Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1793 - 1800)

Gebrek aan water

In augustus 1800 heerst er een groot gebrek aan water door de aanhoudende droogte. Het stadsbestuur besluit op de 16e augustus, ‘vermits het gebrek aan water zo hoog gekomen is dat daar tegen zoveel mogelijk behoort te worden voorzien, vooral bij de toevloed van vreemdelingen welke ter gelegenheid van de jaarmarkt zal plaats hebben’, voor stadsrekening van Dordrecht een schip rivierwater te laten komen. Maar op de 23e augustus wordt overwogen dat het gebrek aan water door de gevallen regen is opgehouden. Bij aankomst van het schip, dat eerstdaags zal arriveren, zal met de schipper worden onderhandeld om het water naar elders te vervoeren. Er kan echter geen voordelige schikking worden gemaakt. De stad zal het water waarschijnlijk geheel zelf moeten betalen.

Medische dokters

Johannes Adriaan Schültz krijgt in juni 1793 vergunning om als medisch doctor binnen de stad en het eiland te praktiseren op voorwaarde dat hij burger van de stad wordt.
Op zijn verzoek mag Ludovicus Nicolai in augustus 1795 gedurende vier weken zijn kunst als occulist operateur binnen de stad uitoefenen.
De dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde geven in juli 1796 te kennen dat dokter  Schültz ‘een zeker signaal’ heeft uitgehangen waarbij hij zich uitgeeft als chirurgijn. Het Committee van Onderzoek krijgt opdracht dit uit te zoeken.

In juli 1797 overlijdt de stadsdoctor Jean Pierre Ceré, in 1776 in de stad gekomen uit Eissenach. Het stadsbestuur besluit voortaan tot gerief van de noodlijdende zieken een of twee stadsdoctoren aan te stellen. Doctor J.A. Schültz mag voorlopig de zieken in de godshuizen bedienen, overeenkomstig zijn aanbod ‘Pro Deo’.
De medisch doctor Hendrik Berkers uit Middelburg verzoekt in augustus om als burger en medicine doctor te worden toegelaten. Ook zijn er rekesten van Johannes Anthonis Eltzman, medisch doctor te Sas van Gent, en Johan Wilhelm Hecking, geboortig en woonachtig te Gusdorff bij Keulen, met verzoek om in de stad te mogen praktiseren als medicine doctoren. Deze verzoeken worden voor advies in handen gesteld van het Verenigd Committee. Op het gunstig advies besluit het stadsbestuur op 2 september 1797 de doctoren Berkers, Eltzmann en Hecking toe te laten om als doctor in de medicijnen in de stad te praktiseren.

Voor de vervulling van de vacature van stadsdoctor, ontstaan door het overlijden van doctor J.P. Ceré, worden alle thans binnen de stad praktiserende docters uitgenodigd om naar deze functie te solliciteren. Op 16 september vergadert het stadsbestuur hierover met de burger geconstitueerden. Aanwezig zijn de raden Pilaar, Egter, De Winter, Vervenne, Van de Velde, Van de Vaarde, Kouweliere en De Broekert en namens de geconstitueerden G. Codde, C. Vervenne, C. Pieterse, C. Steijn, C. Barbier, M. Staal en J. Zoetebier.
Na opening van de stembus blijkt dat gesolliceerd hebben dokter Dominicus Noël en dokter Johannes Adriaan Schültz, beiden medisch doctor binnen de stad. Noël verklaart ‘niet gezind te zijn naar die post te loten met een persoon buitenlands gepromoveerd, terwijl hijzelf te Leiden is gepromoveerd’. Hij zegt ‘verwacht te hebben van de raad dat ook dit door dezelve in aanmerking genomen zoude zijn geworden, dog dat hij van het tegenovergestelde op dit ogenblik overtuigd zijnde, hij ook zich deze demarche van den raad zouw laten welgevallen, waarop den burger Noël de vergaderkamer heeft verlaten’. Het stadsbestuur benoemt daarom tot stadsdoctor J.A. Schültz.

In september 1798 overlijdt de stadsdokter J.A. Schültz. Als sollicitanten naar de vacature melden zich de in de stad gevestigde doktoren Eltzman, Hecking, Noël, Scheffers en Berkers. Omdat deze functie voorlopig al door dokter Berkers is waargenomen, besluit het stadsbestuur de benoeming voorlopig aan te houden. Enkele weken later wordt besloten Hendrik Berkers, medisch doctor, aan te stellen als stadsdokter op een jaarlijks traktement van honderd gulden. ‘Hij moet de gasten in de godshuizen bedienen Pro Deo’. Ook krijgt hij opdracht voorlopig de troepen die binnen de stad garnizoen houden en ziek worden te bezoeken en deze van tijd tot tijd de nodige geneesmiddelen en verkwikkingen toe te voegen.

In juni 1800 wordt Jan Dijserinck Dekker, geboortig uit Rotterdam, toegelaten als burger van de stad. Na vertoning van het bewijs van zijn promotie tot doctor in de medicijnen bij de Universiteit van Leiden krijgt hij toestemming om als medisch doctor binnen de stad te praktiseren.

