Aanvulling? Meld het hier.
<<

Franse troepen in de stad (1801 - 1806)

De kwartiermeester-generaal Gradman gelast in juni 1802 de huur van alle lokalen, die tot kazernes voor de troepen hebben gediend, op te zeggen en deze gebouwen te ontslaan van alle schulden. Hij doet de toezegging dat de schulden van tijd tot tijd zullen worden voldaan.
De kwartiermeester legt verder een memorie over van de schulden die nog onbetaald zijn tot een bedrag van £ 5012.8.12.
Het Stadsbestuur besluit ten spoedigste en op de meest dringende wijze op de afbetaling van de schulden aan te dringen. Namens de vergadering zal de secretaris zich tot de kwartiermeester-generaal wenden.
Vanwege het opheffen van de kazernes wordt de kazernemeester J.L. Langguth in augustus 1802 van zijn post ontslagen.

Maar terwijl de Nederlandse regering met de Franse ambassadeur nog onderhandelt over troepenreducties op het Bataafse grondgebied, stromen horden Franse soldaten het land binnen. Eenheden onder generaal Monnet bezetten het eiland Walcheren. Ook andere strategisch gelegen gebieden moeten Franse garnizoenen binnen hun muren dulden.

Op de 6e augustus 1803 arriveren Franse troepen in de stad. De kwartiermeester-generaal Gradman brengt ter kennis van het Stadsbestuur dat hij zich naar Goes heeft begeven voor het regelen van de kwartieren voor drie bataljons troepen en honderd man cavalerie.
Met de kwartiermeester arriveert ook een adjudant van de generale staf uit Den Haag om op de plaatsing van de troepen toezicht te houden.
De kwartiermeester en adjudant hebben zich in de vroege morgen van de 6e augustus naar het eiland begeven om schikkingen voor de kantonnering van een gedeelte van de troepen in en om de dorpen van het eiland te maken. Echter, een groot gedeelte van de troepen zal binnen de stad Goes garnizoen blijven houden. Daarover zullen enige voorzieningen plaats moeten hebben.

Er zijn intussen orders gegeven tot het innemen en in orde brengen van kazernes, althans voorzover dat mogelijk is. Het grootste gedeelte van de troepen zal bij de burgerij moeten worden ondergebracht. Verder moet voor ruimte voor logies voor de militaire staf worden gezorgd. Het Stadsbestuur besluit de troepen, die niet in kazernes kunnen worden ondergebracht, onder te brengen bij de burgerij. De nodige biljetten hiervoor worden staande de vergadering in gereedheid gebracht. De stadsdirecteuren zullen nader met de adjudant overleggen over het logement voor de staf. Hiervoor denkt het Stadsbestuur aan het gebouw van de voormalige schutterij van de Edele Busse aan de Wijngaardstraat, mits daarover overeenstemming kan worden bereikt over de inrichting en meubilering.

Op de 8e augustus 1803 wordt met de bakkers een overeenkomst gesloten over de levering van brood voor de troepen. Pieter Engelse wordt tot keurmeester van het brood aangesteld. De leden van het Stadsbestuur Slabber en Stokmans zullen fungeren als commissarissen voor de inspectie van de levensmiddelen voor de troepen. Deze dag besluit het Stadsbestuur ook tot het in gebruik stellen van het gebouw van de voormalige schutterij van de Handboog om meer troepen te kunnen onderbrengen. Het gebouw van de schutterij zal worden gehuurd zolang dit nodig zal zijn. Na afloop van het gebruik zal het gebouw weer worden opgeleverd in dezelfde staat als waarin het zich nu bevindt.

De chef van de 104e brigade Franse troepen wordt ondergebracht in het huis aan de Kleine Kade nummer 47 van mr. Willem Canisius. Hem wordt verzocht, behalve een kamer voor logement, een behoorlijke kamer voor het houden van bureau voor de chef in te ruimen.
Namens het Stadsbestuur gaan de raadsleden Slabber, Van Erlach la Motthe en de secretaris de 11e augustus op audiëntie bij de chef de brigade in zijn hoedanigheid van huidige commandant van de stad. Ze zullen hem complimenteren, het belang van de stad aanbevelen en de geneigdheid van de stedelijke raad betuigen om ten beste van de troepen en burgerij aan alle billijke belangen van hen zoveel mogelijk te beantwoorden.

