Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1801 - 1806)

Openbare orde en rust

In mei 1801 ontvangt het Stadsbestuur een brief van president en schepenen van de stad, waarbij ze voorstellen de publicaties tegen het zetten van gelagen op zondagen te hernieuwen. Het Stadsbestuur besluit de Publicatie van de 24e september 1796 te renoveren en het tappen en zetten van gelagen, het spelen op billiarden, kolfbanen en dergelijke op zondagen te verbieden gedurende de tijden en uren die aan de openbare godsdienst zijn toegewijd.

Er komt in september 1801 een bericht van het Uitvoerend Bewind van Zeeland waarbij de Publicatie van de 12e augustus 1798 tegen de roverijen van kapers en commissievaarders worden hernieuwd. Het Stadsbestuur kondigt deze Publicatie af.

In de vergadering van de stedelijke raad van de 26e september 1801 deelt de president mee dat hij is opgewacht door de officier, commanderende de Franse troepen in de stad. Deze stelde hem in kennis van zijn ontvangen orders om met overleg van het Stadsbestuur alles in het werk te stellen om de rust en goede orde, als deze onverhoopt in de huidige situatie waarin de Republiek verkeert schijnt te zullen worden gestoord, binnen de stad te handhaven.

Het Stadsbestuur besluit op de 17e april 1802 bij Publicatie te verbieden het leuren met goederen langs de huizen, evenals het verkopen van goederen door vreemdelingen aan particuliere en geen neringdoende ingezetenen in logementen of andere huizen. Goederen die binnen de stad niet worden gemaakt of in enige winkel verkocht, zijn hiervan uitgezonderd. Voor het verkopen daarvan is zal wel een consentbiljet vereist van de voorzitter van de raad.

In mei 1802 komt de waarnemend baljuw J.A. Stokmans in de vergadering van de stedelijke raad. Hij deelt mee graag te zullen voldoen aan het verlangen van de vergadering wat betreft het tegengaan van het spelen op de viool op zondagen ten huize van Leendert Verduin buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort. Echter de bepalingen van de Publicatie van de 6e mei 1801 zijn niet duidelijk genoeg om op grond daarvan maatregelen te treffen. Het Stadsbestuur besluit daarop de Publicatie van de 6e mei 1801 te herzien en te verbieden ‘het spelen of laten spelen op de viool of enig andere musijkinstrument in herbergen, kroegen of andere publieke huizen, mitsgaders het spelen of laten spelen op billiarden of kolfbanen des zondags, zonder uitzondering van tijd en dus zowel voor, tijdens als na de openbare godsdienstoefeningen, alles onverminderd zodanig verbod tegen het zetten van gelagen gedurende de tijd van oefening van de openbare godsdienst geschikt, als bij de voorschreven Publicatie gedaan’.


Joseph Vaas betoogt in oktober 1803 dat hij sinds enige jaren negotie heeft gedaan in magere varkens. Daarvoor plaatste hij dan in de slachtmaand en andere tijden in het jaar aan het einde van de haven, tussen de zogenaamde ‘twee poorten’, een hok tot afsluiting van de varkens. Daarvoor betaalde hij aan de stad een recognitie van twee rijksdaalders per jaar. Nu hij thans woonachtig is in het Logement ‘de Zwaan’ is hij verplicht op marktdagen zijn zaken in persoon gade te slaan. Hij is daardoor met geen mogelijkheid in staat om tegelijkertijd ‘tussen de twee poorten’ te zijn om zijn handel te drijven en in zijn logement ‘de Zwaan’. Hij verzoekt dan ook het varkenshok te mogen verplaatsen. Omdat zijn woonpand uitkomt op de Vlasmarkt, heeft hij daar de beste gelegenheid om het varkenshok voor zijn achterhuis te plaatsen en op deze wijze zijn logementaffaire en zijn negotie tegelijkertijd waar te nemen. Hij verzoekt vergunning om zijn varkenshok op de gebruikelijke tijden te verplaatsen achter zijn achterhuis en is bereid daarvoor vier rijksdaalders per jaar te betalen.