Chirurgijns en apothekers

In maart 1793 meldt Johannes Slimmens uit Middelburg zich aan voor het afleggen van zijn proef als apotheker. Hij legt een gunstige proef af en wordt toegelaten tot het chirurgijns- en apothekersgilde. Het stadsbestuur geeft hem toestemming voor het zetten van een destilleerketel en fornuis voor het destilleren van medicijnen.
De apotheker Willem van der Hoek uit Ouddorp verzoekt in augustus 1793 om het door hem gekochte woonhuis ‘het Spaens Laken’ op de Oprel Grote Markt nummer 5 geschikt te maken en te gebruiken voor het destilleren van allerhande noodwendigheden, nodig voor zijn apoothekersaffaire. Het stadsbestuur wijst dit om bepaalde redenen af.
De deken van het chirurgijngilde, Willem den Boer, vraagt als naar gewoonte een commissie te benoemen om te assisteren bij het opnemen van de proef als chirurgijn van Jan den Boer. Aangewezen worden Pilaar en Oostdijk.
In 1796 wordt het door Jaques Jenoteau bewoonde stadshuis weer voor een jaar verhuurd, mits hij belooft per jaar aan huur te zullen betalen £ 35.6.8.
Het stadsbestuur verleent de apotheker Hendrik Le Cointre in april 1799 toestemming om zijn proef en blijk van bekwaamheid af te leggen voor apotheker. In januari 1800 legt hij zijn proef af voor een commissie, bestaande uit de stadsdoctor Berkers, de stadschirurgijn Huisman en de apothekers Crucque en Slimmens. Le Cointre wordt in juli toegelaten als apotheker. Hij krijgt toestemming om in het door hem gekochte huis in de Lange Kerkstraat nummer 42 twee fornuizen voor de apothekersaffaire op te stellen.

Vroedkundigen

In oktober 1794 blijkt dat de stadsvroedmeester J.A. van Nieuwenhuize ‘onlangs heeft kunnen goedvinden een soldaate vrouw, zijn hulp in assistentie in barensnood begerende, dezelve te weigeren, onder voorgeven dat zijn instructie niet inhield militaire vrouwen hierin te assisteren, niettegenstaande hij dit bij aanhoudende weigering door een der stadsboden uit naam van de regerende burgemeester aangezegd was te doen’. Het stadsbestuur neemt dit zeer hoog op en overweegt dat in de instructie niets te vinden is dat tot soortgelijke ongerijmde voorwendsels aanleiding kan geven. Het kan niet genoeg haar verontwaardiging over deze onredelijke handelwijze te kennen geven. Dit zal ook nimmer meer worden getolereerd. De vroedmeester ontvangt een rijkelijke beloning. Volgens zijn instructie moet hij iedereen, zelfs de armen Pro Deo, bedienen. Het stadsbestuur herinnert zich nog goed de aanleiding om hem als vroedmeester aan te stellen. Dit waren de menigvuldige klachten van de burgerij over de mishandelingen en diepe onkunde van de vroedvrouwen, waarvan destijds verscheidene voorbeelden zich voordeden. Hij krijgt een afschrift van de zienswijze van het stadsbestuur ter hand gesteld.

Begin november 1794 komt het stadsbestuur op deze onverkwikkelijke zaak terug. Het is overtuigd van de noodzakelijkheid om binnen de stad nòg een vroedvrouw te hebben. Besloten wordt in de gewone couranten een advertentie te plaatsen ‘dat iemand, de vereiste bekwaamheden daartoe hebbende en genegen zijnde om als zodanig hier te fungeren, op een jaarlijks traktement van £ 25 Vlaams naast enige emolumenten, zich aan een van de burgemeesters kan adresseren’. In december kan tot stadsvroedvrouw worden aangesteld Anna Maria Luther, nadat ze een proeve van haar capaciteiten heeft gegeven. Enkele maanden later verzoekt ze als stadsvroedvrouw beëdigd te worden. Het stadsbestuur staat dit toe, echter onder de bepaling dat zij zich zal hebben te reguleren naar de Instructie voor de stadsvroedvrouwen.

In januari 1795 neemt het stadsbestuur in overweging ‘dat sommige ingezetenen het kunnen goedvinden om hun vrouwen in barensnood door vroedmeesters of vroedvrouwen ten plattelande te laten assisteren of door personen aldaar woonachtig die slechts daar de naam van hebben zonder daartoe aangesteld te zijn, en dit tot merkelijk nadeel van de stadsvroedmeester en vroedvrouwen’. Besloten wordt, tot voorkoming van alle misbruiken, bij publicatie te verbieden dat geen personen, die niet als vroedmeesters of vroedvrouwen aangesteld zijn, uit het land binnen de stad worden toegelaten. Niettemin zal ieder de vrijheid hebben desgewenst vroedmeesters of vroedvrouwen, die als zodanig zijn toegelaten, van elders te gebruiken.