Ook schrijft de stedelijke raad de kwartiermeester-generaal Gradman aan. De brief vermeldt onder meer: ‘Het aantal Franse troepen alhier is reeds zo groot, dat in vele huizen vier man moet worden gelogeerd zonder dat nog iets van de cavallerie, die verwacht wordt, is geplaatst, terwijl eerstdaags nog enige Hollandse bataljons worden gewacht voor het eiland’. Met de meeste nadruk wordt verzocht om alle mogelijke schikkingen te willen maken dat tenminste nog enige fournituren naar hier worden gezonden ‘om de berging door het casernement voor een gedeelte te kunnen soulageren’. Generaal Gradman stuurt vanuit Middelburg een antwoord over de fournituren. Deze kunnen niet vanuit Middelburg worden gezonden, maar behoren te Goes te worden aangeschaft. Tevens verzoekt hij de aannemer van de brandstof en het licht voor de wachten aan te schrijven om daarin te voorzien.

Op de 13e augustus 1803 arriveert generaal-majoor Bruce, die het commando over het eiland op zich heeft genomen. De president gaat met enkele leden van het Stadsbestuur bij de generaal op bezoek om hem te complimenteren en de belangen van de stad en het eiland aan te bevelen.

De stedelijke raad maakt zich grote zorgen over de grote last van de inkwartiering voor de burgerij in het algemeen en de last van de onderscheidene rekwisities en vorderingen voor de stadsfinanciën in het bijzonder. Besloten wordt een commissie uit de raad, bestaande uit de leden Slabber en Van de Spiegel, in te stellen om zich naar Middelburg te begeven. Daar moet de commissie bij de kwartiermeester-generaal, het Departementaal Bestuur en waar het verder effect kan hebben ernstige verzoeken doen dat voorzieningen getroffen of opheldering gegeven worden op de volgende punten:

  1. wat betreft de kazernering, dat langs alle mogelijke middelen het aanschaffen van lokalen en het verzorgen van fournituren bevorderd en de last van de inkwartiering verlicht moge worden;
  2. wat betreft de soldij van de troepen, dat alle onzekerheid daaromtrent ophouden en deze richtig voldaan worde;
  3. wat betreft de vorderingen voor hospitalen, dat alles deswegens voor ’s lands rekening genomen worde;
  4. wat betreft de vordering van wagens, dat de uitschotten deswegens directelijk voor rekening van den lande mogen geschieden;
  5. wat betreft het gerekwireerde voor een bureau voor de stedelijke commandant, of daaraan al of niet behoort te worden voldaan en op wiens kosten.

Op de 16e augustus 1803 ontvangt het Stadsbestuur een brief van generaal-majoor Bruce met het verzoek om de sleutels van de stadspoorten onder hem te laten berusten. De sleutels worden dadelijk aan de generaal ter hand gesteld.
Op deze zelfde dag komt er ook een brief van de chef de bataillon, Gautier. Hij geeft kennis dat hem door generaal-majoor Bruce het commando over de stad is opgedragen. Hij verzoekt de wachthuizen aan de poorten in orde te brengen en aan de burgerij kennis te geven dat de poorten ‘s avonds om tien uur gesloten worden en daarna niemand zonder zijn order zal worden in- en uitgelaten. Ook verzoekt hij om een plaats voor het houden van zijn bureau aan de Grote Markt en de nodige schrijfbehoeften daarvoor.
Het Stadsbestuur geeft de stadsdirecteuren opdracht te verzoeken tot het doen inruimen van de corps de gardes aan de stadspoorten en door de stadsomroeper aan de burgerij bekend te maken dat de poorten om tien uur gesloten zullen worden en dat voor het passeren na die tijd een order van de stedelijke commandant nodig zal zijn. Over het bureau voor de commandant zal nader worden beslist.

De volgende dag, de 17e augustus, komt generaal-majoor Bruce, vergezeld van de officieren van zijn staf, ter vergadering van het Stadsbestuur. Hij complimenteert de stedelijke raad en betuigt dat het hem aangenaam zal zijn alles wat in zijn vermogen is ten beste van de stad en het eiland aan te wenden. Dit wordt door de president in gepaste termen beantwoord. Daarna is de generaal weer uit de vergadering vertrokken.

