrijheid daarvoor toegebracht’. Daarna vertrekt het College van Justitie en begint de raad met zijn deliberaties.

Voorlopig benoemt het stadsbestuur tot pensionaris en secretaris van de politie, justitie, weeskamer en landrecht Pieter Adriaan Ossewaarde. Hij stelt als voorwaarde dat met spoed nòg een persoon voor die posten, die alle voor hem alleen te zwaar zijn, wordt aangesteld. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.  
Alle stedelijke ambtenaren worden verzocht hun functies voorlopig te blijven waarnemen, waarvan uitgezonderd worden de leden van de vorige regering die in de subalterne colleges zitten of stedelijke bedieningen hebben.
Verder worden alle burgers gewaarschuwd zich stil en bedaard te gedragen. Degenen die zich ertegen verzetten zullen ten strengste zonder vorm van proces worden gestraft.
Vervolgens worden in een ‘Committee tot de stadsfinanciën en werken’, om de stadsdirecteuren te vervangen, aangesteld Pieter Ossewaarde, Wilhelmus Christiaan de Crane en Marinus Gorsse. Tot president van de weeskamer wordt benoemd Jean Pierre Ceré en in zijn plaats tot weesmeester Gerrit Donck. Tot president van het college van kleine zaken Cornelis Dominicus en tot commissarissen in dat college Adriaan Boddingius en Klaas Bosdijk.

Het stadsbestuur vaardigt de leden Ossewaarde, De Crane, Dominicus en Noël af om deze zelfde dag een bezoek te brengen aan de commandant van de Franse troepen binnen de stad, Masson, om hem de veranderde stand van zaken te kennen te geven. De commandant wordt namens de vergadering gecomplimenteerd en een lijst van de nieuw aangestelde ‘representanten van het volk' overhandigd met het verzoek zich in voorkomende gevallen tot hen te richten.
Ook wordt deze dag besloten dat, ‘tot menagement van stadsfinanciën’, noch de Municipaliteit noch het College van Justitie enige comparitiepenningen zal genieten. Voorheen zijn de leden van het stadsbestuur altijd bij hun bijeenkomsten betaald. De betaling van comparitiepenningen (presentiegeld) wordt geheel afgeschaft. Dit is echter wel tot nadeel van de stadsboden. Zij genoten voorheen altijd bij de vergaderingen van het stadsbestuur een zogenaamde comparitiepenning. Door de afschaffing van deze penningen missen ze nu een gedeelte van hun inkomen. Het stadsbestuur besluit, ‘gelet op de moeite aan deze ambten verbonden en de weinige voordelen, inplaats daarvan aan ieder der stadsboden wekelijks extra-ordinair bij provisie toe te leggen een gulden’.

Tot voorlopige pensionaris van de stad en tot secretaris van de politie, justitie, weeskamer en landrecht wordt aangesteld mr. Jan Gerard de Witt Hamer.
Ook moet voorzien worden in de functie van ontvanger van het familie-, dienstbode-, wagen-, paarde- en ambtgeld. Deze functie is vacant door het ontslag van Laurens Jan van de Spiegel door het vorige stadsbestuur. In deze vacature wordt voorzien door aanstelling van Jan de Fouw Lzoon.  
Tot derde klerk van de griffie wordt in de plaats van Pieter Adrianus Ossewaarde voorlopig aangesteld Willem de Jongh Jacobzoon.
Tot voorlopige regenten van het gasthuis worden aangesteld Pieter Ossewaarde, Wilhelmus Christianus de Crane en Cornelis Dominicus en van het arm- en weeshuis Marinus Gorsse, Cornelis Mispelblom en Leendert Krekelenberg.

De vorige stadssecretarissen verzoeken om te mogen weten of hun de dadelijke toegang tot de secretarie voor het vereffenen van hun zaken al of niet is toegestaan. Het stadsbestuur besluit ‘hen te accorderen om onder recepis van de secretarie en griffie tot hun gebruik te mogen hebben alle de boeken en papieren welke zij daartoe zullen benodigd hebben, teneinde alle nog niet afgedane zaken zo de secretarie als de comptoiren van consignatie en de 100e penning benevens de weeskamer betreffende, door hun behoorlijk kunnen worden gearrangeerd en zo spoedig mogelijk afgedaan’.

Oprichting Comité van algemene waakzaamheid

Het nieuwe stadsbestuur besluit op de 28e februari 1795, op voorstel van de burgersociëteit, tot het oprichten van een ‘Comité van algemene waakzaamheid’. In het comité worden benoemd Klaas Bosdijk, Johan Vernet (in 1764 uit Bergen op Zoom gekomen), Cornelis Pieterse (in 1767 uit Middelburg gekomen), Franciscus Henricus Wagenaar (in 1790 uit Vlissingen gekomen), Johannes Belderok (in 1790 uit Vlissingen gekomen), Wilhelmus Oostdijk (in 1791 uit Middelburg gekomen), Johannes Albertus van Nieuwenhuizen (in 1791 uit Gent gekomen), Anthoni Noorthoeve, Pieter de Winter, Johannes Arnoldes Leijssen (in 1791 uit Nederpelt gekomen) en Johannes Harinck Czoon. Deze burgers zullen voorlopig gedurende veertien dagen fungeren.
Op 4 maart richt het ingestelde ‘Comité van algemene waakzaamheid’ zich tot het stadsbestuur en betoogt dat de burgerij een geheel verkeerd denkbeeld van haar functie heeft. Men denkt dat het comité bedoeld is om als verklikkers acht te slaan op de gesprekken en gedragingen van de burgers. Mocht dit zo zijn, dan wil men gelijk afstand doen van hun aanstelling. Men heeft steeds het idee gehad te moeten fungeren om het stadsbestuur voorstellen te doen voor de rust en orde binnen de stad. Het stadsbestuur besluit bij publicatie bekend te maken dat het comité geenszins bedoeld is tot ‘het aanbrengen van gesprekken en daden van de burgerij’.

Omdat van tijd tot tijd zich leden van het ‘Comité van waakzaamheid’ aandienen om ontslag te verzoeken besluit het stadsbestuur op de 21e oktober 1795 het comité voor haar gedane diensten te bedanken. Ingeval de vergadering het noodzakelijk oordeelt, zal een nieuw comité worden aangesteld.

Op de 6e maart 1796 besluit het stadsbestuur de thans fungerende leden van het Comité van Waakzaamheid aktes van hun aanstelling af te geven aan de president J. de Broekert. Het Comité krijgt toestemming om te allen tijde en bij voorkomende gelegenheden en wanneer ze dit nodig oordeelt, de nodige recherches te doen, zelfs desnoods met assistentie van het Comité van Justitie.

Grote financiële problemen

Op de 11e maart 1795 vergadert het stadsbestuur (de Municipaliteit) in de tuin van de Grote kerk. De voorzittende burger Ossewaarde beklimt de preekstoel en doet tot de vergaderde burgerij uit naam van de vergadering een aanspraak, die begint met ‘Mede burgers. Heil en Broederschap’.  

Het komt er op neer dat het nieuwe stadsbestuur de stadskas bijna leeg heeft bevonden en de financiën van het voorheen zo gezegende gemenebest welhaast verlopen. Het volk is opgeroepen om de treurige gesteldheid van de stadskas bekend te maken en op te wekken om eendrachtig toe te treden teneinde door vaderlandsliefde en broederschap opbouw van de welvaart aan te kweken en middelen tot herstel van het vervallene te beramen. Het jaarlijkse tekort van de staatsfinanciën is beraamd op £ 1100 Vlaams. De schuld van de stad is aangegroeid tot £ 60687 Vlaams. Het stadsbestuur stelt voor acht kundige burgers te benoemen om middelen te beramen tot herstel van de stadsfinanciën. Hiervoor worden de volgende personen voorgesteld: Jacobus van Kleijnputte, Jacobus Huysman, Jan Boddingius, Frans Hendrik Wagenaar, Frederik van Nakke, Klaas Bosdijk, Gerard de Leeuw en Rokus de Kok. Het volk keurt alles goed.

Daarna beklimt de burger Gerrit Donk de preekstoel in de Grote kerk. Uit naam van het ‘Comité revolutionair’ deelt hij mee dat door het bedanken van de burgers G. Peeman en J.G. de Witt Hamer, die in de volksvergadering van 19 februari zijn benoemd, er twee plaatsen in het stadsbestuur vacant zijn. Hierin worden benoemd Leijn Dijkwel en Jaques Jenoteau.
Vanaf de 15e maart vergadert het stadsbestuur vrijwel dagelijks. Er komt een stroom van missives en circulaires van hogerhand binnen.
Omdat Z.M. Rimmers, voorzitter van het College van Just6tie, af en toe als baljuw moet optreden resteren er maar zes schepenen. Om tot een oneven getal te komen stelt het stadsbestuur in maart Leijn Dijkwel aan tot noodschepen.

Op de 18e april 1795 dienen de burgers Gerrit Donck, Willem de Wolf en J.A. van Nieuwenhuize, gecommitteerd van de volksvergadering tot algemeen welzijn, een zevental vragen over de financiële situatie van de stadskas in. Deze gaan onder meer over de gesteldheid van de provinciale kas, of alle nutteloze en kostbare colleges in de provincie al zijn afgeschaft, of de provincie in behoorlijke staat van defensie is gesteld, of men de notulen vanaf 1786 mag overzien, etc. Het stadsbestuur gaat serieus op de vragen in.
De toestand blijkt zodanig ernstig dat de kassen van de provincie en de stad leeg zijn. De financiële toestand is precair. Het land moet aan de Fransen een gigantisch bedrag betalen. Daarnaast betekent de bezetting door de Fransen en hun levensonderhoud een enorme last voor de Republiek. Al het goud en zilver, ‘zijnde nutteloze metalen’, wordt van de burgers afgevorderd. En ook al heeft men dit onlangs verkocht, dan moet men toch de waarde daarvan inbrengen.

Een nieuw stadsbestuur voor vier weken in juni 1795

Op de 13e juni 1795 wordt de zogenaamde Vrijheidsboom geplant.
Het stadsbestuur besluit hiervoor uit de stadskas een vergoeding te verlenen ‘voor enige verteringen ter gelegenheid van deze gebeurtenis, ten huize van H. Mulder gedaan, mitsgaders aan K. Bosdijk voor kamerhuur bij enige ten zijnen huizen gehouden comparitiën van het Committee van Waakzaamheid’.

Op de 19e juni 1795 vergadert het stadsbestuur. In deze vergadering zijn present P. Ossewaarde, C. Dominicus, A. Ossewaarde, D. Noël, C. Mispelblom, P. van Kleinputte, M. Gorsse, L. Krekelenberg, J.A. Harinck, L. Dijkwel, J. Jeneteau en de secretaris P.A. Ossewaarde. De voorzittende ‘burger’ Ossewaarde geeft te kennen dat hij deze vergadering heeft doen beleggen op verzoek van een deputatie uit de door de stemgerechtigden benoemde kiezers. Het stadsbestuur besluit deze kiezers, die in het Stadhuis samengekomen zijn, van de bijeenkomst van het stadsbestuur kennis te geven.
Daarop verschijnen ter vergadering Wilhelmus Oostdijk, Anthoni Noorthoeve, Gerrit Codde, Pieter Engelse, David Kooning, Johannes Belderok, Frederik Zuidweg en Cornelis Pieterse.
Bij monde van Oostdijk geven ze te kennen dat ze gezamenlijk hedenmorgen in de gehouden wijkvergaderingen door de stemgerechtigde burgers wettelijk zijn aangesteld tot kiezers voor het benoemen van nieuwe representanten (stadsbestuurders). Uit kracht en ter voldoening aan hun commissie bedanken ze de leden van deze vergadering voor de betoonde ijver en vaderlandsliefde in de tijd van hun waarneming van de posten van ‘provisionele vertegenwoordigers des volks van Goes’. Niettemin zijn ze gehouden hen, uit naam van de burgerij behoudens hun verantwoordelijkheid te ontslaan van die posten en van de eed als zodanig afgelegd.
Daarop antwoordt de voorzitter van het stadsbestuur ‘dat de leden van de vergadering altijd erkennen het recht der burgerij om zich andere representanten te kiezen en daarom hun ontslag aannemen en steeds bereid zijn verantwoording van hun gehouden handelingen te doen. Is de vergadering terstond daarop van den anderen gescheiden’.

Op de 20e juni 1795 verschijnen de burgers Cornelis Dominicus, Dominicus Noël, Pieter van Kleinputte, Cornelis Mispelblom, Marinus Gorsse, Adriaan van den Thoorn, Johannes Slimmens en Pieter Adriaan Ossewaarde in de Vierschaar van het Stadhuis. Ze zijn daags tevoren door het college van kiezers aangesteld tot leden en laatstgenoemde tot secretaris van de Municipaliteit van de stad, voorlopig voor vier weken. In die hoedanigheid nemen ze zitting. Opmerkelijk is het dat zes van de acht leden ook zitting hadden in het stadsbestuur dat tot de vorige dag zitting had. Terstond is daarop gelezen het rapport van wat op de 18e juni ter vergadering van de provisionele representanten van het volk van Zeeland is voorgevallen. Nadat hierover is gedelibereerd, keurt het nieuwe stadsbestuur het verrichte van de gedeputeerden van Goes goed.

In deze vergadering komt ook het Traktaat van Alliantie tussen de Republiek en Frankrijk aan de orde. Het Traktaat van Alliantie zal op aanstaande woensdag de 24e worden afgekondigd. Dit dient met zodanige plechtigheden vergezeld te gaan ‘als de gelegenheid van de stad het beste toelaat, mits geschiedende buiten kosten van den lande’. Naar aanleiding hiervan besluit het stadsbestuur het volgende:

  • de nationale Bataafse vlag zal ’s morgens op de toren van het Stadhuis worden uitgestoken;
  • de klokken zullen ’s morgens van 8 tot 9 uur, ’s middags van 12 tot 1 uur en ‘s namiddags van 4 tot 5 uur worden gespeeld;
  • in overleg zal worden getreden met de commandant en officieren van de stedelijke garde. De garde, die voor het doen van de publicatie om 12 uur op de Grote Markt in de wapenen zal komen, zal na het lezen daarvan drie salvo’s uit het geweer geven;
  • het canon op de wal achter de schutterij van de Handboog zal worden gelost, ‘indien de artilleristen daartoe zich zelven reeds bekwaam achten’, ‘s morgens om 8 uur, ‘s middags om 12 uur en ‘s nademiddags om 4 uur
  • en eindelijk zal de garde des namiddags zijn exercities verrichten en vuren; het stadsbestuur zal en corps daarbij assisteren.