Het stadsbestuur besluit in september 1795 met ingang van 1 oktober het traktement en de toelage van turf voor de stadsvroedmeester Jan Albrecht van Nieuwenhuize in te trekken. De reden hiervoor is dat de stadsfinanciën niet toereikend zijn om dit langer te blijven betalen. Van Nieuwenhuize wordt ontslagen als Lector Artis Obstetri Candi. Hem wordt de vrijheid gelaten om zonder enig traktement de chirurgie en vroedkunde in de stad uit te oefenen. Niettemin krijgt hij een attestatie van goed gedrag gedurende zijn inwoning in de stad met loffelijke vermelding van zijn gedrag als chirurgijn en stadsvroedmeester gedurende deze tijd gehouden.

Enige leden van de burgerij verzoeken het stadsbestuur in april 1796 om Matthijs Mulder uit te nodigen om zich metterwoon binnen Goes te vestigen en hem, als hij dit wenst, toe te staan in de stad te praktiseren als doctor in de medicijnen en de vroedkunde en chirurgie uit te oefenen. Dit wordt afgewezen.

In mei 1796 worden opnieuw ernstige klachten geuit tegen de vroedmeester Van Nieuwenhuize. A. van den Thoorn, een van de vooraanstaande burgers in de stad, geeft te kennen dat hij de vroedmeester een en andermaal had geroepen om zijn vrouw te bedienen. Dit werd telkens geweigerd omdat Van den Thoorn eerst een ander persoon had aangesproken. De vroedmeester gaf te kennen dat hij komt als hij drie maanden van tevoren wordt aangesproken over de waarneming van de bediening als vroedmeester. Het stadsbestuur neemt dit ernstig op en besluit Van Nieuwenhuize op de eerste vergadering van het stadsbestuur hierover en over andere door hem bedreven onmenselijke handelwijzen, zoals in oktober 1794, te reprimenderen. Verder wordt besloten, tot voorkoming van ongelukken, om ten spoedigste een kundig en bekwaam vroedmeester te beroepen om als zodanig binnen de stad te fungeren. Wel behoudt vroedmeester Van Nieuwenhuizen de vrijheid om binnen de stad te blijven dienen als vroedmeester.

In september 1797 overlijdt de stadsvroedvrouw Johanna Korsel. Een zekere weduwe H.H. Konings meldt zich en verklaart genegen te zijn de vacante functie waar te nemen. Het stadsbestuur besluit daarop als tweede stadsvroedvrouw aan te stellen de weduwe H. Arends-Konings te Hulst op een jaarlijks traktement van honderd gulden. Ze is verplicht de van de armen bedeelde lieden als vroedvrouw om niet te bedienen. Ook moet ze in de armen- en godshuizen lavementen Pro Deo toedienen en dit om de drie maanden afwisselen met de oudste vroedvrouw.

De president deelt het stadsbestuur in december 1797 mee opgewacht te zijn door dokter J.W. Hecking. Deze gaf hem te kennen dat hij vanwege de hechtenis van de vroedmeester J.A. van Nieuwenhuyzen wel genegen is deze functie voorlopig waar te nemen. Het stadsbestuur besluit dokter Hecking toe te staan binnen de stad de vroedkunde uit te oefenen.

Eind december 1797 overlijdt de oudste vroedvrouw, de weduwe A. Vergouw. Besloten wordt de functie van stadsvroedvrouw vacant te verklaren op een jaarlijks traktement van honderd gulden.
Er komen verscheidene sollicitaties naar de functie van vroedkundige binnen. Zo verzoekt F.J. van den Eekhout om de vroedkunde binnen de stad uit te oefenen. Ook Elisabeth Lenge wil zich graag als vroedvrouw in de stad vestigen. Het blijkt echter dat haar gedrag alleszins berispelijk is geweest. Ook de chirurgijn en vroedmeester te ’s-Heer Arendskerke J. Blokker vraagt om als vroedmeester te worden toegelaten. Judy van Hekke, echtgenote van Andries van den Ende, verzoekt eveneens met de post van stadsvroedvrouw te worden begunstigd, evenals  de weduwe Liewe, vroedvrouw te Leiderdorp, en J.P. Kerstein-Willemsen, stadsvroedvrouw te Den Bosch. Zelfs de medicine doctor J.B. den Haan uit Utrecht heeft belangstelling voor de vacante vroedmeestersplaats. In februari volgt nog een sollicitatie van Jacob Henrikus Scheffers, medisch doctor, chirurgijn en vroedmeester te Cloosterzande. Hij verzoekt als medisch doctor in de stad te mogen praktiseren en als stadsvroedmeester te worden aangesteld op een jaarlijks traktement van 400 gulden.
Al deze brieven worden voor advies in handen gesteld van het Verenigd Committee.

In februari 1798 wordt de gewezen stadsvroedmeester J.A. van Nieuwenhuijsen ingevolge het vonnis van president en schepenen uit de stad verbannen en wordt zijn post vacant verklaard.
Het stadsbestuur besluit in de Haarlemsche en Middelburgsche Courant kennis te geven dat de begeving van het ambt van tweede stadsvroedvrouw alsnog geen plaats zal hebben.
Het stadsbestuur neigt er naar om dokter Scheffers uit Cloosterzande aan te stellen. Maar hierover maakt het college van geconstitueerden bezwaar evenals de beoefenaars van de geneeskunde in de stad. Het stadsbestuur betuigt ‘hoe ongaarne ze zou zien dat de burgerij over deze zaak zou worden opgeroepen om redenen deze vergadering niet gaarne verdeeldheden (die daaruit zouden kunnen geboren worden) in deze nu vreedzame stad zou zien ontstaan’. Besloten wordt bij de genomen beslissing te persisteren. Maar de stemgerechtigde vergadering, in massa opgeroepen in de Grote kerk op de 26e februari, delibereert over de aanstelling van Scheffers als stadsvroedmeester en chirurgijn. De vergadering roept het stadsbestuur op de benoeming te annuleren.

