Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1801 - 1806)

Algemeen

In februari 1803 beraadslaagt het Stadsbestuur over het rapport van de ‘Commissie tot het werk der gilden’. Eveneens gaat het over de conceptpublicatie tot introductie van enige voorlopige maatregelen tot voorziening tegen het nering doen zonder toestemming alsook over de orde die voortaan in het verlenen van toelating zal worden aangehouden.
Het Stadsbestuur besluit de ontworpen Publicatie vast te stellen. Verder wordt besloten om alle akten van toelating, die vóór 24 december 1798 door de dekenen van de gilden plachten te worden verleend, voortaan door provisionele commissarissen zullen worden uitgegeven, echter nadat degenen die toelating verzoeken zich ook tot de stedelijke raad hebben gewend. Ook stelt het Stadsbestuur vast dat alle proeven zullen worden opgenomen door de provisionele commissaris van het gilde waartoe de proefdoende zal behoren. Ook wordt een commissie ingesteld om met de commissarissen van de voormalige gilden de nodige schikkingen te maken voor het in werking brengen van de publicatie. De commissie krijgt de bevoegdheid om zorg te dragen dat deze zo weinig mogelijk tot bezwaar van het algemeen zal strekken. In de commissie krijgen zitting de leden Dominicus, Van de Spiegel, Slabber en Soetebier.

De ‘Commissie tot het werk der gilden’ blijkt al aanstonds bij de aanvang van haar werkzaamheden veel zwarigheden tegen te komen. Deze kunnen voor het vervolg van invloed zijn. Zo blijkt hen dat na het jaar 1798 bij de proefdoende gilden geen gezellen of jongens in de gildenboeken zijn ingeschreven. Daardoor is het mogelijk dat, wanneer in het vervolg iemand na zijn jaren als leerling of gezel te hebben gewerkt en zo bij zijn ambacht is gekomen, hij niet aan de nieuwe Ordonnantie zal kunnen voldoen omdat hij niet in het gildenboek als leerling staat ingeschreven en daardoor niet aan het bepaalde aantal leerjaren kan voldoen. De commissie stelt voor te bepalen dat van zodanige gezellen of jongens, die het een of ander ambacht hebben beoefend, hun leerjaren zullen worden gerekend vanaf de tijd dat ze op het ambacht zijn gekomen, mits betalende voor het inschrijven in het gildenboek het bedrag zoals bij de ordonnantie is bepaald.

Bakkersgilde


De commissie uit het Stadsbestuur, belast met het toezicht op de gilden, legt in juni 1804 de door hen ontworpen conceptordonnantie voor het gecombineerde bakkersgilde voor. De tot op heden fungerende commissaris van het bakkersgilde, Pieter Engelse, wordt ontslagen en voor zijn directie bedankt. Tot hoofdcommissaris over het bakkersambacht benoemt het Stadsbestuur uit zijn midden Jan Soetebier. Tot commissarissen worden aangesteld Pieter Engelse, Frans van Halle, Pieter Oversluis Czn en Wijbrand van der Wissel.

Bierdragersgilde
In juni 1804 stelt het Stadsbestuur een nieuwe Ordonnantie voor het bierdragersgilde vast.
Uit artikel 2 blijkt dat het bierdragerswerk bestaat uit: het verwerken van wijn, brandewijn, genever en andere sterke dranken, bier, olij, azijn, zeep, natte en droge vis bij de tonne, stokvis bij de ribbe, gerookte zalm, sprot, haring, oesters en mossels bij de ton of kleiner vaatwerk.
De tot op heden fungerende commissaris van het bierdragersgilde, Adriaan Bosdijk, wordt ontslagen en bedankt voor zijn gehouden directie. Tot hoofdcommissaris over de bierdragers wordt uit de raad aangesteld Martinus Slabber en tot commissarissen Adriaan Bosdijk, Cornelis Dekker, Jan Vervenne en Maarten van Kleijnputte.