Drie dagen later, op de 23e juni, komen de burgers Pieter Ossewaarde, Henry Rabinet en Cornelis Kuypers ter vergadering van het stadsbestuur. Ze zijn door het college van kiezers tot leden van de magistraat aangesteld. Ze worden met hun verkiezing gefeliciteerd en nemen zitting in de vergadering. Hiermee bestaat het stadsbestuur uit de leden Pieter Ossewaarde, Cornelis Dominicus, Dominicus Noël, Cornelis Mispelblom, Pieter van Kleinputte, Marinus Gorsse, Adriaan van den Thoorn, Johannis Slimmens, Henry Rabinet en Cornelis Kuypers. Pieter Adriaan Ossewaarde fungeert als secretaris.

Op deze dag komt in de vergadering een plan aan de orde tot reorganisatie van het provinciale bestuur. Het plan behelst dat het aantal gedeputeerden in de Staten wordt bepaald op 24, te weten van Middelburg 6, Zierikzee 2, Goes 2, Tholen 1, Vlissingen 2, Veere 1, het eiland Walcheren 3, de eilanden Schouwen en Duiveland 2, het eiland Zuid-Beveland 3, de eilanden Tholen en Philipsland 1, de eilanden Noord-Beveland en Wolphaartsdijk 1. Het stadsbestuur hecht haar goedkeuring aan het plan. De leden P. Ossewaarde, C. Dominicus en P. van Kleinputte ‘hebben bij resumptie verzocht dat aangetekend worde dat ze daartoe niet hebben geconcurreerd’.

Opnieuw een nieuw stadsbestuur vanaf 17 juli 1795!

Op de 17e juli 1795 verloopt de termijn van vier weken waarvoor de ‘Municipaliteit’ is aangesteld. De kiezers, die in het Stadhuis bijeen zijn gekomen, worden verzocht in de vergadering van het stadsbestuur te verschijnen. De president Ossewaarde verklaart dat ‘deze Municipaliteit rekende heden gedefungeerd te hebben’. Daarop bedankt de president van de kiezers het stadsbestuur voor haar gehouden directie gedurende de afgelopen periode. Vervolgens is ‘deze terstond gescheiden’.

Zitting nemen de burgers Henry Rabinet, Cornelis Mispelblom, Leendert Krekelenberg, Dominicus Noël, Engelbert Hendrik Piepersberg, Adriaan van den Thoorn, Cornelis Kuijpers en Gijsbertus van der Hoek, mitsgaders Pieter Adriaan Osseweaarde. Ze zijn door het college van kiezers, ingevolge het door de stemgerechtigde burgers vastgestelde stem- en regeringsreglement aangesteld tot leden en laatstgenoemde tot secretaris van de Municipaliteit van de stad voor de tijd van één jaar. Met eenparige stemmen wordt voor één maand tot president verkoren Dominicus Noël en tot vice-president Cornelis Mispelblom.
Deze zelfde 17e juli vindt er ‘s avonds om half negen nogmaals een vergadering plaats. Dan verschijnen ook de burgers Cornelis Barbier en Zacharias Maximilliaan Rimmers. De eerste is door de kiezers tot lid van de Municipaliteit gekozen en de laatste in de functie van Maire.

De voorzitter Noël geeft kennis dat van de kiezers een lijst is ontvangen van de namen van de door hen aangestelde leden van de Municipaliteit en het College van Justitie met het verzoek deze ten spoedigste aan de burgerij bekend te maken. De Publicatie wordt alleen aan de graanbeurs op de Grote Markt aangeplakt. Deze vermeldt de volgende aanstellingen:

  • tot maire Zacharias Maximilliaan Rimmers;
  • tot secretaris Pieter Adriaan Ossewaarde Pzoon;
  • tot leden van het College van Justitie Jacobus Dominicus, Willem de Wolf, Christiaan van Aard, Jacobus Lodewijk Geleeds en Cornelis Vervenne;
  • tot leden van de Municipaliteit Henry Rabinet, Cornelis Mispelblom, Leendert Krekelenberg, Dominicus Noël, Marinus Gorsse, Engelbert Hendrik Piepersberg, Adriaan van den Thoorn, Cornelis Kuijpers, Gijsbertus van der Hoek, Willem Egter en Cornelis Barbier;
  • tot leden van de Weeskamer Willem van der Hoek, Jan Vernet, Cornelis van Zoom en Cornelis van de Velde;
  • tot leden van het Landrecht Jacobus de Broekert, Jacobus de Jongh en Willem Goeree;
  • tot leden van het College van kleine zaken Klaas Bosdijk, Adriaan Boddingius, Abraham Abrahamse, Jan Cornelis Crucque en Adriaan de Wolf.

Na rijpe deliberatie worden tot de twee gedeputeerden naar het provinciale bestuur van Zeeland verkoren de stadsbestuurders Henry Rabinet en Engelbert Hendrik Piepersberg (in 1792 gekomen van Esseqoebo).

In juli 1795 besluit het stadsbestuur de heer P.A. Boreel de Mauregnault, de voormalige stadsbestuurder van vóór de omwenteling, op zijn verzoek een pas te verlenen om zich naar Holland te begeven voor het verrichten van familiezaken. Dit onder voorwaarde dat hij verplicht blijft op het eerste verzoek weer in de stad te zullen verschijnen. Ook besluit het stadsbestuur op verzoek van Johannes Pilaar en Jan Cornelis Crucque aan ieder van hen brieven van voorschrijving en een verklaring van hun gedrag en sentimenten aan het Comité militair van de Republiek te verlenen om een officiersplaats onder de Armee van de Staat te verkrijgen.

Buitengewoon schrijnend, gelet op de grote verdiensten voor de stad van Laurens Pieter van de Spiegel en ook zijn zoon Laurens Jan, is het volgende! In augustus delibereert het stadsbestuur over ‘het verzoek van de burger L.J. van de Spiegel teneinde permissie te erlangen (vermits de ziekte van zijn vader en andere familiezaken) om naar Holland te vertrekken’. Besloten wordt ‘alvorens Van de Spiegel te requireren dat denzelve aan deze Municipaliteit producere een valabel bewijs van de ziekte van zijn vader, mitsgaders doe blijken dat zijn presentie in Holland vereist wordt’.
Van de Spiegel wendt zich daarop tot de Representanten van het Volk van Zeeland. Hij beklaagt zich dat de Municipaliteit hem geen permissie voor het vertrek naar Holland geeft tot het verrichten van hoognodige familiezaken. De secretaris krijgt opdracht een brief aan de Representanten van de provincie op te stellen.
Van de Spiegel verzoekt daarop opnieuw toestemming tot vertrek naar buiten de provincie. Hij legt daarbij over een verklaring van zijn familie te ’s Hage. Daaruit blijkt dat zijn aanwezigheid aldaar vereist wordt. Het stadsbestuur besluit zijn verzoek vooralsnog af te wijzen tot zo lang bij de Representanten van het Volk van Zeeland gedisponeerd zal zijn op zijn rekest. Als deze het verzoek terugverwijzen naar het stadsbestuur, zal dit worden geaccordeerd. Schrijnend zeker ook omdat zijn vader, mr. L.P. van de Spiegel, de voormalige Raadpensionaris van de Republiek, vanaf 4 december 1795 in gevangenschap verkeert.

Op voorstel van president Egter besluit het stadsbestuur in augustus 1795 onder de leden om de zitplaatsen te trekken. Dit wordt bij besloten briefjes gedaan. De presente leden nemen volgens de uitslag van de trekking zitting.

Onrust rondom het stadsbestuur in augustus 1795

De president van het stadsbestuur geeft op de 20e augustus 1795 te kennen door enige lieden geïnformeerd te zijn dat de procureur Cru met een zeker rekest aan de Representanten van de provincie ter tekening rondgaat. Dit rekest zou strekken ‘om deze Municipaliteit te verklaren voor onwettig’. Verder is hem gerapporteerd dat deze voornamelijk ter tekening wordt aangeboden aan lieden die bekend staan ‘als antirevolutionaire sentimenten bezittende’. Hij geeft in overweging of dit niet als rustverstorend moet worden aangemerkt.
Na deliberatie besluit het stadsbestuur de procureur Cru terstond voor de vergadering door een stadsbode te ontbieden. Desgevraagd antwoordt Cru dit rekest niet meer te hebben, maar door een klerk van procureur Wagenaar naar Wolphaartsdijk te hebben gestuurd, teneinde die het mede zouden ondertekenen en dan direct aan de Representanten van de provincie af te zenden.

Het stadsbestuur besluit procureur Cru voorlopig in staat van arrest te stellen. Ook enkele anderen die het rekest zouden hebben ondertekend (o.a. A. Jasperse en Abraham van de Volkeren) worden ter vergadering ontboden. Van de Volkeren verklaart het arrest wel te hebben getekend maar zich niet meer te herinneren wat hier in stond. Hij meent dat het een smeekschrift was met beklag dat de burgers alhier zo hoog op wachtgeld zijn gesteld. Vervolgens komt Jasperse, de klerk van procureur Wagenaar, ter vergadering. Hij verklaart hedenavond om tien minuten over half vijf voor de procureur Cru naar Ter Lucht te zijn gegaan met een gezegelde brief aan mr. J.G. de Witt Hamer. Hij heeft de brief aan de advocaat overgegeven. Deze heeft de brief geopend en mee naar huis genomen.

Het stadsbestuur besluit de leden A.W. Egter en C. Kuijpers af te vaardigen om zich naar Middelburg te begeven en aldaar aan het provinciale Comité van Waakzaamheid van de situatie kennis te geven en met hen te handelen. Verder wordt besloten het College van Justitie te informeren en de procureur Cru aan dat college over te geven om met hem te handelen zoals ze menen te moeten doen.

De afgevaardigden Egter en Kuijpers doen op de 22e augustus verslag van hun bezoek aan het provinciale Comité van Waakzaamheid te Middelburg. Ze hebben daar rapport uitgebracht over het standpunt van de Municipaliteit van Goes. Daar vernamen ze dat een uitvoerig rekest van procureur Franciscus Henricus Wagenaar was ingekomen waarbij hij zich beklaagt over zijn schorsing als procureur en verzoekt dat daar tegen door het provinciale bestuur zal worden voorzien. Dit rekest, zo werd afgesproken, wordt in handen gesteld van de Municipaliteit van Goes.

Op de 27e augustus 1795 worden de stemgerechtigde burgers om twaalf uur in de Grote kerk opgeroepen ‘om hen af te vragen of ze deze Municipaliteit en het College van Justitie al of niet erkennen voor wettig en dus alle twijfeling over dit punt op eens weg te nemen’. Daartoe zal de Municipaliteit zich in corps naar de volksvergadering begeven. De president zal een toespraak tot de burgerij houden.
Om 12 uur wordt besloten de Franse commandant van het garnizoen over al deze gebeurtenissen te informeren. Om 1 uur wordt bekend gemaakt ‘dat de vergadering de voorgevallen beweging na het houden van de volksvergadering niet dan met misnoegen heeft vernomen en ieder aanmaant om zich stil te gedragen’.

Na afloop komen de gedeputeerden van het provinciale bestuur, Visser en Appelius, ter vergadering. Ze geven te kennen ‘ten uiterste geindiqueerd te zijn over het voorgevallene na de volksvergadering’. Ze kunnen niet nalaten deze vergadering te vermanen om alle mogelijke voorzorgen te nemen tot verdere bewaring van de rust. Ze zullen deze middag om 2 uur vertrekken en over alles de Representanten van de provincie informeren.
Daarop verschijnt de commandant van de stedelijke garde, G. Codde, ter vergadering. Hij deelt mee dat de meeste leden van de garde van het stadsbestuur eisen dat de ondertekenaars van het bewuste adres zullen worden gearresteerd. Het stadsbestuur besluit zich bij de garde, die nog op de Grote Markt staat, te vervoegen en deze nogmaals aan te manen om zich bedaard te gedragen en van dit voornemen af te zien.

Schorsing Municipaliteit door provinciaal bestuur

In de morgen van de 2e september 1795 schorsen de gecommitteerden van de Provinciale Representanten van het volk van Zeeland, de heren Appelius en Bijleveld, uit kracht van hun last en commissie de in functie zijnde Municipaliteit van de stad in de bediening van hun posten. Bij afkondiging geven ze de burgerij hiervan kennis. ’s Middags om twee uur wordt een volksvergadering gehouden. Daarbij worden aangesteld en vervolgens, na het aannemen van hun posten, beëdigd om ad interim gedurende de schorsing van de Municipaliteit hun functies waar te nemen de burgers Pieter Ossewaarde, Cornelis Dominicus, Leijn Dijkwel, Pieter van Kleijnputte, Adriaan Boddingius, Jean Arnold Bevier, Johannes Adrianus Harinck, Jean Pierre Ceré, Jacques Jeneteau, Jan Albert van Nieuwenhuysen en tot secretaris Pieter Adriaan Ossewaarde.

Het nieuwe voorlopige stadsbestuur delibereert deze zelfde dag over het verzoek van de gecommitteerden Appelius en Bijleveld ‘om terstond toegelaten te worden tot het doen van een publicatie ter bekendmaking van de provisionele aanstelling van de Municipaliteit en tot uitnodiging aan een ieder om zijn bezwaren of consideraties welke ze over het in deze stad gebeurde mochten hebben, aan de gedeputeerden te komen opgeven’. Het verzoek wordt geaccordeerd en ‘na klokgeklep als naar gewoonte’ wordt de publicatie bij monde van de gecommitteerde Bijleveld gedaan.

De volgende dag, de 3e september, blijkt dat de geschorste magistraatleden niet vrijwillig zijn  opgestapt. Ze weigeren de nationale linten met gouden en zilveren franje af te geven en blijven deze zelf dragen. Ook weigeren ze, tenzij ze daartoe met geweld gedwongen worden, de onder hen berustende papieren en dergelijke af te geven. De gedeputeerden van de provincie, Appellius en Bijleveld en soms ook Coenraad Visser, zijn bijna permanent in de stad aanwezig om de gemoederen te kalmeren.