Enkele dagen later, op de 20e augustus, doen de afgevaardigden Slabber en Van de Spiegel verslag van hun bezoek aan Middelburg. Ze hebben daar met leden van het Departementaal Bestuur en de kwartiermeester-generaal Gradman gesproken over geschikte middelen om de last van de troepen te verlichten en over andere zaken die de verzorging van de troepen betreffen. Ze hebben op sommige punten bepaalde resultaten weten te bereiken. Deze komen neer op het volgende:

  1. wat betreft vermindering van troepen, dit hangt van generaal Monnet af; de raad zal daarnaar worden verwezen;
  2. wat betreft de fournituren, dat er, thans geen meer in de magazijnen van het departement voorhanden zijn; er is echter een goede voorraad besteed en deze zal ten spoedigste worden afgemaakt; ook voor Goes zal worden zorg gedragen;
  3. wat betreft het oprichten van lokalen, dat de kazerneringkas alleen geschikt is voor het huren van gebouwen en dat mitsdien het stichten van houten kazernes of loodsen direct voor rekening van de Republiek behoort te geschieden en dat alzo daaromtrent aan het Departement van Oorlog een verzoek moet worden gedaan;
  4. wat betreft de huizen, die geschikt zijn hospitalen, behoort een gangbare huur te worden betaald;
  5. wat betreft de vordering van wagens en dergelijke, dat met alle menagement aan de vorderingen daartoe behoort te worden voldaan;
  6. wat betreft de vivres (levensmiddelen), dat op de leverantie daarvan soigneuselijk behoort gelet en keurmeesters ingeval van kwesties behoren geëmploieerd te worden;
  7. wat betreft de vordering van een plaats voor een bureau voor de commandant, dat daarin geweigerd kan worden, vermits deze tot die vordering geen recht heeft;
  8. wat betreft het aanleggen van kookhuizen of het houden van chambres door de soldaten, dat naar het voorbeeld van de inrichtingen daartoe in Middelburg gemaakt, het voor de burgerij zeer veel gemak zou toebrengen wanneer dat alhier mogelijk geschiede, zullende de ketels en brand daartoe van ‘s landswege worden verstrekt, terwijl buiten de geschikte lokalen dan ook voor eigen groente door de stad zou moeten worden gezorgd;
  9. wat betreft het benodigde voor de generaal, mitsgaders de brand en het licht in zijn logement, dat aangeraden wordt daaromtrent convenabele schikkingen tot genoegen te maken.

De stedelijke raad besluit genoegen te nemen met het overeengekomene en de heren Slabber en Van de Spiegel te bedanken voor hun moeite. Verder wordt besloten:

  • het Departement van Oorlog van het Staatsbewind de grote last van de troepen alhier voor te dragen en te verzoeken dat tot logement van de troepen voor ’s lands rekening houten kazernes mogen worden gebouwd. Het lid van de raad, C. Dominicus, die eerstdaags naar Den Haag zal vertrekken, wordt verzocht zich te vervoegen bij de Secretaris van Staat om dit verzoek op de krachtigste wijze te bepleiten;
  • aan het bestuur van gezondheid voor de Bataafse Armee wordt kennis gegeven van het inrichten van een ambulant hospitaal in een stadshuis in de stad en te verzoeken dat daarvoor huur moge betaald worden;
  • de stadsdirecteuren worden verzocht en gemachtigd in het stadshuis in de Wijngaardstraat en de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt schikkingen te maken voor het daar aanleggen van kookhuizen voor de troepen en voor dat doel ketels uit Middelburg te ontbieden en het verder nodige voor stadsrekening aan te schaffen en ook groente als gratificatie aan de troepen in deze kookhuizen te doen geven;
  • de verzorging van brand en licht en al het nodige ten dienste van generaal Bruce voor stadsrekening te nemen.

Na overleg met de kwartiermeester wordt in augustus 1803 de huur van de onderscheidene kazernes op de volgende wijze vastgesteld: voor het Oude Manhuis ƒ 50; voor het gebouw van de voormalige Latijnse school ƒ 25; voor de Franse kerk ƒ 20; voor het gebouw van de voormalige schutterij van de Handboog ƒ 20; voor het huis in de Wijngaardstraat ƒ 5, samen per maand ƒ 120.