Er wordt op de 11e februari 1804 een Publicatie van het Departementaal bestuur afgekondigd dat niemand het eiland Walcheren zal mogen doorgaan zonder van een paspoort te zijn voorzien.
In juni 1804 schrijft het Departementaal bestuur voor dat het weekblad de Themis wordt verboden. De strengste recherche zal worden gedaan tegen de auteur, drukker en verspreider van dit weekblad.
Ook gelast het Staatsbewind op de 7e juli om de plakkaten, wetten en ordonnanties tegen het schrijven, drukken en verspreiden van naamloze en andere ‘eerrovende paskwillen, schotschriften of weekbladen’ op het nauwkeurigst na te leven. Deze resolutie wordt tot het naleven daarvan toegezonden aan president en schepenen van de stad.

Het Departementaal Bestuur van Zeeland gelast in januari 1806 ‘om te weren alle zedenbedervende spelen, vertoningen en gezangen op de openbare straten, alsmede alle zogenaamde waarzeggers, horoscooptrekkers en diergelijke bedriegers’. Deze brief wordt aangenomen tot informatie.

Baljuw

In maart 1801 klagen de directeuren van het zogenaamde Constitutioneel Gezelschap over de handelwijze van de baljuw Speeleveld in de vergaderkamer van het gezelschap op afgelopen zondag. Hij legde de kastelein een verbod op om drank te schenken. Het Stadsbestuur verwijst de directeuren naar het college van schepenen van de stad.

Het college van schepenen geeft in mei 1802 kennis van de voortdurende afwezigheid van de baljuw, Hendrik Speeleveld. Om deze en andere redenen verklaren ze de baljuwage van de stad vacant. Voor de voorlopige waarneming van dit ambt stellen ze Jan Aegidius Stokmans aan. Deze accepteert dit, mits hij in staat wordt gesteld ‘om ten laste van de stadskas met een bekwaam praktisijn te kunnen accorderen teneinde hem in voorkomende gevallen te dienen’. Het Stadsbestuur besluit geen verdere betalingen van het traktement uit de stadskas aan de boedel van Speeleveld te doen en vanaf de 1e april het traktement te betalen aan de nieuw aangestelde baljuw Stokmans. Ook zal daaruit voldaan moeten worden het salaris van de praktisijn die door hem zal worden geraadpleegd.

 

In april 1803 stelt de gecombineerde vergadering van de stedelijke raad en de rechtbank, in bijzijn van de leden van de Rechtbank Jan Dominicus, Nicolaas van der Hagen en Daniël de Meijer, een nominatie op voor de functie van baljuw. Deze vermeldt de namen Jan Aegidius Stokmans, Leendert Krekelenberg en Adriaan van den Thoorn. Het Departementaal Bestuur van Zeeland benoemt Jan Aegidius Stokmans. De nieuwe baljuw Stokmans legt in handen van de president van de Raad de eed af, in bijzijn van de leden van de Rechtbank Dominicus, Van der Hagen en De Meijer.

Rechtbank

In opdracht van het Departementaal Bestuur van Zeeland wordt in 1803 een concept voor een Reglement voor de inrichting van de Rechtbank opgesteld. Na onderzoek hiervan door de raadsleden Dominicus, Keetlaar, Van Erlach La Motthe, Soetebier en Van de Spiegel stelt de Raad het Reglement op de 22e maart 1803 vast.
In april worden veertien stemgerechtigde burgers genomineerd, waaruit het Departementaal Bestuur van Zeeland een benoeming kan doen van een president en zes leden van de Rechtbank van de stad. Op de nominatie worden geplaatst mr. Jan Gerard de Witt Hamer, Jan Dominicus, mr. Bernardus Pieter van Kerkwijk, Johannes Antonius Eltsman, Cornelis Pieter Keetlaar, Johannis Nederveen, Pieter Ossewaarde Pzoon, Martinus Slabber, Nicolaas van der Hagen, Daniël de Meijer, Michaël Constantijn van Dorth, Cornelis Mispelblom, Jan Boddingius en Jan Soutendam. In het bijzonder wordt mr. J.G. de Witt Hamer voor de functie van president aanbevolen.