Grote onrust in de stad in september 1795

Er is grote onrust in de stad!  Op de 7e september 1795 gebeurt er een volksoproeping bij trommelslag, zonder dat het stadsbestuur hiervan kennis heeft. Dit is in strijd met de voorschriften van het provinciale bestuur. De president van het stadsbestuur gelast de koster de Grote kerk te sluiten. De burgerij wordt aangemaand zich stil naar huis te begeven.
De Franse commandant wordt op het Stadhuis ontboden en ingelicht over de onrust en het voorgevallene in de stad. De leden van het stadsbestuur begeven zich daarop vanuit het directeurkamertje naar de Vierschaar, ‘maar aldaar zijn ingedrongen de meeste leden van de geschorste Municipaliteit, vergezeld van een hoop volk’. Deze gelasten de thans fungerende Municipaliteit van hier te vertrekken en nemen reeds zitting aan de tafel. ‘Waarop de vergadering zich wederom in het directeurkamertje begeven hebbende, na alvorens geprotesteerd te hebben van door geweld gedwongen te worden tot verlating van haar vergaderzaal’. De Franse commandant wordt weer ontboden om onderling te beraadslagen over de middelen tot stuiting van dit geweld. Deze, vergezeld van enige officieren, verschijnt ter vergadering.

De burgers Dijkwel en Van Kleinputte en secretaris Ossewaarde begeven zich op de Vierschaar om de daar vergaderde geschorste leden van de Municipaliteit ‘in het vriendelijkste te onderhouden over de demarches door hun begaan en hen te verzoeken tot voorkoming van alle voor hen enoreuse gevolgen die plaats te verlaten’. Hierop volgt een weigerend antwoord. Daarop worden bij schriftelijke sommatie de geschorste leden van de Municipaliteit gelast het Stadhuis te verlaten. Het lid Jan Albert van Nieuwenhuysen en secretaris Pieter Ossewaarde worden afgevaardigd om die sommatie mondeling te doen en schriftelijk over te leggen. Enige tijd later brengen de in de Vierschaar vergaderde heren de sommatie terug met als antwoord dat ze niet in deliberatie kan worden genomen. Van dit alles wordt aan de Franse commandant kennis gegeven.

Het stadsbestuur wijst het lid Cornelis Dominicus en secretaris Pieter Adriaan Ossewaarde aan om zich met de meeste spoed naar Middelburg te gaan en daar aan de gecommitteerden van de Provisionele Representanten van het Volk van Zeeland kennis te geven van het voorgevallene te Goes en op het krachtigst te verzoeken op de allerspoedigste voorziening tegen deze ongeregeldheden te doen. Daarop geeft de Franse commandant kennis dat hij de geschorste leden van de Municipaliteit heeft gesommeerd om te vertrekken. Op hun weigerend antwoord heeft hij verklaard hen, evenals de burgerkrijgsraad die intussen mede was vergaderd, in staat van arrest te stellen totdat door de Representanten van het volk van Zeeland over dit alles nader zal zijn beslist.
Deze tumultueuze vergadering wordt bijgewoond door de leden van het huidige stadsbestuur P. Ossewaarde, C. Dominicus, L. Dijkwel, A. Boddingius, P. van Kleijnputte, J.A. Bevier, J.A. Harinck en J. Jeneteau, alsook secretaris P.A. Ossewaarde.

De volgende dag, de 8e september, komen de gedeputeerden die naar het provinciale bestuur zijn geweest terug. Ze rapporteren dat de geschorste municipaliteitleden in arrest gehouden moeten worden. Er komt een deputatie van het provinciale bestuur, bestaande uit de heren Visser, Bijleveld en Appellius, om nader onderzoek te doen naar de gebeurtenissen in Goes. De Franse commandant wordt opgedragen de geschorste leden van de Municipaliteit in staat van arrest te houden zonder acces tot zolang hierover nadere bepalingen worden gemaakt.

’s Avonds om tien uur vergadert de Municipaliteit opnieuw. De gedeputeerden Dominicus en Ossewaarde schrijven uit Middelburg dat ze genoodzaakt zijn hun terugkeer tot morgen uit te stellen. Ze zenden het extract toe uit de resoluties van het provinciaal bestuur, gisteravond genomen. De mondeling overgebrachte berichten worden daarin bevestigd. Ondertussen worden de geschorste leden van de Municipaliteit in arrest gehouden. Ze worden bewaakt door een provinciale bode en een militaire wacht.

De volgende dag, de 9e september 1795, ’s middags om een uur, komen de gecommitteerden van de provincie, de heren Appellius, Visser, Bijleveld en Van der Palm, ter vergadering. Ze verzoeken het stadsbestuur wederom bezit te nemen van de gewone vergaderzaal in de Vierschaar van het Stadhuis en voor de geschorste leden van de Municipaliteit een appartement aan te wijzen om hen daarnaar te verplaatsen. Hen wordt getoond de nog onopgemaakte raadkamer, de enige die thans op het Stadhuis onbezet is. Deze wordt door de vier heren goedgekeurd. Na de verplaatsing van de geschorste leden van de Municipaliteit neemt het stadsbestuur weer zitting op de Vierschaar. Tegen vijf uur in de middag zal worden geconfereerd. De vier heren gecommitteerden van de provincie verzoeken aan de gearresteerden enige banken op hun kamer beschikbaar te stellen.

Om vijf uur ’s middags verschijnen de gecommitteerden van het provinciale bestuur ter vergadering. Ze verzoeken ‘te formeren en aan hen over te geven een schriftelijk verbaal van het gepasseerde binnen de stad op afgelopen maandag’. De vergadering voldoet hieraan. Daarop vertrekken de gecommitteerden weer en het vertoog wordt staande de vergadering opgesteld. Verder besluit het stadsbestuur op verzoek van de vier heren gecommitteerden ‘tot verblijf van de gearresteerde gewezen Municipaliteitleden aan te wijzen de landrecht- en burgerkamer op het Stadhuis’.

De dag daarop, de 10e september 1795, begeeft het stadsbestuur zich in corps naar de Grote kerk om het rapport over de Nationale Conventie aan de burgerij ter goedkeuring of afkeuring voor te dragen. ‘Aldaar wordt door enige weinige present zijnde burgers geïnformeerd dat een groot deel volk zich uit de kerk heeft begeven, nadat Cornelis Vervenne publiek had voorgesteld of de volksvergadering wel wettig is, omdat de Municipaliteit was gearresteerd.
Die zich uit de kerk begeven hebben, hadden gespargeerd (een gerucht verspreid) dat de vergadering reeds was gescheiden en zich zelfs bedreigingen veroorloofd tegen degenen die in de kerk zouden blijven’. Het stadsbestuur besluit de gecommitteerden van het provinciaal bestuur hiervan in kennis te stellen door een commissie, bestaande uit het lid van het stadsbestuur C. Dominicus en secretaris P.A. Ossewaarde. Verder wordt aan de nog vergaderde burgerij voorgelegd of het niet het beste zou zijn ‘de voorgenomen zaak onafgedaan te laten om alle aanmerkingen welke op het klein getal, tegenwoordig zijnde, zouden kunnen worden gemaakt te voorkomen’. Nadat de president dit heeft voorgesteld hebben zij hierin genoegen genomen.

Het stadsbestuur (de Municipaliteit) begeeft zich daarna weer naar het Stadhuis. Besloten wordt de gedeputeerden van het provinciaal bestuur ter vergadering te ontbieden. Na enige tijd verschijnen deze. Ze worden verzocht ‘ten spoedigste middelen te beramen tot afdoening van de plaats hebbende geschillen en tot voorkoming van dergelijke bewegingen als nog deze morgen hebben plaats gehad. Als de zaken langer blijven in de tegenwoordige gesteldheid en deze Municipaliteit zich langer in alle hare goede oogmerken ongestraft moet zien teleurgesteld, zullen deze van de waarneming van hun posten moeten afzien’.

Mr. Coenraad Visser, een van de provinciale gedeputeerden, merkt op ‘dat de commissie het geval van hedenmorgen met verontwaardiging heeft vernomen. Ze wil alles wat mogelijk is aanwenden om orde en rust te bewaren’. Ze achten maar één middel onvermijdelijk noodzakelijk. Omdat de leden van de garde zich in het sinds enige dagen voorgevallene zeer hebben onderscheiden, heeft de commissie besloten deze te ontwapenen. Ze vertrouwen dat dit de rust zal herstellen en bevestigen. Ze verzoeken daarom toegelaten te worden tot het doen van een publicatie waarbij de leden van de garde gelast worden hun wapens hedenmiddag vóór drie uur op het Stadhuis over te brengen. Het stadsbestuur keurt dit verzoek goed. Bij monde van de heer Bijleveld wordt de publicatie gedaan. Daarna vertrekken de gecommitteerden van de provincie uit de vergadering.

Op de 11e september 1795 komt er een brief van de Provisionele Representanten des Volks van Zeeland van de 8e, ten geleide van enige gedrukte exemplaren van de op die datum vastgestelde bekendmaking, ‘teneinde alle verkeerde ideeën daaromtrent weg te nemen, ter kennis van het Zeeuwse volk wordt gebracht al hetgene binnen deze stad sedert de 26e augustus is voorgevallen’. Het stadsbestuur besluit deze bekendmaking terstond te publiceren en verder als naar gewoonte te doen aanplakken.

Ook de volgende dag, de 12e september, komt een brief binnen van de provinciale gedeputeerden Bijleveld en Appellius. Daarbij wordt kennis gegeven dat ze uit de stad vertrekken om mondeling rapport aan het provinciale bestuur uit te brengen. Ze verzoeken dat intussen alle nodige maatregelen tot bewaring van de rust worden genomen en desnoods daartoe de sterke hand van de justitie wordt ingeroepen.

Op de 20e september 1795 arriveren de gecommitteerden van het provinciale bestuur weer in de stad. Het zijn deze keer de heren Visser, Van der Palm en De Kater. Het stadsbestuur wenst hen geluk met hun aankomst. Ze nemen plaats en lichten het doel van hun commissie toe. Deze strekt voornamelijk daartoe ‘om de thans nog gearresteerde municipaliteitleden uit hun arrest te ontslaan op zeker, van dezelve ter vergadering ingekomen declaratoir’. Daarbij verklaren de zittende leden van het stadsbestuur ‘misgetast te hebben en thans de provinciale representatie te erkennen en verder hun posten neer te leggen’. De burgers Egter, Rabinet, Piepersberg en Van der Hoek verklaren daarbij nog dat ze, indien ze bij de eerstvolgende verkiezing mochten worden verkoren, geen posten meer te zullen aannemen.

Verder gelasten de provinciale gecommitteerden de burgerij van de stad op te roepen om kiezers te verkiezen teneinde een nieuwe Municipaliteit aan te stellen.
Na uitvoerige deliberatie besluit het stadsbestuur hiermee in te stemmen en terstond een publicatie te doen met een oproep om morgenochtend in de Grote kerk te verschijnen.
Daarop geeft gecommitteerde Visser de burgerij mondeling kennis van het bepaalde uur van de oproeping. Verder wordt ‘enigszins communicatie van den afloop der zaak met de gearresteerde municipaliteitleden gedaan’. Ook komt men overeen dat de zittende Municipaliteit zich en corps samen met de commissie morgenochtend naar de Grote kerk ter bijwoning van de volksvergadering zal begeven.

De volgende dag, de 21e september 1795, ‘s morgens om negen uur, begeeft het stadsbestuur zich met de gecommitteerden van de Provisionele Representanten van het Volk van Zeeland naar de Grote kerk en woont daar de volksvergadering bij. ’s Avonds om zes uur verschijnen de gecommitteerden van het provinciale bestuur ter vergadering en maken het resultaat bekend van de stemming die door de burgerij hedenmorgen is gedaan en van de kiezers die daarbij zijn verkoren. De kiezers zijn thans bijeen om een nieuwe Municipaliteit te kiezen. Het zittende stadsbestuur, bestaande uit de president P. Ossewaarde, de leden L. Dijkwel, P. van Kleijnputte, A. Boddingius, J.A. Bevier en J. Jeneteau en de secretaris P.A. Ossewaarde, besluit niet uit elkaar te gaan voordat de verkiezing is afgelopen.

Hierna wordt bekend gemaakt dat door de kiezers tot leden van het nieuwe stadsbestuur zijn benoemd de burgers Dominicus Noël, Cornelis Mispelblom, Adriaan van den Thoorn, Cornelis Kuijpers, Wilhelmus Oostdijk, Willem van der Hoek, Cornelis Barbier, David Koning en Pieter Engelse. Ze bedanken de ad interim aangestelde Municipaliteit voor de waarneming van hun posten en verklaren ‘dat deze door die aan te nemen in een aller kritiekst ogenblik wel verdiend heeft aan het vaderland en betuigende vanwege de Representanten der Provincie, de leden van dien te nemen in derzelver speciale protectie en bescherming’. Deze verklaring wordt door de president Ossewaarde in gepaste termen beantwoord. Daarna gaat de vergadering terstond uit elkaar.  

Nieuw stadsbestuur op 21 september 1795

Op de 21e september 1795 worden de nieuw gekozen leden van de Municipaliteit door de kiezers binnengeleid en nemen ze plaats in de gewone vergaderzaal van het Stadhuis. Tot president van het nieuwe stadsbestuur wordt gekozen Dominicus Noël. De presente leden nemen hier kennis van en verlaten daarop de vergadering. Besloten wordt, tot zolang er niet voorzien is in de secretarisfunctie, de eerste griffier, Jan de Fouw, aan te wijzen tot het aantekenen van de handelingen van de vergadering. De volgende dag al wordt met eenparigheid van stemmen tot secretaris van het stadsbestuur, het Comité van Justitie, de weeskamer en het landrecht aangesteld Jacobus Dominicus. De nieuwe secretaris notuleert in een keurig handschrift. De voormalige secretaris P.A. Ossewaarde wordt de toegang tot de secretarie toegestaan, mits in tegenwoordigheid van een van de leden van de stadsregering of de thans fungerende secretaris Dominicus.