Tot wering van misbruiken en onevenredigheid bij de inkwartiering besluit het Stadsbestuur op de 24e augustus 1803 bij Publicatie te verbieden het geven van geld aan militairen om deze uit te kopen om andere biljetten te vragen. Een ieder is verplicht bij het vertrek van de militairen, die bij hem gelogeerd zijn, de volgende dag daarvan aan de commissie van inkwartiering kennis te geven. Verder stelt het Stadsbestuur een commissie van inkwartiering in. Deze zal dagelijks van 9 tot 10 uur zitting houden om al wat daartoe behoort te verrichten, de inkomende klachten aan te horen en op alles op de best mogelijke wijze orde te stellen. De commissie zal door twee leden uit de stedelijke raad, bij toerbeurt ieder gedurende een week, worden waargenomen.
Ook wordt op deze dag het nader verzoek van de Franse commandant Gautier besloten voor het door hem te houden bureau aan te wijzen een kamer ‘in het logement van Rotterdam op de Grote Markt’.

Generaal Monnet, commandant van de troepen in Zeeland, bezoekt op de 26e augustus 1803 de stad. Hij wordt door alle leden van de raad gecomplimenteerd en de belangen van de stad worden hem aanbevolen.

Eind augustus 1803 besluit het Stadsbestuur het Departement van Oorlog van het Staatsbewind te verzoeken dat voor het logement van de troepen voor ’s lands rekening houten kazernes mogen worden gebouwd. Het lid van de raad, mr. C. Dominicus, die eerstdaags naar Den Haag staat te vertrekken, zal bij de Secretaris van Staat dit verzoek op de krachtigste wijze bepleiten. Op de 10e september rapporteert Dominicus dat hem uit de met de Secretaris van Oorlog gehouden conferentie gebleken is dat er bedenkingen zijn tegen het oprichten van houten kazernes. Besloten wordt verder geen pogingen hiervoor te doen.

De inkwartiering van de Franse troepen blijkt een zeer zware last voor de stad te zijn. Het Stadsbestuur beraadslaagt op de 3e september 1803 hoe de lasten voor de ingezetenen kunnen worden verlicht. Een commissie, bestaande uit de heren Ossewaarde, Slabber en Van de Spiegel, krijgt de opdracht om representatiën aan generaal Bruce te doen en er op aan te dringen om een gedeelte van de troepen, die thans in garnizoen in de stad liggen, naar de dorpen te detacheren.

Op de 8e oktober 1803 besluit het Stadsbestuur de leden Van Erlach la Motthe en Slabber met de secretaris af te vaardigen om bij de Chef van de thans in de stad in garnizoen liggende 41e brigade Franse troepen alle pogingen te doen om door het detacheren van enige compagnieën buiten de stad de last van de inkwartiering in de stad te verlichten.
Deze zelfde dag wordt, op verzoek van de commanderende officier van de hier in garnizoen liggende cavalerie, besloten de stadsdirecteuren te machtigen om de nodige reparaties aan de stallen, die in gebruik zijn voor de cavaleriepaarden, uit te laten voeren.

Uit een ingekomen stuk van de 26e oktober 1803, ondertekend door A. Swilders, blijkt het volgende over het vervoer van stafleden van bataljons uit de stad naar Middelburg: ‘Dewijl op order van generaal Monnet op 27 oktober de staf van de zesde halve brigade alsook de staf en het derde bataljon van genoemde zesde halve brigade benevens de staf en het vierde eskadron van het eerste regiment cavalerie zich van hier moet begeven naar Middelburg, heb ik het genoegen ulieden hiervan te preveniëren en te verzoeken een vaartuig of schip te verzorgen en hetzelve nog hedenmiddag aan mij te willen opgeven, alsmede te zorgen dat er zeven wagens op morgen klaar zijn, waarvan vier op de Grote Markt en drie op de Beestenmarkt om vier uur ‘s morgens moeten staan tot transportering van bagage’.

Het Stadsbestuur beraadslaagt op de 29e oktober 1803 opnieuw over middelen tot verlichting van de last van de inkwartiering voor de ingezetenen. Besloten wordt dat 165 complete fournituren zullen worden gehuurd. De gelegenheid biedt zich namelijk thans aan deze tegen twee schellingen per fourniture in de week, voor de tijd van vijf maanden, te huren. Verder zullen alle mogelijke schikkingen voor de aanschaf van kazernes en desnoods voor het huren en appropriëren van lokalen voor dat doel worden gemaakt. De kosten zullen worden gedekt uit een wekelijkse contributie die in de vorm van een quotisatie van de burgerij zal worden gevorderd.

