Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1801 - 1806)

Schuttershoven

Schutterij van de Handboog
Het gebouw van de schutterij van de Handboog, gelegen aan het verlengde van de Kreukelmarkt, werd in 1799 in gebruik genomen als kazerne. Wel bepaalde het Stadsbestuur op de 19e mei 1799 dat het gebouw van de Handboog ‘bij den Vreede wederom aan de geïnteresseerden zou worden overgegeven’.
In mei 1801 stelt de kwartiermeester Langguth het Stadsbestuur in kennis van de door hem ontvangen aanschrijving om de huur van het gedeelte dat voor kazerne gebruikt is geweest, op te zeggen. Het Stadsbestuur besluit om deze lokalen, zodra deze zullen zijn ontruimd, weer aan de schutterij van de Handboog over te geven. De stadsdirecteuren krijgen in juni opdracht om voor de overdracht in goede staat en tot het meeste nut van de stad te zorgen. Ze dienen daarover te overleggen met de vertegenwoordigers van de voormalige schutters.
In december 1802 rapporteren ze, overeenkomstig het destijds gesloten akkoord voor het gebruik van de voormalige schutterij als kazerne, het gebouw in de vorige staat te hebben laten brengen. Ze hebben het gebouw weer in beheer gegeven van de gezamenlijke gewezen schutters van de Handboog, die dit hebben overgenomen en aanvaard.

In april 1803 dienen mr. W. Canisius, mr. B.P. van Kerkwijk, J. Jenoteau en mr. J.G. de Wit Hamer, leden van de schutterij van de Handboog, mede namens de overige leden van de schutterij, een verzoekschrift in bij het Stadsbestuur. Ze betogen ‘dat de gekwalificeerden der leden van de schutterijen van de edele Handboog, van de Voet- of Kruisboog en van de Coluveniers, den 19 mei 1798 van het bestuur van de stad hebben verzocht om voor zoveel nood te worden geautoriseerd de goederen, aangekomen hebbende of bezeten geweest zijnde bij de confrèren, te verkopen en derzelver provenu onder ten tijde der dissolutie daaraan deelgehad hebbende lieden, voor zoveel het elk der voorzeide schutterijen aanging, te mogen verdelen, mitsgaders dat henlieden zoude worden toegestaan de schutterijen of schuttershoven te mogen verkopen met het recht om daarin de tapnering, herberg en logement te mogen exerceren en houden’.
De schutterij van de edele Handboog is tot gebruik van de stad gedurende de toenmalige oorlog afgestaan en met ingang van de vrede weer aan hun leden ingeruimd. Ze vragen thans alsnog toestemming om de goederen van de schutterij te verkopen en de opbrengst onder de leden van de Handboog te mogen verdelen. Ook verzoeken ze toestemming de schuttershoven te mogen verkopen met het recht om daarin de tapnering, herberg en logement te houden.
Maar het Stadsbestuur besluit dit verzoek voorzover het betrekking heeft op de Handboog van de hand te wijzen.
Op de 8e augustus 1803 besluit het Stadsbestuur het gebouw van de schutterij door de stad in gebruik te nemen.

Op de 2e maart 1805 rapporteren de stadsdirecteuren aan het Stadsbestuur dat ze vernomen hebben dat op laatstleden zondag zekere 3½ roeden erve van de schutterijen in de verkoop zijn gegaan. Deze grond, gelegen in de zogenaamde ‘Hooge Boomen’ binnen de stad en achter het huis van Philippus de Wijs, zou door de directeuren van de voormalige schutterij de Handboog aan De Wijs worden verkocht. Deze grond behoort echter tot het plein van de schutterij van de Handboog. Ze menen hiervan mededeling te moeten doen aan de vergadering. Het Stadsbestuur besluit de president van de Rechtbank te verzoeken de nodige orders te stellen dat de voorgenomen verkoop van genoemde 3½ roede erve wordt geschorst en hier niet verder mee wordt voortgegaan.

Maar begin mei 1805 stelt notaris Gijsbertus van der Hoek de president van het Stadsbestuur een kopie ter hand van een voor hem gepasseerde acte door mr. W. Canisius, mr. B.P. van Kerkwijk, mr. J.G. de Witt Hamer en J. Jeneteau, leden van de voormalige schutterij van de Handboog, mede uit naam van de overige leden van de schutterij. Ze verklaren hierbij uitdrukkelijk te protesteren tegen de consequenties die zouden kunnen worden getrokken uit het besluit van het Stadsbestuur, waarbij de voorgenomen verkoop van de erve van het plein van de schutterij is geschorst. Het Stadsbestuur besluit deze akte zonder daarop acht te slaan te seponeren.
Enige tijd later, op de 29e juni, besluit het Stadsbestuur het gebouw van de schutterij de Handboog weer in gebruik te geven aan de gewezen schutters van de Handboog, onverminderd het recht van de stad daarop.

Schutterij van de Voetboog
In oktober 1803 leggen de stadsdirecteuren aan het Stadsbestuur voor een door hen met de directeuren van de voormalige schutterij de Voetboog gesloten contract. Daarbij wordt geregeld dat de voormuur en poort bij de ingang van de schutterij van stadswege zal worden afgebroken. Verder zal ten allen tijde over de achter de schutterij gelegen grond een vrije uitweg van het Oude Manhuis naar de voor de schutterij gelegen straat worden verleend.

De Voetboog doet in september 1805 opnieuw van zich horen. Namens de nog overgebleven schutters van de Voetboog stelt de heer Slabber voor hen vrij te laten de confrèrie door het aannemen van nieuwe leden weer tot stand te brengen.

Eind oktober 1805 komt er opnieuw een brief binnen van de nog overgebleven leden van de voormalige schutterij van de Kruis- of Voetboog. Het is ondertekend door de heren Martinus Slabber, Nicolaas Vervenne en Adriaan Vervenne. Ze geven te kennen dat ze tot heden toe, voor zoveel de bekrompen staat van hun financiën dit toegelaten heeft, zorg gedragen hebben voor het onderhoud van het schutterijgebouw. Maar omdat het aantal leden intussen van 41 tot 25 verminderd is, wordt er een aanmerkelijk verlies van jaarlijkse contributies veroorzaakt. Te vrezen is dat dit weleer aanzienlijke gebouw vanwege gebrek aan de nodige penningen voor onderhoud weldra tot verval zal geraken. Om dit te voorkomen hebben de leden van de schutterij onlangs besloten het getal van de leden onbepaald te vermeerderen zonder rekening te houden met godsdienstige richtingen en begrippen zoals eertijds plaats had. Ze verzoeken dan ook toestemming van het Stadsbestuur tot het aanvullen van hun leden zoals zij dat nodig zullen oordelen tot instandhouding van het gebouw. Ze verzoeken tevens het gebouw opnieuw aan hen in gebruik te geven om voortaan te dienen tot een Sociëteit van Vermaak.
Het Stadsbestuur besluit de gezamenlijke, nog in leven zijnde gewezen schutters van de schutterij de Kruis- of Voetboog toestemming te geven hun getal te vermeerderen en hen bij voortduur het gebruik van het gebouw en erve toe te staan om daarvan al zulk gebruik te maken als zij tot hun meeste genoegen zullen goedvinden.