Tot nieuwe directeur over de stadswerken wordt aangesteld C. Barbier en tot directeuren van de stad D. Noël en W. Oostdijk, tot regenten over het gasthuis in de plaats van P. Ossewaarde en C. Dominicus de burgers W. Oostdijk en W. van der Hoek en tot directeur over de straten en wegen in de plaats van P. Ossewaarde de burger D. Noël.

Op de 9e oktober 1795 is er opnieuw een volksvergadering in de Grote kerk, nu om te stemmen ‘over voor of tegen toetreding tot de stemming in een algemene Nationale Conventie op de voet zoals bij de provincies Holland, Gelderland, Utrecht en Overijssel is geconcludeerd’. Zeer uitvoerig geven de notulen verslag van deze vergadering. De overgrote meerderheid, op drie na, stemt voor het voorstel. Tot gedeputeerden naar de provinciale vergadering om hierover te beraadslagen worden benoemd H. Rabinet, C. Vervenne en A.W. Egter. In de commissie voor het overbrengen van de uitslag van de in de Grote kerk gehouden stemming worden benoemd A.W. Egter, C. Vervenne, J. van Kleijnputte en G. Codde. Daarop gaat de vergaderde menigte uiteen en de leden van de Municipaliteit begeven zich opnieuw naar het Stadhuis.

Enkele dagen later, op de 12e oktober, is er sprake van een gespannen toestand in de stad. Er verschijnt in de vergadering van het stadsbestuur een delegatie uit de burgerkrijgsraad en enige gedeputeerden namens een groot gedeelte van de burgerij. Ze verzoeken om hun wapens terug te mogen krijgen. Als reden geven ze op ‘de bespeuring van een al te grote misnoegdheid onder de leden van de stedelijke garde deswegens, waardoor soms grote verwarring zou kunnen geboren worden en vooral een grote verflauwing in de wapenhandel en het doen van burgerwachten nu of in het vervolg’. Vooral in geval van brand kunnen grote onheilen ontstaan als de garde bij dergelijke onverhoopte gevallen niet in de wapenen kan komen. Het stadsbestuur, de Municipaliteit, geeft te kennen dat alles in het werk zal worden gesteld wat mogelijk is om de stedelijke garde weer in werking te brengen en ook de volkssociëteit te openen. Hiermee neemt de delegatie genoegen.

Het voor het stadsbestuur zeer enerverende jaar 1795 komt abrupt ten einde. Om duistere redenen eindigt het notulenboek met de vergadering van de 24e oktober 1795.

Het jaar 1796 begint met geruzie

In de vergadering van het stadsbestuur van de 6e januari 1796 blijkt raadslid Noël ‘zich gevoelig te achten over hetgeen van hem wierd gespargeerd buiten de vergadering, wegens het voorgevallen debat op dinsdagavond de 5e, belangende de remotie van sommige stads officianten’. Dit is voor hem reden om zijn post als lid van de Municipaliteit neer te leggen.
Ook de president van het stadsbestuur, E.H. Piepersberg, legt bij deze gelegenheid zijn functie neer.
Er wordt deze zelfde dag nog een vergadering belegd op verzoek van de geconstitueerden van de Goese burgerij. Binnengeroepen worden de burgers Cornelis van Zoom, Pieter de Winter, Gerard Codde en David Koning. Namens hen verklaart Koning ‘de hartgrievende aandoening die geconstitueerden gevoelen over de hooggaande discussies die onder de leden van de Municipaliteit heersen. Waarom hij als president uit naam van de geconstitueerden de vergadering vermaant tot eensgezindheid en onderlinge harmonie’.
Verder verzoekt hij president Piepersberg op het ernstigste van zijn genomen besluit om als lid van de Municipaliteit te bedanken te willen afzien en als lid van de vergadering aan te blijven. Piepersberg verklaart echter te blijven bij zijn voornemen. Maar om geen verwarring te bevorderen zegt hij toe nog enige vergaderingen bij te zullen wonen. Hierna verlaten de geconstitueerden de vergadering en ‘de present gebleven leden reiken elkaar onderling de hand van broederschap’.

Op de 9e januari 1796 komen de burgers Johannes Berger (in 1769 gekomen van Heusden), Hendrik van Hees (in 1795 gekomen van Zutphen) en Johannes de Broekert ter vergadering. Ze overhandigen een door tachtig burgers ondertekend rekest. Hun verzoek is om ten spoedigste, voor zoveel dit aan deze vergadering competeert, zulke ambtenaren die de tegenwoordige orde niet zijn toegedaan van hun posten te ontzetten en door waardige vaderlanders te vervangen. Hen wordt meegedeeld dat het stadsbestuur al een zodanige resolutie heeft genomen en hierover voor het einde van de maand rapport inwacht.
In de loop van januari bedankt ook Cornelis Mispelblom als lid van de Municipaliteit en verklaart president Piepersberg zijn presidium neer te willen leggen in de schoot van de vergadering. Het stadsbestuur besluit bij gesloten briefjes over te gaan tot het aanstellen van een nieuwe president voor één maand. Bij meerderheid van stemmen wordt aangesteld Henry Rabinet en tot vice-president Adriaan van den Thoorn.

In de vergadering van het stadsbestuur van de 8e februari 1796 komt een delegatie, bestaande uit de burgers Cornelis Pieterse, Pieter van Kleijnputte, F.W. Sterk en Anthony Hartog, binnen. Ze verklaren afgevaardigd te zijn door verscheidene burgers. Hun verzoek aan de vergadering is ‘zodanige lieden die bekend staan de vorige constitutie te zijn toegedaan of zich aan wandaden in de jaren 1786 en 1787 hebben schuldig gemaakt, van hun posten te ontzetten, voor zover deze stedelijke ambten bezitten’. Verder willen ze graag de redenen weten waarom de Municipaliteit weigert aan het verzoek te voldoen.
President Rabinet antwoordt dat de Municipaliteit ‘niet zou gemankeerd hebben aan het verzoek van de ondertekenaars van het rekest te voldoen indien niet de gedurig plaats hebbende veranderingen der leden dezer vergadering zulks van tijd tot tijd hebben verhinderd. Doch dat de Municipaliteit alsnog aanneemt zo enigszins doenlijk aan het verzoek der burgers te voldoen’.

Binnen een week, op de 13e februari, komt een door 35 burgers ondertekend rekest binnen. Daarin wordt verzocht om enige veranderingen en bepalingen van de burgerwapening. Het stadsbestuur besluit het rekest af te wijzen en buiten verdere bespreking te stellen. Dit omdat de Provisionele Representanten van de provincie Zeeland namens het volk reeds hebben ingestemd in het bijeenroepen van een nationale vergadering. Het vermoeden is dat men eerstdaags een algemene burgerwapening voor de gehele Republiek en ook voor deze provincie zal invoeren. Niettemin wordt aan ieder burger de vrijheid gelaten om ideeën over de manier van burgerwapening in te brengen als deze tot het zo nodige herstel van de harmonie nuttig en nodig kunnen zijn.
Op de 27e februari wordt nader besloten op het rekest van de 35 burgers. Overwogen wordt dat er vanwege het gouvernement maatregelen in voorbereiding zijn. Besloten wordt alle bestaande bepalingen ongewijzigd te laten en de burgerij tot eensgezindheid aan te sporen.

In maart 1796 wordt de stad verdeeld in zeven wijken volgens de door secretaris Dominicus opgestelde lijst.

Er is in april 1796 heel wat te doen rondom de schorsing van de Maire Z.M. Rimmers. Hierover gaat de volgende paragraaf.
Geruzie is er ook over degenen die weigeren de eed van trouw aan het tegenwoordige bewind af te leggen. Het gaat soms over notabelen met een lange staat van dienst.
Zo stuurt het stadsbestuur op de 5e juni 1796 een brief naar de kerkenraad van de Nederduitse Hervormde gemeente met de volgende inhoud:
Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Medeburgers!
Vermits de burgers J. de Hond, Z.D. van der Bilt, J. Jasperse, A. van der Volkeren en P. de Wijs de eed van trouw aan de tegenwoordige orde van zaken, bij resolutie van de 23 mei 1796 door de Vertegenwoordigers des Volks van Zeeland gearresteerd, hebben geweigerd en waardoor dezelve ingevolge deze resolutie van hun posten als leden van de kerkenraad zijn verlaten, zo heeft de Municipaliteit der Stad Goes noodzakelijk gevonden zulks ter kennis van ulieden te brengen, gelijk zij doet door dezen, teneinde alle mogelijke disorde voor te komen en opdraagt ulieden zig conform meergenoemde resolutie zouden kunnen reguleren.
Heil en Broederschap. Uw medebroeder C. Mispelblom.

Ook Jan de Fouw, stadsrentmeester sinds lange jaren, weigert in juni 1796 de eed af te leggen. Hij wordt ontslagen en in zijn plaats komt Leendert Krekelenberg. De Fouw moet alle papieren, charters en dergelijke overleggen.

Als laatste besluit het (oude) stadsbestuur op de 3e juli 1796 voortaan met de meeste oplettendheid te werk te gaan bij het afgeven van paspoorten en deze te bezegelen met het gewone stadszegel.

Schorsing Maire Z.M. Rimmers in april 1796

De stemgerechtigde burgerij schorst op de 16e april de maire Z.M. Rimmers totdat hij zich behoorlijk zal hebben gezuiverd van de bezwaren die tegen hem door de stemgerechtigde burgerij zijn ingebracht. Piepersberg protesteert hier tegen. Hij is van mening ‘dat hier personen achter zitten die de oude constitutie zijn toegedaan’.

Op de 27e april 1796 rapporteren de burgers A. van den Thoorn en W. Oostdijk over hun afgelegde bezoek bij mr. Z.M. Rimmers, hen verleend bij resolutie van de Municipaliteit om de papieren, charters en dergelijke af te vorderen die hij als administrateur van het gasthuis en weeshuis onder zijn beheer heeft. Ze verklaren dat Rimmers ‘hen met zware vloeken en andere uitdrukkingen heeft geweigerd af te geven de boeken, papieren, charters en gelden behorende tot het gasthuis en weeshuis’. Het stadsbestuur besluit Rimmers op straffe van gijzeling te gelasten heden namiddag om drie uur op het Stadhuis over te brengen alle boeken, charters, papieren en gelden betreffende de administratie van het gast- en weeshuis. Piepersberg en Van den Hoek onthouden zich van stemming. Maar Rimmers verschijnt niet.
Besloten wordt Rimmers te gelasten op straffe van absolute gijzeling aanstaande maandag de 2e mei alle bescheiden op het Stadhuis over te brengen. Tevens wordt besloten om zijn echtgenote, Catharina Rimmers, als regentesse van het gasthuis te ontslaan.
De vrouw van Rimmers wijst het stadsbestuur er op dat haar man buiten de stad is. Ze verzoekt de bescheiden af te komen halen. Twee stadsboden worden er op afgestuurd om alles op te halen.

Er is sprake van een wanverhouding tussen het stadsbestuur en Rimmers. Dit blijkt uit het volgende. Rimmers heeft zich vervoegd aan het huis van de president van het stadsbestuur en verzocht om een verklaring dat hij wettig is aangesteld tot rentmeester van het gasthuis en weeshuis en dat alle boeken, papieren en gelden door hem op het Stadhuis zijn overgebracht. Het stadsbestuur weigert dit. Hij moet net als alle andere burgers zich in behoorlijk schrift richten tot de Municipaliteit.

Nieuw stadsbestuur vanaf 4 juli 1796

Op de 4e juli 1796 komen de geconstitueerden van de burgerij de aftredende Municipaliteit voor hun verrichte diensten bedanken. Ze geleiden de heden door hen aangestelde leden van de stadsraad in de raadszaal binnen. Op verzoek van de geconstitueerden wordt besloten van de aanstelling van de leden van de nieuwe stadsraad dadelijk aan het volk kennis te geven. Tot president van de stadsraad wordt benoemd om te fungeren tot 4 september de burger Cornelis Mispelblom en tot vice-president de burger Pieter de Winter. Een week later wordt De Winter al weer ontslagen en in zijn plaats aangesteld P.J. Egter. Wie wel op z’n zetel blijft zitten is de stadssecretaris, Jacobus Dominicus.

Met eenparigheid van stemmen besluit het stadsbestuur in september voortaan op zaterdagen de leden niet meer per stadsbode uit te nodigen. Voorlopig en tot wederopzeggen zal men op zaterdag ’s morgens om negen uur moeten verschijnen vanwege de menigvuldig voorkomende zaken.

Op de 17e september 1796 besluit het stadsbestuur ‘om bij de eerste gelegenheid bij publicatie van biljetten te verbieden om binnen de stad en jurisdictie voortaan op zondagen wijn, bier, sterke drank of iets diergelijks te verkopen, te tappen, gelagen van dergelijke dranken te zetten, hetzij in herbergen, kroegen, winkels, koffyhuizen, sociëteiten of andere huizen waar publieke bijeenkomsten worden gehouden en zulks niet vóór, staande of na de godsdienstoefeningen van enige gezindheid binnen de stad of ook niet des morgens noch des avonds van dezelve zondagen’. Hiervan worden evenwel uitgesloten vreemdelingen of andere doorreizende of zich in logementen ophoudende personen. Verder wordt verboden het tappen of zetten van gelagen na elf uur ‘s avonds en dit van 1 april tot 1 oktober en na tien uur ‘s avonds van 1 oktober tot 1 april. Dit alles op verbeurte van een boete van 25 gulden.

De president Pilaar geeft het stadsbestuur op de 26e september 1796 te kennen dat hij voor het beleggen van deze vergadering niet heeft laten uitnodigen P.J. Egter ‘om reden dat deze ter gelegenheid van de publicatie op de 24e september over de zondagsrust de leden van de raad heeft beledigd’. Allereerst legt hij de vraag voor of de raad deze vergadering voor wettig wil erkennen. Nadat hiertoe is besloten stelt hij voor dat de raad geen zitting meer zal nemen voor en aleer door Egter een voldoende genoegdoening aan de raad zal zijn gegeven over de beledigingen aan het adres van de raad bij gelegenheid van de publicatie tot handhaving van de rust en goede orde op de zondagen. Besloten wordt ‘als raad wel zitting te nemen doch niet met P.J. Egter voordat de raad van hem een alleszins eclatante satisfactie zal zijn bezorgd’.
Op de 28e september 1796 verzoekt raadslid Egter met het stadsbestuur te mogen spreken over het wegnemen van de gerezen controverse. Hij verklaart niets tegen het stadsbestuur te hebben. Het was alleen ‘zijn vrijheidlievende sentiment die hem publiek heeft doen protesteren tegen de resolutie wat betreft de zondagsrust en die hem aanleiding gaf zijn protest in de stadsbeurs te doen aanplakken’. Hij gaat ermee akkoord dat zijn protest in de graanbeurs door een stadsbode wordt verwijderd. Niettemin wil hij de vrijheid behouden om het niet eens te zijn met het meerderheidsbesluit van het stadsbestuur.
Hierop reiken de aanwezige leden raadslid Egter de hand van broederschap en wordt deze kwestie als afgedaan beschouwd. Aan de geconstitueerden uit de burgerij wordt hiervan door een commissie, bestaande uit Pilaar, Van den Thoorn en Dominicus, kennis gegeven.