Het Departementaal Bestuur van Zeeland benoemt tot president van de Rechtbank mr. J.G. de Witt Hamer en tot schepenen P. Ossewaarde, C.P. Keetlaar, M. Slabber, J. Dominicus, N. van der Hagen en D. de Meijer.
Maar de benoemde heren De Witt Hamer en Ossewaarde bedanken voor de eer. Voor de twee vacante schepenplaatsen worden vervolgens genomineerd: mr. Cornelis van Erlach La Motthe, Pieter Damas van Hogendorp, Jan Soutendam en Johannes Wilhelmus Hecking. Op de nominatie voor president worden geplaatst Martinus Slabber en Jan Dominicus en op die voor schepen: mr. Cornelis van Erlach la Motthe en Johannes Wilhelmus Hecking. Tot president van de Rechtbank wordt in mei 1803 benoemd Martinus Slabber en tot schepen mr. Cornelis van Erlach La Motthe. Door de benoeming van Slabber tot president ontstaat er een vacature van schepen. Hierin wordt benoemd Pieter Damas van Hogendorp.

In november 1803 ontstaat er een vacature van schepen in de Rechtbank door de aanstelling van C.P. Keetlaar tot lid van het Departementaal Bestuur van Zeeland. Op de nominatie voor de schepenplaats worden geplaatst Michaël Constantijn van Dorth en Jan Dyserinck Dekker. Van Dorth wordt benoemd. .

De Raad van de stad houdt op de 17e maart 1804 een gecombineerde vergadering met de schepenen van de Rechtbank Jan Dominicus, Daniël de Meijer, Michaël Constantijn van Dorth en Pieter Damas van Hogendorp. Overwogen wordt dat tot heden geen vaste bepalingen zijn gemaakt over de wijze van delibereren en het opmaken van conclusies in gecombineerde vergaderingen van de Raad en de Rechtbank die bij sommige gelegenheden overeenkomstig de Reglementen voor die colleges plaats hebben.

Eenparig besluiten beide colleges tot de volgende afspraken:

  • alle zaken in die vergaderingen zullen door de president van de Raad in omvraag en deliberatie worden gebracht;
  • de president van de Raad zal pre-adviseren en vervolgens het advies van de President van de Rechtbank vragen en verder een alternatief van een lid van de Raad en de Rechtbank;
  • een lid van de raad, tevens schepen zijnde, zal echter slechts één stem uitbrengen;
  • alle conclusies zullen worden opgemaakt bij meerderheid van stemmen;
  • bij het formeren van nominaties of het doen van aanstellingen zullen de absente leden  hun schriftelijke stembiljetten kunnen doen inbrengen.

In juni 1806 geeft de president van de Rechtbank kennis dat door de Rechtbank zeer waarschijnlijk veroordeeld zal worden tot openbare schavottering en confinement van zeker gedetineerde. De stadsdirecteuren worden verzocht op de voldoening van de kosten daarvan de nodige orders te stellen.

Nachtwacht

De nachtwacht bestond in de 18e eeuw uit twaalf zogenaamde klapperlieden. Ze hielden ’s nachts hun verblijf in een benedenruimte van het Stadhuis.
In januari 1801 beraadslaagt het Stadsbestuur over het weer in gang brengen van de klapperwacht. Al op de 26e december 1800 werd besloten boven de aangestelde acht klapperlieden (ieder op een jaarlijks traktement van £ 75) een majoor aan te stellen op een traktement van £ 50 per jaar. Tevens zouden acht extra-ordinaire klapperlieden worden aangesteld, die, zonder enig vast traktement te genieten, in geval van ziekte of ongesteldheid de functie van ordinaire klapperlieden zullen waarnemen en, bij een vacature, naar de orde van hun aanstelling als gewone klapperlieden zullen kunnen invallen. Allen zullen zich stipt moeten gedragen naar de Ordonnantie van 1666.