In maart 1806 ontvangt het Stadsbestuur een verzoek van de gezamenlijke leden van de Sociëteit tot vermaak te Goes onder de zinspreuk ‘Van Ongeneuchten Vrij’. Ze verzoeken om het gebouw en erve van de voormalige schutterij de Voetboog tot gebruik van de sociëteit in erfpacht af te staan. Dit met vrijlating aan de leden om ten allen tijde als het hen of hun opvolgers zal goeddunken, hun verkregen recht te verkopen naar welgevallen. Voor erfpacht zullen ze jaarlijks een bedrag van £ 6 Vlaams betalen. Ze nemen op zich om te zorgen dat het gebouw ten allen tijde in een behoorlijke staat wordt onderhouden, alles zodanig als waarvoor de gezamenlijke leden zich hebben verbonden. Het verzoekschrift is ondertekend door Laurens Jan van de Spiegel, Martinus Slabber, Cornelis Kuijper, Jan Dyserinck Dekker, Adriaan Nortier, Nicolaas Vervenne en Caspar van Citters.

Het Stadsbestuur overweegt dat aan de voormalige schutters van de gewezen schutterij de Voetboog en aan degenen met wie zij hun aantal willen vermeerderen, het gebruik van het gebouw en erve is afgestaan om daarvan zulk gebruik te maken als zij tot hun meeste genoegen zouden goedvinden. De leden van de sociëteit moeten beschouwd worden in de plaats te zijn getreden van de voormalige schutters.
Besloten wordt de indieners van het verzoek te laten in het gebruik van het gebouw en dit met het daar op staande zomerhuis en houtgewassen aan hen af te staan en uit te geven onder betaling van een jaarlijkse erfpacht ten behoeve van de stad van £ 6 Vlaams. Wel wordt bepaald dat het erfpachtrecht op hun opvolgers, zolang de sociëteit in stand blijft, zal overgaan. Het gebouw zal echter nimmer geheel kunnen worden verkocht dan met vooraf verkregen toestemming van het Stadsbestuur. In alle gevallen wanneer verkoop daarvan plaats heeft, zal het de magistraat vrijstaan om voor het bedrag waarvoor het zou mogen zijn verkocht, de vrije eigendom van het gebouw en erve weer aan de stadsdomeinen te trekken. Verder moeten de indieners van het verzoek het gebouw ten allen tijde in een behoorlijke staat van onderhoud houden.

Schutterij van de Busse
In februari 1803 wordt het Stadsbestuur meegedeeld dat de gezamenlijke, nog overgebleven schutters van de schutterij de Busse in een enkele dagen geleden gehouden bijeenkomst eenparig hebben besloten het gebouw en erve van de schutterij aan de stad aan te bieden. Ze zijn bereid dit in volle eigendom ten behoeve van de stadsmiddelen af te staan. Wel doen ze dit op de voorwaarde dat de stad een bedrag van achthonderd gulden, waarmee de schutterij is belast, ten laste van de stad zal overnemen en zorgen dat de crediteuren, aan wie deze som verschuldigd is, bij deze overgave geen schade lijden.
Het Stadsbestuur besluit het gebouw van de schutterij de Busse te aanvaarden en de som van achthonderd gulden ten laste van de stad te nemen.
In april 1804 besluit het Stadsbestuur uit de stadskas af te lossen de kapitalen die gevestigd zijn op de voormalige schutterij de Busse ten bedrage van £ 133.6.8 of ƒ 800.

In augustus 1805 verzoeken de leden van een zeker gezelschap om de grote kamer of schutterszaal van de voormalige schutterij de Busse in de aanstaande winter te mogen huren voor het geven van enige toneeluitvoeringen en deze ruimte voor dat doel in te richten. Dit verzoek wordt overgelaten aan de stadsdirecteuren om daarover te beslissen zoals ze het tot het meeste nut van de stad zullen goedvinden.

Nieuwe haven

Op de 1e augustus 1801 verschijnt Gerardus Codde ter vergadering van het Stadsbestuur. Hij legt een adres over om bij het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks pogingen te doen dat er zo spoedig mogelijk een gunstige beslissing wordt genomen op een eerder ingediend verzoek van een aantal ingezetenen tot het verkrijgen van een nieuwe haven. Dit volgens het in 1792 bepaalde plan of zoals het Stadsbestuur het in haar wijsheid het beste zal oordelen.
Codde dient het adres in namens tenminste 230 burgers van de stad. Ze schrijven onder meer het volgende: ‘’t water is thans tot aan de lippen gekomen, ’t vaarwater en de haven verergeren door verzandingen zo sterk, dat de geladen schepen niet dan met ’t grootste gevaar van schip en goed te verliezen naar deze stad passeren en repasseren kan’.
De uitvoerige brief vermeldt verder: ‘Met reikhalzend verlangen hebben wij op een gunstige dispositie tot heden gewagt. ieder ingezetene dezer stad vleide zich eens eindelijk zijn welvaart hersteld, zijn vervallen zaken weder opgebouwd te zullen zien. Het totale verval van alle takken van bestaan der inwoonders, het stilstaan van fabrieken, het geheel naar andere plaatsen verleggen van alle handel, zijn zo zekere voortekenen, dat zonder spoedige hulp den ondergang dezer stad zeker en onherstelbaar is’. En verderop: ‘Het kwaad verergert van dag tot dag door de gehele verlanding van het vaarwater, de totale ruïne dezer stad is bijna voltooid. Wij menen nog een poging te moeten doen om, zo het nog mogelijk ware, voor onze ingezetenen een uitzicht op herstel te openen’.