Maar opnieuw rommelt het binnen het stadsbestuur in november 1796. In de vergadering van de 23e zijn aanwezig vice-president W. Oostdijk, Adriaan van den Thoorn, Josephus van Eeghem en secretaris Dominicus. De voorzitter zegt voornemens te zijn geweest om de president en enkele leden namens de geconstitueerden in de vergadering te ontbieden. De raad neemt zijn voorstel aan. Na het rondbrengen van de uitnodiging rapporteert de stadsbode ‘dat het ganse college van geconstitueerden bij de raad zal komen’. Daarop verschijnen president J. van Kleijnputte, K. van Zoom, C. van de Velde, P. Faber, P. van Eeghem, P. Verheule en secretaris J.C. Crucque.
De voorzitter van het stadsbestuur geeft hen te kennen de ongeschiktheid van de raad om de voorkomende zaken naar behoren uit te oefenen door het slechte bijwonen van de vergaderingen door verscheidene leden. Hij stelt voor om enige leden uit het college van schepenen te benoemen om in geval van absentie de raad behoorlijk voltallig te maken en hen in hun handelingen te ondersteunen. De geconstitueerden nemen op zich hun gedachten hierover te laten gaan. Ze zullen morgen hun standpunt meedelen.

In november 1796 besluit het stadsbestuur het college van schepenen als gevoelen van de stadsraad te kennen te geven dat alle burgerlijke geschillen zijn gedemandeerd aan de stadsraad en geenszins aan het college van schepenen.
Het lid van het stadsbestuur, G. van der Hoek, oppert ‘of het niet geschikt en welvoeglijk zoude zijn om, in navolging van andere steden, voor het aangaan van de vergaderingen een gebed Hemelwaarts te zenden’. Daarop wordt besloten dit voorstel ‘na desselfs merite te lauderen’. Voor het concipiëren van een formuliergebed voor de raad worden benoemd G. van der Hoek en P.J. Egter.

Uit de vele beraadslagingen in november en december blijkt dat het aan alle kanten blijft gisten en broeien binnen de stad, het stadsbestuur, de kerk en de gilden.

Het stadsbestuur in de jaren 1797 - 1800

In de eerste vergadering van het nieuwe jaar 1797 zijn present de president J. Pilaar, de vice-president W. Oostdijk en de raden C. Mispelblom, G. van der Hoek, P. de Winter en A. van den Thoorn, evenals secretaris Jacobus Dominicus. Afwezig zijn J. de Broekert en P.J. Egter. Eerst worden ‘geresumeerd en geaccordeerd de notulen van 19, 23, 26, 27 en 29 november en van 3, 6, 10, 17, 20, 24, 26, 30 en 31 december benevens die van 3 januari 1797’. Vervolgens geeft president Pilaar te kennen dat hij met verontwaardiging heeft gezien dat van tijd tot tijd de publicaties die op de gewone plaatsen worden aangeplakt, hetzij van de Nationale Vergadering of van de Vertegenwoordigers van ’t Zeeuwse Volk of van het stedelijke bestuur, van tijd tot tijd worden afgescheurd. ‘Daardoor wordt aan de geconstitueerde machten de grootste minachting betoond’. Het stadsbestuur besluit tegen de 7e januari een publicatie te doen waarbij een boete van 150 gulden wordt bepaald voor de schuldigen die ontdekt worden.

In maart 1797 bedankt (notaris) G. van der Hoek als lid van het stadsbestuur.
Ook het raadslid C. Mispelblom is genoodzaakt te bedanken. In juni blijkt namelijk dat de raadsleden C. Mispelblom en P.J. Egter door huwelijk binnen de bepaalde graad van bloedverwantschap schoonvader en schoonzoon zijn geworden. Hierover wordt het lot geworpen. Het lot om af te treden valt op Mispelblom. Zijn schoonzoon P.J. Egter blijft zitten. Cornelis Pieterse volgt hem op als nieuw lid van de stadsraad.

Er ontstaat behoefte aan een nieuwe formulering van het ambtsgebed voor de raadsvergaderingen. In juni 1797 legt president Pilaar mede namens zijn mede gecommitteerde G. van der Hoek een conceptgebed voor, dat voor het aangaan van de vergaderingen door de president of secretaris dient te worden uitgesproken met de volgende inhoud:
Almagtige!!
Zijt gij zelve voorzitter in deze onze vergadering. De geest der gerechtigheid zij den geest onzer besluiten. Dat alle deze onze handelingen de Eer Uwes Naams en ’t geluk van dit vrije volk verzegelen, beseffende dat alles op de rolle der Eeuwigheid door U worde aangeteekend. Opdat wij bij de Verrijzenis van ’t Heelal U blijmoedig uitspraak mogen horen doen over deze onze Verrigtingen. Amen.’

Op de 3e juli 1797 komt een commissie uit de geconstitueerden van de burgerij ter vergadering. De commissie ontslaat in naam van hun committenten de afgaande leden van het stadsbestuur, de burgers C. Pieterse, G. van der Hoek en A. van den Thoorn, uit hun gedane eed als raad en bedankt hen voor hun diensten.
De geconstitueerden wensen het stadsbestuur geluk met de nieuw benoemde leden J. Pilaar, C. van de Vaarde, A. Kouweliere, C. van de Velde, P. de Winter en J. van Eeghem.
P.J. Egter wordt tot president en J. Pilaar tot vice-president benoemd.

Het stadsbestuur geeft op de 15e juli 1797 aan geconstitueerden van de burgerij te kennen ‘dat de raad niet dan verwonderd kan zijn over het voortdurend achterblijven van het gereviseerd stedelijk regeringsreglement dezer stad en mitsdien te insteren dat hetzelve gereviseerd stedelijk regeringsreglement ten spoedigste in handen van de president te willen toezenden teneinde deselve in staat worde gesteld in alles de wil des volks bij voorkomende zaken in acht te nemen’. Op de 6e september legt de president het Reglement op het bestuur der Stad Goes aan de vergadering voor. Besloten wordt dit vast te stellen, te publiceren en te laten drukken.
Secretaris Jacobus Dominicus deelt daarop mee dat dit de laatste vergadering is dat hij ingevolge het laatst vastgestelde Reglement op het stadsbestuur een of meerdere personen dient voor te stellen om daaruit een persoon aan te wijzen als adjunct-secretaris van deze vergadering, het college van schepenen en de weeskamer. De raad benoemt Johannes Pilaar als adjunct-secretaris. In de plaats van Pilaar, die zijn ontslag als raadslid heeft verkregen vanwege zijn aanstelling als adjunct-secretaris, wordt benoemd J. Soetebier. En in de plaats van Cornelis van de Vaarde, die zijn ontslag heeft verkregen door zijn aanstelling als luitenant van de gewapende burgermacht van de stad, wordt aangesteld als lid van het stadsbestuur David Koning.

De vaststelling van de notulen van de vorige vergaderingen wordt in oktober aangehouden ‘vermits de menigvuldige bezigheden en omdat vanwege de raad de commissies tot het mede helpen dirigeren van de organisatie zal moeten besoigneren met de commissies vanwege de Representanten van het volk van Nederland, die tot de organisatie binnen de stad zich tegenwoordig bezig houden’.

Verandering in het stadsbestuur in januari 1798

Op de 13e januari 1798 deelt de stadssecretaris, Jacobus Dominicus, het stadsbestuur mee dat hij bedankt voor zijn functie en voor de administratie van het consignatiecomptoir en van de huisschattingen. Na deliberatie wijst het stadsbestuur uit haar midden de leden D. Koning, P.J. Egter, J. Soetebier en C. van de Velde aan ‘om alle instanties te doen om de burger Jacobus Dominicus wederom in de post te doen blijven continueren en hem het genoegen te betuigen hetwelk de raad deswegens zou genieten’. De commissie doet alle pogingen hiertoe. Tot genoegen van het stadsbestuur neemt Dominicus aan om nog voor zes weken te fungeren. De raad verzoekt hem met klem aan te blijven voor onbepaalde tijd. Het staat hem dan vrij zijn post neer te leggen. Op voorstel van secretaris Dominicus besluit het stadsbestuur tot vaststelling van een nieuw Reglement van Orde voor de vergaderingen van het stadsbestuur.

Het stadsbestuur besluit op de 27e januari 1798 om ‘ter gedachtenis aan de gelukkige ommekeer van zaken voor de Bataafse Republiek op de 22e januari in Den Haag eene Nieuwe Vrijheidsboom in deze stad te planten’. Tot regeling van deze plechtigheden wordt een commissie ingesteld, bestaande uit de burgers D. Koning, secretaris J. Dominicus en J. de Broekert. Een week later legt de president over ‘eene Teijkening van Eene Standaart der Vrijheid voor model dienende om zodanige hier te planten’. Deze ‘teijkening’ wordt goedgekeurd. De Sociëteit voor vrijheid en gelijkheid in de stad wordt verzocht een commissie te benoemen om samen met de namens het stadsbestuur aangewezen burgers D. Koning, J. Dominicus en J. de Broekert ‘omtrent het planten van een standaard der Vrijheid de nodige arrangementen te maken’. De Proclamaties van de Constituerende vergadering als representerende het Bataafse Volk van 2 januari worden gepubliceerd en aangeplakt als naar gewoonte.

Bij publicatie maakt het stadsbestuur op de 3e februari 1798 bekend dat ‘op zaterdag eerstkomende verboden wordt het dragen van zogenaamd liverei van welke couleur of benamingen ook, op een boete van £ 30 Vlaams mitsgaders dat geen rijtuigen met familiewapens versierd in het publiek mogen verschijnen, alsmede dat alle wapens uit de kerken zullen moeten worden weggenomen binnen de tijd van twee maanden na publicatie dezes.
Zullende na expiratie dier gezegde tijd de wapens, welke nog in de kerken gevonden worden, dadelijk uit dezelve worden geweerd en ten voordele van de stad verkocht’. De secretaris wordt verzocht een publicatie hiervoor op te stellen.

De Agent van het Uitvoerend Bewind der Bataafse Republiek, A. van Schnellen, stuurt op de 13e februari 1798 een publicatie toe met de volgende inhoud:
Medeburgers.
De Agent van het Bewind der Bataafsche Republiek in het voormalige gewest Zeeland, aan Zijne medeburgers. Heil en Broederschap. Doet te weten.
Dat het gemelde Uitvoerend Bewind overwogen hebbende de noodzakelijkheid dat aan de Heilzame intentie van de Constituerende Vergadering representerende het Bataafsche Volk worde voldaan met namelijk de intermediaire administratiën en besturen, zo landschappelijk als plaatselijk, zolang dezelve nog bestaan, op de tegenwoordige voet ten spoedigste te ontbinden en zoveel nodig te reorganiseren. Heeft besloten het voormalige bestuur van Zeeland te ontbinden en in desselfs plaats te organiseren een Intermediair Administratief bestuur van Zeeland. Hiervoor worden aangesteld C.J. van Citters, B.H. Kanenberg, L. Bouman, D.A.B. van Berlecom, M. Piepers, M. Tak, S.C. Schrauwen, P. van Gooten, L.H.D. Haze Bomme, A. Fokker, L.J.C. Siraat, B. van de Kreeke en A.J. Sinclair, secretaris.

Het stadsbestuur krijgt op de 17e februari 1798 het verzoek om binnen acht dagen op te geven ‘of en zo ja, welke personen zich in de stad bevinden die vermeend worden dat heimelijk of openbaar machineren tegen de tegenwoordige orde van zaken’. De leden Egter en De Broekert worden gemachtigd dit naar bevind van zaken te beantwoorden.
Een week later, op de 24e, komt een brief binnen van het Intermediair Administratief bestuur van het voormalige gewest Zeeland met het verzoek de nodige maatregelen te nemen ‘dat vernietigd en gesloten worden alle oranje en zogenaamde gemenebestgezinde sociëteiten in de stad’. Het stadsbestuur besluit hiervan publicatie te doen.

Op de 5e maart 1798 komt het nieuwe Intermediair Bestuur in vergadering bijeen. Aanwezig zijn de heren L. Dijkwel, P. van Kleijnputte, M. Gorsse, J. Soetebier, C. van de Velde, Nic. Vervenne en P. de Winter. Secretaris is J. Pilaar.
Het nieuwe bestuur verklaart ‘een onveranderlijke afkeer te hebben van het Stadhouderschap, aristocratie, regeringloosheid en federalisme, van het College van Justitie, subalterne colleges en van alle ambtenaren van de stad, alsmede van de dekens en boekhouders van de gilden’. De stadsboden, evenals de subalterne colleges, krijgen opdracht op het Stadhuis te komen om een verklaring te ondertekenen. Twee dagen later verschijnen voor de stadsraad de stadsambtenaren, de dekens van de gilden en de boekhouders en knapen daarvan. Deze alle leggen na de verklaring (van onveranderlijke afkeer van het stadhouderschap, de aristocratie, regeringloosheid en federalisme) in handen van de president van de vergadering de eed af en ondertekenen dit.

Het Intermediair Administratief bestuur van Zeeland verbiedt op de 12e maart 1798 wapenborden, eregestoelten en andere tekenen van onderscheiding, het dragen van livreien, het voeren van wapens op koetsen ‘en al hetgeen verder met de geheiligde wetten der gelijkheid strijdig is’.

Het bewind stelt een heffing van 8% van ieders jaarlijks inkomen in. Als commissarissen voor deze heffing worden aangesteld de stadsbestuurders P.J. Egter, C. Dominicus, C. Mispelblom, J. Jenoteau, P. Ossewaarde en P.A. Ossewaarde.