De aanstelling van een vroedkundige krijgt zelfs een dreigend karakter. In de vergadering van het stadsbestuur van de 5e maart 1798 verschijnt een Agent van het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek met een Frans officier. Hij vraagt wat gedaan is met de wil van het volk ten aanzien van het besluit om de heer Scheffers aan te stellen als stadsvroedmeester. De Agent verzoekt dit besluit onmiddellijk te annuleren. Het stadsbestuur gehoorzaamt hieraan en verklaart de functie weer vacant.

Niettemin besluit het stadsbestuur op de 31e maart tot stadsvroedmeester te benoemen de burger J.H. Scheffers. Tevens wordt hij toegelaten als medicine doctor en heelmeester.
Dokter Scheffers geeft te kennen dat hij met genoegen zijn aanstelling als vroedmeester heeft vernomen, maar vanwege het geringe traktement dat voor dit ambt is bepaald kan hij hier niet direct in treden. Hij verzoekt akkoord te gaan met twintig Zeeuwse rijksdaalders voor het  transport van zijn meubelen.
Als Scheffers niets van zich laat horen schrijft het stadsbestuur hem in juli aan om binnen acht dagen te antwoorden of hij al dan niet aan zijn beroep als vroedmeester zal voldoen. Anders zal deze post vacant worden verklaard. Scheffers verzoekt opnieuw enig uitstel in het aanvaarden van zijn post. Het stadsbestuur besluit daarop, gelet op de noodzakelijkheid om ten spoedigtste in deze nood te voorzien, Scheffers aan te schrijven dat in zijn verzoek niet kan worden getreden en dat het op hem uitgebrachte beroep zal worden gehouden als niet geschied.

In augustus 1798 schrijft het stadsbestuur de vroedmeester Ary Pot uit Nieuwerkerk aan den IJssel aan om, dunkt het hem goed, zich ten spoedigste herwaarts te begeven om met de leden van het stadsbestuur over het vroedmeesterambt te beraadslagen. Na examinatie van zijn bul en attesten en een brief van voorschrijving van de Municipaliteit van Nieuwerkerk aan den IJssel wordt besloten hem als vroedmeester aan te stellen op een jaarlijks traktement van 200 gulden en transport van zijn meubelen. De dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde worden gelast de nieuw aangestelde chirurgijn en vroedmeester Ary Pot die post rustig en vredig te laten uitoefenen zonder hem te noodzaken enige proeve te doen.
Vroedmeester Pot beklaagt zich in februari 1800 er over dat doctor Hecking zich verorlooft zonder toestemming zowel hier als elders de vroedkunde uit te oefenen. Het stadsbestuur besluit, tot voorkoming van verdere onheilen, dokter Hecking te verbieden om binnen de stad als vroedmeester en verloskundige op te treden.

Godshuizen

Het Verenigd Committee van onderzoek geeft in februari 1797 advies over het rekest van enige burgers. Zij dienden een verzoek in om geen godshuizen of publieke stichtingen binnen de stad enige vrijdom van ’s lands impositiën te verlenen of de al eerder verleende vrijstellingen te continueren dan alleen aan diegenen die kunnen bewijzen dat hun kleding of dekking in Nederland is gemaakt. Het stadsbestuur besluit overeenkomstig het advies van het Verenigd Commitee de directies van de godshuizen in de stad aan te schrijven. Deze worden gelast om zoveel in hun is te zorgen dat geen in het buitenland gemaakte stoffen tot kleding of dekking van de daarin gealimenteerden voor rekening van de godshuizen wordt aangekocht. Hiervoor moeten zoveel mogelijk binnenlands gemaakte stoffagiën worden gebruikt.
In maart 1798 bepaalt het stadsbestuur dat in de godshuizen alleen mogen werken zodanige personen die de tegenwoordige orde van zaken zijn toegedaan.

Gasthuis

In 1793 wordt tot regentesse van het gasthuis in de plaats van de overleden mejuffrouw Maria Step weduwe van Mattheus de Crane benoemd mejuffrouw Catharina van Groenenberg weduwe Zuidland. Eind 1794 wordt in de plaats van de overleden mejuffrouw C. Zuidland-van Groenenberg tot buitenregentesse van het gasthuis benoemd mevrouw Cornelia Catharina van Visvliet echtgenote van de heer Cornelis van Citters van Bruelis.
Tot buitenregent van het Gasthuis wordt in de plaats van de overleden mr. D.C. Keetlaar aangesteld de heer Z.D. van der Bilt van Cloetinge. In februari 1795 worden tot regenten van het gasthuis aangesteld Pieter Ossewaarde, Wilhelmus Christianus de Crane en Cornelis Dominicus en tot buitenregentessen Geertruid Boutens weduwe van Marinus Harinck, Adriana de Jongh echtgenote van Cornelis Mispelblom en Maria van Nakke echtgenote van Leendert Krekelenberg. In juli 1795 wordt in de plaats van W.C. de Crane tot regent van het gasthuis aangesteld dokter Dominicus Noël. De andere twee regenten, Pieter Ossewaarde en Cornelis Dominicus, worden verzocht in hun posten te continueren.