Het Stadsbestuur besluit namens de vergadering een adres te maken en met de meeste aandrang aan het Vertegenwoordigend Lichaam te verzoeken ‘om in die zoo hooge nood deezer Stad ten spoedigste te willen voorzien’. De griffier Pilaar krijgt opdracht om zo spoedig mogelijk een brief op te stellen.

Opnieuw verstrijkt een half jaar.
Op de 20e maart 1802 neemt het Stadsbestuur in overweging ‘de situatie van het vaarwater, dat hoe langer hoe meer verergerende, de gehele stremming van alle scheepvaart weldra doet tegemoet zien’. Er is enige informatie ingekomen dat onderhandelingen over het bewerkstelligen van de indijking van de voor de stad liggende schorren zou plaats hebben. Besloten wordt het Staatsbewind van de Republiek te verzoeken met de meeste ernst een gunstige beslissing op de eerder tot het verkrijgen van een nieuwe haven voor de stad gemaakte adressen te verzoeken. Er wordt met de meeste spoed een brief daarover aan het Staatsbewind verzonden.

Enkele weken daarna, op de 3e april 1802, komt er een brief binnen van de Rekenkamer van het voormalige gewest Zeeland met het verzoek de kamer binnen de kortst mogelijke tijd alle stukken betreffende de zaak van het graven van een nieuwe haven voor de stad toe te zenden. Het gaat dan vooral om de stukken die niet zijn gevoegd bij het in het jaar 1799 ingediende brief van het Stadsbestuur aan het Vertegenwoordigend Lichaam. Stadssecretaris Ossewaarde deelt mee dat inmiddels de nodige schikkingen zijn gemaakt tot het kopiëren van de opgevraagde documenten. Alle stukken worden ten spoedigste naar de Rekenkamer gezonden.

Op de 17e juli 1802 komt een extract uit het Register van de besluiten van het Staatsbewind van de Republiek bij het Stadsbestuur in bespreking. Daaruit blijkt dat besloten is de onderscheidene adressen aan het gewezen Vertegenwoordigend Lichaam met betrekking tot de verbetering van de haven van de stad en de indijking van de voor de haven liggende schorren, evenals de stukken en rapporten die daarop betrekking hebben, te zenden aan het Departementaal Bestuur van Zeeland om daarover overeenkomstig artikel 65 van de Staatsregeling te handelen. Het Stadsbestuur besluit het Departementaal Bestuur ‘op de meest gepaste wijze te verzoeken dat deze zaak tot een onderwerp van desselfs ernstige deliberaties moge worden gemaakt, teneinde daarop eens eindelijk een vruchtbare resolutie kan worden genomen en alzo deze stad uit de staat van verval, waartoe dezelve bereids is gebracht, door de herstelling van desselfs vaarwater, nog voordat haar gehele ruïne aanwezig is, moge worden gered’.

Uit de op 24 juli 1802 verzonden brief aan het Departementaal Bestuur van Zeeland blijkt het volgende: ‘Ofschoon wij ons mitsdien tot heden vrugteloos met eene favorabele dispositie op onze verzoeken tot het bekomen van een verbetering aan het vaarwater dezer stad vleiden, verheugen wij ons echter dat door het voorschreven besluit deze zaak wordt gerenvoyeerd aan ulieder vergadering. Welke meer in de gelegenheid zijnde om nauwkeurig van de lokale situatie te worden geïnformeerd, dan ook te eerder van de noodzakelijkheid zal worden geconvinceerd, om eens eindelijk het over zo een geruime tijd geprojecteerde plan tot verbetering van het Goese vaarwater dadelijk ten effect te doen brengen’.
Betoogd wordt dat het Stadsbestuur de beslissing op de ingediende stukken zou hebben afgewacht indien de situatie, waarin wij zien dat deze stad door de hand over hand toenemende verlanding van het vaarwater gebracht wordt, niet gebiedend van ons vorderde om alles te doen wat enige bespoediging van deze zaak kan toebrengen. ‘Wij zullen niet meer herhalen de zo menigmaal voorgedragen schets van de ongelukkige gesteldheid van de haven van de stad en van alle de nadelige gevolgen welke daaruit voortvloeien. Alles verergert hoe langer hoe meer. De gehele stremming van alle scheepvaart is zo goed als aanwezig. De regering van deze stad hoeft zich nimmer te verwijten tot bekoming van herstel iets onbeproefd te hebben gelaten’.

En weer verloopt er een jaar waarin geen besluit valt over de haven en het verval van de stad zich voortzet.
Op de 25e juni 1803 merkt de president van de stedelijke raad op dat op de lijst van onafgedane punten, door het vorige Stadsbestuur overlegd, mede vermeld staat de zaak van het vaarwater en het graven van een haven voor de stad. Hij wijst op de nadere resolutie van het Staatsbewind van 3 augustus 1802 waarbij over de bedijking van de schorren voor en terzijde van de haven de zienswijze van het Departementaal Bestuur wordt gevraagd. Helaas heeft hij niet kunnen ontdekken dat aan deze resolutie door het Departementaal Bestuur is voldaan. Hij is van oordeel dat nadere pogingen tot afdoening niet ongepast zouden zijn. Zijn voorstel is aan het Staatsbewind te verzoeken het Departementaal Bestuur aan te schrijven om hun overwegingen over deze zaak binnen zekere tijd aan het Staatsbewind in te zenden. Hiermee gaat de raad akkoord.

In het voorjaar 1804 gloort er enige hoop dat er iets in beweging komt. De stadsdirecteuren rapporteren de raad ‘dat ze geïnformeerd zijn dat thans wederom zich enige apparentie schijnt op te doen dat het werk van de vernieuwing van de haven en de indijking van de schorren zijn beslag zal bekomen’. Zoveel in hun vermogen is zullen ze daaraan willen bijdragen. Dit zal echter niet kunnen geschieden zonder dat van stadswege enige spendues worden gemaakt. Ze stellen voor tot bevordering van deze voor de stad zo belangrijke zaak de nodige kosten door de stadsrentmeester te doen betalen. Het Stadsbestuur machtigt de stadsdirecteuren om al zulke voegzame middelen bij de hand te nemen die zij oordelen dienstbaar te kunnen zijn.