Brandewijnverkopersgilde


In maart 1804 wordt een Ordonnantie voor het brandewijnverkopersgilde vastgesteld.
Tot hoofdcommissaris over het gilde wordt uit het Stadsbestuur aangesteld Johannes Stokmans en tot commissarissen van het gilde Jan Dominicus, Nicolaas Vervenne, Marinus Modderkreeke en Jacobus Ponse.
De overweging voor dit besluit blijkt uit de volgende aanhef van de Ordonnantie: ‘in aanmerking genomen hebbende aan de ene zijde het van tijd tot tijd toenemende verval van onderscheidene neringen, ambachten, trafieken en fabrieken binnen de stad en jurisdictie van dien en aan de andere zijde hetgeen zowel bij de Staatsregeling voor het Bataafse Volk als bij het Reglement voor het Departementaal Bestuur van Zeeland en het stedelijke regeringsreglement van de stad tot het verzekeren van een iegelijk burger van deszelfs eerlijk bestaan en tot het handhaven, aanmoedigen en bevorderen van alle burgerlijke neringen en hanteringen is vastgesteld en reeds sedert 12 februari 1803 enige provisionele schikkingen en voorzieningen hebben daargesteld’.

 

Uit artikel 1 van de nieuwe Ordonnantie blijkt dat onder ‘brandewijnverkopers’ worden begrepen: grossiers die hun brandewijnen, sterke dranken en gedestilleerde wateren van buiten bij de grote maat of met vaatwerk inslaan; kleine winkeliers in die waren; herbergiers, kroegiers en koffyhuishouders die ook sterke dranken tappen.








Kleermakersgilde

Het Stadsbestuur stelt in januari 1805 naar aanleiding van het rapport van de ‘Commissie tot de gewezen gilden’ een Ordonnantie voor de kleermakers-, keurslijfmakers- en wollenaaistersstijl vast. Tot hoofdcommissaris over de gecombineerde kleermakersambachten wordt benoemd uit de raad mr. Cornelis Dominicus en tot commissarissen Cornelis Steijn, Martinus Bootsgezel en Antoni Snoep. 














Schippersgilde

Op voorstel van de commissaris van het voormalige schippersgilde, Nicolaas Vervenne, besluit het Stadsbestuur vast te stellen dat voortaan niemand van het zogenaamde kleine schippersgilde met hengsten, hoogaarzen of andere kleine vaartuigen enige passagiers of vrachtgoederen van Goes naar andere plaatsen, waarop vaste beurtveren varen, op dezelfde dagen dat deze van hier vertrekken, zal mogen overvaren zonder dat het ordinaire vrachtloon tot voordeel van de vaste beurtlieden wordt voldaan. Van zulke kleine vaartuigen moet het gewone vrachtloon van al wat deze meevoeren aan de vaste beurtschippers ter hand worden gesteld. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Schoen- en gareelmakersgilde

In juni 1804 krijgen de leden van het schoenmakersambacht toestemming om bij advertenties in de couranten bekend te maken dat op de aanstaande jaarmarkt niet zal worden toegelaten enig zogenaamd Langstraats of ander vreemd schoenmakerswerk dat niet binnen de besloten Zeeuwse steden is gemaakt.
Er wordt ook een nieuwe Ordonnantie voor de schoen- en gareelmakers, looiers en leerverkopers vastgesteld. De tot op heden fungerende commissaris van deze nering, Pieter Faber, wordt ontslagen en bedankt voor de door hem gehouden directie. Tot hoofdcommissaris over de schoen- en gareelmakers, looiers en leerverkopers wordt uit de Raad benoemd L.J. van de Spiegel en tot commissarissen Pieter Faber, Jacobus Oostveen, Fredrik Zuidweg en Izaak Houtop. 