In 1796 bedanken de regentessen van het gasthuis, Geertrui Boutens weduwe Harinck, Maria Krekelenberg-Van Nakken en Adriana Mispelblom-De Jong voor hun functies. In hun plaats worden benoemd Catharina Johanna Stevening, Jacoba Josina Smijtegelt en Geertruida Mispelblom. Tot vierde regent van het Gasthuis wordt aangesteld de stadsbestuurder Henry  Rabinet. Het ontslag van de drie regentessen van het Gasthuis heeft nog een staartje. Na nadere overweging besluit het stadsbestuur het drietal te ontslaan van hun posten. Ze worden evenwel gelast om uiterlijk 6 maart aan de nieuw aangestelde regentessen over te leggen een behoorlijke staat en inventaris van alle goederen die ze ten tijde van hun ontslag in het Gasthuis hebben gelaten, zowel van consumptie als van bedde- en meubilaire goederen, ‘teneinde te bevorderen een nauwkerig onderzoek naar zodanige ongeoorloofde zaken als reeds ten dele zijn ontdekt in het huis, maar al te veel te hebben plaats gehad en welke niet weinig kenmerken de gevolgen van een gehouden directie’. De gewezen regentessen worden hoofdelijk verantwoordelijk gesteld voor de nakoming van deze resolutie.

In september 1796 worden tot bestuurders of regenten van het gasthuis mede aangesteld Willem de Wolf en de burgeresse Forra Boutens echtgenote van Jacobus de Jongh.
In mei 1798 verzoeken Forra Bouten en Josina Smytegelt ontslag uit hun posten als regentessen van het gasthuis en wel hoofdzakelijk vanwege de resolutie van het stadsbestuur waarbij zij o.a. worden gelast om een door hen gedeporteerde schoonmaakster werk in het huis te verschaffen. In hun plaats worden aangesteld Leijntje de Windt echtgenote van Marinus Gorsse en Cornelia Codde echtgenote van Cornelis van de Velde.

In november 1799 wijst de regent van het gasthuis, Lein Dijkwel, op extra-ordinaire uitgaven bij het gasthuis vanwege de enorme duurte van levensmiddelen en de onmogelijkheid om de daarin gealimenteerde personen nog langer voor slechts 30 à 33 stuivers per week te onderhouden. Tevens verzoekt hij dat het stadsbestuur een besluit neemt om alle interesten, die het gasthuis van de stad tegoed heeft, af te betalen tot zover die verlopen zijn.
Het stadsbestuur houdt het eerste punt aan. Het tweede punt wordt doorverwezen naar de stadsdirecteuren.

Weeshuis

Beheer weeshuis
In juli 1793 wordt tot buitenregentesse van het gecombineerde arm- en weeshuis aangesteld mejuffrouw C.M. de Stoppelaar-Van Vlisvliet in de plaats van mejuffrouw C. Groenenberg weduwe Zuidland, die haar ontslag heeft verzocht. In december 1794 geven de buitenregenten van het weeshuis te kennen dat door de aanstelling van mevrouw Cornelia Catharina van Visvliet echtgenote van de heer C. van Citters van Bruelis tot regentes van het Gasthuis een regentesseplaats in het weeshuis vacant is gekomen. Uit de overgelegde nominatie besluit het stadsbestuur te benoemen mevrouw Elisabeth Geertruda de Crane weduwe van burgemeester mr. Antoni Ossewaarde. Ook in december 1794 wordt in de plaats van de heer Z.D. van der Bilt van Cloetinge, die tot buitenregent van het Gasthuis is aangesteld, benoemd de heer M.C. van Dorth. In februari 1795 worden tot regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis verkoren Marinus Gorsse, Cornelis Mispelblom en Leendert Krekelenberg. In 1795 wordt tot buitenregentesse van het weeshuis aangesteld Adriana Booij echtgenote van Johannis Walraven.
Door het vertrek van Johanna Constantia van Visvliet echtgenote van ds. Johan de Stoppelaar komt er in juni 1795 een buitenregentesseplaats in het weeshuis vacant. Uit de door de regenten van het weeshuis opgestelde nominatie benoemt het stadsbestuur Johanna Joël weduwe Van den Thoorn. In september 1796 volgt Francois Breekpot Jan de Fouw als regent van het weeshuis op.

In juli 1796 komen Johan Vernet, president van de weeskamer, en Kornelis van Zoom, weesmeester, ter vergadering van het stadsbestuur. Ze geven kennis van de deplorabele toestand van de kas van de weeskamer. Het stadsbestuur besluit, zodra de toestand van de stadskas dit toelaat, enige penningen als lening te verstrekken.