Op de 21e april 1798 verschijnt er een voorschrift van het gewestelijke bestuur om af te schaffen ‘onnodige stedelijke comptoiren ter menagement van de uitgaven alsmede om geringe stedelijke bedieningen ter bezuiniging te combineren en om te ontzetten uit hun bedieningen dezulken die de orde van zaken niet zijn toegedaan’.
Ook komt er op de 19e mei 1798 een bepaling van het Intermediair bestuur van het voormalige gewest Zeeland over het weren uit de kerken van wapens van de herengestoelten alsmede omtrent de publieke gebouwen. De kerkmeesters wordt hiervan kennis gegeven.
Op de 2e juli 1798 ontvangt het stadsbestuur een brief van de Agent bij het Departement van Inwendige Politie en toezicht op de staat van dijken, wegen en wateren van de Bataafse Republiek. De brief gelast ‘om met alle nauwkeurigheid toevoorzicht te houden op de daden en gesprekken van hun welke malhineren tegen de gelukkige gebeurtenis op de 12e juni jl. alsmede of in deze stad enige zogenaamde constitutionele gezelschappen, clubs of sociëteiten of andere corporaties zijn, welke aan dezelver hoofd presidenten hebben en welke speciaal strekken ter tegenwerking tegen gemelde dag van 12 juni’.
Het stadsbestuur overweegt dat er zodanige tegenwerkers in deze stad, zover bekend, niet zijn. Deze brief wordt dan ook voor kennisgeving aangenomen. Er komt ook een aanmaning om te letten op het naleven van de wetten ten aanzien van stemgerechtigden en het doen van benoemingen in de grond- en districtvergaderingen.
Van het provinciaal bestuur komt er in november 1798 een aanschrijving dat een ieder de nodige zorg draagt en de vereiste orde stelt dat alle wanorde en ongeregeldheid of iets naar opstand zwevende dadelijk kan worden gestuit, desnoods met de gewapende macht.

Het stadsbestuur breekt op de 5e januari 1799 met een oude traditie. Besloten wordt de gewone vergadering van het stadsbestuur op Driekoningenavond af te schaffen. Ook hoeven de stedelijke bedienden voortaan geen jaarlijks verzoek meer in te dienen voor voortzetting van hun functies.

President Dijkwel verzoekt in april 1799 ontheven te worden van zijn functie als president. Hij is nu al dertien maanden president geweest. Besloten wordt om voortaan de president om de veertien dagen door een ander af te wisselen.
Ook in april 1799 ontvangt het stadsbestuur een aanschrijving om ter gelegenheid van de  gedachtenis van de aanneming van de nieuwe staatsregeling de gewapende burgerij een grote parade te laten houden en op de 23e april de vlaggen uit te steken van ‘s lands gebouwen en de stadstoren en de klokken te laten spelen. Besloten wordt ‘in allen deelen aan de intentie van het Vertegenwoordigend Lichaam en het Uitvoerend bewind op de 23e april te voldoen’.

Op de 24e juni 1799 oppert het lid van het stadsbestuur Jan Soetebier beschuldigingen ‘over pretense disordres in de handelingen van dit bestuur als onbevoegde handelingen’ van de stadsecretaris Dominicus. Naar aanleiding daarvan wordt een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de staat van de ontvangsten. De vergadering ‘neemt hier niet weinig met verontwaardiging en smerte kennis van’. Op de 30e juni wordt besloten ‘hetzelve concept bericht zoals het is leggende, als in allen delen met de waarheid en de bevinding der leden overeenkomstig te zijn, te approberen en door alle de leden hoofdelijk te ondertekenen en is al verder, nadat de secretaris was binnen geroepen, goedgevonden dat bericht op morgen per expresse te zenden aan het departementaal bestuur’. Soetebier had zijn rekest namelijk ook al in handen gesteld van gecommitteerden uit het departementale bestuur. De commissie komt tot het oordeel ‘dat alle de poincten in het rekest voorkomende behoorlijk waren wederlegt’. Ze geven hun bijzondere genoegen over de eensgezinde werkzaamheden van de commissie uit het stadsbestuur en verzoeken ‘deze instantelijk om door deze demarche van J. Soetebier aan de voortduring van dien niet te difficulteren maar voort te gaan in de zwaarwichtige werkzaamheden van het bestuur’.

Verder geven ze in overweging, als de secretaris door zijn veelvuldige werkzaamheden niet geheel en al in staat is alles in orde te hebben, ‘hem de nodige handen aan te schaffen’.
Secretaris Dominicus betoogt daarop dat hij door de zeer vele vergaderingen achterop is geraakt met het in orde brengen van zijn administratie. Hij stelt ten sterkste voor ‘om de nodige kopiisten ter doublering van de notulen, hetwelk door het menigvuldige griffiewerk door de griffiers niet kan worden volvoerd, aan te stellen en wel in het bijzonder ter doublering van de notulen van het jaar 1796, een over 1797 en een over 1798, kunnende dit werk in twee maanden zijn beslag krijgen’.
Het stadsbestuur besluit zijn verzoek in zover te accorderen dat hij voorlopig van het waarnemen van de extra-ordinaire zittingen zal worden ontslagen, tenzij de aanwezigheid bij voorkomende zaken van de secretaris hoogst noodzakelijk is. Bij absentie van de secretaris zal griffier Pilaar hem waarnemen. De secretaris krijgt toestemming om drie geschikte personen voor te dragen tot vermindering van de werkzaamheden van de griffiers in het doubleren van de stadsnotulen.

In de vergadering van de 27e juli 1799 verschijnt Soetebier als lid van het stadsbestuur. Hij tracht als zodanig zitting te nemen, ‘doch is vanwege de vergadering door monde van de president Dijkwel kennis gegeven van de door de vergadering genomen resolutie waarbij is besloten geen zitting met Soetebier te nemen of enige deliberaties met hem bij te wonen’. Soetebier wordt verzocht de vergadering te verlaten, waarop deze verklaart hiermee tevreden te zijn.
Door zijn vertrek zijn er wel twee vacatures in het stadsbestuur. Er is namelijk ook een vacature door het overlijden van het lid Pieter de Winter. Voor vervulling van de vacature van De Winter wordt een groslijst opgesteld. Daarop komen de namen voor van Pieter Adriaan Ossewaarde, Jacobus Huisman, Jacobus de Jongh, Gerard Bakker, Gerardus Peman, W. van der Hoek, J.A. Eltzman en Josias Risseeuw. Als dubbeltal wordt bij het departementaal bestuur voorgedragen P.A. Ossewaarde en J. Huysman. Ossewaarde wordt benoemd.
In de vacature van de ontslagen Soetebier wordt als dubbeltal voorgedragen mr. Cornelis Dominicus en Jaques Jeneteau. Dominicus wordt benoemd.

Temidden van hachelijke tijdsomstandigheden in juli/augustus 1799

Het stadsbestuur neemt op de 23e juli 1799 kennis van een extract uit de notulen van het Departementaal Bestuur. Daaruit blijkt dat uit een missive van de Agent van inwendige politie  op de staat van dijken, wegen en wateren van de Bataafse republiek, geschreven in de Haag op de 10e  juli, dat bij hem berichten zijn ingekomen ‘dat bijna overal de aanhangers van het vernietigd stadhouderlijk bestuur in dit tijdsgewricht buitengemeen stout en onbeschaamd niet alleen van alle kanten diverse schrikbarende tijdingen verspreiden en oproerige contra- revolutionaire discoursen houden, maar zelf ook openlijk verzekeren dat de gewezen stadhouder eerlang binnen de Republiek staat te retourneren om van zijn posten weder possessie te nemen of anderen te occuperen, terwijl hem agent daar te boven werd verzekerd dat er reeds in verscheidene plaatsen Oranje cocardes gemaakt en ook openlijk zo op kermissen als elders onder bijouterieën en andere winkelwaren oranje tekenen gedebiteerd worden en te koop leggen’. Besloten wordt tot extra waakzaamheid.

In augustus 1799 komen de spanningen tot een climax. Er wordt een extra-ordinaire vergadering belegd op de 27e augustus om vijf uur. Aanwezig zijn de president M. Gorsse en de leden L. Dijkwel, C. van de Velde, P. van Kleinputte en J. Vervenne en secretaris J. Dominicus.
Er is een missive van het Departementaal bestuur van de 26e augustus binnengekomen met een proclamatie en publicatie van het Uitvoerend bewind van de 25e met kennisgeving aan het volk van ‘de hachelijke toestand van het vaderland door het ogenblik hetwelk volgens gemelde proclamatie thans daar is, waarbij de vijand zijn dreigementen zoekt ten uitvoer te brengen en de Bataven alle gewenste vruchten van zovele opofferingen te ontrukken, waartegen het Vertegenwoordigend Lichaam als getrouw willende blijven aan de gezworen eed en dienvolgens het vaderland en de Staatsregeling niet willen zien verloren gaan zonder tevens met dezelve om te komen’.
Verordend wordt:

  • om de gewapende burgermacht over de gehele Republiek te stellen tot beschikking van het Uitvoerend bewind om daarvan naar aanleiding en overeenkomstig het Reglement van 7 mei 1799 zodanig gebruik te maken als het bewind naar gelang van de omstandigheden zal vermenen te behoren;
  • het Uitvoerend bewind autorisatie te verlenen om gebruik te maken van de gerequestreerde burgers ofschoon tot deze personele dienst niet opgeroepen, mitsgaders van dezulken welke,  hoezeer als buiten de termen der wet vallende, zich niet ter registratie hebben aangeboden, mochten gewillig zijn om zich in deze ogenblikken van bedreigd gevaar ten nutte van het vaderland te laten gebruiken en eindelijk om deze burgers te wapenen en tot grotere of kleine corpsen te organiseren onder zodanige bevelhebbers als daartoe door het bewind mochten worden aangegeven;
  • dat zonder vorm van proces met de dood worden gestraft allen welke zich gewapenderhand tegen de geconstitueerde macht verheffen, alle aanheffers van oproerkreten, het dragen en uitsteken van tekenen of seinen, het kleppen van de klokken, het aansteken van vuren en soortgelijke daden en het aanzetten tot samenzweringen en oproeren.

Er worden commissies benoemd tot het registreren van vrijwilligers gedurende de tijd van acht dagen voor het wapenen van burgers.
Gewapende burgers worden ingezet voor het opbrengen van pluksel voor de gekwetsten.
Eind september is er sprake van dringende nood waarin het vaderland zich bevindt. Opgeroepen wordt om het land met de wapens te ondersteunen en te helpen redden. Er wordt een oproep gedaan tot dienstneming bij de armee. Het stadsbestuur verzoekt in oktober om 60 à 70 wapenrustingen uit de magazijnen te Bergen op Zoom. Deze worden echter geweigerd.

De president rapporteert het stadsbestuur op de 12e oktober 1799 dat even na het scheiden van de raad op zaterdag de 5e oktober hij was opgewacht door de burgers Jacobus van Kleinputte, commandant, en Gerhard Codde, kapitein van de gewapende burgermacht. Ze verzochten met klem uit de stadskas, ‘vermits de slechte betaling der wachtcontributiën, te doen voorschieten een somma van £ 100 Vlaams teneinde de huishoudelijke directie van de burgermacht in staat mochte worden gesteld de dagwachten welke thans benevens het  gedetacheerde corps naar het fort te Bath plaats hebbende en enige extra-ordinaire uitgaven noodzakelijk maken, ter behoorlijke tijd te kunnen betalen’. Het stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te verzoeken zich omtrent de stadskas, alvorens finaal te besluiten, bij de stadsrentmeester zich te laten informeren en de vergadering nader te berichten.

Tevens wordt besloten de stadsdirecteuren te verzoeken de nodige orders te stellen dat alle schilderhuizen, staande op plaatsen daar geen posten worden uitgezet, onverwijld worden weggehaald en op geschikte plaatsen geplaatst. Ook moeten alle meubelen van de stad die nog in het huis van A. van Tilburg staan en voor de Franse commandant gediend hebben, onverwijld naar het stadhuis worden overgebracht.

Capitulatie van de Republiek  

In de vergadering van het stadsbestuur van de 22e oktober 1799 rapporteert de president over een door hem ontvangen brief van de 21e aan de commandant van de gewapende burgermacht. Deze behelst ‘de heugelijke tijding van een gesloten capitulatie tussen de commandant Bruine, chef van de Bataafse en Franse armee, en de Hertog van York, commanderende de gecombineerde Engelse en Russische armee in Noord- Holland’. Deze heugelijke tijding wordt met dankerkentenis en blijkbaar genoegen voor kennisgeving aangenomen.

Op de 26e oktober besluit het stadsbestuur op verzoek van de leden van het constitutionele gezelschap deze tot gebruik bij hun voorgenomen illuminatie aan het huis van hun bijeenkomst over het heugelijke evenement van de gesloten capitulatie het gebruik toe te staan van zodanige Sassinetten (beschilderde voorzetramen) die op het Stadhuis worden bewaard.
Deze dag worden ook de ingezamelde jassen en hemden voor de armee onverwijld verzonden.
De klokluiders krijgen voor hun extra diensten ter gelegenheid van het luiden van de klokken bij het publiceren van de Proclamatie van het Uitvoerend Bewind over de gesloten capitulatie samen een daggeld van 3 gulden toegekend.

Op de 14e december 1799 nodigt het stadsbestuur een van de predikanten uit tot het doen van een plechtige redevoering in een publiek gebouw ter gelegenheid van het op aanstaande donderdag de 19e december te vieren nationaal feest wegens de gesloten capitulatie tussen de generaal Bruine en de Hertog van York. Ds. Petrus Pické excuseert zich voor het doen van deze plechtige redevoering. Ook ds. D. Kaas weigert dit, evenals ds. Lotchius. Niettemin wordt ds. Pické nogmaals verzocht tot het verrichten van dat werk. De predikant blijft echter weigeren en de aangewende pogingen zijn vruchteloos. Besloten wordt dat ‘alsnu op de daartoe bepaalde tijd van de predikstoel in de Grote kerk de redevoering zal worden uitgesproken door de secretaris Jacobus Dominicus’.

