Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1801 - 1806)

Op de 23e januari 1802 neemt het Stadsbestuur kennis van een brief van de Eerste Commissaris voor de Fransche Divisie in het Bataafse Gemenebest, geschreven in Den Haag op de 14e januari. Daarbij is een exemplaar van het tussen het Bataafsche en Fransche Gemenebest overeen gekomen Reglement voor de Administratie der Fransche Axillaire Divisie gevoegd om daarvan het nodige gebruik te maken.

Het Departementaal Bestuur van Schelde en Maas stuurt op de 31e maart 1802 een publicatie waarbij ter kennis ‘van den volke’ wordt gebracht dat de definitieve Vrede op de 27e maart tussen de gevolmachtigde minister op het Congres te Amiens is getekend. De president van het Stadsbestuur geeft dadelijk de nodige orders om de afkondiging van de publicatie met zodanige plechtigheden vergezeld te doen gaan als hem het meest gepast lijkt.
De vlag wordt op de stadhuistoren geplaatst. Er worden enige salvo’s met het kanon gegeven. De klok wordt om een uur geluid; dit wordt op de middag en tegen de avond herhaald. Na het voorlezen van de publicatie worden door de gewapende burgermacht op de Grote Markt drie salvo’s uit het klein geweer gedaan.

Op de 14e mei 1802 komt een kennisgeving van de uitwisseling van de ratificaties van het op de 27e maart te Amiens gesloten Traktaat. Verder wordt bepaald dat op woensdag de 2e juni door alle godsdienstige gezindheden des voormiddags van tien tot elf uur een plechtig dankuur voor het herstel van de algemene vrede zal worden gehouden. Op de avond van die dag zullen enige gebouwen in de stad worden geïllumineerd. De klokken zullen worden bespeeld of geluid en de  vlaggen van de toren en publieke gebouwen uitgestoken. In de garnizoenplaatsen wordt een grote parade gehouden en overal waar dat kan driemaal een salvo van 21 schoten gegeven.
Het Stadsbestuur besluit de Proclamatie terstond te publiceren en een exemplaar daarvan toe te zenden aan de kerkenraden van de Hervormde gemeente en van de Waalse gemeente en aan de pastoor en kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente met het verzoek om aan de afkondiging te voldoen. De stadsdirecteuren worden verzocht schikkingen te maken voor het illumineren van het Stadhuis en te zorgen dat de vlag op de stadhuistoren geplaatst en de klok geluid wordt. De leden van het Stadsbestuur en van het College van Justitie en hun secretarissen en griffiers, alsook de officieren van de gewapende burgermacht en nog een aantal notabele burgers worden ‘s avonds op het Stadhuis uitgenodigd ‘om enige verversingen te gebruiken’.
Op deze dag zullen des voormiddags van 9 tot 12 uur alle ambachten en handwerken stil staan. Een ieder zal mogen afschieten voetzoekers of andere vuurwerken, doch alleen op de markten en de Grote Kaay en niet langer dan tot 12 uur ‘s nachts, terwijl met geen schietgeweer zal mogen worden geschoten.

Op de 30e maart 1805 neemt het stadsbestuur kennis van een publicatie van het Staatsbewind met een ontwerp van een Staatsregeling voor het Bataafse volk. Daarbij wordt voorgesteld om tot eerste Raadpensionaris te benoemen Rutger Jan Schimmelpenninck ‘met macht en bevoegdheid om de alzo aangenomen staatsregeling in werking te brengen, mitsgaders om de eerste benoeming van de leden van H.H. mogenden te doen’.
De stadssecretaris rapporteert op de 20e april 1805 dat het stemregister over het ontwerp voor de nieuwe Staatsregeling, mitsgaders de benoeming van Rutger Jan Schimmelpenninck tot eerste Raadpensionaris, ter secretarie van de stad ter inzage heeft gelegen. Niet meer dan één stemgerechtigde burger heeft daarop zijn stem uitgebracht. Tevens deelt hij mee dat het aantal stembevoegden volgens de gedane telling 288 bedraagt. Hiervan wordt et Staatsbewind kennis gegeven.

De nieuwe Staatsregeling wordt met een grote meerderheid aanvaard en Rutger Jan Schimmelpenninck benoemd tot eerste Raadpensionaris. Hij treedt op de 29e april in functie. Tot algemene Secretaris van Staat wordt benoemd en aangesteld mr. C.G. Hultman.
Het stadsbestuur delibereert over de wenselijkheid om de nieuwe Raadpensionaris Schimmelpenninck te gaan ‘complimenteren’. Raadslid mr. Cornelis Dominicus wordt afgevaardigd ‘om, na verkregen audiëntie bij de Raadpensionaris, dien Heer op de meest gepaste wijze geluk te wenschen met de Hooge Charge waarin Zijn Edele geplaatst geworden is en de wenschen van deze Raad te uiten dat hoogst deszelfs handelingen door ’s Hemels Zegeningen gekroond, steeds strekken mogen tot nut van het Vaderland, met eerbiedig vertrouwen dat ook de ingezetenen van deze stad en eiland zullen delen in de vruchten van hoogstdeszelfs vaderlijk bewind en daartoe hunne belangen op het duurste aan Zijne Excellentie te recommanderen’. Het stadsbestuur verzoekt de heer Dominicus bij de eerste geschikte gelegenheid dit bezoek wel te willen afleggen.