De sleutels van de stadspoorten zullen ‘s nachts op de wacht berusten en elk uur door de klapperlieden, als ze naar de poorten gaan, worden meegenomen om de ordonnances of andere belanghebbenden te kunnen in- en uitlaten. Ze moeten alert zijn om geen verdachte personen in de stad toe te laten. In buitengewone gevallen moeten ze terstond kennis geven aan de voorzitter van het Stadsbestuur.
Tot majoor van de klapperwacht wordt aangesteld Paulus Zuijdweg, tot de acht gewone klapperluiden Jacob de Meulmeester, Pieter Willemse, Daniël Bos, Cornelis den Braber, Bastiaan Frederiks, Jacob Potvliet, Marinus Wagenaar en Antonie Noorthoeve en tot de acht assistent-klapperlieden Jan de Beste, Jacob van der Schragen, Pieter de Schutter, Pieter Behage, Gijsbregt Schuiling, Pieter de Bruine, Leendert de Visser en Jan Hollestelle.
Al in juli 1801 overlijdt de majoor van de klapperwacht (tevens keurmeester van de vis op de vismarkt) Paulus Zuidweg. In zijn plaats wordt benoemd Cornelis den Braber, een van de gewone klapperwachten.
Elk jaar wordt de klapperlieden volgens oud gebruik toestemming verleend om op de eerste januari aan de huizen van de burgers binnen de stad te mogen omgaan.

Gevangenis

In oktober 1804 is er grote ontstemming in de stad over de ontsnapping van de gedetineerde Cornelis Crombouw uit de gevangenis. Tegen Crombouw was ‘een lijfelijke straf’ over begane diefstal gevorderd, maar hij is uit zijn detentie weten te ontkomen. Het is er de Rechtbank zeer veel aan gelegen om Crombouw weer in handen te krijgen en hem tot afschrik van anderen de verdiende straf voor zijn bedreven misdaden te laten ontvangen en ook om degenen die hem behulpzaam zijn geweest bij zijn vlucht op te sporen.
De Rechtbank wijst ook op ‘de geringe vigilantie, onattentie of kwade trouw welke die van de klapperwacht aan de dag hebben gelegd, vermits de braak aan het stadsgevangenhuis in de nabijheid van hun wacht is geschied zonder dat dit door hen schijnt bemerkt te zijn’.
Er wordt een premie uitgeloofd van £ 25 voor degene die Crombouw of degenen die zich aan het geweldig breken aan stadsgevangenhuis hebben schuldig gemaakt in handen van de justitie te krijgen. Vier klapperlieden worden geschorst uit hun functie. Als een week later blijkt dat er geen sprake was van kwade trouw maar meer van onoplettendheid, wordt de schorsing weer opgeheven.

Extra-ordinaire compagnie

Het Stadsbestuur constateert in mei 1802 dat die van de extra-ordinaire compagnie, de zogenaamde ‘Roode Roede’, hoe langer hoe meer in gebreke blijven om naar behoren hun plicht te vervullen. Hierdoor vermeerdert het aantal landlopers dagelijks. Het is dringend nodig tot bevordering van de algemene veiligheid met de meeste spoed hierin te voorzien. Besloten wordt de leden van het Stadsbestuur Gorsse en Stokmans te verzoeken hierover hun gedachten te laten gaan, daarover te overleggen met de waarnemend baljuw en het Stadsbestuur te adviseren.

In januari 1803 wordt de extra-ordinaire compagnie of ‘Roode Roede’ op het ernstigste gelast er op toe te zien en te zorgen dat door het aanhouden en opbrengen van alle personen, verdacht van goederen uit te leuren of om te dragen met rijtuigen of anderszins, stiptelijk wordt voldaan.

Brandweer

Deze jaren zijn er drie brandspuiten in de stad, namelijk de grote stads brandspuit bij het kerkhof rond de Grote kerk, de brandspuit bij de Oostpoort en de brandspuit in de Voorstad.
In maart 1804 besluit het Stadsbestuur de generale brandmeesters toestemming te verlenen  om nu en voortaan, bij de verdeling van de premies van de brandspuiten door de ingezetenen naar rato van de 100e penning op de huizen, de bedienden van de brandspuit in de Voorstad daarin mee te laten delen. 