Terugkeer rust in 1800

In 1800 breekt er een jaar van betrekkelijke rust aan!
In april uiten leden van het stadsbestuur evenals de secretaris en de griffiers klachten dat van tijd tot tijd stukken behorende tot de stadsgriffie zonder voorkennis van de secretaris worden weggenomen of ingezien en niet worden terug gebracht. Dit leidt niet alleen tot grote moeilijkheden in het werk van de griffie maar kan ook de allernadeligste gevolgen na zich slepen. Het stadsbestuur besluit dat voortaan bij niemand de sleutels van de secretarie en de  griffie zullen berusten dan alleen bij de secretaris en de 1e, 2e en 3e griffier. Naast de secretaris zullen alleen de griffiers bevoegd zijn om onder behoorlijke handtekening op het receptieboek stukken die de lopende zaken betreffen voor een zo kort mogelijke tijd aan daarbij belang hebbenden van de griffie af te geven.

Secretaris Dominicus wordt in juli 1800 verkoren tot vertegenwoordiger van dit district in het Vertegenwoordigend Lichaam van het Bataafse Volk. Zo moet hij op de 29e juli te Den Haag een eerste vergadering bijwonen. Deze benoeming betekent zijn vertrek als secretaris van het stadsbestuur, van de rechtbank en andere colleges. Dominicus pleit er voor in deze vacatures zo spoedig mogelijk te voorzien. Hij wijst ook op de moeilijkheden die het gecombineerd uitoefenen van het secretarisschap van het stadsbestuur en van de rechtbank veelal met zich meebrengen. President en schepenen van de rechtbank hebben dan ook besloten een aparte secretaris aan te stellen. Dit maakt een algehele scheiding van de secretarie en de griffie van de rechtbank noodzakelijk. Het stadsbestuur besluit:

  • zich te laten welgevallen dat de rechtbank een aparte secretaris aanstelt;
  • op heden te voorzien in het ambt van secretaris van het stadsbestuur en van de weeskamer en als ontvanger van de huisschatting;
  • de burgers mr. Cornelis Dominicus en P.A. Ossewaarde aan te wijzen om onder goedkeuring van de vergadering en met concurrentie van de nieuw aan te stellen secretarissen de scheiding van de secretarie en griffie van het stadsbestuur en de weeskamer en van de secretarie en de griffie van de rechtbank ten spoedigste tot uitvoer te brengen.

Tot de aanstaande verandering van de gemeentebesturen wordt Pieter Adriaan Ossewaarde aangesteld tot secretaris van het gemeentebestuur en van de weeskamer en als ontvanger van de huisschatting. De procureur Franciscus Henricus Wagenaar zal ad interim de secretarisplaats van het College van Justitie waarnemen. Vanaf nu worden de notulen ingeschreven door Ossewaarde en ondertekend met ‘Ossewaarde Secretaris’.
De stadsdirecteuren krijgen opdracht ‘tot het doen maken van een kas op de griffie, voor de Rechtbank alleen gedestineerd, alsmede om te doen veranderen de sloten van de deuren zo van de griffie als secretarie’.

Op de 11e oktober 1800 komt er een Proclamatie over de viering van een jaarlijks feest op de 18e oktober tot gedachtenis van het sluiten van de capitulatie tot de aftocht van de Engelse en Russische armee vorig jaar. En op de 15e november 1800 stuurt de commanderende Franse officier van het eiland een verzoek om de nodige orders te stellen dat deserteurs binnen de gemeenten geen schuilplaats vinden noch door schippers of voerlieden worden overgezet.

Het stadsbestuur bestaat aan het einde van de 18e eeuw uit de leden Nicolaas Vervenne, Leijn Dijkwel, Marinus Gorsse, Pieter van Kleijnputte, Cornelis van de Velde, Pieter Ossewaarde, Cornelis Dominicus en de secretaris Dominicus, later opgevolgd door P.A. Ossewaarde.
Loco-secretaris is de griffier Johannes Pilaar.

Hogere overheden

Op de 23e juni 1795 komt er bij het stadsbestuur een plan ter tafel voor de reorganisatie van het provinciale bestuur. Het aantal gedeputeerden in de Staten wordt bepaald op 24, te weten van Middelburg 6, Zierikzee 2, Goes 2, Tholen 1, Vlissingen 2, Veere 1, het eiland Walcheren 3, de eilanden Schouwen en Duiveland 2, het eiland Zuid-Beveland 3, de eilanden Tholen en Sint Philipsland 1, de eilanden Noord-Beveland en Wolphaartsdijk 1. Het stadsbestuur stemt in met het plan. De leden P. Ossewaarde, C. Dominicus en P. van Kleinputte wensen de aantekening dat ze daarmee niet hebben ingestemd.

Functies en bedieningen

Stadsrentmeesters
Deze jaren fungeren als stadsrentmeesters Jan de Fouw Lzoon en J.W. de Jongh, de eerste als administrerend rentmeester en de tweede als toeziend rentmeester. Het stadsbestuur besluit Jan de Fouw in zijn kwaliteit van stadsrentmeester, ‘uit hoofde van de loffelijke iever waarmee hij die post waarneemt, boven zijn gewoon salaris toe te leggen bij provisie en totdat hieromtrent nader zal zijn gedisponeerd een som van honderd gulden jaarlijks’.

Notarissen en procureurs
Gedurende de jaren 1793 tot en met 1800 fungeren de notarissen Isaac Cru (hij is in 1793 gekomen van Tiel, waar hij eveneens procureur was), Cornelis Dijkwel Mzoon, Gijsbertus van der Hoek en Franciscus Henricus Wagenaar als procureur voor het college van justitie en het landrecht van de stad. In 1795 verzoeken de procureurs vanwege hun gering salaris en achteruitlopende affaires het aantal procureurs op vier te houden. Het eerste verzoek wordt ingewilligd, maar het laatste afgewezen. In januari 1796 wordt Jan Soetebier als notaris binnen de stad toegelaten. In juli krijgt hij ook toestemming om als procureur voor het college van schepenen en het landrecht op te treden.
Matthijs Poelman Jzoon, burger en inwoner, verzoekt in november 1800 om brieven van voorschrijving aan de Eerste kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafsen Volks om als notaris te worden toegelaten.
Het Committee van Justitie geeft in april 1796 te kennen ‘dat de loop der justitie door het klein getal procureurs, voor het college postulerende, niet genoegzaam kan bevorderd worden’. Op hun verzoek besluit het stadsbestuur de schorsing van de procureur F.H. Wagenaar op te heffen.

Stadsdirecteuren en stadsfabriek
In juli 1795 worden tot nieuwe stadsdirecteuren aangesteld Dominicus Noël, Gijsbertus van der Hoek en Cornelis Barbier. Van der Hoek bedankt echter voor zijn benoeming. In zijn plaats wordt aangesteld Leendert Krekelenberg.
‘Om goede redenen de municipaliteit moverende’ wordt op 1 augustus 1795 ontslagen als stadsfabriek Johan Frederik Metzger. Hij wordt gelast om terstond in handen van een van de stadsboden over te geven de sleutels van de stadsschuur en andere die onder hem berusten mochten. Cornelis Barbier zal voorlopig gedurende de vacature de nodige directie over stadswerken houden. In voorkomende zaken zal hij mede gebruik maken van de timmermansbaas Pieter de Winter.
De stadsdirecteuren Dominicus en Dijkwel stellen in september 1795 voor iemand aan te stellen om de directie over het stadswerkvolk te houden en om voorlopig als stadsfabriek te fungeren. Dit is dringend noodzakelijk. Het stadsbestuur stelt Jasper de Kok in die functie aan. Met hem worden schikkingen gemaakt tot het meeste voordeel van de stadsfinanciën.
Eind september 1795 wordt tot nieuwe directeur over stadswerken aangesteld Cornelis Barbier voor £ 40 Vlaams per jaar. Tot directeuren van de stad worden in september aangesteld D. Noël en W. Oostdijk en tot directeuren over de straten en wegen in de plaats van P. Ossewaarde de burger D. Noël.
In april 1797 leggen de stadsdirecteuren Oostdijk en Van den Thoorn hun functies neer. In hun plaatsen worden aangesteld Jacobus de Broekert en Anthony Kouweliere.
Het stadsbestuur besluit de opzichter van stads publieke werken, Cornelis Barbier, op diens herhaald verzoek vanwege zijn geringe salaris hem boven zijn gewone toelage van £ 40 per jaar nog toe te leggen een gratificatie van £ 26.13.4.
Eind oktober 1800 overlijdt de stadsfabriek Cornelis Barbier. In zijn plaats wordt aangesteld
Krijn Janse Belle. Juist vier maanden eerder had het stadsbestuur in de Instructie of het Reglement voor de Stadsfabriek van 15 juni 1743 en 30 januari 1778 de volgende wijzigingen aangebracht:

  • bij constatering dient de stadsfabriek te zorgen dat vuiligheden of hopen op straten en dergelijke worden geweerd en weggedaan;
  • op de stadswallen of singels mag met geen paarden of wagens worden gereden dan met toestemming van de stadsdirecteuren;
  • de stadsfabriek zal enkel orders in ontvangst nemen van de stadsdirecteuren;
  • niemand zal enig brandhout mogen meenemen of weg geven;
  • door de stadsfabriek zal geen knecht of knechts in stadsdienst en onder zijn opzicht zijnde, in zijn eigen werk hoegenaamd mogen worden gebruikt;
  • hij zal als traktement ontvangen 500 gulden per jaar.

Fiscaal van het landrecht
In mei 1796 beraadslaagt het stadsbestuur over het begeven van het ambt van Fiscaal van het Landrecht van de stad. Besloten wordt de bus te openen en de sollicitatiebriefjes na te zien en daarvan een lijst te formeren. Uit de sollicitatiebriefjes blijkt dat verkoren is tot Fiscaal Jacobus de Broekert. Dit op voorwaarde dat hij voortaan geen executies als deurwaarder zal mogen doen en afstand doet van het statendeurwaarderschap.

Griffiers
In juni 1798 verzoekt W. de Jongh ontslag als derde griffier en collecteur van de 40e penning. In zijn plaats komt Johannes Pilaar. De tweede griffier Jacob W. de Jongh overlijdt in augustus 1798. Bij gesloten briefjes wordt gestemd over de opvolger. De onlangs benoemde derde griffier Johannes Pilaar wordt bevorderd tot tweede griffier. In zijn plaats als derde griffier komt J.C. Crucque. In januari 1800 verzoekt de tweede griffier J. Pilaar ontheven te worden van de stedelijke recognitie. Dit wordt afgewezen.

Collecteurschappen
Door het overlijden van Francois Oversluis vaceren in maart 1793 een aantal collecteurschappen. In de vacante functies worden benoemd tot collecteur van het biljetgeld op alle de impost subjecte middelen Jan Vervoort; tot collecteur van de waag van state- en stadswege, van de vier stuivers per zak op het gemaal en de impost op de olie en azijn, beide van stadswege, Cornelis van de Volkeren; tot collecteur van de impost op de wijn van stadswege Frederik van Nakke en tot collecteur van de impost voor ‘s lands wachten Frederik van Nakke. Wat Van de Volkeren betreft geldt z’n benoeming maar voor korte tijd. Op de 30e september 1795 krijgt hij ontslag als collecteur van het klein zegel en van de vier stuivers per zak in de plaats van de lepel, het balansgeld of de waag en van de impost op de olie en azijn, alsook van het biljetgeld van olie, azijn en zeep.

Ontvangers belastingen
In november 1793 komt het ontvangersambt van de ordinaire en extra-ordinaire 100e penningen op de landen over een gedeelte van het zuidkwartier van het eiland vacant door het overlijden van mr. F.N. Keetlaar. Het stadsbestuur besluit in de staatsvergadering voor benoeming aan te bevelen mr. Aarnout Wilhelm van Citters.
Cornelis van Kogelenberg krijgt in oktober 1793 op zijn verzoek ontslag als majoor van de stads klapperwacht. In zijn plaats wordt aangesteld Jacobus de Haas.
Het ambt van vendumeester van de roerende goederen over de stad en jurisdictie komt in maart 1794 vacant door het ontslag van Francois Breekpot. In zijn plaats wordt aangesteld Johannes Nederveen.

In de plaats van de overleden mr. D.C. Keetlaar wordt in december 1794 tot ontvanger van de ordinaire en extra-ordinaire statenpenningen op de landen over Yerseke, Vlake, Schore c.a. gunstig voorgedragen de heer Z.D. van der Bilt van Cloetinge, regerend burgemeester en raad van de stad. Mr. D.C. Keetlaar was ook directeur van de haven. In deze functie wordt aangesteld mr. J.A. van Dorth.

In januari 1793 worden de gedeputeerden ter staatsvergadering gemachtigd tot ontvanger van de personele middelen in de plaats van C.P. Keetlaar, die in die kwaliteit zijn ontslag heeft verzocht, ter vergadering voor te dragen Laurens Jan van de Spiegel.
Het ambt van ontvanger van het familie-, dienstbode-, wagen-, paarde- en ambtgeld komt in 1795 vacant door het verleende ontslag aan Laurens Jan van de Spiegel door de vorige stadsregering. Omgezien wordt naar een geschikt persoon en men meent deze te vinden in de persoon van Jan de Fouw Lzoon.

De ontvanger van de geestelijke goederen in het eiland, Cornelis Pieter Keetlaar, heeft kunnen goedvinden om de opschrijving en taxatie van de ‘gemene zaake thienden’ over dit jaar onder sommige parochies over te dragen aan personen die door hem willekeurig daartoe aangesteld worden en die niet onder de eed of enige verbintenis van trouw staan. Zij zijn ten enenmale tot het doen van die taxaties onbevoegd. Hierin ‘is de partijdigheid van de ontvanger zeer zichtbaar, als hebbende in die parochies in welke door de vrije keus van het volk verandering in de personen van de wet is gemaakt, de taxaties gedemandeerd aan die personen welke door het volk als leden van het gerecht zijn ontslagen, met blijkbare verachting van de nieuw aangestelde gerechten’. Het komt het stadsbestuur voor dat dergelijke praktijken niet ongemerkt kunnen passeren. Het stadsbestuur besluit dan ook het provinciale bestuur te verzoeken C.P. Keetlaar te gelasten om de tienden ten behoeve van de gemene zaak in het eiland niet door de volgens zijn willekeur gekozen personen te laten taxeren en dat het misnoegen van de vergadering daarbij ook betoond wordt over zijn willekeurige en alleszins irreguliere handelwijze.

