Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1801 - 1806)

Plaatselijke schoolcommissie

De departementale schoolopziener over het eerste schooldistrict van het departement, J.F. Huet, geeft het Stadsbestuur in januari 1802 in overweging om een plaatselijke Commissie tot opzicht over de Nederduitse scholen binnen de stad in te stellen. Deze commissie kan dan gezamenlijk met de schoolopziener de zorg over de scholen waarnemen.

Het Stadsbestuur ziet het nut hiervan in en besluit zo’n commissie in te stellen. Tot leden van de commissie worden benoemd de burgers Jaques Jenoteau, Franciscus Henricus Wagenaar en Pieter Adriaan Ossewaarde. Wagenaar neemt al spoedig ontslag uit de commissie; zijn opvolger is Hendrik Berkers, een van de huisartsen.
De commissie laat al snel van zich horen. In april 1802 stelt ze voor de stadsdirecteuren opdracht te geven om in de schoolgebouwen enige veranderingen aan de tafels en banken te laten maken. Daardoor kan de invoering van de nieuwe verordeningen voor de leerwijze, die eerstdaags in de scholen zullen moeten plaatsvinden, worden bevorderd.

In juni 1806 vaardigt de Raadpensionaris Schimmelpenninck een Publicatie af waarbij alle vorige bepalingen wat betreft het schoolwezen buiten werking worden gesteld. Er komt van de Secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken een nieuwe algemene schoolorde voor de lagere scholen binnen de Bataafse Republiek.

Tot leden van de plaatselijke schoolcommissie voor de openbare lagere scholen worden in juli 1806 benoemd de heren predikanten Petrus Pické en Coenradus Colmschate.

Stadsscholen

Er functioneren in de stad nog steeds twee Nederduitse scholen, zogenaamde stadsscholen. Kornelis van Zoom is stadsschoolmeester van de school naast het Slot Oostende tegenover de Grote Kerk. De andere stadsschool, op de hoek van de Lombardstraat/Sint Jacobstraat, wordt bestierd door schoolmeester Levinus Alblas.

In augustus 1801 dienen schoolmeester Kornelis van Zoom en andere ‘publieke leermeesters en leermeesteressen der jeugd’ een verzoek in om op te treden tegen plaats hebbende ‘schadelijke inbreuken op de wetten omtrent het schoolwezen, mitsgaders te worden gemainteneerd bij het alhier bestaande Reglement op de scholen’.
Het Stadsbestuur besluit alle onbevoegde personen, die in de stad schoolhouden of onderwijs aan de jeugd geven, aan te zeggen daarmee niet langer voort te gaan. Geven ze daaraan geen gehoor, dan zal tegen hen worden opgetreden.

Schoolmeester Van Zoom woonde aanvankelijk in het schoolhuis van de stad naast zijn school. Dit huis heeft hij in juli 1799 aan de stad ter beschikking gesteld voor meerdere ruimte voor zijn school. Op zijn verzoek besluit het Stadsbestuur hem vanaf 1 november 1804 de huurpenningen te vergoeden voor de woonruimte die hij elders in de stad heeft gehuurd. Immers in het stadshuis naast de school genoot hij voorheen vrije inwoning.

Franse school

Er is deze jaren kennelijk nogal wat behoefte aan onderwijs in de Franse taal.
De Franse kostschoolhouder Jaques Jenoteau heeft de zorg voor de officiële Franse school. Hij huurt daarvoor een huis van de stad. In januari 1806 verzoekt Jenoteau om het door hem bewoonde stadshuis voor opnieuw een jaar, met nog een jaar optie, te mogen huren. Het Stadsbestuur wil echter eerst zekerheid hebben of hij wel de intentie heeft in dit huis zijn Franse kostschool voor te zetten.