Ondertussen slikt de haven steeds verder dicht. In juni 1804 rapporteren de stadsdirecteuren aan het Stadsbestuur dat bij onderscheidene door hun uitgevoerde inspecties is gebleken dat de plaat tussen de hoofden aan het eind van de haven zodanig is opgewassen dat vele schepen met geen mogelijkheid meer kunnen binnen- of op de haven uitkomen. Ze stellen voor daarop inspectie door een commissie uit de raad te nemen en enige middelen van redres daar te stellen. Besloten wordt de stadsdirecteuren te verzoeken en te machtigen om op zulke wijze als zij zullen oordelen tot het meeste nut en de minste kosten van de stad te zijn, het ongerief te doen herstellen voorzover dit bij de ongelukkige situatie van het vaarwater van de stad enigszins zal kunnen geschieden.

In december 1804 komt er bericht van de Departementale Rekenkamer dat de inspecteur A. Schraver is gelast om, met postpositie van alle niet volstrekt noodzakelijke bezigheden, de kamer ten opzichte van de legging van de nieuw geprojecteerde haven van de stad en de mogelijk daarmee gepaard gaande bedijking van de aangrenzende schorren, te dienen van zijn schriftelijk advies. Het Stadsbestuur wordt verzocht de inspecteur zodanige assistentie, vooral door de stadsfabriek, te verlenen als de inspecteur nodig zal oordelen. Het Stadsbestuur besluit alle mogelijke assistentie tot bevordering van het werk aan inspecteur Schraver te geven.

Andries Schraver, inspecteur bij de Waterstaat in het Departement Zeeland, geeft het Stadsbestuur op de 19e december kennis van de verkregen opdracht om zich bezig te houden met het werk van de geprojecteerde nieuwe haven van de stad en de daarmee mogelijk vergezeld gaande bedijking van de schorren. Hij geeft zijn gedachten weer over de wijze waarop dit werk volgens hem zou behoren te worden ondernomen. Zijn idee is om eerst het graven van de haven met de gevolgen van dien en de bedijking van het oostelijke gedeelte van het schor ‘de Mosselbank’ te bewerkstelligen. In een volgend jaar zou dan de wenselijke bedijking van ‘de Mosselbank’ benevens ‘Hongersdijk’, ‘Goenje’ en ‘de Onbekenden’ ondernomen kunnen worden. Hij verzoekt de raad zijn ideeën in serieuze overweging te nemen, zodat een in overleg tot stand gekomen plan aan de Departementale Rekenkamer kan worden gepresenteerd.
Het Stadsbestuur besluit om in deze voor de stad zo gewichtige zaak met gebruikmaking van de meerdere kennis van zaken te werk te gaan en alle diselucidatien te bekomen die de leden van de raad in staat kunnen stellen om daarover een oordeel te vormen. Besloten wordt met inspecteur Schraver dezer dagen een conferentie te beleggen.

In de vergadering van de 22e december 1804 beraadslaagt het Stadsbestuur over de resultaten van de conferentie met inspecteur Schraver. De door hem gegeven toelichting bleek tegengesteld te zijn aan het project van 1790. Besloten wordt inspecteur Schraven te kennen te geven dat zijn plan betreffende de uitvoering van het nieuwe werk door de stedelijke raad wordt goedgekeurd. In het bijzonder is het Stadsbestuur voldaan over het voornemen om de nieuwe haven te laten beginnen even bezuiden de westerschans. Met onderling genoegen besluit het Stadsbestuur het plan aan de Rekenkamer van Zeeland voor te dragen.

In april 1805 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Departementale Rekenkamer van Zeeland. Daarbij wordt de raad toegezonden een kopie van een voorbereidende memorie over het plan voor het graven van een nieuwe haven voor de stad, door inspecteur A. Schraver aan de Rekenkamer gepresenteerd. Het Stadsbestuur wordt uitgenodigd de memorie te examineren en zodanige bedenkingen daarop in te dienen als het welzijn van de stad mocht vereisen. De Rekenkamer verzoekt de gedachten van het Stadsbestuur te mogen vernemen over de wijze waarop de gelden voor het graven van de haven met de daarbij behorende hoofden, sluizen en spuikommen het meest geschikt zullen kunnen worden gevonden. Ook moeten de fondsen waaruit de aflossingen, de rente en de kosten van onderhoud zouden kunnen worden gefinancierd, worden opgegeven.

Het Stadsbestuur besluit in zijn vergadering van de 4e mei 1805 over de brief van de Rekenkamer van Zeeland en de daarbij gevoegde memorie en kaart. Het oordeel is dat ‘op het plan van de haven geen remarques bij de raad zijn voorgekomen’.
Als financiële middelen voor de uitvoering daarvan worden aan de hand gegeven ‘hetgeen de geïnteresseerden in de te bedijken schorren en d’aanwassen van Hongersdijk, den Onbekenden, Goenje en de Mosselbank daartoe zouden behoren te contribueren, hetgeen de wateringen welke hun water in de haven zullen sueren daartoe zouden bijdragen, terwijl het overige vanwege den Lande zou kunnen worden voorgeschoten’.
Enkele weken later verzoekt de Rekenkamer van Zeeland om terugzending van de memorie over het werk van de haven, de kaart en de tekening van de profielen van de havendijken. Het Stadsbestuur besluit dit te doen, maar wel een copie van de memorie voor zich te behouden, terwijl van de kaart en de tekening een copie ten koste van de stad zal worden gevraagd.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 19e juli 1806 deelt de president Ossewaarde mee dat hij, samen met de heren Slabber, Stokmans, Soetebier en Van Kleijnputte, gisteren heeft geconfereerd met de gedeputeerden Ermerins, Van Doorn en secretaris Van Houte uit het Departementaal Bestuur van Zeeland over het werk van de verbetering van de haven en de bedijking van de annexe schorren. De gedeputeerden legden de leden van de Raad voornamelijk de volgende punten voor:

  1. of het voorgestelde project naar het oordeel van de Raad voor verbetering of verandering vatbaar is en zo ja, welke opmerkingen daarop vanwege de Raad van Goes zijn te maken;
  2. welke bijdrage vanwege de stad te verwachten is om het werk te voltooien;
  3. of door de Raad zou kunnen worden berust in de geopperde zwarigheid van inspecteur Schraver, dat, indien de verbetering van de haven en bedijking tot stand mocht worden gebracht, er dan twee jaren tijd zouden worden vereist om dat werk te voltooien en zekerheidshalve eerst met de bedijking een aanvang moet genomen worden, dientengevolge de vaart van deze stad voor twee jaren zal worden gestremd, waardoor gedurende die tijd de commercie zeer aanmerkelijk zou worden belemmerd, dan wel of er van de zijde van de Raad enige bedenkingen daartegen te wachten zijn en zo ja, welke middelen er naar het oordeel van de Raad behoren te worden aangewend tot wegruiming van de geopperde zwarigheid.

