Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1801 - 1806)

Kerken algemeen

Op de 31e januari 1801 schrijft het Stadsbestuur de plaatselijke kerkgenootschappen aan met de vraag hoe ze denken over het onderhoud, de alimentatie, van de armen en behoeftigen van hun gemeenten. Vijf kerkgenootschappen reageren hier op.
De ‘grote’ kerkenraad van de Nederduitse Hervormde gemeente antwoordt dat ‘de gemeente met eenparigheid van stemmen heeft verklaard zich in staat en bereidwillig te bevinden om desselfs behoeftige leden zelve te onderhouden en daartoe alle de armengoederen en fondsen, tot hun kerkgenootschap behorende, aan zich te reserveren’.
De kerkenraad van de Waalse Hervormde gemeente schrijft dat het genootschap ‘in staat en genegen is zodanige arme leden als door hetzelve gewoonlijk zijn onderhouden, bij voortduring te alimenteren’.
De ‘dirigerende leden’ van de Lutherse gemeente verklaren dat zij, omdat ze geen fondsen bezit, ‘hunne armen als kinderen van den Staat gaarne willen overgeven en afstaan’. De ‘bestuurders’ van de Mennonieten gemeente verklaren ‘bij het voornemen te blijven om hun eigen armen te onderhouden’. De ‘kerk- en armmeesters’ van de Rooms Catholieke gemeente betuigen ‘zich in staat te bevinden om uit de fondsen van die gemeente hun arme ledematen te onderhouden’.

De president van het Stadsbestuur verklaart op de 28e februari 1801 opgewacht te zijn door de gecommitteerden van de Classis Zuid-Beveland. Deze overhandigden hem een exemplaar van de door hun gedane aanschrijving tot het vieren van een dank-, boete- en biddag op zondag de 15e maart. Ze verzochten hem de vergadering van de Raad te willen voordragen ‘wel te willen meewerken tot het goede oogmerk dat zij zich bij die aanschrijving hebben voorgesteld door het nemen van de nodige voorzorg dat de godsdienstoefeningen binnen de stad op die dag in alle stilte en zonder stoornis mogen worden gecelebreerd’. Besloten wordt president en schepenen te verzoeken de vereiste orders te willen stellen.
Ook op de 6e maart 1802 overlegt de president een hem ter hand gestelde aanschrijving van de Classis Zuid-Beveland tot het houden van een dank-, boete- en biddag op zondag de 21e maart.
Ook in februari 1804 schrijft het Staatsbewind een algemene dank- en bededag uit voor de Nederduitse, Waalse en Rooms-katholieke gemeenten. Deze zal door de gehele Bataafse Republiek worden gehouden op woensdag de 7e maart. Voorgeschreven wordt dat deze dag ‘met alle stilte binnen deze stad gevierd worde en dat geen hinder of stoornis aan de plechtigheid van die dag worde toegebracht’.
Hetzelfde gebeurt in juni 1805 als een dank-, boete- en bededag wordt uitgeschreven op woensdag de 26e juli met de opdracht om te zorgen dat ‘deze dag alom binnen het Ressort der Bataafse Republiek betamelijk, plegtig en overeenkomstig desselfs oogmerk gevierd worde en dat alle neringen, handwerken en openbare bedrijven en vermakelijkheden op denzelven stil staan’.

Van geheel andere orde is het besluit van het Stadsbestuur van de 2e oktober 1802 waarbij de poortiers wordt verboden om voortaan poortgeld van de predikanten van de stad te vorderen. Zoals vanouds dienen ze vrij en zonder enige betaling de stadspoorten te kunnen passeren.