Deze zelfde dag, de 29e oktober, neemt generaal-majoor Crass het commando over de troepen in de stad op zich. Er wordt een commissie, bestaande uit president Ossewaarde en de leden Slabber en Van de Spiegel, afgevaardigd om de nieuwe generaal te bezoeken om hem te complimenteren en de belangen van de stad aan te bevelen.

Er wordt gezocht naar een geschikt logement voor generaal Crass. Cornelis van Citters van Bruelis heeft herhaaldelijk gevraagd om zijn huis aan de Grote Markt nummer 11/13, dat tot op heden gediend heeft als logement voor de generaal-majoor die de troepen in de stad onder commando heeft, hiervan te ontslaan en hij in de gelegenheid gesteld wordt om dit bij zijn terugkeer van buiten weer met zijn huisgezin te kunnen betrekken. Besloten wordt aan dit verzoek tegemoet te komen en de nieuwe commanderende generaal-majoor Crass onder te brengen in het huis ‘de Pauw’ van Abraham Sweemer op de Grote Markt nummer 26. Enige tijd later dient de te Colijnsplaat wonende Sweemer een rekest in bij het Departementaal Bestuur met klachten over het gebruik van zijn woonhuis en speciaal over het gewelddadig openbreken van een kamer in zijn huis.

Toch heeft dit nog heel wat voeten in de aarde.
Op de 5e november heeft president Ossewaarde de opzichter van het huis van Sweemer te kennen gegeven dat het huis bestemd is tot logement van generaal-majoor Crass. Deze is volgens zijn zeggen met kennis van de eigenaar blijven weigeren om daarover enige schikkingen te maken, niettegenstaande de herhaalde aanmaningen die daartoe zijn gedaan.
Daardoor is de president met de stadsdirecteuren in de onaangename noodzakelijkheid gebracht om een kamer in het huis van de heer Sweemer te laten openen en deze van stadswege van enige meubelen te voorzien. Eerstdaags zal generaal-majoor Crasss dit pand betrekken. De raad keurt het verrichte door de president goed.

Op de 28e januari 1804 wordt het huis van de heer Sweemer aan de Grote Markt, dat gediend heeft voor logement van generaal Crass, na diens vertrek weer ten dienste van de eigenaar ingeruimd. De sleutels zijn de heer Sweemer ter hand gesteld. Deze maakt zwarigheden en gebruikt zelfs uitdrukkingen als ‘gewelddadige openbreking van zijne kamers, voorbeeldenloze handelwijzen en indruisende tegen den aard van het maatschappelijke verdrag en meer zulke uitdrukkingen’.

Het Stadsbestuur besluit president Ossewaarde en de leden Slabber en Stokmans te verzoeken om ten spoedigste van bericht te dienen op het bij resolutie van de 3e december 1803 in hun handen gestelde rekest van Abraham Sweemer over deze aangelegenheid aan het Departementaal Bestuur van Zeeland gepresenteerd. Met kracht worden de door Sweemer gebruikte uitdrukkingen weerlegd. Er was in de stad in het afgelopen jaar geen huis meer beschikbaar. Bij alle magistraatpersonen was al een officier ondergebracht. Het huis van Sweemer werd slechts bewoond door een dienstbode.
Niettemin, uit de overgelegde waslijst van de heer Sweemer blijkt dat er danig is huis gehouden: zo zijn onder meer het behangsel, het vloerkleed, de eettafel en het verfwerk beschadigd en een aantal zaken is vermist. Uiteindelijk blijkt op de 25e februari dat het huis van Sweemer op minnelijke wijze weer in behoorlijke staat is gebracht.