Op de 28e juli beraadslaagt het Stadsbestuur over deze punten. Er ligt dan ook een verzoek ter tafel van de secretaris van het Departementaal Bestuur dat de overwegingen van deskundigen over de mogelijkheid van het leggen van de kapitale spuisluis tegelijk met de bedijking te effectueren in geschrifte aan gedeputeerden mocht worden gecommuniceerd.
Hierover wordt advies gevraagd van de stadsfabriek en de timmermansbaas Pieter Proos. Ook zal hierover nog nader met inspecteur Schraver worden geconfereerd. Het Stadsbestuur heeft behoeft aan nader overleg met de gedeputeerden uit het Departementaal Bestuur.

President Ossewaarde deelt het Stadsbestuur op de 5e augustus mee dat hij bij zijn bezoek te Middelburg door de heren Ermerins en Van Doorn is geïnformeerd dat deze graag zullen voldoen aan het verlangen van de raad. Daarvoor zal morgen een nadere beraadslaging over de verbetering van het vaarwater van de stad worden gehouden. Het is noodzakelijk uit de raad een commissie te benoemen om bij dat ‘besogne’ te assisteren. Afgevaardigd worden de heren Slabber en de secretaris om zich morgen naar Middelburg te begeven om in het besogne met leden uit het Departementaal Bestuur over het graven van de haven te verschijnen. De stadsfabriek en timmermansbaas P. Proos zullen zich bij deze gelegenheid mede naar Middelburg begeven om over het werk van de spuisluis nader met inspecteur Schraver te kunnen confereren.

Op de 9e augustus doet secretaris Ossewaarde verslag van het besogne met de heren Van Doorn, Ermerins en Van Houte te Middelburg. In het bijzonder zijn daarbij behandeld 1. de zwarigheid om het vaarwater in het eerste jaar door bedijking geheel te sluiten en 2. de vraag wat door de stad aan de uitvoering zou kunnen worden bijgedragen.
Wat het eerste betreft hebben ze betoogd dat de stad niet langer dan volstrekt noodzakelijk van alle scheepvaart zou worden afgesneden, enige verandering in het project scheen te hebben te weeg gebracht. Immers, op nader advies van inspecteur Schraver gingen de gedachten van de leden van het besogne daar heen om het leggen van de spuisluis achter de tegenwoordige havendijk met al hetgeen daartoe behoort eerst en vooral te effectueren. Hiervan zal het gevolg zijn dat de bedijking en het leggen van de haven met veel meer waarschijnlijkheid in één jaar tot uitvoer zal kunnen worden gebracht.
Wat het tweede betreft hebben ze betoogd dat wat betreft de bijdrage van de stad van die zijde niets te verwachten is in verband met het bekende onvermogen waarin de stedelijke financiën zich bevinden. Doch ze hebben de bereidheid van de Raad betuigd om door de introductie van stedelijke middelen een behoorlijke jaarlijkse aflossing vast te stellen. Ze kregen de indruk dat de heren van het besogne overtuigd schenen te zijn van het onvermogen van de stad om iets bij te dragen, doch vele bezwaren werden geopperd tegen de invoering van belasting op de gemeten zoals die in 1794 was geopperd.
Ze hebben toegezegd dat men voorzeker van de zijde van de stad alles wat mogelijk is zal doen om het gehele verval van de stad te voorkomen. Doch niettemin hebben ze nogmaals gewezen op de belasting op de gemeten zoals indertijd door de Souvereine Vorst werd toegelegd. Op hun verzoek heeft secretaris Van Houte de calculatie van de kosten toegezegd.

Op de 11e oktober 1806 deelt de heer Slabber het Stadsbestuur mee dat hij met de secretaris van het Departementaal Bestuur van Zeeland heeft gecorrespondeerd over het project van de verbetering van de haven. Deze gaf zijn verlangen te kennen dat vanwege de Raad zoveel doenlijk wordt gecontribueerd tot meerdere volmaking van de plannen die voor dat doel geformeerd zijn en dat speciaal door deskundigen een behoorlijke tekening en project van de gerequireerde suatie en sluis wordt gemaakt. Het Stadsbestuur besluit, om geen vertraging aan het werk vanwege de Raad toe te brengen, aan het verlangen van de secretaris van het Departementaal Bestuur te voldoen. De stadsfabriek zal met de onderfabriek van Middelburg De Feijter, die hiervoor zeer geschikt is, de verlangde plantekeningen en wat verder tot het maken van een volledig project van nodige schuur- en suatiesluis zal worden vereist, te doen bewerken en in orde te brengen.

Eind december 1806 komt er een verzoek van de secretaris van het Departementaal Bestuur om de stadsfabriek Metzger, geassisteerd met enige andere deskundigen, naar Middelburg te laten komen om met ’s lands inspecteur Schraver over het project van de nieuwe haven, voor wat betreft de sassing en havenschuring, nader te besogneren. Besloten wordt de stadsfabriek J.F. Metzger alsook timmermansbaas Pieter Proos af te vaardigen naar het besogne met ’s lands inspecteur met de machtiging om alle mogelijke onderrichtingen en elucidatien die van hun zullen worden gevraagd te suppediteren.

Kerkgebouwen

Grote kerk
De stadsdirecteuren krijgen in februari 1802 toestemming om op basis van het door hen gemaakte bestek vier nieuwe wijzerborden met wijzers op de toren van de Grote kerk aan te laten brengen. Het ijzerwerk voor de nieuwe wijzerborden wordt opgedragen aan de smid Pieter Fabrij voor een bedrag van £ 106. Het schilderwerk aan de nieuwe wijzerborden en wijzers alsook het buitenschilderen van de stadsgebouwen, de leenbank en de beide schoolgebouwen wordt opgedragen aan Frederik Goosen voor £ 36.10.

In november 1803 rapporteren de kerkmeesters in de vergadering van het Stadsbestuur dat ze bij de aanvaarding van hun functie van kerkmeester het gebouw van de Grote kerk in een zodanige staat hebben bevonden dat ze terstond de noodzaak hebben gezien om voor de noodzakelijke reparaties meer dan gewone uitgaven te doen. Deze onkosten kunnen niet uit de gewone inkomsten van de kerk worden gevonden. Ze hebben overwogen hoe deze uitgaven tot de minste schade van de kerkgoederen kunnen worden bekostigd. Dit kan het beste geschieden door de verkoop van zeven gemeten en 23 roeden land liggende onder de jurisdictie van de stad. Het Stadsbestuur besluit hen toestemming te geven voor de verkoop. De kerkmeesters krijgen machtiging om de benodigde penningen ten bedrage van £ 333.6.8 te lenen.