Weeshuis en armenzorg
In april 1799 benoemt het stadsbestuur Cornelis van de Velde en Jan Soetebier om te assisteren bij de gewone driemaandelijkse collecte voor het gecombineerde arm- en weeshuis. Op voorstel van Jan Soetebier en Nicolaas Vervenne, diakenen van de gereformeerde Nederduitse gemeente, alsook op de brief van de regenten van het arm- en weeshuis besluit het stadsbestuur de regenten van het arm- en weeshuis en de diakenen van de gereformeerde Nederduitse gemeente toe te staan hen zo spoedig mogelijk een geschikt plan van schikking over de betaling van de nog onbetaalde alimentatiepenningen, die de diakenen aan de regenten van het arm- en weeshuis schuldig zijn, voor te leggen.
Daarop dienen de diakenen van de Nederduitse gereformeerde gemeente een rekest in. Het stadsbestuur besluit uit haar midden een commissie van twee leden te benoemen om samen met de armmeesters en de diakenen een geschikt plan van schikking over de alimentatie van de armen die tot de diaconie-armen behoren, op te stellen. In de commissie worden benoemd M. Gorsse en N. Vervenne.

In mei 1800 geeft het lid van het stadsbestuur, tevens mederegent van het weeshuis, Marinus Gorsse, ter lezing een brief van het college van diakenen van de gereformeerde Nederduitse gemeente, geadresseerd aan de buitenregenten van het arm- en weeshuis. De brief bevat de kennisgeving dat diakenen volstrekt onvermogend zijn de schulden van de door de diaconie bedeelden voor de in het weeshuis gealimenteerde armen te betalen. De diakenen stellen voor ‘dat zekere comparitie van 1798 tussen enkele leden van het stadsbestuur en die van de kerkenraad mocht voortgang hebben’. De diakenen willen in dat geval met toestemming van de kerkenraad zich in dat geval wel met de commissie uit het stadsbestuur in laten om zo mogelijk middelen tot betaling van de schuld te beramen.
Op de 5e december 1800 ontvangt het stadsbestuur een conventie, aangegaan tussen de regenten  van het gecombineerde arm- en weeshuis en de diaconie van de Nederduitse hervormde gemeente over de alimentatie van de wezen en de bedeling van de armen die tot de diaconie en het arm- en weeshuis behoren. Besloten wordt de conventie en het accoord goed te keuren.

Gang van zaken in het weeshuis
In februari 1793 geven de heren van de weeskamer het stadsbestuur te kennen dat ze door de voogden over de kinderen en ook van de buren van Pieter Zandijk zijn ingelicht ‘over de verregaande mishandeling die hij zijn nog weerloze kinderen veeltijds in dronkenschap aandoet’. De heren van de weeskamer hebben hem daarover vruchteloos onderhouden. ‘De mishandelingen gaan zo ver dat het te vrezen is dat daaruit ongelukken voor zijn onnozele kinderen staan geboren te worden’. Besloten wordt Zandijk gevangen te nemen en in bewaring te stellen tot de tijd dat zich een gepaste gelegenheid voordoet om hem op het een of ander schip in dienst te bezorgen.

De voormalige president van de weeskamer, dokter J.P. Ceré, weigert in augustus 1795 om de sleutels van de kas van de weeskamer aan de nieuw aangestelde president over te geven. Dit niettegenstaande alle papieren en efffecten die in de kast berusten behoorlijk in aanwezigheid van de leden van het College van Justitie zijn geinventariseerd. Hij krijgt opdracht terstond de sleutels over te geven aan de nieuwe president J. Vernet.

Op verzoek van de regenten van het weeshuis bepaalt het stadsbestuur in augustus 1795 dat het weeshuis, evenals het gasthuis, gebruik zal kunnen maken van de tarwe die door de kooplieden voor 40 schellingen per zak wordt geleverd, dit op grond van het accoord dat in de maand mei tussen de kooplieden en de Municipaliteit is gesloten.
Een deputatie uit de krijgsraad verzoekt in maart 1796 toe te staan ‘de weesjongens, die zich in de garde begeven, andere gezoomde hoeden te laten dragen, omdat hun puntige hoeden hinderlijk zijn bij het excerceren’. De weesmeesters krijgen opdracht dit door te voeren.
In december 1797 gelast het stadsbestuur de regenten van het gasthuis en weeshuis om voortaan geen personen te alimenteren of aan te nemen voor en aleer deze zich schriftelijk aan de raad zullen hebben geadresseerd en aan de regenten van het gasthuis toestemming is verleend.
De weesmeesters verzoeken in maart 1798 om een voorschot van £ 50 uit de stadskas in de hoge nood waarin de weeskamer zich thans bevindt. Hiermee gaat het stadsbestuur akkoord.
Het stadsbestuur schrijft de regenten van het weeshuis en de wijkmeesters in april 1800 aan dat het haar verlangen is dat met alle mogelijke oplettendheid wordt gezorgd dat geen behoeftige personen zich binnen de stad ophouden of vestigen.