In oktober 1805 verzoekt de Secretaris van de Raad voor Binnenlandse zaken het Stadsbestuur om inzending van een tabel en lijst van vraagpunten betreffende ‘de Staat der Gereformeerde Gemeenten, de Leraars in dezelve en verdere kerkelijke beambten, derzelver bezoldiging en de fondsen waaruit die betaald worden’. De opgaven van de kerkenraden worden op de 23e november 1805 toegezonden aan het Departementaal Bestuur. Uit de opgave van de kerkenraad van de Nederduitse gemeente, ondertekend door ds. D. Kaas, blijkt het volgende:

  1. tot de gemeente behoren, volgens de laatste telling in 1797, 3140 zielen, waaronder zich 1000 à 1100 lidmaten bevinden;
  2. de gemeente wordt bediend door vier predikanten;
  3. het traktement van de predikant is: ordinair £ 100; huishuur £ 30; extra-ordinair gehuwd zijnde £ 25, doch ongehuwd £ 22.10 en classicaal geld £ 8.6.8; het zuivere inkomen is dus £ 154.9.8 en ongehuwd £ 151.19.8;
  4. al het voorzeide wordt voldaan uit het comptoir der zogenaamde geestelijke goederen over Zuid-Beveland;
  5. de gemeente wordt bediend door twee voorlezers, twee voorzangers, twee organisten, twee kosters, een krankenbezoeker, een catechiseermeester en een orgeltrapper;
  6. het traktement van de voorlezer en voorzanger is £ 16.13.4 en dat van de koster £ 6.13.4.

Hervormde gemeente

Predikanten
In maart 1802 beroept de kerkenraad van de Hervormde gemeente ds. Jacob Hendrik Wolf te Oosthuizen als predikant. Het Stadsbestuur deelt de kerkenraad op haar verzoek mee dat de burgerlijke inwoning en de gewone stedelijke voorrechten en vrijdommen aan de beroepen predikant zullen worden verleend. Ds. Wolf bedankt echter voor het beroep.
De kerkenraad brengt daarna in juni 1802 een beroep uit op ds. Hendrik Donker te Ouderkerk en Crimpen aan den IJssel. Ook hij bedankt. Daarna wordt eind juli 1802 ds. Coenrad Colmschate te Jaarsveld tot predikant beroepen. Hij neemt het beroep aan. De kerkmeesters verzoeken de stad een zeker aandeel te dragen in de kosten van het beroep en het transport van de meubelen van de nieuwe predikant. Zoals vanouds betaalt de stad een bijdrage van £ 8.16.8.

De predikant ds. Petrus Pické verzoekt in juni 1802 de kerkmeesters toestemming te geven om een zeker door hem bewoond huis, erve en stal van de huidige eigenaar, Jan Boddingius, voor rekening van de kerkemiddelen te mogen overnemen voor een bedrag van £ 450 Vlaams en het huis per mei 1803 aan hem te verhuren.
De kerkmeesters betogen echter dat, ofschoon de kerk niet geheel ontbloot is van goederen, de landerijen aan dat middel toebehorende niet meer belopen dan circa 117 gemeten. Bij de laatste rekening was er wel een goed slot van £ 58.4.5, maar de noodzakelijke reparaties aan het kerkgebouw zullen bij de eerstvolgende rekening een zeer aanmerkelijk kwaad slot te zien geven. Ze vinden het daarom ondoenlijk de penningen voor de aankoop van het huis geheel uit de kerkmiddelen te betalen. Het lenen van gelden is in de tegenwoordige tijd doorgaans zeer bezwaarlijk. Besloten wordt dan ook het verzoek van ds. Pické van de hand te wijzen.

De Classis Zuid-Beveland verleent in oktober 1802 ds. Dirk Kaas, de oudste predikant van de Hervormde gemeente, emeritaat. Het Stadsbestuur geeft het Departementaal bestuur te kennen dat het verzoek naar waarheid is ‘en dat den Hoogen Ouderdom en Veeljarige Dienst van ds. Dirk Kaas aan denselven naar het oordeel van deze vergadering alle aanspraak tot een favorabele dispositie op het rekest geven’.

In juni 1803 brengt de kerkenraad een beroep uit op ds. Van Leeuwen van Duivenvoorde te Kralingen.  Hij bedankt echter voor het beroep. De kerkenraad overweegt nu een beroep uit te brengen uit het volgende drietal: ds. Leemans te Bergen op Zoom, ds. Schinkel te Hilligersberg en ds. Van Dolder te IJsselmonde. Beroepen wordt ds. Leemans, maar ook hij bedankt.
Vervolgens wordt in september 1803 uit een drietal (ds. Prinse van Houwerton te Steenbergen, ds. Van Genderen te Vlissingen en ds. Nouhuis te Ossendrecht) beroepen ds. Prinse van Houwerton. In december 1803 wordt uit een drietal (ds. Van Nimwegen te Geertruidenberg, ds. Everaarts te Zwartewaal en ds. Van de Kerkhof te Wateringen) ook een beroep uitgebracht.