In oktober 1805 komt door het overlijden van Johannes Harinck Czoon de functie van generale brandmeester bij de grote stadsbrandspuit aan het kerkhof vacant. Op voorstel van de generale brandmeesters besluit het Stadsbestuur dat het tot een betere bewaring van de orde bij brand onder de bedienden bij de brandspuiten, het nuttig zou zijn dat volgens het aloude gebruik een lid van de stedelijke raad tot generale brandmeester wordt aangesteld. Besloten wordt Nicolaas van der Hagen in deze functie aan te stellen.

Notarissen en procureurs

In 1801 wordt Matthijs Poelman Jzoon toegelaten om als notaris in de stad en jurisdictie op te treden. Als procureurs voor de vierschaar treden op Cornelis Dijkwel, Gijsbertus van den Hoek en Jan Soetebier en voor het landrecht Franciscus Henricus Wagenaar.
In 1803 krijgt ook notaris Leonardus Lankhorst toestemming om als procureur voor het college van het landrecht en voor de rechtbank en de vierschaar op te treden.

In juli 1802 dienen de procureurs die voor de colleges van justitie en het landrecht optreden een verzoek in om hun functies te mogen voortzetten. Het Stadsbestuur besluit de burgers Cornelis Dijkwel, Gijsbertus van der Hoek, Izaac Cru en Jan Soetebier als procureurs voor het college van justitie en het landrecht en de burger Franciscus Henricus Wagenaar als procureur alleen voor het landrecht in die functie te continueren.
Ook dienen in juli 1802 de notarissen en procureurs Adrianus de Jongh, Matthijs Poelman, Izaak Cru, Jan Soetebier en Franciscus Henricus Wagenaar een verzoek in om:

  • het ambt alhier te recommanderen zonder oogluiking de hand te houden aan de resolutie van 22 juni 1678, waarbij aan de niet toegelaten notarissen de uitoefening van hun ambt binnen de stad en jurisdictie wordt verboden;
  • te bepalen dat in de stad geen notarissen noch procureurs voor de vierschaar meer zullen worden toegelaten dan nadat het aantal van de huidige notarissen tot zes en dat van de procureurs tot vier zal zijn uitgestorven.

Het Stadsbestuur besluit president en schepenen op te dragen zonder enige conventie de hand te houden aan de resolutie van 22 juni 1678 en hen te verzoeken te bewaken dat geen niet toegelaten notarissen hun ambt binnen de stad en jurisdictie uitoefenen. De overtreders van deze resolutie zullen bekeurd worden.

Marinus Spijk krijgt in januari 1804 brieven van voorschrijving aan het Departementaal Bestuur van Zeeland om tot ’s lands deurwaarder te worden aangesteld.

Burgermacht

Johan Ludwig Langguth krijgt in januari 1801 brieven van voorschrijving om als zogenaamde Plaats Majoor in de stad te worden aangesteld.

Op verzoek van de commandant van de gewapende burgermacht geeft het Stadsbestuur in juni 1801 toestemming dat de burgerwachtkamer van het Stadhuis als een ‘Provoost’ voor de leden van de gewapende burgerwacht wordt gebruikt.

De president deelt het Stadsbestuur in oktober 1803 mee dat de commanderende kolonel Canberet hem heeft kennis gegeven van de beschikking van generaal Monnet, dat niemand uit het eiland zal mogen vertrekken mits voorzien van een behoorlijk paspoort, getekend door een van de commanderende militaire officieren. Deze dispositie wordt gepubliceerd om de ingezetenen voor onaangenaamheden te behoeden.