Seclusie van de weeskamer
In januari 1797 verkrijgen Jan Hendrik Verschoor en zijn echtgenote Wernerina Spijker op hun verzoek seclusie van de weeskamer.
Het kan zijn dat dit de aanleiding is, maar enkele weken later verzoeken verscheidene burgers en ingezetenen het stadsbestuur om in een te nemen resolutie te verklaren ‘dat voortaan iedere burger en ingezetene van de stad en jurisdictie de vrijheid zal hebben om uit zijn boedel en nalatenschap te secluderen, hetzij bij testament of andere acte van uiterste wil, de weeskamer van de stad, zonder dat men voortaan verplicht zal zijn daarvoor zich te adresseren om een acte’. Het stadsbestuur beraadt zich ernstig over dit verzoek. Overwogen wordt dat bij het ontwerp van de Ordonnantie op de weeskamer in het jaar 1622 burgemeesters en schepenen ‘aan zich voorbehouden hebben de interpretatie daarvan so wanneer zulks van node mogt wezen en dat de Staten van Zeeland met die reserve deze Ordonnantie met haar approbatie hebben bekrachtigd en overzulks ook aan de tegenwoordige stadsraad de faculteit gelaten om deselve zodanig te veranderen als ze naar tijdsomstandigheden ten beste van haar stad en ingezetenen zouden mogen oordelen’.

Het stadsbestuur besluit over het 69e artikel van de Ordonnantie op de weeskamer te bepalen en vast te stellen dat voortaan iedere burger en ingezetene van de stad en jurisdictie de vrijheid heeft om uit zijn boedel en nalatenschap te secluderen de weeskamer van de stad, hetzij bij testament of andere acte van uiterste wil. Ook zal men de vrijheid hebben om bij testament of andere acte van uiterste wil te verbieden de overlegging of visie van enige staat van inventaris van zijn achtergelaten goederen. Vooraf zal men dan schriftelijk verzocht en bekomen moeten hebben een vergunning van het stadsbestuur. Een ieder die een zodanig octrooi verkrijgt zal voortaan gehouden zijn ten gunste van de weeskamer £ 1 Vlaams te betalen.

In maart 1797 verzoekt een groot aantal personen om seclusie van de weeskamer. Het gaat om de procureur F.H. Wagenaar en zijn echtgenote Adriana Snoep, Jan Soutendam en z’n vrouw Maria Leijs,  Johannes Rottier en z’n vrouw Anna Ingels, Tona van Zoom weduwe Van der Weele, Jan Nederveen en z’n vrouw, Willem den Boer en z’n vrouw, Jan de Fouw en z’n vrouw, K. van de Velde en z’n vrouw, de apotheker W. van der Hoek en z’n vrouw, de Franse kostschoolhouder Jaques Jenoteau en z’n vrouw Marie Anne Charlotte Edet, Jan Dominicus en z’n vrouw Cornelia Zeevaart, David Koning en z’n vrouw Cornelia Maria Gorsse, Jan Aegidius Stokmans en z’n vrouw Adriana Vervenne, Jan Boddingius en z’n vrouw Pieternella Oversluijs, Kornelis van Zoom en z’n vrouw Adriana Mol, Cornelis Dominicus en z’n vrouw Elisabeth Johanna Eversdijk, Adriaan Jacobus Zandijk, Frederik Zuidweg en z’n vrouw Catharina van Kleijnputte, Leendert Krekelenberg en z’n vrouw Maria van Nakken, Cornelis Dijkwel en z’n vrouw Aryaantje Kroon, F.C. Hubregtse en z’n vrouw Adriana Landschot, Pieter den Boer wonende in de keeten en z’n vrouw Cornelia Boddingius.
Ook in mei 1797 verzoeken vele burgers om seclusie van de weeskamer. In 1798 dienen Jacobus Dominicus en z’n echtgenote Geertruida Mispelblom, Jacob Kakebeeke en z’n echtgenote Krina Kornelia Peman en Bernardus Pieter van Kerkwijk en z’n echtgenote Catarina Digna Ossewaarde verzoeken in. In 1799 dienen Gijsbertus van der Hoek en Jacoba Jozina Smijtegelt een verzoek om seclusie van de weeskamer. In 1800 krijgen mr. J.G. de Witt Hamer en zijn echtgenote Susanna Maria van der Bilt, Johan Ludwig Langguth en zijn echtgenote Adriana van der Visse en Wilhelm van Citters en zijn echtgenote Maria Petronella Hogendorp seclusie van de weeskamer.

Oude manhuis

Eind april 1795 staat het oude manhuis aan de Zusterstraat door het vertrek van de militairen leeg. De stadsdirecteuren krijgen opdracht om daarvoor in overleg met de mede geinteresseerden de meest voordelige regeling voor de stad te treffen. Het stadsbestuur besluit in maart 1798 met de weduwe De Koning bij het doen van de rekening van het manhuis enige schikkingen te maken over haar salaris voor het in behoorlijke staat houden van het manhuis.