De kerkmeesters dienen in juni 1804 de declaratie van onkosten in van de losmaking, overkomst en bevestiging van ds. Prinse van Houwerton. De onkosten ten bedrage van £ 53 worden uit de stadskas betaald. Het Stadsbestuur besluit wel dat voortaan bij het beroepen of overkomen van predikanten de kerkmeesters geen onbepaalde betaling van onkosten zullen toekennen maar een zekere gefixeerde som zullen bepalen die uit de kerkmiddelen zal moeten worden voldaan.

In februari 1806 rapporteren de heren La Motthe, Van de Spiegel en Van der Hagen dat het collegium qualificatum tot predikant bij de Nederduitse gemeente, in de plaats van ds. Prinse van Houwerton, heeft beroepen ds. J. de Kanter uit Tholen.
De kerkmeesters schrijven het Stadsbestuur dat de kosten van overkomst waarschijnlijk het dubbele zullen bedragen dan de ƒ 400 die zij uit de kerkemiddelen beschikbaar kunnen stellen. Het Stadsbestuur besluit het te betalen bedrag uit de kerkemiddelen te bepalen op ƒ 600 en het overige voor stadsrekening te nemen.

De predikanten van de Nederduitse en Waalse gemeenten binnen de stad leggen het Stadsbestuur eind oktober 1806 het bezwaar voor dat ook voor hen uit de plaats hebbende stedelijke verhoging op de landsbelastingen voortvloeit. Ze verzoeken te worden vrijgesteld van alle lasten die uit dien hoofde zullen worden geheven en die maatregelen te nemen die het Stadsbestuur zal nodig oordelen om het effect van zodanige dispositie te doen genieten. Het Stadsbestuur besluit het verzoek, zoals het er nu ligt, af te wijzen.

In september 1805 geeft het Stadsbestuur de kerkenraad te kennen dat de raad het nodig oordeelt dat de predikant J. van Ochten te Ovezande en Driewegen voorlopig niet tot de openbare godsdienst binnen de stad wordt toegelaten.
De predikanten Voijer van ’s-Heer Abtskerke en Vriessekolk van ’s-Heerenhoek vragen in oktober audiëntie bij de Raad aan namens de Classis van Zuid-Beveland over de onlangs door het Stadsbestuur genomen resolutie betreffende ds. Van Ochten uit Ovezande en Driewegen. Ze verzoeken ‘dat het deze vergadering behaagen mogte, indien gemelde predicant, door een zedeloos gedrag, de Heilige bedieninge mogt onteerd hebben, bij extract resolutie enige opening te geven van de redenen die deze raad daartoe mochten hebben bewogen, teneinde de Classis ter wering van alle ergernissen, ook daardoor mogt in staat gesteld worden zodanige maatregelen te kunnen nemen als de kerkelijke wetten vereisen zullen’. Daarna vertrekken de predikanten uit de vergadering.
Het Stadsbestuur besluit dat de president aan de heren de verwondering van de raad zal te kennen geven dat de eerwaarde Classis en de leden daarvan geheel geen kennis zouden dragen van de omstandigheden die tot de resolutie van de raad aanleiding zouden kunnen hebben gegeven. En dat voor het overige de stedelijke raad, tot bewaring van een goede orde en politie deze resolutie nuttig hebbende geacht, niet gezind is om daarover met de Classis in correspondentie te komen, veel min bij dezelve op te treden ter beschuldiging van ds. Van Ochten. Integendeel, de Raad voedt het vertrouwen dat de Classis van haar zijde zal zorgen dat resoluties van dien aard in het vervolg kunnen worden voorkomen en onnodig zullen zijn.
Dit antwoord wordt aan de beide predikanten, die weer ter vergadering zijn gekomen, meegedeeld. Ze betogen dat de Classis geen dispositie kan nemen dan op voldoende bewijzen en daarom gemeend heeft tot het verkrijgen daarvan deze weg te moeten inslaan.
In maart 1806 verzoekt ds. J. van Ochten de resolutie van de 14e september 1805 over hem in te trekken en hem weer tot de openbare predikdienst binnen de stad toe te laten. Het Stadsbestuur besluit deze resolutie buiten effect te stellen. De raad vertrouwt er op dat hij zijn gedrag zodanig zal inrichten, ‘dat het zelve steeds kan beschouwd worden als overeenstemmende met de waardigheid van de bediening welke hem is aanbetrouwd’.