 

 













Smedengilde

De commissie uit de raad voor de voormalige gilden legt het Stadsbestuur in december 1805 een conceptordonnantie voor het gecombineerde smedenambacht voor. Deze wordt vastgesteld.
Tot uitvoering van de nieuwe Ordonnantie wordt de tot heden fungerende commissaris van het voormalige smedengilde, Jan Boddingius, ontslagen en voor zijn directie bedankt. Tot hoofdcommissaris uit de raad over het gecombineerde smedenambacht wordt benoemd Nicolaas van der Hagen en tot commissarissen Gerrit Donck, Antoni de la Croix, Nathanaël Visser en Wouter van Hertum.
In maart 1806 geeft de hoofdcommissaris van het gecombineerde smedenambacht in overweging om tot een betere directie over deze ambachten te benoemen een commissaris namens het koper- en blikslagersambacht en een namens het loodgieterbedrijf. Het Stadsbestuur volgt dit advies op en stelt tot commissarissen van het gecombineerde smedenambacht aan Hendrik van Hees en Henricus Johannes van ’t Hof.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Timmerliedengilde

De commissie uit het Stadsbestuur over het werk van de gilden adviseert in januari 1805 over het door Pieter de Leeuw en andere timmerliedenknechts, werkende bij huis timmermansbazen, ingediende verzoekschrift. Ze verzoeken daarbij dat hun daggelden in redelijkheid verhoogd en op een eenparige voet mogen worden gesteld. De commissie adviseert vanwege de duurte van de levensmiddelen en de meest nodige behoeften en gereedschappen het verzoek in te willigen. Het Stadsbestuur stelt daarop vast dat de huis- timmermansbazen voortaan voor dagloon voor hun knechts zullen kunnen rekenen 24 stuivers per dag en gedurende de wintermaanden 20 stuivers per dag.

 












Vleeshouwersgilde

In maart 1804 doet zich een probleem voor bij de vleeshouwers en varkensslagers. De commissie uit het Stadsbestuur voor het toezicht op de gilden betoogt dat bij het formeren van de Ordonnantie voor de vleeshouwers en varkensslagersambachten hun een zwarigheid is gebleken. Het gaat er om of de vleeshouwers- en varkensslagersstijl al of niet door dezelfde persoon mag worden uitgeoefend. Het Stadsbestuur besluit te bepalen dat deze ambachten door een en dezelfde persoon zullen mogen worden uitgeoefend.
















Zakkendragersgilde
De commissaris van het voormalige zakkendragersgilde, Pieter van Klinken, krijgt in januari 1801 opdracht om zoveel mogelijk de hand te houden aan de uitvoering van de resolutie van het Stadsbestuur van de 23e augustus 1800. Deze gaat over het laten verwerken van graan en dergelijke. Desnoods moeten diegenen die weigeren daaraan te gehoorzamen tot voldoening van het loon dat de zakkendragers toekomt voor het College van kleine zaken worden gedaagd.
Overigens verzoekt de commissaris van het voormalige zakkendragersgilde hem een tweede commissaris of assistent toe te voegen. Daarmee wordt akkoord gegaan en tot assistent wordt aangesteld Adriaan Murre.
In 1804 stelt het Stadsbestuur een nieuwe Ordonnantie voor het zakkendragersgilde vast. Tot hoofdcommissaris over de toegelaten zakkendragers wordt uit de raad benoemd Martinus Slabber en tot commissarissen Pieter van Klink, Pieter van Waarde en Jacobus Proos Jzoon.


Zoutziedersgilde

In februari 1801 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de commissarissen van de voormalige gilden binnen de stad. Ze maken bezwaar dat uit de onder hen berustende fondsen bij voortduur moeten worden voldaan de kosten van reparaties en het ijken van de maten en gereedschappen ten dienste van het vernietigde zoutziedersgilde, speciaal omdat daartoe thans twee nieuwe turftonnen met toebehoren moeten worden aangeschaft.

Het Stadsbestuur besluit om, indien deze kosten niet uit de interesten kunnen worden gefinancierd, uit het kapitaal van de gildenfondsen voorlopig dergelijke kosten te betalen zoals deze voorheen uit deze fondsen zijn voldaan.