Er ontstaat brand in de Grote kerk op de 24e februari 1804 door het inslaan van de bliksem in het dak van de Grote kerk aan de westzijde van de toren. De kerkmeesters delen mee dat ‘er daarbij geen noemenswaardige schade is veroorzaakt, terwijl door de ijver en bereidwilligheid van de goede ingezetenen de brand dadelijk is geblust en alzo gelukkig is voorkomen alle die gevaren welke niet alleen het kerkgebouw maar de gehele stad bedreigen’. Ze zijn echter genoodzaakt geweest een wakend oog te houden door het stellen van wachters gedurende de afgelopen nacht om te voorkomen dat niet somtijds nog enig vuur zich hier en daar aan het gebouw mocht ontdekken. Het Stadsbestuur besluit de helft van de kosten van stadswege te vergoeden.

Wandelkerk
Op voorstel van de kerkmeesters besluit het Stadsbestuur in juni 1802 de koster van de Grote Kerk te gelasten ervoor te zorgen dat de wandelkerk ’s avonds op dezelfde uren als de stadspoorten wordt gesloten en dat deze ’s morgens niet vroeger dan acht uur door hem wordt geopend.

Kleine of Gasthuiskerk
In februari 1805 besluit het Stadsbestuur op voorstel van de stadsdirecteuren het torentje van de Kleine of Gasthuiskerk, waaraan grote reparaties moeten worden gedaan, af te laten breken. De klok die in de toren hangt, waarmee ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds wordt geluid, zal worden geplaatst in de stadhuistoren boven het huis van de conciërge.
Maar in april 1805 corrigeert het Stadsbestuur dit besluit. Bij nader inzien wordt besloten het luiden van deze klok ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds op de gewone uren, zoals dat gebruikelijk of bij de Ordonnantie voor de poortiers vastgesteld is, over te laten aan de conciërge van het Stadhuis, Cornelis van de Volkeren, onder genot van een traktement van £ 7 Vlaams per jaar.

Gevangenis

Op voorstel van de president van de Rechtbank besluit het Stadsbestuur in januari 1805 de Rechtbank te machtigen om tot meerder zekerheid voor de bewaring van de gevangenen, die thans in de stadsgevangenhuizen zijn gevangen gezet, bij voortduur deze ten koste van de stad te doen bewaken

Stadsgangen

In mei 1801 klaagt de postmeester Frederik Willem Sterk, wonend in het pand Lange Kerkstraat nummer 3, over het werpen van vuilnis in de noordelijk van zijn woning gelegen stadsgang. Deze stadsgang wordt in het huizenkohier aangeduid als ‘een lege plaats aan de gedempte vate ten zuiden van de vleeshal van het Stadhuis’. De stadsdirecteuren krijgen opdracht maatregelen te nemen tegen het werpen van vuilnis in de stadsgang bij het Stadhuis. De dienaars van de justitie krijgen opdracht daarop een wakend oog te houden volgens de plaatselijke ordonnantiën.

Ook in januari 1805 rapporteren de stadsdirecteuren over de door hen gehouden inspectie op sommige stadsgangen. Daarin zijn verscheidene betimmeringen door de eigenaars van aangrenzende huizen aangebracht. Echter om deze op te laten ruimen na een veeljarig ongestoord gebruik daarvan zal tot veel moeilijkheden aanleiding geven. Het Stadsbestuur besluit dan ook hen te machtigen om met de belanghebbenden zodanige schikkingen te maken als met onderling genoegen het best zal kunnen geschieden.

Plantsoenen

Geregeld is er deze jaren sprake van vernielingen aan de stadsplantsoenen.

Zo besluit het Stadsbestuur in januari 1801 president en schepenen te verzoeken om alle mogelijke zorg te dragen dat aan de uitvoering van de gestelde orders tot wering van baldadigheden de hand wordt gehouden en tegen de overtreders strikter wordt opgetreden. Niettegenstaande de wetten tegen het schenden van plantsoenen en gebouwen worden de stadsfinanciën door de ongeregeldheden van sommige kwaadwilligen in het ruïneren van jonge plantagiën aanzienlijke schade toegebracht.
Maar ook in maart 1804 is er sprake van vernielingen aan de stadsplantsoenen. De stadsdirecteuren rapporteren dat, niettegenstaande de zo dikwijls herhaalde orders tegen het schenden van stadsplantages, dit thans meer en meer plaats heeft. Dit strekt tot merkelijk nadeel van de stadsfinanciën. Ze verzoeken daarin op een efficiënte wijze te voorzien.
Het Stadsbestuur besluit, onverminderd de bestaande verboden en publicaties tegen de schenderijen van plantages, de baljuw te verzoeken ‘om serieuselijk te vigileren tegen degenen welke deselve mogten tegenwerken, zijn bediende te gelasten daaromtrent beter toezicht te houden en eindelijk tegen de overtreders zonder enige conventie te procederen tot zodanige straffen als bij voornoemde wetten zijn gestatueerd’.

De stadspantsoenen leveren de stad ook jaarlijks opbrengsten op wegens de verkoop van bomen. Zo levert de verkoop van bomen op het plein buiten de Ganzepoort in januari 1802 £ 52.6 op. In januari 1803 worden de bomen aan de singel, ‘van het Sluisje over de weie van dokter Noël naar de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, voorts langs de zoute veste tot aan het hof van Lodewijk Tak’ verkocht. En in februari 1805 worden de bomen staande in de Oosterschans publiek bij partijtjes verkocht.

Poorten, wallen en vesten

Poorten
In maart 1802 rapporteren de stadsdirecteuren dat Cornelis Kopmels, wonend op ‘de Struikelblok’ buiten de Koepoort, stadsgrond door het verzetten van een heining op een onbehoorlijke wijze aan de Cingel heeft ingenomen. Kopmels krijgt de aanzegging om de heining in de vorige staat te brengen.
Anthony de Keijzer krijgt in april 1804 vergunning om op de erve van zijn woonhuis in de Ganzepoortstraat en uitkomende aan de stadswal bij de Ganzepoort twee woonhuisjes aan te bouwen. Dit op dezelfde wijze als op die plaats reeds enige woonhuisjes door hem zijn gesticht.