De Classis Zuid-Beveland verzoekt in september 1805 aan ds. Johannes Prinse van Houwerton ‘uit hoofde dat deze door verzwakking van zielsvermogens buiten staat gesteld is zijn dienstwerk te verrichten mag worden toegewezen het supenum emeritorium’.
De stedelijke raad adviseert gunstig.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 7e december 1805 brengt raadslid, tevens ouderling van de Hervormde gemeente, Johannis Stokmans, het volgende naar voren. Bij sommige leden van de kerkenraad heeft hij de genegenheid bespeurd om, wanneer weer een predikant moet worden beroepen, het Stadsbestuur bij het beroepen weer invloed te geven. Daardoor kan het Stadsbestuur weer aan de verplichtingen, in het stedelijke reglement in dit opzicht op haar gelegd, naar behoren voldoen. Hij deelt mee dat er een vergadering van de grote kerkenraad is belegd en het is niet onwaarschijnlijk dat daarin over het beroepen van een predikant in de plaats van ds. Prinse van Houwerton, aan wie emeritaat is verleend, zal worden gehandeld. Het Stadsbestuur besluit raadslid Stokmans in zijn functie van ouderling te verzoeken om, als in de grote kerkenraad over het beroepen van een predikant mocht worden gehandeld, dan in te brengen ‘dat het deze Raad aangenaam zal zijn door haar gedeputeerden mede tot zodanige beroeping te kunnen concurreren en daarop geen minder invloed te verkrijgen als de regering van de stad vóór de afschaffing van het collegium qualificatum uitoefende’. Op deze wijze kan daadwerkelijk worden gezorgd dat de gemeente tijdig van geschikte predikanten wordt voorzien. Deze zorg is in het stedelijke regerings reglement uitdrukkelijk aan het Stadsbestuur aanbevolen.

Op de 21e december 1805 wordt de president van het Stadsbestuur opgewacht door de preses van de kerkenraad. Deze deelt mee dat de kerkenraad van de wens van het Stadsbestuur via de heer Stokmans heeft vernomen. De kerkenraad heeft besloten een commissie te benoemen, bestaande uit ds. Lotchius, ds. Kaas, ouderling Harinck en diaken Brandt, om met een commissie uit de stedelijke raad in overleg te treden over de wijze waarop die beroeping zou geschieden en om dit tot onderling genoegen te schikken.
Daarop besluit het Stadsbestuur de leden Dominicus en Van de Spiegel af te vaardigen om met de commissie uit de kerkenraad over de aanstaande beroeping van een predikant te overleggen. De commissie krijgt opdracht het daar heen te leiden dat drie gedeputeerden van de stedelijke raad, zoals vanouds, bij de beroeping toegelaten en stem gegeven worden. Dit leidt tot overeenstemming. Namens het Stadsbestuur worden in de commissie benoemd de heren La Motthe, Van de Spiegel en Van der Hagen.