Het Departementaal Bestuur van Zeeland schrijft de gemeentebesturen op de 28e december 1803 aan om bij de licentiate van de gewapende burgerkorpsen over te nemen de geweren en verdere wapenrustingen die voorheen hebben gediend. Na het opbrengen daarvan zal een accurate lijst worden geformeerd en aan de adjudant-majoor worden ingezonden.
Het Stadsbestuur schrijft in februari 1804 aan de adjudant majoor W.B. van Deinse van de 8e halve brigade van de gewapende burgerwacht: ‘Volgens besluit van het Staatsbewind van 28 december alle de wapenrustingen der gewapende burgers thans zijnde opgebracht, gaat hier nevens een inventaris derzelve, benevens een gelijke inventaris van die wapenen, welke buiten gebruik zijnde, door de capitein der vorige burgerwacht gerecommandeerd hebbende, aan ons zijn overgebracht’. Uit de inventaris blijkt dat er 372 geweren, 48 sabels, 11 patroontassen, 630 patronen en 300 vuurstenen aanwezig zijn.
Een andere lijst van de infanterie vermeldt 93 geweren, 68 sabels en 108 patroontassen en van de artillerie 44 sabels. Uit een derde inventarislijst van alle wapens, wapenrustingen en ammunitie van Jacobus van Kleijnputte blijkt de aanwezigheid van 107 generaliteitsgeweren, 36 Engelse geweren, 224 geweren sterk geroest en zeer vele defect, 51 patroontassen, 60 patroontassen met zwarte bandelieren, 48 sabels, 61 witte porte sabels of draagbanden, 27 zwarte draagbanden, 620 patronen en 300 vuurstenen.
In het gemeentearchief bevindt zich ook een lijst of inventaris van de ontvangen burgerwapens op het Stadhuis van 4 januari tot 1 februari. Deze vermeldt: 476 geweren (volgens opgaaf van de commandant 372), 220 patroontassen (volgens opgaaf van de commandant 111), 112 sabels (volgens opgaaf van de commandant 48), 148 draagbanden (volgens opgaaf van de commandant 88) en 4 trommels. Op de kruittoren worden in bewaring gegeven 7492 patronen.

Op de 31e december 1803 geeft de commanderende kapitein van de gewapende burgermacht, J. van Kleijnputte, het Stadsbestuur kennis dat hij een order van de kolonel van de burgermacht heeft ontvangen om heden, overeenkomstig het besluit van het Staatsbewind, de burgermacht in de stad op de meest eervolle wijze te ontslaan en voor hun gedane diensten te bedanken. Hij verzoekt een geschikte plaats aan te wijzen om de geweren en verdere wapens in bewaring te stellen. Het Stadsbestuur besluit een commissie in te stellen, bestaande uit de heren Van Kleijnputte, Van Erlach La Motthe en de secretaris, om namens het Stadsbestuur de gewapende burgerij het genoegen van de vergadering over hun gehouden gedrag te betuigen en voor hun aan de stad en ingezetenen bewezen diensten te bedanken. De wapens kunnen in het Stadhuis op een verzekerde plaats worden gedeponeerd.

Het Stadsbestuur overweegt op de 5e januari 1804 dat door het ontslag van de gewapende burgermacht op zaterdag jongstleden bij onverhoopt ongeval van brand alle noodzakelijk toezicht op het houden van behoorlijke orde en het weren van ongeregeldheden ontbreekt. Dit zal de gevaarlijkste gevolgen kunnen hebben. Besloten wordt de generale brandmeesters in de vergadering van het Stadsbestuur uit te nodigen om hun advies in te winnen over de wijze waarop een voorlopige voorziening kan worden getroffen.
Na het horen van de brandmeesters besluit het Stadsbestuur overeenkomstig hun advies allereerst de nog in leven zijnde stokmans, die voorheen uit de schutterijen bij de brandspuiten hebben gefungeerd, te hulp te roepen. Verder zullen de burgers, die door de generale brandmeesters zijn opgegeven, samen in totaal twintig personen bij iedere spuit, worden uitgenodigd. Over acht dagen zullen deze burgers worden opgeroepen en uit naam van het Stadsbestuur worden uitgenodigd om zich tot deze dienst bereid te verklaren.