In januari 1804 zijn er klachten van ingezetenen van de Voorstad over de poortier van de Ganzepoort. Ze verzoeken vrijstelling van betaling van het poortgeld of betaling van een bepaalde jaarlijkse som waardoor iedere ingezetene van de Voorstad de Ganzepoort vrij zal mogen passeren. Het Stadsbestuur overweegt dat het Reglement van de poortiers van de 15e augustus 1796 in meerdere opzichten voor verbetering vatbaar is. De leden Van Erlach la Motthe, Soetebier en de secretaris worden verzocht het Reglement te herzien en daarover van advies te dienen. Het door hen opgestelde concept voor een nieuwe ordonnantie wordt op de 21e januari 1804 vastgesteld.

Het blijkt in 1805 dat er veel klachten zijn als ’s nachts de poorten moeten worden geopend. Door de afgelegenheid van de poortiers ondervindt dit zeer veel vertraging, ook omdat deze zich niet met voldoende oplettendheid gedragen. Het Stadsbestuur besluit dat ‘s avonds na het sluiten van de poorten de sleutels zullen worden afgegeven bij de klapperwacht. Elk uur zullen deze door de klapperlieden, wanneer ze naar de poorten gaan, worden meegenomen om een ieder die zich voor de poort bevindt te kunnen in- en uitlaten. De klapperlieden ofwel de majoor van de klapperwacht blijft verplicht de volgende morgen aan de president van de stedelijke raad kennis te geven wie door hen is in- of uitgelaten. Het extra-ordinair poortgeld ingevolge de Ordonnantie zal ook door de klapperlieden die de wacht hebben worden geprofiteerd.

Vesten
De zogenaamde zoute vest wordt deze jaren verpacht aan de weduwe van Marinus Harinck en de zogenaamde brakke vest aan Pieter Bokelaar.

De stadsdirecteuren doen de stedelijke raad in oktober 1805 een voorstel over de mogelijkheid van het inlaten van zout water in de stadsvesten. Al een geruime tijd hebben ze hun gedachten laten gaan over de situatie waarin de stadsvesten zich bevinden. Deze zijn door de gedurige aanvoer uit de riolen en door andere oorzaken, niettegenstaande alle aangewende middelen, zo ondiep geworden dat het water in de vesten geheel bedorven raakt en op sommige tijden een enorme stank opgeeft. Het is niet alleen ten uiterste onaangenaam voor de ingezetenen met name in de Voorstad, maar de lucht zou ook daardoor zo bedorven kunnen worden dat dit van nadelige invloed is voor de gezondheid van de burgerij. Het schijnt zelfs niet onmogelijk dat daarvan vroeg of laat kwaadaardige ziekten het gevolg zullen zijn. Het is daarom van het grootste belang doeltreffende maatregelen te nemen.
Alles afwegende zien de stadsdirecteuren als het meest succes belovend plan ‘het in de vesten innemen en langs een andere weg wederom uitlaten van zout water, als kunnende daardoor het water van tijd tot tijd ververst, de modderige stoffen verplaatst en enigszins afgevoerd en de groei van riet, hetgeen mede de opslikking bevordert, voorgekomen worden’. Ze hebben de mogelijkheid van uitvoering van een zodanig plan laten onderzoeken.
Door het leggen van een sluisje in de stenen beer bij de oliemolen, kort bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, zou water ingenomen kunnen worden. Dat zou weer ontlast kunnen worden door een sluisje of heule te leggen onder de singel bij de zeedijk in de zogenaamde Galghoek. Dit water zou dan kunnen worden gebracht in de watergangen in de noordhoek van Cloetinge om vervolgens geleid te worden naar de Kattendijkse zeesluis.

Na deliberatie besluit het Stadsbestuur de president van de raad te verzoeken om bij het college van dijkgraaf en gezworenen na te gaan of er draagvlak voor het plan van de stadsdirecteuren is.

Wallen
In april 1802 verzoekt Jacobus Ponse toestemming om achter zijn woonhuis, ten zuiden van de Oostpoort in de Sint Jacobstraat, een buis voor de waterlozing onderdoor de daarachter liggende stadswal te laten leggen, om daardoor het water uit zijn woonhuis in de stadsvest te kunnen lozen.

Engel Sloover en Pieter Zegers krijgen in juli 1805 vergunning om voor het hen door aankoop in eigendom verkregen woon- en zomerhuis, staande en gelegen tegen de stadswal bij de bleek (het zogenaamde groene weitje) aan de Ganzepoort en thans door hen herbouwd, tegen de op de wal geplante bomen een latten aftuining te laten stellen. De daar staande planken tuin zullen ze moeten verplaatsen tot boven op de wal, mede tegen de daar geplante bomen, en die tuin verlengen westelijk tot aan het eerst aldaar gestelde boompje. Het is nu niet anders dan een vuilnishoek.

In oktober 1805 verzoekt Pieter Zegers hem een zeker gedeelte van stadsgrond bij zijn stal aan de bleek bij de Ganzepoort (het zogenaamde groene weitje), uitkomende tegen de stallen van Jacob Filius en Jan Dominicus, tegen betaling van een jaarlijkse cijns af te staan.
Het gaat om een gedeelte van stadsgrond ter breedte van 22 en ter lengte van 17 voeten tegen de erve bij de bleek aan de Ganzepoort. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek af zoals dit er nu ligt. Wel mag hij het innemen tegen betaling van een jaarlijkse cijns van vijf schellingen Vlaams.

Schansen
In juni 1803 verzoekt Jan Rottier, wonende in de westerschans, vergunning om tegen betaling van een jaarlijkse cijns in te mogen nemen een zeker gedeelte van stadsgrond op de noordoostelijke hoek van de schans (lang 32 voet en breed 20 voet) om daar een zomerhuis te stichten. Het Stadsbestuur verleent hem de vergunning. Het jaar daarop in juni krijgt hij ook vergunning om op de westerschans, bij het hoofd naast het zomerhuis, door hem op grond van de vergunning van 9 juli 1803 gesticht, nog een kamer aan te bouwen en daartoe stadsgrond (lang 35 voet en breed 22 voet) te mogen innemen en betimmeren. De aanbouw dient te geschieden onder toezicht van de stadsfabriek, met name bij het leggen van de grondslag.

Posterij

In juni 1806 verzoekt het Departementaal Bestuur van Zeeland de gemeentebesturen alle maatregelen te nemen om te voorkomen dat de postillons aan poorten, veren en barrières worden opgehouden en hen alle hulp en faciliteiten te bieden. Besloten wordt de poortiers zeer serieus op te dragen voortaan alle oplettendheid in het uit- en inlaten van de postwagens te betonen, zonder van hen enig poortgeld te vorderen.