Kerkgebouwen
Op de 10e januari 1801 verzoeken de fungerende leden van de Commissie van de kerkelijke zaken van de Gereformeerde Nederduitse gemeente binnen de stad om het door hun in januari 1799 gedane verzoek met betrekking tot de kerkgebouwen opnieuw in overweging te nemen. Dit verzoek heeft betrekking op de overdracht van de directie en administratie van de kerkgebouwen, die door de burgerlijke gemeente in eigendom worden bezeten, en van de daarbij behorende goederen aan de kerkelijke gemeente.
Het verzoek wordt in handen gesteld van de raadsleden Van Kleijnputte, Dominicus en Ossewaarde om het Stadsbestuur te adviseren over de meest geschikte wijze om de administratie van de kerkgebouwen en goederen aan de daartoe gerechtigden over te dragen. Eind januari legt de commissie haar rapport over.
Na deliberatie besluit het Stadsbestuur het verzoek, zoals dat er nu ligt, van de hand te wijzen. Niettemin wordt de commissie te kennen gegeven dat het Stadsbestuur niets liever wenst dan zich ontslagen te zien van de directie over de goederen waarvan het bezit aan het Hervormd kerkgenootschap bij de additionele artikelen tot de Acte van Staatsregeling en opvolgende decreten wordt verzekerd. Het Stadsbestuur wil graag met de commissie in overleg treden over het beramen van schikkingen die de overgave van kerkelijke goederen noodzakelijk zullen moeten voorafgaan.
Als de wijze van overgave van gebouwen en goederen bepaald is, zal het Stadsbestuur geen zwarigheid maken om, ‘voor zoveel dezelve tot de administratie dier goederen door de gemeente zal wezen gekwalificeerd’.  De kerkenraad wordt verzocht in overleg met de commissie van drie de nodige maatregelen te treffen.  

De kerkenraad heeft de neiging hierop vooruit te lopen. In maart 1802 verschijnen de kerkmeester Cornelis Mispelblom en de afgevaardigde van de kerkenraad Johannes Walrave ter vergadering van het Stadsbestuur. Mispelblom betoogt door een commissie uit de kerkenraad in kennis te zijn gesteld van het besluit van de kerkenraad om uit de kerkgoederen aan te kopen twee woonhuizen om als pastorieën voor de twee jongste predikanten te dienen. De kerkenraad heeft de kerkmeesters verzocht in overleg te treden tot het vinden van de nodige penningen, hetzij door een geldlening hetzij door verkoop van kerkegoederen. De kerkmeesters menen hiertoe niet te kunnen overgaan zonder toestemming van het Stadsbestuur. Na vertrek van beide heren komt het Stadsbestuur tot het besluit, ‘zonder zich enigszins uit te laten over de zeer voorbarige wijze waarop met opzicht tot deze zaak schijnt te werk te zijn gegaan’, dit verzoek af te wijzen. De kerkmeesters krijgen het verzoek zich niet met deze onderhandelingen zonder kennis van het Stadsbestuur in te laten.

Beheer kerkgebouwen en kerkgoederen
In juli 1802 komen de kerkmeesters Cornelis Mispelblom en Leendert Krekelenberg ter vergadering van het Stadsbestuur. Ze overleggen de door de rentmeester van de kerkegoederen Willem de Wolf  opgestelde rekeningen van de middelen van de jaren 1799 en 1800. Er is een batig slot van £ 78.19.9. Ze krijgen opdracht om de rekening over 1801 ten spoedigste over te brengen.
Het blijkt in augustus 1802 dat de koster van de Grote kerk, Pieter Engelse, drie jaar lang geen traktement ‘van den Lande’ heeft genoten. Het Stadsbestuur besluit hem enigszins tegemoet te komen en hem vrij te stellen van de helft van de recognitie van £ 3.6.8 per jaar, die hij over de jaren 1799, 1800 en 1801 nog verschuldigd is.

Hendrik Geleets, de orgeltrapper en gardiaan in de Grote kerk, is in januari 1803 door ouderdom buiten staat geraakt tot de waarneming van zijn functie. Hij wordt ontslagen met behoud van een zekere uitkering. In zijn plaats komt Jan Hollestelle.

De kerkmeesters stellen in februari 1803 voor enige noodzakelijke verschikkingen van de zitplaatsen in de kerkgebouwen te maken. Ze vinden het gewenst dat door de leden van het Stadsbestuur en van de Rechtbank die zitplaatsen worden genomen die vanouds voor de leden van de stadsregering zijn bestemd geweest.