Armenzorg

Op de 9e augustus 1800 wordt de president van het stadsbestuur opgewacht door een commissie uit de kerkenraad en de diaconie van de Hervormde gemeente. De commissie gaf kennis van de vervallen staat van de financiën van de diaconie en van het hooggaande geldgebrek. Hierdoor zijn de diakenen buiten staat om na volgende week enige bedelingen aan gealimenteerden te doen. Ze verzoeken een regeling tot afwending van de te vrezen gevolgen hiervan, namelijk:

  • betaling van de interesten en aflegging van de capitalen ten laste van de stad aan de diaconie toebehorende ten bedrage van £ 350 Vaams;
  • vernietiging van het contract tussen regenten van het weeshuis en diakenen van 25 augustus 1769 over de alimentatie van de armen en dat daarin zodanige regeling wordt nageleefd als voor de sluiting van dat contract in acht werd genomen.

Het stadsbestuur besluit tot tegemoetkoming van de diakenen in verband met het tegenwoordige geldgebrek aan hen uit te betalen de interesten tot op heden verschenen op de obligaties die zij ten laste van de stad hebben. Verder wordt de nadere en schriftelijke voordracht van diakenen omtrent het verzoek om vernietiging van het contract met de regenten van het weeshuis afgewacht.

Op de 27e september 1800 delibereert het stadsbestuur over een missive van het Departementaal bestuur van Schelde en Maas. In deze brief worden alle gemeentebesturen aangeschreven:

  • om binnen de kortst mogelijke tijd een opgave in te sturen van de staat van het armwezen in hun gemeente, voorzover dit door hen of van hunnentwege en niet kerkelijk wordt geadministreerd, en mitsdien van het getal van de bedeelden en het montant van de bedelingen in geld, voedsel, kleding als anderszins, alles volgens de laatst gesloten rekening, mitsgaders van de staat van de fondsen en bezittingen, uitmakende de eigendom van het gemeentelijke armwezen alsmede van de opbrengst van de gelden welke uit andere bronnen afkomstig tot onderhoud van hun gezamenlijke armen dienen, en eindelijk van de staat van de gestichten en etablissementen tot hun gemeentelijk armwezen behorende, met de inkomsten en uitgaven daarvan;
  • om van alle kerkgenootschappen binnen hun gemeente op een legale wijze af te vragen of deze zich in staat en bereidwillig bevinden om hun behoeftige leden zelf te onderhouden, van aan het algemeen armbestuur te bewijzen dat hun fondsen tot dat onderhoud toereikend zijn, dan wel of deze bij gebrek aan genoegzame middelen niet in staat zijn of om andere oorzaken niet verkiezen hun behoeftige leden te onderhouden en mitsdien zich verplicht zien om hun armen als ‘kinderen van den staat’ over te geven en dit met afstand van alle fondsen, door giften, erfmakingen, inzamelingen, aankoop of onder welke andere titel ook verkregen, met autorisatie op de gemeentebesturen om de respectieve kerkgenootschappen speciaal te  injungeren op deze aanvraag binnen de tijd van twee maanden, te rekenen vanaf de aanschrijving peremptoir te berichten;
  • om, zolang er nog geen uitsluitsel is van het Uitvoerend Bewind, voort te gaan met de administratie en directie van hun gemeentelijk armbestuur, met verdere injunctie om ook de respectieve kerkgenootschappen onder hun ressort te gelasten om insgelijks met de administratie en directie van hun armwezen op dezelfde voet als tot hiertoe gebruikelijk is, te continueren.

Het stadsbestuur besluit dat:

  • op het eerste lid van de resolutie aan het Departementaal bestuur zal worden bericht dat, ofschoon de goederen en fondsen van het gecombineerde arm- en weeshuis onder het oppertoezicht van dit bestuur worden geadministreerd, dit echter alleen is bij continuatie, als een gevolg van de daarover door de vorige regering van de stad geoefende superdirectie en zonder dat dezelve daarom als fondsen gedestineerd tot onderhoud van gemeentelijke armen kunnen worden aangemerkt, dewijl sedert immemoriabele tijden daaruit alleen de armen, tot het Gereformeerde en Lutherse kerkgenootschap behorende,  zijn bedeeld en gealimenteerd en dat daarom in dit opzicht de resolutie op deze gemeente niet van toepassing is;
  • wat betreft het 2e en 3e punt van de resolutie, deze te brengen ter kennis van de onderscheidene kerkgenootschappen en deze daarbij aan te schrijven en voor zoveel nood te bevelen om aan de inhoud daarvan punctelijk en binnen de voorgeschreven tijd te voldoen.

Lijkdienaars

In november 1796 worden de lijkdienaars gelast voortaan binnen de stad of jurisdictie, bij gelegenheid van lijkdiensten of het doen van bekendmakingen van overledenen, het lezen van begraaflijsten of anderszins, niet te promineren enige voorheen  gebruikelijke eretitels hoegenaamd, maar enkel de namen van de te noemen personen met bijvoeging van burger of burgeres. De lijkdienaars krijgen bericht om alle eretitels weg te laten bij het doen van hun diensten.

Weduwen- en wezenbeurs

Sinds 1751 fungeert er een weduwen- en wezenbeurs in de stad. Het Reglement voor de beurs werd in 1773 opnieuw vastgesteld. In mei 1796 is er sprake van een deplorabele toestand van de beurs. Daarom besluit het stadsbestuur de vanouds geldende garantie van de stad voort te zetten. Tot directeur van de beurs wordt in de plaats van Willem Egter aangesteld Cornelis Mispelblom.