Scheepstimmerwerf

In december 1806 deelt de scheepstimmerwerfbaas Gillis Welle mee dat hem bij besluit van 23 april 1791 een gedeelte stadsgrond tot het vergroten van zijn scheepstimmerwerf in gebruik is gegeven. Hij wil graag afstand doen van die vergunning en op deze wijze dat gebruik weer aan de stad overlaten. Het Stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te machtigen om deze grond weer voor de stad in te nemen en het nodige toezicht te houden dat de daar gestelde afschutting voor rekening van Gillis Welle wordt verplaatst naar de situatie zoals deze was voordat hij deze vergunning verkreeg.

Vrijheidsboom

Op voorstel van de stadsdirecteuren besluit het Stadsbestuur op 7 juli 1804 hen te machtigen om op de beste wijze weg te doen nemen de Vrijheidsboom die tot op heden op de Grote Markt was geplaatst.

Waag

In december 1805 ontvangt het Stadsbestuur een verzoek van de Raad der Financiën van het departement naar aanleiding van een aanschrijving van de Secretaris van Staat voor de Financiën. De Raad wil de voorwaarden weten waarop de stad het gebruik van de stadswaag met de daartoe behorende gereedschappen ten dienste van het land zou willen afstaan. Verder vraagt de Raad der Financiën informatie of er onder de gereedschappen geijkte Amsterdamsche gewichten zijn. Ook wordt naar een geschikt persoon geïnformeerd om de post van waagmeester te bekleden.
Het Stadsbestuur besluit afstand van de stadswaag ten dienste van het land af te wijzen. Niettemin zal, onder voorbehoud van een redelijke vergoeding, het algemeen gebruik van de waag worden aangeboden op gelijke voet zoals tot op heden heeft plaats gehad. Aanbevolen wordt de huidige waagmeester Cornelis van de Volkeren een aanstelling te geven. In februari 1806 voldoet het Stadsbestuur aan het verlangen van de Raad der Financiën en beëdigt de waagmeester Van de Volkeren in ’s Lands dienst met de opdracht om bij voortduur deze functie in de waag waar te nemen, voorlopig onder het genot van het daarvoor staande wik- of waaggeld. De Raad van Financiën in Zeeland kent de stad voor huur van het gebouw van de waag jaarlijks een bedrag toe van f 100.
Verder wordt besloten de voor handen zijnde Goesche waaggewichten die niet direct nodig zijn op de zwaarte van het Amsterdamsche gewicht te brengen.

Jan Visser, die het stadsweeghuis bewoont, krijgt in 1802 vergunning voor het verkopen van sterke drank bij de kleine maat. Wel krijgt hij in maart 1806 een reprimande wegens het houden of zetten van enige gelagen hoegenaamd in zijn huis. Als dit zich nog eens voordoet zal hem de bewoning van het weeghuis worden ontzegd.

Seinpalen en schilderhuizen

In juli 1802 rapporteren de stadsdirecteuren aan het Stadsbestuur dat door den lande zijn overgenomen tien schilderhuizen die aan de stad hebben toebehoord.
Op de 22e augustus 1803 vindt de aanbesteding voor het maken van zes seinpalen plaats. Deze worden geplaatst op het veer van de Noordkraaiert; aan de haven van de Zuidkraaiert; op de hoek van de Zuidkraaiert bij Klaas Hoondert; op de noordernol; bezuiden Borssele bij A. Karelse en op de hoek genaamd ‘de Staart’.
Over de bekostiging daarvan is onduidelijkheid. In september komt er een kennisgeving van het Departementaal Bestuur dat het verzoek om toestemming voor de oprichting van de seinpalen aan de Secretaris van Staat van het Departement van Oorlog is doorgezonden. Een week later komt een brief van het Departementaal Bestuur ter tafel van het Stadsbestuur waarbij de toegezonden declaratie voor de zes seinpalen ten bedrage van £ 504 in handen wordt gesteld van de Commissie tot de zaken van de Defensie binnen dit departement om op de betaling de nodige orders te stellen.

Overige openbare werken

Op verzoek van de landman Marinus Zoutendam, wonende onder de jurisdictie van de stad, draagt het Stadsbestuur in april 1802 de stadsdirecteuren op om de nodige zorg te dragen dat het voetpad naar de hofstede van Zoutendam bij de zogenaamde ‘Witte Hoefties’ door het leggen van de vereiste planken in behoorlijke staat wordt gebracht.

Cornelis Kopmels, wonend op de zogenaamde ‘Struikelblok’, verzoekt in mei 1802 een zeker gedeelte van stadsgrond te mogen gebruiken. Hij krijgt toestemming om op de helft van de sloot tussen zijn erf en de stadssingel een aftuining te zetten. Ook mag hij van de misput achter zijn schuur een uitweg hebben op stadssingel, ter plaatse en in zodanige richting als die uitweg thans is aangelegd.

Pieter Remijn krijgt in 1804 toestemming om, wanneer hij bij koop eigenaar mocht worden van een zeker huisje van de kinderen van Bartholomeus Reijnierse, staande aan het einde van de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat tegenover de stadssmidse, dit tot een stal te mogen gebruiken en geschikt te maken.
In maart 1805 worden aan Remijn op zijn verzoek tegen betaling van een altijd durende cijns van £ 2.6.- Vlaams per jaar uitgegeven 46 roeden grond, gelegen in het zogenaamde ‘Ganzenest’ bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.

In april 1806 verzoekt Abraham Johannes Jaspers toestemming om aan de zuidzijde van zijn pakhuis naast de Ganzepoort een afheining te stellen. Hij schrijft: ‘Niettegenstaande de van tijd tot tijd gedane publicaties tegen het werpen van vuiligheid op en aan de stadwallen en publieke plaatsen, ondervindt hij bij voortduring dat men zich niet ontziet om aan de zuidzijde van zijn pakhuis, staande aan de Ganzepoort, op en tegen het zogenaamde ‘Kasteel’ boven de poort, inzonderheid voor de ingang van zijn pakhuis aan die kant vuiligheden en in het bijzonder uitwerpselen te werpen en te leggen, waardoor hij zeer veel onaangenaamheden moet lijden en zijn koopwaren, in dat pakhuis leggende, aan bederf onderhevig worden en beschadigd’.