Daarnaast krijgt Jacomina Susanna Breekpot in april 1801 toestemming om binnen de stad onderwijs in de Frans taal te geven. Voor dat doel mag ze haar leerlingen onderwijs geven in een door haar te huren kamer.
Maar ook Jean Petit en zijn echtgenote Marie Christine Swenser krijgen in december 1802 toestemming voor het geven van ‘instructie aan jonge lieden in de Franse taal’.
En vanaf mei 1805 mag ook Antoine Fredrik Carton, gewezen kostschoolhouder te Middelburg, op zijn verzoek gedurende de tijd van twee maanden privaat onderwijs in de Franse taal geven. Hij krijgt toestemming de jonge lieden in de Franse taal en andere wetenschappen te instrueren buiten de normale schooltijden in de school van de stadsschoolmeester L.A. Alblas. Al in augustus 1805 mag schoolmeester Carton definitief Franse school houden in een van stadswege beschikbaar gesteld lokaal en dat voorlopig gratis. De stadsdirecteuren krijgen opdracht om daarvoor in het gebouw van de voormalige schutterij van de Edele Busse in de Wijngaardstraat, aan het einde van de Sint Adriaanstraat, een geschikte plaats in gereedheid te brengen.

In augustus 1806 verzoekt de Franse schoolmeester Carton met de functie van stadsschoolmeester in de Franse taal en wetenschappen te worden begunstigd. Daarvoor zouden dan de nodige schikkingen ten aanzien van zijn huisvesting en andere punten, nodig voor het houden van een geaccrediteerde kostschool, dienen te worden gemaakt. Het Stadsbestuur besluit dit verzoek af te wijzen.
Niettemin worden de stadsdirecteuren gemachtigd om in het gebouw van de voormalige schutterij de Edele Busse zodanige voorzieningen te treffen dat hem een betere gelegenheid wordt gegeven om daar school te houden en instructie in de Franse taal aan jonge lieden te geven.

In december 1806 verzoekt de heer Jaques Jenoteau ontslag als Frans kostschoolhouder en als voorlezer en voorzanger bij de Waalse gemeente. Om in de vacature te voorzien wordt een collegium qualificatum gehouden. Daarnaar worden afgevaardigd de heren Erlach la Motthe en Van de Spiegel om namens de stedelijke raad te assisteren bij het vermaken van de kerkenraad en de vervulling van de vacature van voorlezer, voorzanger en schoolmeester bij de Waalse gemeente.

Latijnse school

Er is deze jaren geen Latijnse school meer in de stad. Het voormalige gebouw van de Latijnse school aan de Beestenmarkt (nummer 1) is de afgelopen jaren gebruikt als kazerne voor het in de stad gelegerde garnizoen.
In juni 1802 gelast de kwartiermeester, generaal Gradman, de huur van alle lokalen, die tot kazernes voor de troepen hebben gediend, op te zeggen. De schulden vanwege achterstallige huur zullen van tijd tot tijd worden voldaan. De generaal legt een memorie over van de schulden die nog onbetaald zijn. Het gaat om een bedrag van maar liefst £ 5012.8.12. Het Stadsbestuur besluit ten spoedigste en op de meest dringende wijze op afbetaling van deze schulden aan te dringen. Namens het Stadsbestuur zal de secretaris zich tot de kwartiermeester-generaal wenden.

De stadsdirecteuren krijgen machtiging om op het verzoek, dat enige tijd geleden door apotheker J.C. Crucque is gedaan, met hem op de meest convenabele wijze over de huur van het pand Beestenmarkt nummer 1, dat voorheen als Latijnse school heeft gediend, een contract aan te gaan, althans als hij gezind is om daarover billijke voorwaarden aan te gaan. Het blijkt dat met Crucque een overeenkomst kan worden gesloten over de huur van dit gebouw voor een jaar, met nog een jaar optie, voor £ 22.1.8 per jaar.

In september 1803 verzoekt de adjudant-generaal Ussler het gebouw van de voormalige Latijnse school geschikt te maken tot logement voor uit het hospitaal terugkerende militairen.

Particuliere schooltjes

Ook nu zijn er verscheidene particuliere schooltjes in de stad. Zo krijgt Pieternella Vertregt echtgenote van Jan Verdonck in november 1804 vergunning om als schoolmeesteres in de stad op te treden. En in juli 1805 mag ook Cornelia van Bregt echtgenote van Jan Steutel een kinder-, brei- en leesschool oprichten.

Stadsbibliotheek

In het Stadhuis wordt de zogenaamde stadsbibliotheek bewaard.
In juni 1802 deelt de president het Stadsbestuur mee dat hij de gedrukte notulen van de Vertegenwoordigers des Zeeuwschen Volks en van de Provinciale Raad over 1797 heeft ontvangen. Besloten wordt deze in de stadsbibliotheek op te nemen.