Dominicus rapporteert op de 28e mei dat hij de 24e audiëntie heeft gekregen en de Raadpensionaris heeft gecomplimenteerd, ‘tgeen door denzelven op een zeer gratieuse wijze wierd beantwoord. Hij verklaarde onder andere zijn genoegen en gevoeligheid over de attentie en sentimenten van de Raad. Het zoude hem altoos hoogst aangenaam wezen de belangen der stad Goes en hare ingezetenen bevorderlijk te zijn’.
Hij heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om Zijne Excellentie het grote belang van de stad, vooral de zaak van de nieuwe haven, onder het oog te brengen. Hij schrijft: ‘Ik heb het groot belang der stad onder het oog gebragt, de zaak namelijk van de nieuwe haven, waarvan reeds sedert zo lang en zovele plannen waren geformeerd die men egter telkens weder op de lange baan heeft weten te schuiven en tgeen eindelijk eens op een totale ruïne voor de stad en verarming harer ingezetenen moeste uitlopen’.
Raadpensionaris Schimmelpenninck verzocht hem ‘dat de Raad bij wijze van brief hem van de ganse toedracht dier zaak wilde informeren, dat hij er dan met de Secretaris van Staat voor het Departement van Binnenlandse zaken, Van Stralen, over zou spreken en alzo trachten deze zaak ten genoegen van de raad te termineren’. Het Stadsbestuur besluit een brief te ontwerpen aan Zijne Excellentie over de problematiek van de haven.

Op de 19e april 1806 komt er een aanschrijving om de nodige orders te stellen ‘dat zeker Libel, ten opschrift voerende ‘Oproeping aan het Bataafsche volk etc.’, alomme bij de boekverkopers worde opgehaald en om wijders de nodige voorzieningen te doen dat het zelve Libel niet herdrukt, gedistribueerd of gedebiteerd worde’.


En dan, op de 14e juni 1806, ontvangt het Stadsbestuur een aankondiging van de Gedeputeerde Leden van het Departementaal Bestuur van Zeeland. Daarbij is gevoegd een Proclamatie van Louis Napoleon, Koning van Holland, met de kennisgeving van de aanneming van de Koninklijke Waardigheid. Daarbij is bepaald dat alle geconstitueerde autoriteiten, hoegenaamd, zullen voortgaan hun functies waar te nemen tot nadere voorziening. Verder wordt bekendheid gegeven aan de constitutionele wetten van de Staat en het op de 23e mei 1806 te Parijs gesloten Traktaat. Er wordt ook een voorgeschreven formulier toegezonden dat in de kerken van de onderscheidene gezindheden voor de Soeverein van het Land zal worden gebeden. Dit wordt aan de predikanten en pastoor toegezonden.

De president van het Stadsbestuur, Van de Spiegel, legt de vergadering op de 5e juli 1806 voor ‘of het niet voegzaam zou zijn dat Zijne Majesteit de Koning van Holland ook vanwege deze stad bij gelegenheid van zijn komst tot de Troon werde gecomplimenteerd’. Het Stadsbestuur delibereert over de wijze waarop dit kan worden uitgevoerd. Besloten wordt dat, evenals dit in het afgelopen jaar ten aanzien van de Raadpensionaris plaats vond, raadslid de heer mr. Cornelis Dominicus (die zich in de nabijheid van de Residentie bevindt) te verzoeken de complimenten van felicitatie bij Zijne en Hare Koninklijke Majesteiten, uit naam van de Raad en Rechtbank van de stad Goes, te willen afleggen. De wijze van voldoening aan deze opdracht zal volkomen aan de prudentie van Dominicus worden overgelaten. Hij wordt verzocht vooraf te onderzoeken of deze commissie gevoeglijk en op een voldoende wijze door één lid kan worden waargenomen.
Uit het antwoord van Dominicus blijkt dat het naar zijn oordeel ‘meer met de welvoeglijkheid zou instemmen en waarschijnlijk aangenamer zal zijn wanneer een commissie van drie leden naar Den Haag tot het complimenteren van hunne Majesteiten worde gedeputeerd’. In overleg met de Rechtbank van de stad besluit het Stadsbestuur af te vaardigen de heren mr. C. Dominicus, lid van de raad, L.J. van de Spiegel, lid van de raad en secretaris van de Rechtbank, en P.A. Ossewaarde, secretaris van de raad. Ze moeten zich, zodra doenlijk, begeven naar den Haag ‘om Hunne Majesteiten geluk te wensen en die felicitaties vergezeld te doen gaan van zodanige betuigingen van eerbied en verknochtheid als geoordeeld kunnen worden welgevoegelijk en Hunne Majesteiten aangenaam te zijn’.
Op de 26e juli 1806 doet de commissie verslag van haar reis naar Den Haag. Ze hebben zich de 12e juli naar Den Haag begeven en getracht bij Hunne Koninklijke Majesteiten te worden toegelaten voor het afleggen van hun commissie. Ze zijn hierin verhinderd geworden door het onverwachtse vertrek van Hunne Majesteiten, waardoor alle audiënties voor zes weken zijn uitgesteld. Ze hebben daarom hun opdracht tot nu toe niet kunnen volbrengen. Het stadsbestuur machtigt hen om, zodra ze oordelen dat de reis met succes herhaald kan worden, zich opnieuw naar Den Haag te begeven.

In oktober 1806 doet Koning Lodewijk Napoleon een ernstige oproep om rekruten aan te werven voor ’s Lands Armee. De Koning verklaart niet de intentie te hebben om een geforceerde krijgsdienst in te voeren. Integendeel, hij wil alle middelen aangewend hebben die strekken kunnen om een gedwongen lichting van manschappen, die in zoveel rijken en staten plaatsvindt, te vervangen. Het Stadsbestuur wordt daarom opnieuw en met de meeste ernst aangeschreven om die middelen op alle mogelijke wijzen te helpen ondersteunen.