Het Staatsbewind schrijft de gemeenteraden op de 21e juli 1804 aan om, zodra doenlijk, bedacht te zijn op het voorlopig inrichten en daarstellen van een genoegzame burgerwacht om bij afwezigheid van garnizoen te kunnen worden ingezet voor het bewaren van de openbare rust, de bezetting van magazijnen en publieke landscomptoiren, de assistentie in geval van brand of andere diensten die gewoonlijk door de garnizoenen worden verricht.

Op de 14e november 1805 komt er een brief van het Departementaal Bestuur van Zeeland bij het Stadsbestuur binnen waarin uitvoering wordt gegeven aan het Staatsbesluit van de 5e november 1805. Hierin wordt voorgeschreven om de vereiste schikkingen te maken tot het in werking brengen in alle steden en plaatsten waar dat nodig mocht zijn, van plaatselijke burgermachten, uitsluitend voor de handhaving van rust, orde en politie bestemd. De raad wordt uitgenodigd een commissie te benoemen om op zaterdag de 16e november met gecommitteerden uit het Departementaal Bestuur in overleg te treden over de wijze waarop het staatsbeleid het beste kan worden uitgevoerd.
Het Stadsbestuur besluit de president en secretaris, beide heren Ossewaarde, af te vaardigen om zich naar Middelburg te begeven en daar de conferentie bij te wonen. Ze zijn bevoegd om naar bevind van zaken te handelen op een wijze die voor de stad het beste zal zijn en tot het minste bezwaar en ongerief van de burgerij zal strekken ten aanzien van de maatregelen die voor de uitvoering van het Staatsbesluit dienstig zullen worden geacht.

In de vergadering van de 18e november 1805 rapporteren de beide heren Ossewaarde over het gehouden beraad, samen met gedeputeerden van de steden Zierikzee en Tholen. De stadsbesturen zijn verzocht met spoed maatregelen te nemen door het doen opschrijven van alle manspersonen die tot de wapening verplicht zijn. Ook moeten stedelijke reglementen voor de inrichting en dienst van deze burgermacht worden vastgesteld. Allereerst moet het getal van de burgers worden bepaald die in iedere stad zullen worden gewapend. De bedoeling is dat de meest geschikte burgers tot de effectieve dienst worden opgeroepen. Hieraan zal de bewaring van orde en rust worden toevertrouwd.
Het Stadsbestuur besluit de voorgeschreven opschrijving met spoed uit te voeren. De heren Van de Spiegel, La Motthe en de secretaris worden verzocht een concept-reglement voor de inrichting van de gewapende burgermacht op te stellen. Dit moet tot het minste bezwaar van de burgerij zijn. Al op de 23e november stelt de stedelijke raad het door de commissie opgestelde concept-reglement voor de gewapende burgermacht vast en legt dit ter goedkeuring voor aan het Departementaal Bestuur van Zeeland.

Verder doet de commissie er alles aan om de heer J. van Kleijnputte, die voorheen als eerste kapitein de gewapende burgerij heeft gecommandeerd, te bewegen om het commando te aanvaarden. Tot hun leedwezen lukt dat echter niet. Eerst moet de commandant bekend zijn alvorens verdere schikkingen kunnen worden gemaakt die de wapening zal moeten voorafgaan. Het Stadsbestuur besluit de president te verzoeken om nog nader en met het meeste aandrang pogingen te doen om Van Kleijnputte tot het op zich nemen van de eerste kapiteinsplaats bij de op te richten burgermacht te bewegen.

Verder is voorgeschreven om twee compagnieën, ieder van 40 of 50 man, met de vereiste officieren en onderofficieren, te formeren en te proberen de sterkte van beide compagnieën te brengen op 60 man ieder of eventueel drie compagnieën te formeren elk van 40 man. Vooralsnog gaat het Stadsbestuur uit van een getal van 120 man. De wapenrustingen van de in februari 1804 ontbonden gewapende burgermacht zullen vooralsnog op het Stadhuis worden bewaard.