De president deelt het Stadsbestuur op de 5e november 1803 mee dat, ingevolge de voorlopig gemaakte schikkingen om de troepen de voor hen toegewezen kazernes te laten betrekken, door hem daarvan kennis is gegeven aan de commanderende generaal-majoor Crass met het verzoek de nodige orders te stellen. De generaal heeft daarover wel zijn bereidwilligheid betuigd, doch hij is van gedachte dat de troepen gratis en buiten hun kosten gelogeerd behoren te worden en niet tot betaling van kwartier- of beddehuur verplicht zijn.
Om geen vertraging aan de kazernering van de troepen toe te brengen heeft hij daarop verklaard dat, ofschoon hij van andere gedachten is, de stad voorlopig op geen betaling zou aandringen. Niettemin behoudt de stad zich het recht voor om daarover een brief te schrijven aan het Departement van Oorlog om in het vervolg te kunnen handelen zoals ingevolge de dispositie van het Departement billijk kan worden geoordeeld.
Het Stadsbestuur keurt het verrichte van president Ossewaarde goed. Het Staatsbewind wordt per brief verzocht om te verklaren of en in hoever de troepen die in de stad verblijf houden tot het vorderen van vrije kwartieren gerechtigd zijn.

Op de 18e februari 1804 komt er een order van de divisiegeneraal Monnet over het leggen van een embargo op de schepen in de stad en in de havens van het eiland, de beurtschepen op Holland uitgezonderd, en om te waken tegen het binnen de stad komen van verdachte personen en geen vreemdelingen zonder paspoorten toe te laten. Besloten wordt het embargo door de stadsbode aan de schippers, die met hun schepen in de haven van de stad liggen, te doen aanzeggen. Verder worden alle schippers van de order tot het weren van vreemdelingen zonder paspoorten geïnformeerd om zich daarnaar te gedragen. Bij hun aankomst moeten ze gelegenheid geven dat alle passagiers voor het nazien van hun passen bij de stedelijke commandant worden gebracht. Verder zullen alleen passen aan bekende personen worden verleend.

Ook komt er op de 25e februari 1804 een aanschrijving van het Departementaal Bestuur om ‘in alle deelen na te komen het Reglement over het onderhoud van 18000 man Fransche troepen, de 1e november jl. gesloten, en alzo aan geen daarbij niet geadmitteerde rekwisities te voldoen met last om, voor zoveel zulks sedert 22 maart 1803 mocht zijn geschied, daarvan aan het Departement van Oorlog kennis te geven’.

Het is een half jaar rustig in de stad. Maar op de 24e augustus 1804 is er weer een nieuwsbericht dat generaal Osten voornemens is zich morgen naar de stad te begeven. Het Stadsbestuur besluit dat de generaal door de stad logies zal worden verleend en behoorlijk onthaald. Hij zal door een commissie uit de raad bij zijn aankomst worden gecomplimenteerd.

In december 1804 geeft kwartiermeester (hij is op de 6e september 1803 aangesteld als Plaats Majoor gedurende de huidige oorlog) J.L. Langguth kennis van een door hem ontvangen brief van kwartiermeester-generaal Gradmann. In deze brief wordt opdracht gegeven de gebouwen die tot kazernering van de troepen door het landsbestuur zijn gehuurd, uit de huur te ontslaan. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat voorlopig enige Franse troepen in de stad in garnizoen zullen komen. Een uitzondering wordt gemaakt voor een gebouw om te dienen voor magazijn.

Overigens krijgt kwartiermeester Langguth brieven van voorschrijving aan de Raadpensionaris om een vaste aanstelling als Plaats Majoor te verkrijgen.

In april 1805 overweegt het Stadsbestuur dat binnen de stad zich een gedeelte van het 48e regiment Franse infanterie bevindt. Besloten wordt om, wanneer deze troepen, als niet in soldij van de Republiek staande, niet op reguliere wijze hun levensmiddelen mochten ontvangen, daarin voorlopig van stadswege te voorzien. De president zal zonodig de nodige orders stellen. De officieren zullen voorlopig de logementen, die ze thans gebruiken, behouden. Alleen de kamerhuur zal voor rekening van de stad worden genomen.

Het Departementaal Bestuur van Zeeland krijgt eind april 1805 bericht over het gebeurde binnen de stad en het eiland ter gelegenheid van de aanwezigheid van een gedeelte van het 48e regiment infanterie. Er is namelijk een aantal vreemdelingen gearresteerd, overwegend lieden die zich aan de militaire conscriptie in Frankrijk hebben onttrokken. Deze lieden zijn voor een groot gedeelte met schepen vanaf Goes naar Vlissingen verzonden.