In maart 1806 geven de kerkmeesters opening van zaken over de benarde staat van de kerkemiddelen. Deze zijn door de betaling van de extra-ordinaire lasten en kosten vanwege de reparaties aan het kerkgebouw en andere oorzaken zeer bezwaard. De aflossing van een aantal schulden over het afgelopen jaar kan niet plaatsvinden. De kerkmeesters hebben wel getracht dit tekort bij wijze van lening te vereffenen, maar dit is vruchteloos gebleken. Ze vinden zich daarom genoodzaakt de stedelijke raad te verzoeken hierin te voorzien.
Het Stadsbestuur overweegt dat de landerijen van de kerk geen inkomsten opleveren evenredig aan hun waarde. Er schiet geen andere mogelijkheid over dan zo spoedig mogelijk de volgende landerijen publiek te verkopen, te weten in het Goesche Ambagt in Hubelamshoek 1 gemet 232 en 3 gemeten; in Cloetinge tusschen den Heernisseweg zeedijk en de Stelleweg 1 gemet 93; te Nisse in Daniëlshoek 2 gemeten 186; te ’s-Heer Abtskerke in Papenhoek 1 gemet 157; te Baarsdorp in Kerkhoek 2 gemeten 105. Samen zijn dit 12 gemeten 173. De kooppenningen daarvan zullen door de kerkmeesters ter voldoening van de onbetaalde lasten en verdere kosten voor de kerkemiddelen worden gebruikt.
In april rapporteren de kerkmeesters dat de verkoop van deze landerijen bij publieke veiling heeft opgebracht £ 651:14.-.

Diaconie
In januari 1803 is er een hoge nood onder de armen. Op voorstel van de diakenen van de Hervormde gemeente besluit het Stadsbestuur, om hun te beter in staat te stellen om in de tegenwoordige nood van de armen te voorzien, tot het doen van een extra-ordinaire collecte aan alle huizen binnen de stad en jurisdictie op maandag de 31e januari.

Waalse gemeente

De kerkenraad van de Waalse gemeente verzoekt in februari 1802 het kerkgebouw aan de Zusterstraat (dit is de voormalige kapel van het klooster van de Zwarte Zusters), waarvan de gemeente in het bezit is geweest, ten spoedigste weer in de staat te brengen waarin het zich tot 1794 bevond. Tijdelijk heeft de gemeente gebruik gemaakt van het kerkgebouw van de Mennonieten aan de Korte Vorststraat. De opzieners van de Mennonieten blijken niet langer gezind te zijn het gebruik van hun kerkgebouw aan de Waalse gemeente gratis af te staan. Het eigen kerkgebouw van de Waalse gemeente is vanaf 1794 door de stad gebruikt. Nu verzoekt de kerkenraad het mogelijk te maken dat de gemeente buiten haar kosten haar godsdienstoefeningen weer kan houden in het eigen kerkgebouw.
Na het horen van de stadsdirecteuren besluit het Stadsbestuur de Waalse gemeente toe te staan om, onder approbatie van het stadsbestuur, met de opzieners van het kerkgebouw van de Mennonieten een overeenkomst tot betaling van een jaarlijkse huur uit de stadskas voor het gebruik van dat kerkgebouw voor de godsdienstoefeningen van de Waalse gemeente aan te gaan.
In mei 1802 overlegt de kerkenraad van de Waalse gemeente het tussen haar en de kerkmeesters van de Mennonieten gemeente aangegane huurcontract voor de huur van het kerkgebouw van de Mennonieten tot april 1805 voor een bedrag van £ 8.16.8 Vlaams per jaar. Het Stadsbestuur keurt het huurcontract goed.