Ook in november 1805 ontvangt het Stadsbestuur een schenking voor de stadsbibliotheek. De president legt ter vergadering over een door de heer M. Slabber aan de stad aangeboden exemplaar van diens uitgegeven ‘Natuurkundige verlustigingen of microscopische waarnemingen en in- en uitlandsche water- en landdieren’. Daarmee wil hij de bibliotheek van de stad verrijken. Het Stadsbestuur besluit de heer Slabber te berichten ‘dat het de Raad aller bijzonderst tot genoegen verstrekt die van een van haar leden te mogen ontvangen, dat het exemplaar alzo dankelijk wordende aangenomen een plaats in de Stadsbibliotheek zal gegeven worden om aldaar ten duurzame aandenken te strekken, aan de ene zijde van de kundigheden en gevoelens van de Schrijver en aan de andere zijde van de gevoelens van achting waarmee deze vergadering voor denzelven bezield is’.

Zangkunst

Voor het eerst in de geschiedenis van Goes is er sprake van een zangkoor. In augustus 1802 presenteren zich bij het Stadsbestuur ‘de leden van een zeker gezelschap, welke zich in de zangkunst oefenen’. Op hun verzoek wordt hen het gebruik van de Kleine of Gasthuiskerk aan de Gasthuisstraat en van het orgel, ‘mitsgaders het gebruik van licht ten koste van de kerk’, toegestaan.
Enkele maanden later, in oktober 1802, besluit het Stadsbestuur op verzoek van de burger Van de Velde die leden van het gezelschap tot oefening in de zangkunst, die in de Voorstad woonachtig zijn, vrij te stellen van het poortgeld op de avonden van de bijeenkomsten van het muziekgezelschap. De poortiers krijgen hiervoor een aanzegging.

In oktober 1806 leggen de stadsdirecteuren de stedelijke raad de vraag voor of bij voortduur van stadswege het benodigde vuur en licht aan het Muziek Collegie moet worden verschaft. Het Stadsbestuur overweegt enerzijds het voordeel om bij voortduur het genot te hebben van wat zo vele jaren aan het muziekgezelschap is verleend en anderzijds het belang om alle misbruik dat daaromtrent tot schade van de stad mocht plaats hebben te voorkomen. Besloten wordt het Muziek College wel het gewone vuur en licht te verschaffen doch te bepalen dat in elk winterseizoen de kosten daarvan niet hoger zullen mogen zijn dan een som van £ 17.6.8.

Toneeluitvoeringen

Regelmatig krijgt het Stadsbestuur verzoeken om medewerking aan toneeluitvoeringen.

In januari 1803 verzoekt Jan Rottier, wonend aan het Hoofd, toestemming om in de aanstaande zomer, op een zodanige tijd buiten de zondag als hem het meest geschikt voorkomt, in zijn huis door een toneelgezelschap een of meer keren een toneelstuk te laten vertonen. Het Stadsbestuur wijst dit van de hand. Rottier wordt ‘wel ernstig gerecommandeerd zig bij vervolg te menageren den Raad met soortgelijke verzoeken lastig te vallen’.

In oktober 1804 is het een zekere Arend Hoetink, directeur van een gezelschap Hollandse acteurs en actrices, die toneeluitvoeringen wil geven. Op de laatst gehouden Goessche kermis heeft zijn gezelschap enige uitvoeringen gegeven. Hij verzoekt toestemming om in de maanden december, januari en februari binnen de stad met zijn gezelschap enige ‘representaties ten tonele te voeren’. Hij wenst daarvoor het bovengedeelte van de Franse kerk aan de Zusterstraat te gebruiken. Onder toezicht van de stads opperfabriek wil hij voor zijn rekening enige geringe maar noodzakelijke veranderingen laten maken. Het Stadsbestuur besluit echter het gebruik van de Franse kerk af te wijzen. Het wordt hem echter vrij gelaten om, voorzover hij dat wenst, elders binnen de stad enige toneeluitvoeringen te geven.
Enkele weken later heeft Hoetink een andere gelegenheid gevonden. Hij schrijft dat hem nu een ander zeer geschikt lokaal tot het oefenen van de toneelkunst is voorgekomen. Het betreft de grote of zogenaamde schutterskamer van het gebouw van de voormalige schutterij van de Handboog aan het verlengde van de Kreukelmarkt, staande aan de zogenaamde Hooge Boomen. Het Stadsbestuur besluit hem in november toestemming te geven ‘voor het gebruik van de groote kamer in de gewezen schutterij de Handboog, mitsgaders dit gebouw tot een geschikte vertoonplaats geschikt te maken’. Zodra het gebouw nodig is voor kazerne voor de troepen zal het moeten worden ontruimd.