Stadsboden
De stadsboden genoten tot nu toe bij de vergaderingen van het stadsbestuur altijd een comparitiepenning. Door de afschaffing daarvan missen ze nu een gedeelte van hun inkomen. Het stadsbestuur overweegt in maart 1795 de moeite die aan deze ambten is verbonden en de weinige voordelen daarvan en besluit in de plaats van de comparitiepenningen aan ieder van de stadsboden per week extra-ordinair voorlopig toe te kennen één gulden.
Of het hier aan ligt is niet zeker, maar het gaat niet goed met sommige stadsbedienden. In mei 1795 besluit het stadsbestuur ‘om goede redenen’ Paulus Verbeeke te ontslaan als stadsbode en conciërge van het stadhuis en waagmeester. Deze functie wordt vacant verklaard. Hij wordt gelast om de sleutels van het stadhuis aan de stadsbode Pieter den Boer over te geven. Ook krijgt hij veertien dagen de tijd om uit het door hem bewoonde conciërgehuis onder het stadhuis te vertrekken. Tot nieuwe stadsbode en conciërge van het stadhuis en tot waagmeester wordt aangesteld Andries Tris. Met het oog op zijn benoeming wordt een aantal nieuwe bepalingen gemaakt voor het bode- en conciërgeambt.

De stadsboden Andries Tris en Adriaan Cornelisse geven in september 1797 te kennen geïnformeerd te zijn dat hedenmorgen staat begeven te worden de derde stadsbodeplaats. Ze voelen zich tot verbetering van de stadsfinanciën verplicht te melden dat ze bereid zijn die plaats met hun beiden waar te nemen zonder daarvoor iets van stadswege te genieten en dus alleen voor de daaraan verbonden emolumenten. Het stadsbestuur besluit de post van derde stadsbode voorlopig aan te houden door middel van de twee thans nog fungerende stadsboden.

Vendumeester roerende goederen
Ook komt er een nieuwe vendumeester van de roerende goederen. Johannes Nederveen bedankt namelijk voor zijn functie. Voor de voorlopige waarneming van het vendumeesterambt wijst het stadsbestuur Cornelis Pieterse, een van de voormannen uit het comité van kiezers, aan, ‘nadien in deze weeke de koopdag in de Bank van Lening moet worden gehouden’. In augustus krijgt Pieterse zijn definitieve aanstelling.

Stedelijke bedieningen
Het stadsbestuur besluit in augustus 1795 Janis Verplakke te ontslaan van al zijn stedelijke functies en bedieningen. Tevens wordt bepaald dat hij binnen acht dagen uit het huisje, dat door hem als poortier wordt bewoond, zal moeten vertrekken. Hij dient terstond de sleutels over te geven aan Lieven van Loo, die met de waarneming van deze bedieningen gedurende de vacature wordt belast.
Op de 24e augustus 1795 komt een aantal bedieningen vacant door het ontslag van Janis Verplakke. Tot havenmeester, boomsluiter, poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Hoofdpoort en oppasser van de vismarkt en de visput wordt aangesteld Cornelis Adriaanse. Hij moet tevens de mol waarnemen tot genoegen van de stadsdirecteuren. Tot klokluider, marktmeester van de Beestenmarkt en sluiter van de ketting op de Zuivelmarkt wordt aangesteld Marinus Wagenaar.

Alle stedelijke beambten moeten in mei 1796 opnieuw worden beëdigd ingevolge de resolutie van de volksvertegenwoordiging van 13 mei 1796. Sommigen weigeren dit. Daardoor komen verscheidene functies vacant. Zo besluit het stadsbestuur bij biljetten het volk kennis te geven dat vacant zijn verklaard de posten van twee dienaars van de justitie, majoor van de klapperwacht, drie assistenten van de klapperwacht, een lantaarnaansteker, twee grafdelvers, een ijkmeester van de droge maten, poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, een assistent van de turftonders van de Friese turf, drie keurmeesters van de granen, een keurmeester van de meede, drie roode roedes en een luitenant van de roode roede en peilmeester van de wijnen en brandewijnen.
Spoedshalve wordt besloten voorlopig tot grafdelvers aan te stellen Theunis Benjaminse en Jacob Meeuwsen, tot poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort Dingenis Rijn en tot peilmeester van de wijnen en brandewijnen Marinus van Leeuwen.

Eind maart 1796 overlijdt de dijkgraaf van de Goese Polder, mr. J.A. van Dorth. In deze functie wordt aangesteld Adriaan van den Thoorn, lid van het stadsbestuur.  

In november 1797 krijgt Willem Codde brieven van voorschrijving om te worden begunstigd met de post van haven- en bakenmeester van de stad.

Financiën

In april 1795 is de financiële situatie precair. De kassen van de provincie en de stad zijn leeg.  Het land moet aan Frankrijk als ‘bevrijder’ in de vorm van een schadeloosstelling een gigantisch bedrag betalen van 100 miljoen gulden. Daarnaast betekent de bezetting door de Fransen een enorme last voor de Republiek om deze te onderhouden. Al het goud en zilver, door de Fransen aangeduid als ‘nutteloze metalen’, wordt van de burgers afgevorderd. En ook al heeft men dit onlangs verkocht, dan moet men toch de waarde daarvan inbrengen.

De burgers Gerrit Donck, Willem de Wolf en de vroedmeester J.A. van Nieuwenhuize, gecommitteerd van de volksvergadering tot algemeen welzijn, leggen het stadsbestuur in april 1795 een aantal vragen voor. Deze gaan onder meer over de toestand van de provinciale kas, of alle nutteloze en kostbare colleges in de provincie al zijn afgeschaft, of de provincie in behoorlijke staat van defensie is, of men de notulen vanaf 1786 mag overzien, etc. Het stadsbestuur gaat zeer serieus op deze vragen in.

Op de 2e mei 1795 verklaren de stadsdirecteuren in de grootste verlegenheid te zijn over de financiën van de stad. Ze moeten nog alle rekeningen van vorig jaar voor aan de stad gedane leveringen, die £ 800 á £ 900 belopen, betalen. Ze zien geen mogelijkheid dit uit de gewone stadsmiddelen te doen. Hoe moeten ze zich hierin gedragen? Het stadsbestuur besluit deze vraag in handen te stellen van de commissie tot herstel van stadsfinanciën.

Op de 18e mei 1795 stelt het stadsbestuur een commissie in tot invordering van de heffing van het ongemunt goud en zilver. Hierin nemen zitting Pieter Ossewaarde, Adolf Ossewaarde, Wilhelmus Christianus de Crane, Dominicus Noël, Cornelis Mispelblom en Jaques Jeneteau.
Voor de eilanden Zuid-Beveland en Wolphaartsdijk worden aangesteld de burgers C. Dominicus, M. Gorsse, P. van Kleijnputte, L. Krekelenberg, J.A. Harinck en L. Dijkwel.
Voor het wegen en toetsen van het goud en zilver worden aangesteld de goud- en zilversmeden Adriaan Boddingius en Adriaan van den Thoorn.

Op de 3e augustus 1795 verschijnen drie leden van het Committee van Financiën, de burgers De Leeuw, Boddingius en Huisman, ter vergadering van het stadsbestuur. Uit hun rapportage blijkt dat verscheidene leden van het Committee ‘zich zeer achterlijk in het bijwonen der vergaderingen hebben gehouden’, waardoor de werkzaamheden zeer vertraagd zijn. ‘Weldra zal dit echter zover zijn gevorderd dat het de voornaamste grond en oorzaak van het verval der stedelijke financiën heeft opgespeurd’. Ze doen de belangrijke constatering dat deze bijna alleen is te zoeken in de opbouw van het Stadhuis. Namens het Committee verklaart Gerard de Leeuw geïrriteerd dat de meeste leden van het Committee zich geheel onttrekken aan de werkzaamheden. De burger Franciscus Henricus Wagenaar heeft zich niet alleen onttrokken maar ook alle gehouden aantekeningen van de werkzaamheden van het Committee tot zich  genomen.
Terstond wordt Wagenaar door stadsbode Cornelis Zitters ter vergadering geroepen. Maar Wagenaar geeft te kennen niet te kunnen komen omdat hij direct uit de stad moet. Nogmaals wordt hem gelast onmiddellijk te verschijnen. Daarop verschijnt Wagenaar een kwartier later in de vergadering. Hem wordt de reden gevraagd waarom hij zich geheel van het Committee van Financiën heeft afgezonderd en de gehouden aantekeningen tot zich genomen heeft. Wagenaar verklaart dat, omdat hij niet stemgerechtigd is gekeurd, hij zich ook niet meer verplicht voelt in het Committee mee te werken en zichzelf beschouwt als het vertrouwen van de burgerij verloren te hebben. Hij legt de door hem gehouden aantekeningen in het Committee over. Het stadsbestuur brengt hem het onbetamelijke van zijn gedrag onder ogen en besluit Wagenaar te schorsen in zijn bediening van procureur voor het college van justitie en het landrecht. Hem wordt verboden tot nader order als zodanig op te treden. Hij moet ‘zijn bordetje als procureur binnen twee maal 24 uur intrekken’.

Een week later, op de 10e augustus 1795, bespreekt het stadsbestuur de benarde toestand van de stadsfinanciën. Binnen een maand zullen twee wissels ten laste van de stad ten bedrage van duizend ponden Vlaams vervallen. Ook moeten er, wegens leveranties van vorig jaar, nog 800 ponden Vlaams worden betaald. Het stadsbestuur besluit dit punt aan te houden totdat het schriftelijke rapport van het Committee van Financiën zal zijn ingekomen.
Ook wordt gesproken over het afschaffen van enige bedieningen om daardoor de stadsfinanciën te verlichten. De stadsdirecteuren krijgen opdracht te onderzoeken welke traktementen de stad aan beambten betaalt en een plan te maken tot afschaffing van alle ambten die enigszins kunnen worden gemist.

In juli 1796 komen David Koning en Klaas Bosdijk ter vergadering van het stadsbestuur. Ze geven te kennen dat ze door de leden, die ingeschreven hebben in het Fonds tot aanmoediging van de dienst in ‘s lands zeemacht, zijn gemachtigd de nog resterende penningen van het fonds aan de stadsraad tot profijt van de stadskas aan te bieden. Het gaat om 31 Zeeuwse rijksdaalders. Deze worden onder welmenende dankbetuiging door de president van het stadsbestuur aanvaard. Hen wordt toegezegd ‘dat deze hun betoonde attentie omtrent de stadsfinanciën met honorabele mentie in de notulen van de vergadering zullen worden vermeld’.

Opnieuw delibereert het stadsbestuur, op de 26e november 1796, uitvoerig ‘over de zeer vervallen toestand van de stadsfinanciën’. De conciërge van het stadhuis, Andris Tris, wordt verboden om aan enig college, hoe ook genaamd, binnen de stad substituerende, enige betalingen voor stadsrekening te doen. Ieder college zal, wanneer het iets wil gebruiken, dit voor eigen privé rekening moeten doen.
Zelfs op de benodigdheden voor de secretarie wordt bezuinigd. In december 1796 besluit het stadsbestuur ‘dat voortaan geen papier of pennen zullen worden afgegeven van de griffie van de stad dan alleenlijk aan de presidenten en secretarissen van het college van schepenen en de stadsraad’.

Op de 1e april 1797 ontvangt het stadsbestuur een brief van het Departement van Financiën en Onderzoek van de Provinciale Raad van Zeeland. Het Departement wil duidelijkheid over de volgende vragen:

  • hoe groot is de som van onopeisbare kapitalen ten laste van de stad?
  • welke som bedragen de kapitalen die kunnen worden opgeëist?
  • welke is de aard van de laatstgemelde en meer bijzonder de tijd wanneer die kapitalen zijn genegotieerd en waarop deze vervallen?
  • heeft de stad uitzicht om het financieel gaande te houden indien de verzochte surcheance mocht worden geaccordeerd?
  • zijn er al enige middelen van verbetering in de inkomsten en vermindering in de uitgaven in het werk gesteld en zo ja, welke?
  • welke middelen zou het stedelijk bestuur verder aan de hand kunnen geven om de stadsfinanciën te verbeteren?

Deze brief wordt in handen gesteld van de burgers Egter, Mispelblom en secretaris Dominicus. Ze moeten met het Departement van Financiën en Onderzoek van de Provinciale Raad van Zeeland in conferentie treden en zich daarvoor begeven naar Middelburg op vrijdag de 7e april.
Het drietal doet daarna verslag van hun bezoek aan Middelburg. Ze hebben zoveel mogelijk de gronden aangetoond waarop de stadsfinanciën zouden kunnen worden gaande gehouden, verbeterd of enigermate hersteld. Het Departement verklaarde ‘met genoegen te zijn geïnformeerd dat de financiën van de stad juist in die onherstelbare staat niet waren gedompeld dat deze door bezuinigingen en menagementen evenals door verbeteringen van de inkomens niet zouden kunnen worden gaande gehouden en onder de Goddelijke Zegen enigermate zouden kunnen worden hersteld’. Het stadsbestuur bedankt de commissie zeer voor hun verrichte werkzaamheden.

Het stadsbestuur neemt op de 29e november 1797 de volgende maatregelen tot verbetering van de staatsfinanciën:

  • verhoging van het in de stad en jurisdictie in gebruik zijnde stadszegel met een vierde; de opbrengst daarvan is £ 60;
  • verhoging van het passagiegeld met de helft; de opbrengst daarvan is £ 50;
  • oprichting van een stadswijnkelder die jaarlijks wordt verpacht; de opbrengst daarvan is £ 133.6.8;
  • vordering van iedere stoop wijn, van buiten de stad door particulieren die geen negotie daarin doen ingeslagen, van drie stuivers per stoop; de opbrengst daarvan is £ 35;
  • vordering op iedere ton bier, van buiten inkomende, van vier schellingen extra; de opbrengst daarvan is £ 20;
  • invoering van het betalen van een algemeen straatgeld; de opbrengst daarvan is £ 31.10;
  • verhoging van het dienstbodegeld tot voordeel van de stad met een derde; de opbrengst daarvan is £ 25;
  • verpachting van het hondengeld tot voordeel van de stadskas; de opbrengst daarvan is £ 80.