In augustus 1805 stelt de predikant van de Waalse gemeente, ds. Bevier, het Stadsbestuur in kennis dat de Synode van de Waalse kerken in de Republiek vanaf de 5e september in Goes zal vergaderen. Het zou de Synode ten uiterste aangenaam zijn, zo deelt de predikant mee, om de gelegenheid te krijgen om het Stadsbestuur ‘de verzekering van haar gevoelens van eerbied te mogen geven en haar wensen voor het welzijn van desselfs leden en van deze stad en ingezetenen te kunnen uiten’. Ds. Bevier verzoekt een commissie uit de Synode toe te laten tot de vergadering van de raad.
Het Stadsbestuur deelt hem mee dat het de raad tot genoegen zal strekken een commissie in haar vergadering te zien verschijnen en daartoe gelegenheid te geven heden over acht dagen.
Op de 7e september 1805 bezoeken ds. Hartman, predikant te Zierikzee, en ds. Du Pond Freytag, predikant te Bergen op Zoom, alsook de heren Hubert en Van der Lely van Onderwater, ouderlingen te Rotterdam en te Delft, als gecommitteerden van de Waalse Synode de vergadering van de stedelijke raad. Na verzochte audiëntie worden de heren op de directeurskamer geleid en van daar door secretaris Ossewaarde in de vergadering gebracht. Ze nemen plaats ‘tegenover de leden van de raad aan het buffet zijnde gezeten’.
Daarop heeft ds. Hartman uit naam van de Waalse Synode het Stadsbestuur ‘in gepaste termen gecomplimenteerd over dezelve, haar regering, de stad en ingezetenen, haar de beste zegeningen toe te wensen, de vergadering te bedanken voor de gunstige protectie gedurende de reeds gehouden sessies van de Synode genoten’. Ze verzoeken de raad daarin niet alleen gedurende de nog te houden zittingen, maar ten allen tijde te continueren, in het bijzonder de Waalse gemeente binnen de stad aan de vergadering aanbevelende.
Daarop bedankt president Ossewaarde de gedeputeerden voor de uitgesproken zegenwensen en betoonde eerbewijzen. Het is de raad aangenaam deze stad op de gewone tourbeurt door de vergadering van de Synode te zien vereerd. Hij spreekt de hoop uit dat de deliberaties van de Synode mogen strekken tot welzijn van de Waalse kerken, hun ‘de dierbaarste zegeningen over de leden van het zelve, hun bedieningen en bijzondere betrekkingen toewensende. Daarop de heren de vergadering verlatende, zijn wederom door de secretaris tot aan de Puije van het Stadhuis geconduiseerd geworden’.

Uit een opgave van de kerkenraad van de Waalse gemeente aan het Stadsbestuur van november 1805 krijgen we een indruk van de omvang van de gemeente. Uit de door ds. Bevier ondertekende opgave blijkt dat tot de gemeente 30 zielen behoren, waaronder 28 lidmaten. De gemeente wordt bediend door een predikant, ds. Bevier. Het traktement van de predikant is ordinair £ 100; extra-ordinair £ 25; voor huishuur £ 30 en aan kindergeld £ 8.6.8. Dit wordt voldaan uit de kas van de zogenaamde geestelijke goederen over Zuid-Beveland. De gemeente wordt bediend door een voorlezer, een voorzanger en een koster. Het traktement van de voorlezer en voorzanger is £ 16.13.4 en dat van de koster £ 6.13.4.

Nu er voor de Nederduitse gemeente weer een zogenaamd collegium qualificatum is ingesteld, oordeelt het Stadsbestuur het in december 1805 wenselijk dit ook voor de Waalse gemeente te doen. Voor het bijwonen van het collegium qualificatum voor de vermaking van de kerkenraad worden namens het Stadsbestuur aangewezen de heren president Ossewaarde en raadslid Slabber.

Rooms-katholieke gemeente

In januari 1802 richten de kerk- en armmeesters van de rooms-katholieke gemeente zich tot het Stadsbestuur. Ze beklagen zich erover dat, niettegenstaande de orders tegen het verblijven van vreemdelingen, hun armenkas op den duur meer en meer met het onderhoud van vreemde personen wordt bezwaard. Op het inkomen van vreemdelingen wordt volgens hen onvoldoende toezicht gehouden. Ze verzoeken daarover mede werkzaam te kunnen zijn, samen met de regenten van het weeshuis, en als wijkmeesters te worden aangesteld. De brief is ondertekend door Heyndrikus den Haan, Nicolaas Pauwelijn, Cornelis Verduijn en Hermanus Staal. Enkele passages uit de brief volgen hier:

‘Daar wij al te wel onderrigt zijn over de goede zorgen omtrent het aanstellen van wijkmeesters van de stad, tot voorkoming van vele vreemde lieden die zich begeven om te wonen in de stad, zo heeft het ulieden gedacht daarvoor nog sterker te zorgen door een nadere publicatie hierover. Bij ulieden zijn alle inwoonders gelast geen huizen te verhuren aan vreemdelingen zonder goede bewijsschriften van wijkmeesters en dat dezelve alhier gepermitteerd kunnen worden om zich in de stad met hun woon op te houden. Zo moeten wij u echter betuigen dat in weerwil van alle de goede zorgen zich toch nog vele vreemdelingen zich hier neer komen te zetten. Of zich bij andere vreemdelingen die reeds jaren hier in de stad gewoond hebben te vervoegen en in te wonen. Terwijl meestal de vreemdelingen die hier zijn en komen Rooms zijn of naam Roomsen. Zo is het dat wij, kerk- en armmeesters van de rooms-katholieke gemeente, hiervan ten sterkste overtuigd zijn door de dagelijkse overlast die wij aan onze armen krijgen van deze vreemdelingen. Waardoor dan onze armkassen als uitgeput worden, ja zo sterk dat wij bijna buiten staat gesteld worden onze eigen inboorlingen en andere goede ingezetenen in hare hoge nood naar behoren te kunnen beallimenteren‘.
Ze verzoeken het Stadsbestuur hun uiterste zorgen aan te wenden om te voorkomen dat zich ongepermitteerde lieden in de stad metterwoon komen zich neder te zetten of wel bij andere vreemdelingen gaan inwonen en twee uit hun midden te benoemen tot wettige wijkmeesters van de stad.

De door het Stadsbestuur aangestelde wijkmeesters, M. Gorsse, L. Krekelenberg, C. Mispelblom en F. Breekpot, geven op de 22e januari hun advies. Ze wijzen op de vaste gedragsregel dat de gerechtsdienaars gelast zijn ‘om des zaterdags nademiddags bij ons in de armkamer te komen en aan te geven welke personen zich alhier in de stad komen op te houden, die wij dan voor ons ontbieden en afvragen waar zij vandaan komen en of zij behoorlijke bewijzen hebben, waar zij zelden of nooit van voorzien zijn. Deze worden dan aangemaand binnen een bepaalde tijd de nodige bewijzen te overleggen. Als ze dit niet kunnen worden ze een langer verblijf in de stad ontzegd. Onder deze lieden bevinden zich dikwijls lieden die zeggen rooms te zijn en alhier in het land werken, voorgevende in deze stad te komen om hun godsdienst waar te nemen en dus zeggen zich hier niet te komen ophouden maar wederom teruggaan om hun werk te verrichten. ’s Heren dienaars wordt steeds opgedragen op zulke personen nauwlettend acht te slaan’. Ze vragen zich af waarom de armmeesters van de rooms-katholieken dit niet zelf melden aan hen als wijkmeesters. De oorzaken van de door hen gemelde problemen liggen in hun eigen boezem.
Het Stadsbestuur besluit de regenten van het weeshuis op het ernstigste aan te manen om in hun functie van wijkmeesters door zodanige gepaste middelen als ze dienstig zullen achten  waakzaam te zijn tot het uitvoeren van de bestaande wetten tegen het verblijven van vreemdelingen. Ook wordt de baljuw aangeschreven om aan de regenten daarvoor alle verlangde hulp en assistentie te verlenen. Het verzoek van de arm- en kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente wordt afgewezen. Hen wordt aanbevolen om van het verblijf van zodanige vreemde personen, waarvan zij vrezen dat deze ten laste van hun armenkas zullen komen, aan de aangestelde wijkmeesters kennis te geven.

In februari 1802 stelt de president in de vergadering van het Stadsbestuur aan de orde ‘de onaangenaamheden welke hij in de afgelopen week heeft ontmoet door de agterlijkheid van de armmeesters van de Roomsch Catholieke gemeente in het verzorgen van lieden die op hun ondersteuning aanspraak konden maken’. Besloten wordt ‘onder betuiging van het ongenoegen van de vergadering over het voorgevallene, de armmeesters tot het houden van een meer liefderijk gedrag ten aanzien van de zodanige van hun geloofsgenoten, welke hun hulp behoeven, op het serieuste bij missive te vermanen’.