In december 1805 verzoekt Arend Hoetink toestemming om gedurende het aanstaande winterseizoen weer met zijn toneelgezelschap enige uitvoeringen te mogen geven en daarvoor gebruik te mogen maken van het gebouw van de voormalige schutterij van de Edele Busse aan de Wijngaardstraat, aan het eind van de Sint Adriaanstraat. Hij krijgt toestemming van het Stadsbestuur ‘mits de door hem te doene betimmering van de grote zaal in het gebouw van de Busse geschiedt onder toezicht van de stadsfabriek’. Hij moet de betimmering te zijner tijd wegnemen.
In december 1806 wijst het Stadsbestuur het verzoek van Arend Hoetink om met zijn toneelgezelschap deze winter enige uitvoeringen te mogen geven van de hand.

Jan Rottier, wonend aan het Hoofd, verzoekt in september 1806 toestemming om een schouwburg in zijn huis aan te mogen leggen en daar toneel- en kluchtspelen te mogen vertonen. Het Stadsbestuur geeft hem te kennen dat hij uit vorige afwijzende beslissingen van de raad had kunnen concluderen dat de raad niet genegen is zijn verzoek in te willigen. De stedelijke raad neemt het hoog op en betoogt: ‘Hij had moeten gevoelen hoe onvoegbaar het is zijn instantie alweder te herhalen; hij schijnt het niet te kunnen laten om het verzoek van tijd tot tijd opnieuw voort te brengen’. Hij wordt ‘nu zeer serieuselijk gerecommandeerd van zich daarvan in het vervolg te onthouden en deze vergadering niet verder te fatigeren (lastig te vallen) met een verzoek waaromtrent hem de intentie van dezelve zo duidelijk is kenbaar geworden’.

Cultureel erfgoed

Luitenant-kolonel Kraayenhof te Breda verzoekt het Stadsbestuur in april 1801 om de door de landmeter Laurens Boeren getekende kaart van de Zeeuwsche Eilanden, die op het Stadhuis berust, voor drie à vier maanden te mogen lenen. Hij wil daarvan gebruik maken in de compositie van een nieuwe geografische kaart van de Bataafse Republiek.


Elk jaar verschijnt er weer een almanak. De stadsboden krijgen op hun verzoek elk jaar toestemming om tegen het volgende jaar weer almanakken te mogen rondbrengen.

In januari 1802 worden de boekhandelaren David Koning en Francois Oversluis begunstigd met het privilege tot uitgave van de zogenaamde ‘Naamwijzer van de Stad Goes, het eiland Zuid-Beveland en de eilanden Sint Joosland, Wolphaartsdijk, Noord-Beveland en Oost-Beveland’. Oversluis beklaagt zich in november 1805 dat z’n collega Koning in gebreke blijft het benodigde aantal exemplaren van de Naamwijzer aan hem te bezorgen. Het Stadsbestuur stelt de brief in handen van de raadsleden Dominicus en Van Kleijnputte om de beide boekhandelaren over het uitgeven van de Goessche Naamwijzer te horen en te proberen hen te verenigen. Het blijkt dat het geschil gaat over de doorverkoop van Naamwijzers aan een derde boekhandelaar. Het gelukt de kwestie minnelijk op te lossen.

De stadsdirecteuren krijgen in januari 1803 opdracht om er op toe te zien dat voortaan, zowel op de zogenaamde bodebussen van de stadsboden als waar dit elders gevoeglijk kan geschieden, weer wordt geplaatst en in gebruik gebracht het Stadswapen, zoals dat vanouds bestaan heeft en dit aan de stad toekomt.