De president deelt op de 7e december mee dat op de nader gedane dringende verzoeken aan de heer J. van Kleijnputte deze zich bereid heeft verklaard het commando over de gewapende burgerij op zich te nemen. Het Stadsbestuur besluit Van Kleijnputte voorlopig tot de functies van kapitein bij de eerste compagnie van de gewapende burgerij en van secretaris van de krijgsraad te benoemen. De heren La Motthe, Van de Spiegel en de secretaris worden opgedragen om in overleg met Van Kleijnputte schikkingen voor de wapening van de burgerij te maken en speciaal voor de verdere officiersplaatsen zulke burgers aan de vergadering voor te dragen die ze zullen oordelen daarvoor het meest geschikt te zijn. Op de 14e december adviseert de commissie, na overleg met de kapitein-commandant Van Kleijnputte, om in de verdere officiersplaatsen te benoemen tot 2e kapitein de heer Cornelis Beijaard; tot luitenants de heren G. de Jonge Ossewaarde, J. van den Thoorn, F. de Keijzer en C. de Jongh.

Op de 4e januari 1806 stelt de stedelijke raad tot officieren van de op te richten 1e compagnie aan Jacobus van Kleijnputte als kapitein, Francois de Keijzer als 1e luitenant en G. de Jonge Ossewaarde als 2e luitenant. Voor de 2e compagnie Cornelis Beijaard als kapitein, Jan van den Thoorn als 1e luitenant en Cornelis M. de Jongh als 2e luitenant.
Tot secretaris van de krijgsraad en ontvanger van de stedelijke contributie voor de burgerwapening wordt aangesteld Jacobus van Kleijnputte, tot auditeur en griffier van de krijgsraad Jan Cornelis Crucque en tot bode Cornelis van de Volkeren.
In november oordeelt het Stadsbestuur het nodig bij elke compagnie nog een tweede luitenant aan te stellen. Bij de 1e compagnie wordt aangesteld Simon van Bel en bij de 2e compagnie Jozias Risseeuw.

Het Stadsbestuur stelt in maart 1806 het Reglement voor de gewapende burgermacht binnen de stad vast. De krijgsraad krijgt toestemming om de voorhanden zijnde wapenen te gebruiken en wordt verzocht een concept Reglement voor de contributies voor het vinden van de kosten van de wapening op te stellen.
In november 1806 geven de heren, die met het werk van de burgerwaping belast zijn, kennis dat ze daarmee zover zijn gevorderd dat het burgerkorps thans tot de sterkte is gebracht zoals bij het plaatselijke Reglement is bepaald. Tot de installatie van het korps kan worden overgegaan. Het Stadsbestuur besluit over acht dagen tot de installatie van de plaatselijke gewapende burgermacht. De commanderende officier wordt verzocht het korps tegen die dag in de wapenen te laten komen.

De commanderende generaal in het departement Zeeland verzoekt in oktober 1806 de gedeputeerde leden uit het Departementaal Bestuur om tot spoedige wapening van de burgerijen over te gaan en hiervoor reglementen vast te stellen. Het Stadsbestuur besluit met de meeste spoed tot de oprichting van een burgercorps over te gaan. Dit staat onder commando van de officieren die al bij besluit van de 4e januari 1806 zijn aangesteld. Dit burgerkorps zal gaandeweg worden gecompleteerd en op de voet gebracht zoals bepaald in het Algemeen Reglement van Burgerwapening.

Het Departementaal Bestuur schrijft eind september 1806 het Stadsbestuur aan om zonder het minste verwijl en met de meeste ijver te zorgen dat binnen de stad een burgermacht wordt opgericht. Binnen acht dagen dient een ontwerp voor een nieuw reglement voor de plaatselijke gewapende burgermacht te worden ingezonden. De leden La Motthe en Van de Spiegel met de secretaris belasten zich om met de benoemde kapitein van de gewapende burgermacht, J. van Kleinputte, het onlangs vastgestelde plaatselijke reglement te examineren. Op de 4e oktober 1806 stelt de Raad het ontworpen concept reglement vast.